Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2016:3159

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
01-06-2016
Datum publicatie
14-06-2016
Zaaknummer
4287597 / MC EXPL 15-7587
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Paulianeus handelen. Vernietiging van een rechtshandeling ex artikel 42 of 47 Fw. Onderscheid tussen onverplichte rechtshandeling (artikel 42 Fw) en verplichte rechtshandeling (artikel 47 Fw)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
INS-Updates.nl 2016-0256
AR 2016/1665
prof. mr. A.W. Jongbloed annotatie in UDH:TvCu/13367
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht
kantonrechter

locatie Almere

Vonnis van 1 juni 2016

in de zaak met zaaknummer / rolnummer 4287597 / MC EXPL 15-7587 van

CHRISTIAAN JACOB JAGER,
in hoedanigheid van curator in het faillissement van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [bedrijf 1] B.V.,
wonende te Amsterdam,
eiser in conventie,
verweerder in reconventie, hierna ook te noemen: de curator,
gemachtigde mr. M.M. Dellebeke,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie, hierna ook te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde [A] .

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie

  • -

    de conclusie van repliek in conventie en van antwoord in reconventie

  • -

    de conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie

  • -

    de conclusie van dupliek in reconventie.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[bedrijf 1] is opgericht op 13 augustus 2012. Vanaf datum oprichting tot en met 17 juli 2014 handelde [bedrijf 1] onder de handelsnamen [handelsnaam 1] , [handelsnaam 2] en [bedrijf 1] .

De handelsactiviteiten van [bedrijf 1] bestonden uit de verkoop en implementatie van

modules in, onder andere, machines die goederen of diensten leveren aan haar klanten.

Concreet ontwikkelde en verkocht [bedrijf 1] soft- en hardware waarmee klanten per mobiele telefoon betalingen kunnen verrichten voor snackautomaten en openbare toiletten,

bijvoorbeeld op de stations van de Nederlandse Spoorwegen.

2.2.

Statutair bestuurder van [bedrijf 1] is mevrouw [A] , geboren op [1964] te [geboorteplaats] (hierna: “ [A] ”). Gevolmachtigde van [bedrijf 1] is de heer [B] , geboren op [1957] te [geboorteplaats] ( [B] ”). Enig aandeelhouder van [bedrijf 1] is [bedrijf 2] B.V (“ [bedrijf 2] ”). Bestuurder en enig aandeelhouder van [bedrijf 2] is eveneens [B] . [bedrijf 3] B.V. (“ [bedrijf 3] ”) is een 100% dochtervennootschap van [bedrijf 1] . Statutair bestuurder van [bedrijf 3] is mevrouw [A] . Gevolmachtigde van [bedrijf 3] is eveneens [B] .

2.3.

[gedaagde] is de houdster- en financieringsmaatschappij van [A] .

2.4.

Eind 2013 kreeg [bedrijf 1] opdracht van de NS/Pro Rail tot levering van modules, welke modules door [bedrijf 1] zouden worden afgenomen van een leverancier in Duisland.

2.5.

[C] is aangezocht de modules in Duitsland gereed te maken. [C] had in loondienst gewerkt voor [bedrijf 1] in de periode voordat [A] bestuurder werd. [C] verlangde betaling van [bedrijf 1] van een bedrag aan achterstallig loon van € 7.500,00 voordat hij bereid was die werkzaamheden in Duitsland te gaan uitvoeren.

2.6.

[gedaagde] heeft op 10 maart 2014, wegens het ontbreken van liquide middelen bij [bedrijf 1] , een bedrag van € 7.500,00 aan [C] voldaan.

2.7.

Op 17 april 2014 is door [bedrijf 4] B.V., [bedrijf 5] B.V. en [bedrijf 6] (de leverancier in Duitsland van de modules) het faillissement aangevraagd van [bedrijf 1] . Op 22 april 2014 is er naar [A] — in haar hoedanigheid van bestuurder van [bedrijf 1] — een oproepingsbrief verstuurd met het verzoek om aanwezig te zijn bij de faillissementszitting van 20 mei 2014. Bij beschikking van de rechtbank Amsterdam is het faillissementsverzoek afgewezen.

2.8.

Op 2 mei 2014 heeft [A] — in haar hoedanigheid van bestuurder van [bedrijf 1] — een bedrag van in totaal € 7.500,00 overgemaakt naar [gedaagde] .

2.9.

Op 2 juni 2014 is bij het gerechtshof te Amsterdam hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van de rechtbank Amsterdam van 21 mei 2014. Bij arrest van het gerechtshof te Amsterdam is [bedrijf 1] alsnog in staat van faillissement verklaard met benoeming van mr. C.J. Jager tot curator.

2.10.

De curator heeft de op 2 mei 2014 plaatgevonden rechtshandeling tot betaling van € 7.500,00 aan [gedaagde] per brief van 25 augustus 2014 buitengerechtelijk vernietigd en [gedaagde] gesommeerd om het bedrag van in totaal EUR 7.500,- over te maken naar de faillissementsrekening van [bedrijf 1] .

2.11.

[bedrijf 3] B.V., 100% dochter van [bedrijf 1] , is niet in staat van faillissement verklaard.

2.12.

[A] heeft op 29 november 2014 — in haar hoedanigheid van bestuurder van [bedrijf 3] — opdracht gegeven aan [fiscaal adviesburo] tot het verzorgen van de administratie en de jaarrekening voor de jaren 2013 en 2014 van [bedrijf 3] . In de opdrachtbevestiging van 29 november 2014 is het volgende opgenomen:

“(..) Aansprakelijkheid

Vanwege het specifieke karakter van de situatie, onder meer het faillissement van [bedrijf 1] B.V. (aandeelhouder in [bedrijf 3] B.V.) en alle onzekerheid van die over de betaling van de vergoeding van mijn werkzaamheden, spraken wij af dat jij persoonlijk mede aansprakelijk zult zijn voor de voldoening van mijn vergoeding (..)”.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

Jager vordert:

Primair

voor recht te verklaren dat de Rechtshandeling een paulianeuze rechtshandeling oplevert en

voor recht te verklaren dat deze door de Curator per brief van 25 augustus 2014 rechtsgeldig

is vernietigd en derhalve [gedaagde] te veroordelen om aan de Curator te betalen op een door de Curator aan te geven bankrekening een vergoeding van de door (de boedel van) [bedrijf 1] geleden schade van in totaal EUR 7.500,- althans [gedaagde] te

veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van een door Uw rechtbank in goede

justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6: 11 9a EW over dat bedrag vanaf 2 mei 2014 tot aan de dag der algehele voldoening, althans vanaf de dagder dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;

Subsidiair

II. indien en voorzover Uw rechtbank van oordeel is dat de Rechtshandeling niet reeds

rechtsgeldig door de Curator is vernietigd, verzoekt de Curator subsidiair een verklaring voorrecht dat de Rechtshandeling als paulianeus ex artikel 42 en/of 47 Fw gekwalificeerd moet worden, de Rechtshandeling alsnog (gerechtelijk) te vernietigen en [gedaagde] te veroordelen om aan de Curator te betalen op een door de Curator aan te geven bankrekening een vergoeding van de door (de boedel van) [bedrijf 1] geleden schade van in totaal EUR 7.500, althans [gedaagde] te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van een door Uw rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119a BW over dat bedrag vanaf 2 mei 2014 tot aan de dag der algehele voldoening, althans vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;

Primair en subsidiair

III. [gedaagde] te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te voldoen de kosten van dit geding die gemaakt zijn door de Curator in zijn hoedanigheid van Curator in het faillissement van [bedrijf 1] , de buitengerechtelijke incassokosten van in totaal EUR 750, de na te melden explootkosten, de geliquideerde proceskosten ad EUR 452,- per punt, evenals de kosten van deze procedure, waaronder begrepen het verschuldigde griffierecht te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, en indien voldoening niet binnen deze termijn plaatsvindt, vermeerderd met de wettelijke rente ex art. 6:119 BW daarover, te rekenen vanaf de 15e dag na het vonnis;

IV. [gedaagde] te veroordelen in de kosten van deze procedure, met veroordeling in de nakosten ten bedrage van respectievelijk EUR 131,- zonder betekening en EUR 199,-

in geval van betekening indien en voor zover [gedaagde] niet binnen de wettelijk

vereiste termijn van twee dagen na betekening van het ten deze te wiizen—vonnis hebben

voldaan.

3.2.

De curator voert daartoe het volgende aan. Bij arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 17 juli 2014 is de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [bedrijf 1] B.V. (‘ [bedrijf 1] ”) in staat van faillissement verklaard, met benoeming

van mr. C.J. Jager tot curator. Uit de bankafschriften blijkt dat [bedrijf 1] op 2 mei 2014 een bedrag van in totaal EUR 7.500 heeft overgemaakt naar [gedaagde] . [gedaagde] is de houdster- en financieringsmaatschappij van [A] . Het vlak voor datum

faillissement overmaken van het bedrag van in totaal EUR 7.500,- van de betaalrekening van [bedrijf 1] naar de rekening van [gedaagde] dient te worden gekwalificeerd als een paulianeuse rechtshandeling ex artikel 42 en/of artikel 47 Fw.

3.3.

Ingevolge artikel 42 Fw jo 49 Fw kan de curator ten behoeve van de boedel elke rechtshandeling die de schuldenaar vôôr faillietverklaring onverplicht heeft verricht en waarvan deze bij het verrichten wist of behoorde te weten dat daarvan benadeling van de (gezamenlijke) schuldeisers het gevolg zou zijn, door een buitengerechtelijke verklaring vernietigen. Het tweede lid van artikel 42 Fw voegt daar aan toe dat een rechtshandeling, anders dan om niet, wegens benadeling slechts kan worden vernietigd, indien tevens degene met of jegens wie de schuldenaar de rechtshandeling verrichte, wisten of behoorden te weten dat daarvan benadeling van de schuldeisers het gevolg zou zijn. De curator heeft de rechtshandeling per brief van 25 augustus 2014 buitengerechtelijk vernietigd en [gedaagde] gesommeerd om het bedrag van in totaal EUR 7.500,- over te maken naar de faillissementsrekening van [bedrijf 1] .

3.4.

Indien en voor zover de gewraakte rechtshandeling als verplicht gekwalificeerd moet worden, geldt dat er sprake is geweest van wetenschap van de faillissementsaanvraag ex artikel 47 Fw. Uit de beschikking van de Rechtbank Amsterdam van 21 mei 2014 blijkt dat de faillissementsaanvraag op 17 april 2014 bij Rechtbank is binnengekomen. Op 22 april 2014 is er naar [A] — in haar hoedanigheid van bestuurder van [bedrijf 1] — een oproepingsbrief verstuurd met het verzoek om aanwezig te zijn bij de faillissementszitting van 20 mei 2014. Derhalve staat het vast dat [gedaagde] — via [A] — op 2 mei 2014, het moment dat de rechtshandeling plaatsvond, wetenschap had van de faillissementsaanvraag.

3.5.

[gedaagde] voert verweer.

3.6.

[gedaagde] stelt daartoe dat zij een bedrag van € 7.500,00 op 10 maart 2014 ten behoeve van [bedrijf 1] aan [C] tijdelijk heeft voorgeschoten om zo de voortgang van de opdracht van NS/Pro Rail te waarborgen. Bij [bedrijf 1] noch bij [bedrijf 3] waren op dat moment liquide middelen aanwezig om enige betaling te verrichten. Hoewel in de boeken van [bedrijf 1] niets was terug te vinden over achterstallig loon en/of onkosten van [C] voelde [gedaagde] zich genoodzaakt tot betaling over te gaan, omdat anders [C] niet bereid was de modules in Duitsland gereed te maken. Zodra [bedrijf 1] weer over liquide middelen zou beschikken door onder meer een teruggave van de belastingdienst of een betaling van NS zou [bedrijf 1] het voorgeschoten bedrag aan [gedaagde] terug betalen. [gedaagde] heeft in het belang van het voortbestaan van [bedrijf 1] gehandeld. Op 2 mei 2014 heeft [bedrijf 1] het bedrag van € 7.500,00 terug betaald aan [gedaagde] . Indien de belastingteruggave al eerder zou hebben plaatsgevonden dan was het bedrag door [bedrijf 1] direct rechtmatig aan [C] betaald. Van enig paulianeus handelen is geen sprake geweest, hetgeen ook zijn bevestiging vindt in de beschikking van de rechtbank Amsterdam van 21 mei 2014, waarbij het faillissementsverzoek is afgewezen.

3.7.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.8.

[gedaagde] vordert:

C.J. Jager q.q. de curator van [bedrijf 1] en daarmee haar 100% dochter [bedrijf 3]

B.V. in reconventie, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen:

a. a) De curator te veroordelen voor de administratiekosten van [bedrijf 3] B.V., te

weten EUR 9.000.,- exclusief BTW, zijnde de factuur van [fiscaal adviesburo] aan

[gedaagde] c.q. [A] .

b) In de proceskosten in reconventie.

3.9.

De curator is in gebreke gebleven in zijn rol als bestuurder/aandeelhouder van [bedrijf 1] en [bedrijf 3] . [gedaagde] en/of [A] heeft ten behoeve van [bedrijf 3] kosten moeten maken voor het opstellen van de jaarrekening 2013/2014. Aangezien [bedrijf 3] een 100% dochter is van de in staat van faillissement verkerende vennootschap [bedrijf 1] ligt het op de weg van de curator in het faillissement van [bedrijf 1] en daarmee als vertegenwoordiger van [bedrijf 1] in de algemene vergadering van aandeelhouders van [bedrijf 3] om de jaarrekeningen 2013 en 2014 te bepreken en goed te keuren. Na goedkeuring diende, in ieder geval, de jaarrekening 2013 van [bedrijf 3] uiterlijk voor 1 februari 2015 bij de Kamer van Koophandel gedeponeerd te worden, teneinde bestuurdersaansprakelijkheid op basis van de wetsfictie vanwege te laat deponeren te voorkomen. Uiteindelijk is [A] genoodzaakt geweest haar functie als bestuurder van [bedrijf 3] neer te leggen. De statuten vermelden dat bij ontstentenis de algemene vergadering van aandeelhouders in de opvolging dient te voorzien. De aandelen worden gehouden door [bedrijf 1] B.V., die weer onder beheer staat van de curator. De curator diende dus in de opvolging van [A] te voorzien. Ondanks herhaaldelijk verzoek van [A] aan de curator is deze laatste in gebreke gebleven en vooral heeft hij [A] op onnodige kosten gejaagd.

3.10.

De curator voert verweer.

3.11.

Van vergoeding van de accountantskosten door de curator dan wel (de boedel van) [bedrijf 1] aan [gedaagde] kan geen sprake zijn. De curator heeft nimmer opdracht gegeven tot het opstellen van de jaarrekeningen 2014 en 2013 en aangifte vennootschapsbelasting 2013 van [bedrijf 3] , zulks behoort ook niet tot de door de wet aan curator opgedragen taken uit hoofde van de hoedanigheid van curator in het faillissement van [bedrijf 1] . [A] heeft namens [bedrijf 3] — de niet gefailleerde dochtervennootschap van [bedrijf 1] — aan [fiscaal adviesburo] opdrachten verstrekt uit hoofde van haar functie als bestuurder van [bedrijf 3] . De curator heeft [A] er herhaaldelijk op gewezen dat hij c.q. de boedel van [bedrijf 1] deze kosten niet zou dragen.

3.12.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in conventie

4.1.

De kantonrechter oordeelt als volgt.

4.2.

In principe is de schuldenaar tot aan het moment van faillietverklaring volledig bevoegd om over zijn vermogen te beschikken. Artikel 42 Fw bepaalt echter dat de curator door de schuldenaar onverplicht verrichte rechtshandelingen (buitengerechtelijk) kan vernietigen waardoor de schuldeisers zijn benadeeld wanneer de schuldenaar wetenschap van deze benadeling had en deze wetenschap ook bestond bij de wederpartij (bij meerzijdige en eenzijdige gerichte rechtshandelingen anders dan om niet). De kantonrechter staat thans voor de vraag of de betaling van [bedrijf 1] op 2 mei 2014 aan [gedaagde] een onverplichte rechtshandeling betreft, zoals door de curator gesteld. De kantonrechter beantwoordt die vraag ontkennend.

4.3.

Onverplicht verrichte rechtshandelingen zijn rechtshandelingen die verricht worden zonder dat daartoe een op wet of overeenkomst berustende verplichting bestaat. [gedaagde] heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat de betaling, die zij heeft gedaan aan [C] op 10 maart 2014 van € 7.500,00, is verricht ten behoeve van [bedrijf 1] en is gebaseerd op een tussen [gedaagde] en [bedrijf 1] gemaakte afspraak. Die afspraak hield in dat [gedaagde] bereid was het bedrag voor te schieten onder de uitdrukkelijke voorwaarde dat dit bedrag direct zou worden teruggestort door [bedrijf 1] zodra deze teruggave van belastinggeld dan wel een aanbetaling van de NS/Pro Rail had ontvangen. Deze afspraak wordt bevestigd door [D] accountant die verklaart dat binnen enkele weken het geld aan [bedrijf 1] beschikbaar zou komen. Niet gesteld noch gebleken is dat reeds op 10 maart 2014 te verwachten viel dat het faillissement van [bedrijf 1] zou worden aangevraagd. Nadat [bedrijf 1] een teruggaaf van de belastingdienst had ontvangen is op 2 mei 2014 het bedrag van € 7.500,00 aan [gedaagde] terugbetaald en aldus uitvoering gegeven aan voormelde afspraak. Dit betekent dat niet kan worden geconcludeerd dat sprake was van een onverplichte rechtshandeling. Het gevolg is dat de buitengerechtelijke vernietiging van bedoelde rechtshandeling op grond van artikel 42 Fw door de curator geen stand houdt.

4.4.

In principe kan de curator de voldoening van een opeisbare schuld door de schuldenaar in het vooruitzicht van een faillissement niet met een beroep op de faillissementspauliana vernietigen. Dit is slechts mogelijk in de gevallen die in artikel 47 omschreven worden, namelijk wanneer de ontvanger van de betaling wist dat het faillissement van de schuldenaar reeds was aangevraagd of wanneer de betaling het gevolg was van overleg tussen de schuldenaar en schuldeiser dat tot doel had om laatstgenoemde te begunstigen. De kantonrechter staat thans voor de vraag of in het onderhavige geval de curator de betaling van € 7.500,00 terecht heeft vernietigd op grond van artikel 47 Fw.

De kantonrechter beantwoordt die vraag bevestigend.

4.5.

Nu sprake was van een opeisbare schuld, zoals uit overweging 4.3 valt af te leiden, kon de curator op grond van het eerste criterium van artikel 47 Fw een door de schuldenaar verplicht verrichte rechtshandeling vernietigen mits de ontvanger van de betaling op het moment van de betaling wist dat het faillissement reeds was aangevraagd. Als de curator in het bewijs van artikel 47 Fw (wetenschap van faillissementsaanvraag of overleg) slaagt, staat daarmee de kwade trouw vast en is (anders dan in de artikelen 43 en 45 Fw) geen ruimte meer voor tegenbewijs ( [naam] /Mees en Hope II HR 22 maart 1991, NJ 1992, 412, ECLI:NL:HR:ZC0561). Uit de beschikking van de Rechtbank Amsterdam van 21 mei 2014 blijkt dat de faillissementsaanvraag op 17 april 2014 bij Rechtbank is binnengekomen. Op 22 april 2014 is er naar [A] — in haar hoedanigheid van bestuurder van [bedrijf 1] — een oproepingsbrief verstuurd met het verzoek om aanwezig te zijn bij de faillissementszitting van 20 mei 2014. Derhalve is onbetwist komen vast te staan dat [gedaagde] — via [A] in haar hoedanigheid van bestuurder van [gedaagde] — op 2 mei 2014, het moment dat de rechtshandeling plaatsvond, wetenschap had van de faillissementsaanvraag. Het is voor de beoordeling niet van belang dat het faillissement van [bedrijf 1] niet door de rechtbank Amsterdam (in eerste aanleg) is uitgesproken. Van belang is dat [gedaagde] wetenschap had van de aanvraag van het faillissement die aanhangig was op het moment ten tijde van de voldoening. Van benadeling van de (gezamenlijke) schuldeisers van [bedrijf 1] is naar het oordeel van de kantonrechter sprake, nu het (terug)storten van het bedrag van in totaal EUR 7.500 aan [gedaagde] heeft geleid tot een vermindering van het voor de schuldeisers van [bedrijf 1] beschikbare actief. Hiermee is komen vast te staan dat de rechtshandeling andere schuldeisers van [bedrijf 1] heeft benadeeld. De curator heeft dan ook terecht de vernietiging van de rechtshandeling op 2 mei 2014 tot betaling van een bedrag van € 7.500,00 ingeroepen. Dit betekent dat [gedaagde] zal worden veroordeeld tot (terug)betaling van voormeld bedrag.

4.6.

De wettelijke rente zal worden toegewezen vanaf het moment van de dagvaarding.

4.7.

De vordering tot betaling van buitengerechtelijke incassokosten is onvoldoende onderbouwd en zal worden afgewezen.

4.8.

[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld

in reconventie

4.9.

De kantonrechter oordeelt als volgt.

4.10.

[bedrijf 3] is de dochter van de gefailleerde vennootschap [bedrijf 1] . [bedrijf 3] is niet failliet verklaard. Bestuurder van [bedrijf 3] was [A] . [A] heeft als bestuurder op 29 november 2014 aan [fiscaal adviesburo] opdracht gegeven zorg te dragen voor de jaarstukken en de aangiften vennootschapsbelasting voor de jaren 2013 en 2014. [A] heeft zich, naast [bedrijf 3] , persoonlijk verbonden voor de betaling van de door [fiscaal adviesburo] te verrichten werkzaamheden. Niet is gesteld noch is gebleken dat [A] , gelet op het feit dat [bedrijf 3] een 100% dochter was van de gefailleerde [bedrijf 1] , voorafgaand aan de opdracht aan [fiscaal adviesburo] met de curator overleg heeft gehad over de vraag of de kosten van die werkzaamheden voor rekening en risico konden worden gebracht van de boedel van [bedrijf 1] . Onduidelijk is gebleven op welke grondslag [gedaagde] meent dat de curator verantwoordelijk is voor betaling van de kosten van [fiscaal adviesburo] . Vast staat immers dat de curator geen opdracht heeft verstrekt tot het verrichten van bedoelde werkzaamheden door [fiscaal adviesburo] . Afgezien nog van het feit dat door [gedaagde] de factuur van [fiscaal adviesburo] en een betalingsbewijs van die factuur door [gedaagde] niet is overgelegd, kan ook niet worden vastgesteld of bedoelde factuur wel door [gedaagde] is voldaan. Dit klemt temeer nu [A] zich bij de opdrachtbevestiging persoonlijk heeft verbonden tot betaling van de kosten en niet [gedaagde] .

4.11.

De kantonrechter is dan ook van oordeel dat de vordering van [gedaagde] , wat er ook zij van de inspanningen van [A] om alles in goede banen te leiden, onvoldoende is onderbouwd. De vordering in reconventie zal worden afgewezen.

4.12.

[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.

5 De beslissing

De kantonrechter:

In conventie en reconventie

verklaart voor recht dat de rechtshandeling een paulianeuze rechtshandeling oplevert en dat deze door de curator per brief van 25 augustus 2014 rechtsgeldig is vernietigd;

veroordeelt [gedaagde] om aan Jager (curator) tegen bewijs van kwijting te betalen € 7.500,00 met de wettelijke rente vanaf 5 juni 2015 tot de voldoening;

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van Jager (curator), tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 923,84, waarin begrepen € 625,00 aan salaris gemachtigde;

veroordeelt [gedaagde] , onder de voorwaarde dat zij niet binnen 14 dagen na aanschrijving door Jager (curator) volledig aan dit vonnis voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:

- € 100,00 aan salaris gemachtigde;

- te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van betekening van het vonnis;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.M. Berendsen en in het openbaar uitgesproken op 1 juni 2016.