Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2016:3083

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
08-06-2016
Datum publicatie
08-06-2016
Zaaknummer
C/16/413937 / KL ZA 16-133
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort Geding. Wet Markt en Overheid, artikel 25i Mw, overheidsorgaan aan te merken als exploitant van havens, doorrekenen integrale kosten van de aangeboden dienst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

Zittingsplaats Lelystad

zaaknummer / rolnummer: C/16/413937 / KL ZA 16-133

Vonnis in kort geding van 8 juni 2016

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

M AATSCHAPPIJ TOT EXPLOITATIE VAN ONROERENDE GOEDEREN WOLDERWIJD II, handelende onder de naam Jachthaven Wolderwijd Zeewolde

gevestigd te Zeewolde,

eiseres,

advocaten mr. A.L. Appelman en mr. S. Sarić te Zwolle,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE ZEEWOLDE,

zetelend te Zeewolde,

gedaagde,

advocaat mr. E.J. Offers te Utrecht.

Partijen zullen hierna Wolderwijd en de Gemeente genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • de dagvaarding

  • de fax van Wolderwijd van 23 mei 2016 met producties 10 tot en met 14

  • de brief van de Gemeente van 20 mei 2016 met producties 1 tot en met 6

  • de brief van de Gemeente van 23 mei 2016 met productie 7

  • de mondelinge behandeling

  • de pleitnota van Wolderwijd

  • de pleitnota van de Gemeente.

1.2. Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft Wolderwijd de voorzieningenrechter toestemming gevraagd een brief van de Gemeente gericht aan Wolderwijd van 17 december 2014 over te mogen leggen. De Gemeente heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Omdat de brief – alsmede de bij die brief gevoegde stukken – afkomstig is van de Gemeente is zij bekend met de inhoud daarvan, zodat de voorzieningenrechter toestemming heeft gegeven. De stukken zijn aan het dossier toegevoegd.

1.3. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Wolderwijd exploiteert een jachthaven in de gemeente Zeewolde. Zij is gevestigd aan het Wolderwijd, en bestaat uit twee havenkommen genaamd Bolhaven en Bonshaven. Zij bergen in totaal ruim 800 ligplaatsen. Wolderwijd biedt haar bezoekers onder meer ligplaatsen – zowel in het water als op het land –, wc’s, douches, elektra, een kampeerterrein en verhuur van trekkershutten, een watersportwinkel, overdekte en onoverdekte winterstalling, een trailerhelling, een scheepsmakelaar, brandstofverkoop, alsmede een snackbar en restaurant.

2.2. In de directe omgeving van Zeewolde is door De Provincie Flevoland samen met de Gemeente met gebruikmaking van een Europese subsidie geïnvesteerd in de ontwikkeling en aanleg van De Blauwe Diamant. Dit project betrof onder meer een vaarroute voor pleziervaart en waterberging ten behoeve van nieuwe bouwlocaties in het westen van Zeewolde. In juli 2012 heeft de Gemeente haar voornemen kenbaar gemaakt dat zij ter uitvoering van het project De Blauwe Diamant drie binnendijkse havens zal realiseren binnen de bebouwde kom van Zeewolde (hierna: de binnendijkse havens).

2.3. De Gemeente heeft zelf de Aanloophaven in bezit en beheer. Deze haven is in/tegen het stadscentrum gesitueerd waar uitsluitend passanten voor 3×24 uur ligplaats kunnen nemen. De Aanloophaven heeft een toiletgebouw en biedt ook andere voorzieningen. Naar aanleiding van een signaal over de hoogte van liggeldtarieven die de Gemeente in rekening brengt aan passanten die aanmeren in de Aanloophaven, respectievelijk voornemens is in rekening te brengen bij de binnendijkse havens, heeft de Autoriteit Consument en Markt (ACM) een onderzoek ingesteld. Bij besluit van 29 mei 2015 heeft de ACM overwogen dat de Gemeente niet de exploitant is van de binnendijkse havens die op dat moment in ontwikkeling zijn, reden waarom het besluit van de ACM zich alleen richt op de Aanloophaven omdat ACM geen uitspraken kan doen over toekomstige situaties (dagvaarding, productie 3, r.o. 13). Ten aanzien van de exploitatie van de Aanloophaven heeft de ACM bij dat besluit geoordeeld dat de Gemeente artikel 25i, eerste lid, Mededingingswet (Mw) heeft overtreden sinds 1 juli 2014 tot de dag van inwerkingtreding van het algemeen belang besluit, “doordat de integrale kosten van deze dienst in die periode niet zijn doorberekend in de bij gemeentelijke belastingverordening vastgestelde ligplaatstarieven voor de Aanloophaven.” De Gemeente heeft op 28 mei 2015 ten aanzien van de Aanloophaven met terugwerkende kracht het besluit genomen dat deze voorziening een als zodanig aangeduide activiteit van algemeen belang is, met als gevolg dat deze activiteit niet valt onder hoofdstuk 4B Mw en bijgevolg de Gemeente artikel 25i Mw niet langer overtreedt. Laatstgenoemd besluit is onderwerp van een bestuursrechtelijke procedure tussen Wolderwijd en de Gemeente die op dit moment aanhangig is bij de rechtbank Rotterdam.

2.4. In 2015 zijn de binnendijkse havens gerealiseerd. Zij bestaan uit drijvende aanlegsteigers die toegankelijk zijn via een afgesloten hek. In totaal hebben de havens 65 ligplaatsen.

2.5. De Gemeente heeft ter zake van de binnendijkse havens met Watersportvereniging De Blauwe Diamant (hierna: de watersportvereniging) op 28 januari 2016 een “Huurovereenkomst grond onder water” gesloten (hierna: de Huurovereenkomst). Deze is ingegaan op 1 juli 2015 en bepaalt onder meer:

‘Artikel 2: Huurprijs

a. Voor het gehuurde geldt een huurprijs van € 10,00, inclusief BTW per m2 per jaar per bezette ligplaats/box.

b. Voor de maximale oppervlakte per ligplaats/box wordt verwezen naar de bij deze overeenkomst behorende bijlage 2.

c. Huurder overlegt voor 15 april van het desbetreffende kalenderjaar jaarlijks aan verhuurder een overzicht van de verhuurde boxen/ligplaatsen. Na afloop van het desbetreffende kalenderjaar, doch uiterlijk op 1 augustus van het jaar daarop volgend overlegt huurder een definitieve lijst met verhuurde ligplaatsen/boxen.

d. Aan de hand van de definitieve lijst met verhuurde ligplaatsen/boxen wordt de definitieve huur over het desbetreffende kalenderjaar vastgesteld. De teveel/te weinig betaalde huur wordt verrekend in de maand mei volgend op het kalenderjaar waarop de verrekening betrekking heeft.

e. Huurder en verhuurder hebben wederzijds een inspanningsverplichting voor een minimale bezetting van de ligplaatsen/boxen. Wordt een bezetting van 50% niet gehaald dan treden huurder en verhuurder met elkaar in overleg.

(…)

Artikel 4: Onderhoud

a. De huurder zal de dagelijkse onderhoudswerkzaamheden aan de grond en de opstallen verrichten. Hieronder wordt in ieder geval verstaan dat de grond schoon wordt gehouden van vuil en andere afvalstoffen en dat eventuele begroeiing wordt onderhouden.

b. De onderhoudswerkzaamheden dienen door of vanwege de huurder vakkundig te worden verricht, met inachtneming van de ter zake door de verhuurder of bevoegde instanties gegeven regelingen en aanwijzingen.

c. Het groot onderhoud van de opstallen (steigers, steigerpalen, loopbruggen en hekwerk) wordt uitgevoerd door verhuurder. De kosten van het groot onderhoud zijn voor rekening van de verhuurder.’

2.6. Sinds juni 2015 exploiteert de watersportvereniging de binnendijkse havens. De ligplaatsen zijn alleen voor leden van de watersportvereniging te huur. Zij betalen huur voor de ligplaats en een lidmaatschapsbijdrage.

2.7. Bij brief van 18 december 2015 heeft Wolderwijd de Gemeente gesommeerd om uiterlijk op 31 januari 2015 inzicht te verschaffen in de opbouw van de kosten en tarieven van de binnendijkse havens en de mate waarin deze havens zijn gerealiseerd met (Europese) subsidies. Voorts heeft Wolderwijd de Gemeente, voor zover (achteraf) blijkt dat zij de kosten van de binnendijkse havens niet integraal heeft doorberekend en daarmee inbreuk heeft gemaakt op artikel 25i Mw, aansprakelijk gesteld voor de schade die Wolderwijd lijdt door het handelen van de Gemeente met betrekking tot de binnendijkse havens. De schade heeft Wolderwijd bij wijze van eerste voorlopige schatting begroot op € 85,000,00 per jaar.

2.8. Bij brief van 25 februari 2016 heeft de Gemeente de aansprakelijkheid afgewezen, omdat zij zich op het standpunt stelt, onder meer, dat zij geen exploitant is van de binnendijkse havens en een marktconform tarief voor de verhuur vraagt, zulks onder verwijzing naar een bij die brief gevoegde taxatie die is bedoeld om die huurprijs te bepalen.

3. Het geschil

3.1. Wolderwijd vordert dat de voorzieningenrechter, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad op alle dagen en uren alsmede op de minuut

  1. de Gemeente gebiedt binnen veertien dagen na het in deze zaak te wijzen vonnis de verhuur en/of exploitatie van de drie Jachthavens te beëindigen totdat onomstotelijk komt vast te staan dat gedaagde conform art. 25i Mededingingswet de integrale kosten van de dienst in rekening brengt, op straffe van verbeurte van een direct opeisbare dwangsom van € 5.000,-- met een maximum van € 500.000,-- voor elke dag dat de Gemeente in gebreke blijft, althans een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen geldbedrag;

  2. bepaalt dat partijen in onderling overleg een externe deskundige zullen aanwijzen om bovengenoemde integrale kosten te berekenen en dat de kosten van deze deskundige voor gedaagde zijn;

  3. bepaalt dat indien gedaagde niet meewerkt aan het aanwijzen van een externe deskundige dan wel de deskundige niet binnen twee maanden na het wijzen van het vonnis is benoemd, de drie jachthavens gesloten zullen blijven totdat de rechter in de bodemprocedure zich over de rechtmatigheid van het handelen van gedaagde heeft uitgelaten;

  4. de Gemeente veroordeelt in de proceskosten en de nakosten, met dien verstande dat de Gemeente de wettelijke rente hierover verschuldigd is na het verstrijken van veertien dagen na het in deze zaak te wijzen vonnis.

3.2. Wolderwijd legt in essentie aan haar vorderingen ten grondslag dat de Gemeente als exploitant van de binnendijkse havens moet worden aangemerkt, en dat de Gemeente in die hoedanigheid onrechtmatig en in strijd met de Wet Markt en Overheid, in het bijzonder artikel 25i Mw, concurreert met Wolderwijd door niet de integrale kosten in haar prijzen door te rekenen.

3.3. De Gemeente voert gemotiveerd verweer.

3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Het gaat in dit kort geding in de kern om de vraag of de Gemeente, indien en voor zover zij als exploitant van de binnendijkse havens kan worden aangemerkt, de integrale kosten van die havens heeft doorberekend in de (huur)prijs die zij daarvoor aan de watersportvereniging in rekening heeft gebracht.

4.2. Wolderwijd beantwoordt deze vraag bevestigend en heeft daartoe – samengevat – het volgende aangevoerd.

4.2.1. In het licht van de handelwijze van de Gemeente met betrekking tot de Aanloophaven is van een zelfstandige exploitatie door de watersportvereniging geen sprake, maar is de Gemeente feitelijk de exploitant van de binnendijkse havens. Zij bepaalt de belangrijkste voorwaarden met betrekking tot de exploitatie van de havens. Zo bepaalt de huurovereenkomst de huurprijs per vierkante meter, dat de watersportvereniging pas achteraf huur aan de Gemeente betaalt en dan enkel op basis van de gerealiseerde liggelden. Het risico van het mislopen van inkomsten ligt daardoor niet bij de huurder maar bij de Gemeente. Daarnaast zijn het meeste onderhoud en de daarbij horende kosten voor rekening van de Gemeente en is in de huurovereenkomst een gezamenlijke inspanningsverplichting van de Gemeente en de watersportvereniging opgenomen om een goede bezetting van de havens te realiseren.

4.2.2. De Gemeente berekent niet de integrale kosten in de huurprijs door. De op 25 februari 2016 aan Wolderwijd overgelegde taxatie kan niet dienen ter ondersteuning van het in de brief van die datum door de Gemeente ingenomen standpunt dat zij voldoet aan artikel 25i Mw. Bovendien is de taxatie gebrekkig en niet geschikt om te beoordelen of de integrale kosten in de prijzen worden doorberekend omdat de taxateur enkel het (beoogde) tarief heeft vergeleken met de tarieven van Wolderwijd. De huurprijs die de Gemeente aan de watersportvereniging in rekening brengt, noch de tarieven die zij de huurders van ligplaatsen in rekening brengt zijn in lijn met de Wet Markt en Overheid.

4.3. De Gemeente heeft het standpunt van Wolderwijd bestreden. Zij heeft daartoe – samengevat – het volgende aangevoerd.

4.3.1. De Gemeente is niet de feitelijke exploitant van de binnendijkse havens. Die havens heeft zij verhuurd aan de watersportvereniging en dat is niet gebeurd met de bedoeling om de Wet Markt en Overheid te omzeilen. De huurprijs die zij in de huurovereenkomst met de watersportvereniging is overeengekomen geldt voor de watersportvereniging. Dat is niet de huurprijs die de leden van de vereniging moeten betalen. Wat die huurprijs thans is, is de Gemeente niet bekend omdat zij niet betrokken is bij de watersportverenging. Bovendien betalen de leden naast de prijs voor de ligplaats ook het lidmaatschapsgeld voor de watersportvereniging. De havens worden gebruikt en beheerd door de bewoners van de omliggende wijken. Het ‘risico’ van ontbreken van inkomsten in geval de havens niet volledig bezet zouden zijn zou inderdaad voor rekening van de Gemeente komen. Dat risico heeft zich evenwel niet gerealiseerd, omdat een maand na opening van de havens alle plekken vergeven waren. Op dit moment staan 24 mensen op de wachtlijst voor een ligplaats. De verplichting van de Gemeente als verhuurder om groot onderhoud te plegen aan het verhuurde is een gebruikelijke verplichting in huurverhoudingen. De wederzijdse inspanningsverplichting voor het bezet krijgen van de havens ziet feitelijk op de verplichting van de Gemeente jegens de watersportvereniging om handhavend op te treden tegen booteigenaren die hun boot buiten de drie havens aanmeren.

4.3.2. Op zichzelf is het juist dat de door de Gemeente bij de brief van 25 februari 2016 aan Wolderwijd verstrekte taxatie niet als integrale kostprijsberekening kan worden gezien. Deze toont wel aan dat de Gemeente een reële en marktconforme prijs hanteert. Deze is immers vergelijkbaar met die van Wolderwijd, terwijl een één op één vergelijking tussen Wolderwijd en de binnendijkse havens niet op gaat, nu de integrale kosten van Wolderwijd – als gevolg van al haar voorzieningen – hoger zullen zijn dan die van de binnendijkse havens. Voorts heeft een accountant in een op 23 mei 2016 aan de Gemeente gestuurd ‘Assurance rapport’ bevestigd dat de door de Gemeente gemaakte integrale kostprijsberekening correct is.

4.3.3. De gevolgen van de gevraagde voorziening tot afsluiting van de binnendijkse havens zijn te verstrekkend. Afsluiting van de havens heeft niet alleen tot gevolg dat de Gemeente zal tekortschieten in haar verplichting als verhuurder om de watersportverenging het ongestoorde genot van het gehuurde te verschaffen. Bovendien treft zo een afsluiting ook de leden van de watersportvereniging, nu zij bij toewijzing van die voorziening elders een ligplaats moeten (zien te) vinden.

4.3.4. Een onmiddellijke voorziening is evenmin vereist, omdat Wolderwijd geen doorlopende schade lijdt en zij het door haar gestelde verlies van klanten aan de binnendijkse havens niet heeft onderbouwd. Wolderwijd heeft zeven maanden gewacht met het aanhangig maken van dit kort geding. Dat het nieuwe watersportseizoen nu start, is niet relevant. De binnendijkse havens zijn alle volledig bezet, zij zijn alleen beschikbaar voor leden van de watersportvereniging en kunnen niet worden aangedaan door passanten waarop Wolderwijd zich in belangrijke mate richt. De cijfers die Wolderwijd in de dagvaarding noemt, zien niet op vaste ligplaatsen maar betreffen de teruggang in passantenovernachtingen. Voor zover Wolderwijd vaste klanten heeft verloren aan de binnendijkse havens zijn daar vele oorzaken voor mogelijk. Daarbij komt dat de binnendijkse havens geen enkele voorziening hebben. De Gemeente betwist dan ook de door Wolderwijd gestelde schade bestaande uit omzetverlies uit haar nevenactiviteiten, welke schade bovendien niet is onderbouwd.

4.4. Wolderwijd grondt haar vordering uitsluitend op artikel 25i Mw. Artikel 25i Mw bepaalt dat een bestuursorgaan dat economische activiteiten verricht, de afnemers van een product of dienst ten minste de integrale kosten van dat product of die dienst in rekening moet brengen. Bij de vaststelling van de integrale kosten wordt voor de financiering met vreemd vermogen en met eigen vermogen voor zover dat redelijkerwijs aan de economische activiteiten kan worden toegerekend, een bedrag in aanmerking genomen dat niet lager is dan de lasten die in het normale handelsverkeer gebruikelijk zijn voor de financiering van ondernemingen. In het Besluit Markt en Overheid (hierna: het Besluit) zijn nadere regels gegeven voor de toepassing van artikel 25i Mw. Artikel 3 van het Besluit bepaalt dat de doorberekening van de integrale kosten van goederen of diensten geschiedt op grond van consequent toegepaste en objectief te rechtvaardigen bedrijfseconomische principes, met dien verstande dat de kosten worden berekend met toepassing van een stelsel van baten en lasten. Daarbij worden in elk geval in aanmerking genomen operationele kosten, afschrijvings- en onderhoudskosten en vermogenskosten. Kosten van beleidsvoorbereiding en inspraak, toezicht en handhaving en bezwaar en beroep mogen buiten de doorberekening worden gelaten.

4.5. Uit het Besluit, mede gezien de Nota van Toelichting daarbij, vloeit voor de Gemeente de verplichting voort om aan te tonen dat zij inderdaad de integrale kosten doorberekent. Partijen twisten over de vraag of de Gemeente aan deze verplichting heeft voldaan. Aan Wolderwijd kan op zichzelf worden toegegeven dat de Gemeente met de taxatie die zij bij haar brief van 25 februari 2015 heeft overgelegd (zie 2.8), niet aan die verplichting heeft voldaan. In die taxatie wordt immers slechts een vergelijking gemaakt met de door Wolderwijd gehanteerde tarieven ter bepaling van een ‘reële’ prijs voor de binnendijkse havens ten opzichte van Wolderwijd, doch daarmee wordt niet aangetoond dat de Gemeente de door haar gemaakte integrale kosten in verband met de binnendijkse havens in rekening heeft gebracht. Daar staat tegenover dat in voormeld ‘Assurance rapport’ van een accountant wordt bevestigd dat de door de Gemeente voorgelegde “integrale kostprijsberekening Horsterhavens” (de voorzieningenrechter begrijpt dat Horsterhavens een andere aanduiding is van de binnendijkse havens) “alle van materieel belang zijnde aspecten juist weer[geeft] in overeenstemming met de voorwaarden zoals vastgelegd in het Besluit Markt en Overheid.” Met name ook gezien de omstandigheid dat ter zitting is gebleken dat partijen het wel erover eens zijn dat zij van mening verschillen over het antwoord op de vraag wat ter zake van de binnendijkse havens onder de integrale kosten moet worden begrepen, is voorshands derhalve niet voldoende aannemelijk dat juist is het standpunt dat Wolderwijd daarover heeft ingenomen en dat het verweer van de Gemeente op dit punt – in een bodemprocedure – niet houdbaar zal blijken te zijn. Om zulks vast te stellen is nader feitelijk onderzoek en bewijslevering noodzakelijk, in welk verband naar alle waarschijnlijkheid ook deskundigen benoemd zullen moeten worden. Een zodanig onderzoek gaat het bestek van een kort geding evenwel te buiten.

4.6. Dit laatste geldt evenzeer ten aanzien van het nader feitelijk onderzoek dat moet worden verricht om te kunnen vaststellen of de Gemeente met betrekking tot de binnendijkse havens rechtens als de exploitant kan worden aangemerkt. Ook daarover staan de standpunten van partijen haaks op elkaar. Daarbij klemt niet alleen dat de ACM in haar besluit betreffende de Aanloophaven heeft overwogen dat haar besluit niet ziet op de (op dat moment) in ontwikkeling zijnde binnendijkse havens, maar ook dat de situatie met betrekking tot deze havens verschilt van de situatie van de Aanloophaven. Staat vast dat de Gemeente de Aanloophaven zelf exploiteert in de zin van de Wet Markt en Overheid, bij de binnendijkse havens stelt de Gemeente dat de exploitatie geschiedt door de watersportvereniging die zelfstandig haar organisatie en (locaties voor) bijeenkomsten regelt en in welke vereniging de Gemeente, zoals zij ter zitting onweersproken heeft verklaard, geen beslissende of overwegende invloed op de besluitvorming heeft en met wie zij daarover ook geen separate afspraken heeft gemaakt. Anders dan Wolderwijd heeft betoogd, kan uit de Huurovereenkomst en de gang van zaken rond de oprichting van de watersportvereniging (de bijeenkomst met het oog op de oprichting van de vereniging en de uitnodiging daartoe zijn wel door de Gemeente gefaciliteerd) niet zonder meer worden afgeleid dat dit anders is.

4.7. Voorts is de voorzieningenrechter van oordeel dat de door Wolderwijd gevraagde voorziening tot beëindiging van de exploitatie van de binnendijkse havens totdat onomstotelijk vaststaat dat de Gemeente de integrale kosten doorberekent, bij afweging van de daarbij betrokken belangen te verstrekkende gevolgen heeft. Toewijzing van deze voorziening heeft ontegenzeggelijk vergaande consequenties voor derden, in het bijzonder de watersportvereniging en haar leden. Gelet op de wijze waarop Wolderwijd dit onderdeel van haar vordering heeft geformuleerd (“totdat onomstotelijk komt vast te staan”) kan de voorziening vanwege de tijd waarvoor zij geldt tot onomkeerbare gevolgen leiden. Daarbij betrekt de voorzieningenrechter dat Wolderwijd ter zitting heeft verklaard dat zij voornemens is binnenkort een bodemprocedure te starten waarin zij een verklaring voor recht en, omdat het niet eenvoudig is de schade (voldoende) concreet te becijferen – ook een voorlopige opstelling heeft Wolderwijd in dit kort geding niet gepresenteerd – , schadevergoeding op te maken bij staat zal vorderen. Het is Wolderwijd derhalve in het bijzonder te doen om schadevergoeding te verkrijgen. Ook indien bij wijze van hypothese wordt aangenomen dat de Gemeente in deze onrechtmatig heeft gehandeld, in dit kort geding is niet aannemelijk geworden of en in hoeverre de schade die Wolderwijd stelt te hebben geleden (naar de voorzieningenrechter begrijpt tussen € 85.000,00 en € 100.000,00 op jaarbasis) aan de handelwijze van de Gemeente in dezen kan worden toegerekend. Zo heeft Wolderwijd ter zitting verklaard dat zij geconfronteerd is met een teruglopende markt en dat zij voor de ‘vaste ligplaatsen’ (geen passanten derhalve) jaarlijks te maken heeft met mutaties, die voor slechts een beperkt deel zijn ingegeven door de omstandigheid dat men ligplaats wenst te hebben in de binnendijkse havens. Voorts telt dat Wolderwijd haar stelling dat haar toekomstige bedrijfsvoering in gevaar komt indien de binnendijkse havens in het op handen zijnde watersportseizoen geopend blijven, onvoldoende en in ieder geval niet cijfermatig heeft onderbouwd. Ook een voorlopige opstelling heeft Wolderwijd niet gepresenteerd. Een en ander brengt de voorzieningenrechter tot de slotsom dat Wolderwijd ten opzichte van de belangen van de Gemeente en derden niet een zodanig zwaarwegend belang heeft dat de onder a. van haar petitum gevraagde voorziening, gelet op de daaraan verbonden verstrekkende gevolgen, uit hoofde van onverwijlde spoed geboden is. De op dat punt gevorderde voorziening zal daarom worden afgewezen.

4.8. Wolderwijd vordert verder dat de voorzieningenrechter bepaalt dat partijen in onderling overleg een externe deskundige aanwijzen die de integrale kosten van de door de Gemeente aangeboden dienst zal becijferen. Deze vordering wordt afgewezen. Toewijzing van een dergelijke voorziening in kort geding kan leiden tot executiegeschillen, omdat partijen van mening kunnen verschillen over het antwoord op de vraag aan wie van hen te wijten is dat het overleg over een aan te wijzen deskundige niet tot resultaat leidt. Het ligt daarom in de rede dat in het kader van, of vooruitlopend op, de door Wolderwijd in het vooruitzicht gestelde bodemprocedure een of meer deskundigen worden benoemd. Gelet op de stellingen van Wolderwijd omtrent de opstelling van de Gemeente tot nu toe is dit de meest geëigende weg, omdat in die procedure partijen verplicht zijn mee te werken aan een onderzoek, op welke verplichting de sanctie is gesteld dat in het geval een partij daaraan niet voldoet, de rechter daaruit de gevolgtrekking kan maken die hij geraden acht. Vordering sub b wordt daarom afgewezen. Omdat vordering sub c onlosmakelijk met vordering sub b verbonden is, draagt zij hetzelfde lot.

4.9. Wolderwijd zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de Gemeente worden begroot op:

- griffierecht € 619,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 1.435,00

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten zal worden toegewezen met inachtneming van de hierna te bepalen termijn.

4.10. De nakosten, waarvan de Gemeente betaling vordert, zullen op de in het dictum weergegeven wijze worden begroot. De gevorderde wettelijke rente over de nakosten zal als volgt worden toegewezen.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. wijst de vorderingen af,

5.2. veroordeelt Wolderwijd in de proceskosten, tot op heden begroot op € 1.435,00, te voldoen binnen 14 dagen na de datum van dit vonnis, bij gebreke waarvan voormeld bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.3. veroordeelt Wolderwijd, onder de voorwaarde dat zij niet binnen 14 dagen na aanschrijving door de Gemeente volledig aan dit vonnis voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:

- € 131,00 aan salaris advocaat, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na aanschrijving,

- te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van het vonnis, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na betekening,

5.4. verklaart dit vonnis wat de proceskosten en de nakosten betreft uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. H. Manuel en in het openbaar uitgesproken op 8 juni 2016.