Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2016:3113

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
22-06-2016
Datum publicatie
04-07-2016
Zaaknummer
C/16/397837 / HA ZA 15-678
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Stil pandrecht. Hoewel vorderingen voortkomen uit een huurovereenkomst die op het tijdstip van de vestiging van het pandrecht nog niet bestond, is wel sprake van dezelfde rechtsverhouding.Volgt bewijsopdracht dat pandrecht openbaar is gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/1929
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/397837 / HA ZA 15-678

Vonnis van 22 juni 2016

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres 1] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres 2] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

eiseressen in conventie,

verweersters in reconventie,

advocaat mr. J. van Zinderen te Utrecht,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. J.M. Hesselink te Amstelveen.

Partijen zullen hierna [eiseressen] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de akte van [eiseressen] , houdende een productie, van 27 januari 2016,

  • -

    het tussenvonnis van 17 februari 2016,

  • -

    de akte van [eiseressen] , houdende producties, van 11 mei 2016,

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 11 mei 2016, tevens houdend mondeling verweer in reconventie.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[gedaagde] huurt sinds 1 november 2011 een bedrijfsruimte in een bedrijfsverzamelgebouw in Eemnes. Hiertoe heeft hij op 13 oktober 2011 een huurovereenkomst gesloten met de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [naam] Beheer B.V. (hierna: [naam] ), de toenmalige eigenaar van het gebouw.

2.2.

[eiseres 1] heeft aan [naam] geldleningen verstrekt.

2.3.

Bij notariële akte van 17 december 2012 is ten gunste van [eiseressen] een pandrecht gevestigd op onder meer alle huidige en toekomstige huurpenningen van onroerende zaken ten name van [naam] . Van de vestiging van dit pandrecht is toen geen mededeling gedaan aan de huurders van [naam] .

2.4.

Op 1 februari 2013 hebben [gedaagde] en [naam] een nieuwe huurovereenkomst gesloten voor de huur van dezelfde bedrijfsruimte met ingang van diezelfde datum. In afwijking van de eerdere huurovereenkomst zag de nieuwe overeenkomst ook op de huur van de bovenverdieping van de bedrijfsruimte. In de huurovereenkomst van 1 februari 2013 is het volgende bepaald:

8.1 Door ondertekening van deze huurovereenkomst van 1 februari 2013 vervallen alle eerdere onderlinge huurovereenkomsten.

2.5.

[gedaagde] heeft de bedrijfsruimte vanaf 1 november 2011 onafgebroken gehuurd en in gebruik gehad.

2.6.

Sinds 22 augustus 2014 is [eiseres 1] B.V. eigenaar van het bedrijfsverzamelgebouw. [gedaagde] is tot die tijd de huur van de bedrijfsruimte blijven voldoen aan [naam] : hij heeft geen betalingen aan [eiseressen] gedaan die zien op de huur van voor deze datum.

2.7.

[eiseressen] heeft op 29 juni 2015 conservatoir beslag gelegd op de woning van [gedaagde] .

2.8.

Partijen hebben op 7 juli 2015 onderhandeld over een tussen hen beoogd te treffen schikking. Naar aanleiding daarvan is door [eiseressen] een contract opgesteld met als titel “vaststellingsovereenkomst”, waarbij [eiseressen] en [gedaagde] partij zijn. Hierin is onder meer het volgende opgenomen:
In aanmerking nemende dat:
[…]

f. De vordering uithoofde van het pandrecht van [eiseres 1] op [gedaagde] 16 (zestien) huurtermijnen, derhalve 16 x € 2.400 = € 38.720,- bedraagt (de “Pandrecht Vordering”);

[…]

3.1

Partijen komen in het kader van de regeling overeen dat de Pandrecht Vordering (€38.720,-) wordt verlaagd naar € 24.300 en dat [eiseres 1] geen aanspraak zal maken op de door gevorderde wettelijke handelsrente en incassokosten (het “Schikkingsbedrag”).

2.9.

Partijen hebben vervolgens per e-mail contact gehad, waarbij door [gedaagde] meerdere malen op verschillende versies van het contract is gereageerd. In een e-mail van 10 juli 2015 heeft [gedaagde] het volgende gestuurd aan de advocaat van [eiseressen] :
“Hierbij met enige “vertraging” mijn reactie, ik had de indruk dat we tijdens de bespreking van afgelopen dinsdag een akkoord hadden en ben me niet bewust geweest van enige “tijdsdruk”.”

2.10.

[gedaagde] heeft het contract niet ondertekend.

2.11.

[eiseressen] heeft na de beslaglegging van 29 juni 2015 niet binnen de door de voorzieningenrechter daartoe bepaalde termijn een eis in de hoofdzaak ingesteld. Zij heeft evenmin het beslag in de openbare registers doen doorhalen.

2.12.

[eiseressen] heeft op 20 juli 2015 opnieuw conservatoir beslag gelegd op de woning van [gedaagde] en heeft vervolgens binnen de door de voorzieningenrechter daartoe bepaalde termijn een eis in de hoofdzaak ingesteld.

2.13.

[naam] is in staat van faillissement verklaard.

3 Het geschil

in conventie
3.1. [eiseressen] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van [gedaagde] tot betaling van

­ primair: € 46.481,90 (bestaande uit € 38.720,00 aan hoofdsom, € 4.753,19 aan rente tot 29 mei 2015, € 1.162,20 aan buitengerechtelijke incassokosten en € 1.846,51 aan beslagkosten), te vermeerderen met de wettelijke handelsrente daarover vanaf 29 mei 2015 tot de voldoening;

­ subsidiair: € 24.300,00 op de wijze en onder de voorwaarden zoals bepaald in de bij de dagvaarding gevoegde vaststellingsovereenkomst;

zowel primair als subsidiair met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.

3.2.

[eiseressen] legt aan haar primaire vordering ten grondslag dat zij het stille pandrecht op 1 mei 2013 openbaar heeft gemaakt aan [gedaagde] en dat hij sinds die datum op die grond gehouden was de huur voor de bedrijfsruimte aan [eiseressen] te voldoen, tot en met 1 augustus 2014. [eiseressen] maakt aanspraak op de wettelijke handelsrente en de buitengerechtelijke kosten omdat [gedaagde] de huur niet tijdig heeft voldaan, respectievelijk [eiseressen] de vordering uit handen heeft moeten geven. [eiseressen] maakt verder aanspraak op vergoeding van de kosten voor het door haar – met het oog op het veilig stellen van haar vordering – op 20 juli 2015 gelegde conservatoir beslag.

3.3.

[eiseressen] legt aan haar subsidiaire vordering ten grondslag dat partijen in het kader van een minnelijke regeling in juli 2015 een vaststellingsovereenkomst hebben gesloten die erop zag het geschil over wat [eiseressen] thans primair vordert te beëindigen.

3.4.

[gedaagde] voert verweer.

3.5.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie
3.6. [gedaagde] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, hoofdelijke veroordeling van [eiseressen] om binnen twee dagen na betekening van het vonnis de conservatoire beslagen van 29 juni 2015 en 20 juli 2015 opgeheven te doen hebben en de bijbehorende inschrijvingen in het Kadaster ongedaan te (doen) maken, op straffe van verbeurte van een onmiddellijk opeisbare dwangsom ter hoogte van € 1.000,- voor iedere dag dat [eiseressen] in gebreke blijft aan het vonnis te voldoen, met veroordeling van [eiseressen] in de proceskosten.

3.7.

[eiseressen] voert verweer.

3.8.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in conventie
4.1. In deze zaak is sprake van een stil pandrecht op huurvorderingen, dat – zo stelt [eiseressen] – later openbaar is gemaakt. In dit geval was bij de vestiging van het pandrecht op 17 december 2012 sprake van toekomstige vorderingen: [gedaagde] was de huur immers steeds maandelijks verschuldigd in de periode van 1 mei 2013 tot en met 1 augustus 2014. Op grond van artikel 3:239, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan een pandrecht zich alleen tot dergelijke vorderingen uitstrekken, als die rechtstreeks zijn verkregen uit een op het tijdstip van de vestiging van het pandrecht al bestaande rechtsverhouding. De rechtbank ziet zich daarom voor de vraag gesteld of de huurvorderingen voortvloeien uit een rechtsverhouding die op 17 december 2012 al bestond: [eiseres 1] stelt dat dit het geval is en verwijst naar de voortdurende huur van de bedrijfsruimte door [gedaagde] . [gedaagde] betwist dit en voert aan dat met het aangaan van de huurovereenkomst van 1 februari 2013 een nieuwe rechtsverhouding tussen hem en [naam] is ontstaan.

4.2.

Vast staat dat de huurvorderingen hun grondslag vinden in de overeenkomst van 1 februari 2013, die is gesloten ná het tijdstip van het vestigen van het pandrecht. Vast staat echter ook dat op het moment van het vestigen van het pandrecht ook al een huurovereenkomst gold tussen [gedaagde] en [naam] . Deze huurovereenkomst had betrekking op dezelfde bedrijfsruimte als de latere huurovereenkomst, met uitzondering van de bovenverdieping die [gedaagde] er later bij is gaan huren. [gedaagde] heeft de bedrijfsruimte ook steeds in gebruik gehad en [naam] heeft hem steeds huurgenot verschaft: tussen de overgang van de oude naar de nieuwe huurovereenkomst zat dus geen ‘knip’. Naar het oordeel van de rechtbank volgt hieruit dat [gedaagde] en [naam] op 1 februari 2013 zijn overeengekomen om hun uit de huurovereenkomst van 13 november 2011 voortvloeiende rechtsverhouding in aangepaste vorm voort te zetten. Hoewel [gedaagde] er terecht op wijst dat uit die overeenkomst ook volgt dat zij toen zijn overeengekomen dat alle eerdere huurovereenkomsten kwamen te vervallen, maakt dat niet dat daarmee een wijziging is ingetreden in de hiervoor beschreven voortdurende rechtsverhouding. Die rechtsverhouding wordt in dit geval dus gevormd door elkaar opvolgende huurovereenkomsten.

4.3.

Het voorgaande betekent dat het pandrecht van [eiseressen] ook betrekking heeft op de uit de huurovereenkomst van 1 februari 2013 voortvloeiende huurvorderingen, vanaf het moment dat het pandrecht door [eiseressen] tegenover [gedaagde] kon worden ingeroepen. Vanaf dat moment was [gedaagde] gehouden de maandelijks verschuldigde huur niet meer aan [naam] , maar aan [eiseressen] te voldoen. Deze vorderingen kunnen in beginsel voor de volledige periode en het volledige bedrag worden toegewezen. [gedaagde] wijst er wel terecht op dat [eiseressen] tegenstrijdige feitelijke stellingen ten grondslag legt aan haar primaire en subsidiaire vordering. De subsidiaire vordering zou immers volgen uit een door partijen gesloten schikkingsovereenkomst, terwijl de (hogere) primaire vordering er kennelijk vanuit gaat dat die overeenkomst niet is gesloten. Uit vaste rechtspraak volgt echter dat een door een procespartij subsidiair aangevoerde stelling niet terzijde mag worden gesteld op de enkele grond dat deze stelling strijdig is met hetgeen die partij primair heeft gesteld (Hoge Raad 23 mei 1997, NJ 1997, 532). In het verlengde daarvan kan de primaire vordering van [eiseressen] ook niet stranden op de subsidiair door haar ingenomen stellingen over het bereiken van een schikkingsovereenkomst. [eiseressen] mag aan haar primaire en subsidiaire vorderingen dus tegenstrijdige stellingen ten grondslag leggen.

4.4.

Vanaf welk moment [eiseressen] het pandrecht tegenover [gedaagde] mocht inroepen is afhankelijk van de vraag of en zo ja, wanneer zij het pandrecht openbaar heeft gemaakt. Partijen hebben hier een tegengesteld belang dat voortkomt uit de omstandigheid dat [naam] geen verhaal meer biedt bij eventuele vorderingen vanwege onverschuldigde huurbetalingen (voor [gedaagde] ) dan wel vanwege openstaande leningen (voor [eiseressen] ).

4.5.

Niet in geschil is dat [naam] tekort is geschoten in haar verplichtingen naar [eiseressen] , zodat [eiseressen] bevoegd was het pandrecht openbaar te maken. Partijen verschillen wel van mening over de vraag op welk moment [eiseressen] aan [gedaagde] mededeling heeft gedaan van de verpanding. [eiseressen] stelt dat zij dit heeft gedaan met een brief van haar administratiekantoor van 1 mei 2013. Bij de akte van 11 mei 2016 heeft [eiseressen] een verklaring overgelegd van een werkneemster van het administratiekantoor, die inhoudt dat zij de betreffende brief op deze datum aan alle huurders persoonlijk heeft overhandigd. Bij de akte zijn verder verklaringen overgelegd van een andere huurder en van een eigenaar van andere ruimtes in het bedrijfspand, die inhouden dat zij op deze datum de betreffende brief hebben ontvangen en dat zij daar ook onderling en met [gedaagde] over hebben gesproken. [gedaagde] betwist echter dat hij de brief heeft ontvangen: hij brengt naar voren dat hij pas in september 2014 op de hoogte is gebracht van de openbaarmaking van het pandrecht.

4.6.

De bewijslast van de stelling dat het pandrecht openbaar is gemaakt – dat wil zeggen dat [eiseressen] op 1 mei 2013 van de verpanding mededeling heeft gedaan aan [gedaagde] en dat die mededeling [gedaagde] heeft bereikt – rust op [eiseressen] Zij beroept zich immers op het rechtsgevolg hiervan: dat [gedaagde] geen betalingsverplichting meer heeft jegens [naam] , maar jegens [eiseressen] In het licht van de voldoende onderbouwde stelling van [eiseressen] en de gemotiveerde betwisting daarvan door [gedaagde] , zal de rechtbank [eiseressen] opdragen tot het leveren van het bewijs van die stelling.

4.7.

Als [eiseressen] het bewijs (mede) wil leveren door schriftelijke stukken of andere gegevens, dient zij deze afzonderlijk bij akte in het geding te brengen. Als [eiseressen] het bewijs wil leveren door het doen horen van getuigen, dient zij dit in de akte te vermelden en de verhinderdata op te geven van alle partijen en van de op te roepen getuigen. De rechtbank zal dan vervolgens een dag en uur voor een getuigenverhoor bepalen.

4.8.

Partijen moeten bij de getuigenverhoren in persoon aanwezig zijn. Als een partij zonder gegronde reden niet verschijnt, kan dit nadelige gevolgen voor die partij hebben. De rechtbank verwacht dat het verhoor per getuige 60 minuten zal duren. Als [eiseressen] verwacht dat het verhoor van een getuige langer zal duren dan de hiervoor vermelde duur, kan dat in de te nemen akte worden vermeld.

4.9.

Als [eiseressen] slaagt in het haar opgedragen bewijs, dan zal de primair gevorderde hoofdsom in beginsel worden toegewezen. Anders dan te stellen dat het pandrecht zich niet tot deze huurvorderingen uitstrekt en dat het pandrecht hem niet tijdig openbaar is gemaakt, heeft [gedaagde] deze vordering immers niet betwist. De rechtbank zal in dat geval in een later vonnis ingaan op de gevorderde rente, beslag- en buitengerechtelijke incassokosten.

4.10.

Als [eiseressen] niet slaagt in het haar opgedragen bewijs, dan komt niet vast te staan dat het pandrecht openbaar is gemaakt voorafgaand aan of in de periode waarop de door [eiseressen] primair gevorderde huurbetalingen betrekking hebben (1 mei tot en met 1 augustus 2014). Er is dan geen grondslag voor die primaire vordering, zodat deze dan in beginsel zal worden afgewezen.

4.11.

Met het oog op een efficiënte procesvoering ziet de rechtbank aanleiding om nu al in te gaan op de subsidiaire vordering van [eiseressen] De grondslag daarvan is de vaststellingsovereenkomst, waarvan [eiseressen] stelt dat partijen die hebben gesloten, terwijl [gedaagde] dat betwist. De rechtbank overweegt dat hoewel uit de processtukken volgt dat [gedaagde] zich voorafgaand aan het onderhandelingsgesprek op 7 juli 2015 heeft laten bijstaan door een rechtsbijstandsverzekeraar, niet in geschil is dat hij op die datum alleen en zonder juridische bijstand aanwezig was. Op de comparitie heeft [gedaagde] naar voren gebracht dat hij de wens had om tot een schikking te komen en dat de aanleiding van het onderhandelingsgesprek was dat er beslag was gelegd op zijn woning, terwijl hij die wilde verkopen. Na het gesprek op 7 juli 2015 heeft hij opnieuw juridische bijstand gezocht over de inhoud van het namens [eiseressen] opgestelde contract. Volgens [gedaagde] is hem toen duidelijk geworden dat [eiseressen] zich niet op het pandrecht kon beroepen en heeft hij toen besloten het contract niet te ondertekenen.

4.12.

De rechtbank overweegt dat het antwoord op de vraag of tussen partijen een overeenkomst tot stand is gekomen afhankelijk is van wat zij over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen hebben afgeleid en in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mochten afleiden. Aanbod en aanvaarding hoeven niet uitdrukkelijk plaats te vinden; zij kunnen in elke vorm geschieden en kunnen besloten liggen in één of meer gedragingen. Dit volgt uit artikel 3:33 in samenhang met de artikelen 3:35 en 3:37, eerste lid, van het BW.

4.13.

Het is duidelijk dat [eiseressen] een concreet aanbod heeft gedaan aan [gedaagde] : uit de contacten volgt dat de strekking daarvan was dat als [gedaagde] € 24.300,00 zou betalen en zou voldoen aan specifieke aanvullende (betalings)voorwaarden, [eiseressen] het overige door haar uit hoofde van het pandrecht gevorderde geldbedrag zou laten vervallen.

4.14.

De rechtbank is echter van oordeel dat uit wat [eiseressen] heeft aangevoerd niet kan worden afgeleid dat [gedaagde] dit aanbod ook heeft aanvaard. Niet in geschil is dat [gedaagde] het door [eiseressen] opgestelde contract niet heeft ondertekend, ondanks verschillende nadrukkelijke verzoeken daartoe van [eiseressen] Dat de overeenkomst al na afloop van het onderhandelingsgesprek op 7 juli 2015 werd gesloten wordt door [gedaagde] betwist. De enkele omstandigheid dat partijen elkaar na afloop van het gesprek de hand hebben geschud is daarvoor onvoldoende. [eiseressen] wijst er wel terecht op dat [gedaagde] een e-mail heeft gestuurd waarin hij schrijft dat hij de indruk had ‘dat we tijdens de bespreking van afgelopen dinsdag een akkoord hadden’. [gedaagde] heeft daarover tijdens de comparitie verklaard dat deze e-mail betrekking heeft op wat partijen op 7 juli 2015 met elkaar hebben besproken en hij erkent dat de uitkomsten van die bespreking op zichzelf op correcte wijze in het contract zijn weergegeven. Dat daarmee de overeenkomst al is gesloten betwist hij, waarbij hij aanvoert dat hij nadrukkelijk een voorbehoud heeft gemaakt om een en ander met zijn juridisch adviseur te kunnen bespreken. Die bespreking vond plaats na het verzenden van de genoemde e-mail en volgens [gedaagde] heeft hij toen besloten het contract niet te ondertekenen. De rechtbank overweegt dat deze aldus geschetste gang van zaken overeenkomt met hoe [gedaagde] zich in deze procedure verweert tegen de primaire vordering van [eiseressen] : hij betwist dat sprake is van een tijdig openbaar gemaakt pandrecht waarop [eiseressen] zich kan beroepen. Daar komt bij dat ook in het handelen van [eiseressen] bevestiging kan worden gevonden voor het standpunt van [gedaagde] dat op 7 juli 2015 nog geen overeenkomst was gesloten: [eiseressen] bleef [gedaagde] immers steeds vragen het contract te ondertekenen. Als de overeenkomst al was gesloten had zij kunnen volstaan met het verzenden van de op schrift gestelde afspraken, onder verwijzing naar wat partijen in dat geval op 7 juli 2015 mondeling al overeen zouden zijn gekomen. Onder deze omstandigheden en in het licht van wat partijen aldus over en weer aanvoeren is de rechtbank van oordeel dat [eiseressen] onvoldoende heeft onderbouwd dat op 7 juli 2015 al een overeenkomst tot stand is gekomen tussen partijen.

4.15.

Het voorgaande leidt ertoe dat voor wat [eiseressen] subsidiair vordert geen grondslag is. Die vordering zal in beginsel worden afgewezen als ook de primaire vordering wordt afgewezen.

in conventie en in reconventie
4.16. In afwachting van het leveren van bewijs zal iedere verdere beslissing worden aangehouden.

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1.

draagt [eiseressen] op te bewijzen dat [eiseressen] op 1 mei 2013 van de verpanding mededeling heeft gedaan aan [gedaagde] en dat die mededeling [gedaagde] heeft bereikt;

5.2.

verwijst de zaak naar de rolzitting van woensdag 20 juli 2016 teneinde [eiseressen] in de gelegenheid te stellen bij akte aan te geven of en zo ja, op welke wijze zij bewijs wil leveren;

5.3.

bepaalt dat, indien [eiseressen] (mede) bewijs wil leveren door middel van schriftelijke bewijsstukken, zij die stukken op die rolzitting in het geding moet brengen;

5.4.

bepaalt dat, indien [eiseressen] bewijs wil leveren door middel van het horen van getuigen, zij op die rolzitting:
- de namen en woonplaatsen van de getuigen dient op te geven;
- moet opgeven op welke dagen alle partijen, hun (eventuele) advocaten/gemachtigden en de getuigen in de drie maanden nadien verhinderd zijn; zij dient bij die opgave ten minste vijftien dagdelen vrij te laten waarop het getuigenverhoor zou kunnen plaatsvinden;

5.5.

bepaalt dat:
- voor het opgeven van verhinderdata geen uitstel zal worden verleend;
- indien [eiseressen] geen gebruik maakt van de mogelijkheid om verhinderdata op te geven de rechter eenzijdig een datum zal bepalen waarvan dan in beginsel geen wijziging meer mogelijk is;
- het getuigenverhoor zal kunnen worden bepaald op een niet daarvoor opgegeven dagdeel, indien bij de opgave minder dan het hiervoor verzochte aantal dagdelen zijn vrijgelaten;

5.6.

bepaalt dat de datum van het getuigenverhoor in beginsel niet zal worden gewijzigd nadat daarvoor dag en tijdstip zijn bepaald;

in conventie en in reconventie
5.7. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. K. de Meulder en in het openbaar uitgesproken op 22 juni 2016.1

1 type: KdM coll: