Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2016:3073

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
23-02-2016
Datum publicatie
08-06-2016
Zaaknummer
4715527 UE VERZ 15-642 JH/1050 (hoofdzaak)
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2017:511, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Vernietiging van de opzegging op grond van artikel 7:681 BW.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 669
Burgerlijk Wetboek Boek 7 671b
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/1619
JAR 2016/85
AR-Updates.nl 2016-0605
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummers: 4715527 UE VERZ 15-642 JH/1050 (hoofdzaak)

4763539 UE 16-25 (voorwaardelijk tegenverzoek)

Beschikking van 23 februari 2016

inzake

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats] ,

verder ook te noemen [verzoekster] ,

verzoekende partij in de hoofdzaak,

verwerende partij in het voorwaardelijk tegenverzoek,

gemachtigde: mr. H.J. van Amerongen,

tegen:

de stichting

[verweerster] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

verder ook te noemen [verweerster] ,

verwerende partij in de hoofdzaak,

verzoekende partij in het voorwaardelijk tegenverzoek,

gemachtigde: mr. G.M. Gerdes.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift met producties strekkende tot vernietiging van de opzegging op grond van artikel 7:681 BW;

- het verweerschrift met producties, tevens houdende een voorwaardelijk tegenverzoek ex artikel 7:671b BW;

  • -

    de brief van 26 januari 2016 van de [verweerster] met aanvullende productie;

  • -

    de brief van 29 januari 2016 van [verzoekster] met aanvullende productie;

  • -

    de pleitnota van [verzoekster] ;

  • -

    de pleitnota van de [verweerster] ;

  • -

    de mondelinge behandeling van 2 februari 2016, waarvan aantekeningen gehouden.

1.2.

Hierna is uitspraak bepaald.

2 De feiten

2.1.

[verzoekster] , geboren op [1962] , is op 1 februari 2006 in dienst getreden bij de [verweerster] in de functie van Docent lerarenopleider Frans, verbonden aan de vakgroep Frans van het Instituut [instituut] , onderdeel van de faculteit Educatie van de [verweerster] . Haar brutoloon bedroeg (laatstelijk) € 4.868,56 per maand, exclusief 8% vakantietoeslag en 8,3% eindejaarsuitkering, bij een fulltime dienstverband. Op de arbeidsovereenkomst is de CAO Hoger Beroepsonderwijs (CAO HBO) van toepassing, alsmede het reglement Ziekte en arbeidsongeschiktheidsregeling Hoger Beroepsonderwijs (ZAHBO).

2.2.

Op 18 november 2010 is [verzoekster] uitgevallen wegens ziekte. Deze ziekte is (mede) werkgerelateerd. Sindsdien is sprake geweest van diverse ziekteperiodes waarbinnen [verzoekster] afwisselend geheel dan wel gedeeltelijk arbeidsongeschikt is geweest.

2.3.

Teneinde te komen tot een oplossing van de werkgerelateerde conflictcomponenten en tot een duurzame re-integratie van [verzoekster] heeft er van 29 mei 2012 tot en met 24 april 2013 mediation plaatsgevonden. De mediation heeft niet tot een oplossing van het conflict geleid.

2.4.

De [verweerster] heeft de loondoorbetaling bij ziekte vrijwillig verlengd voor de duur van een jaar (twee maal zes maanden) over de periode van november 2012 tot november 2013.

2.5.

Naar aanleiding van een door [verzoekster] aangevraagd deskundigenoordeel heeft het UWV op 6 mei 2013 geoordeeld dat de [verweerster] onvoldoende meewerkt aan de re-integratie. Op 13 maart 2014 wordt door het UWV aan de [verweerster] de maximale loonsanctie opgelegd voor een periode van 52 weken.

2.6.

Op 15 mei 2014 heeft de arbeidsdeskundige van het UWV geoordeeld dat [verzoekster] voldoende meewerkt aan haar re-integratie, maar dat er op dat moment geen sprake is van benutbare mogelijkheden bij [verzoekster] .

2.7.

Op 29 april 2015 is aan [verzoekster] een WGA-uitkering toegekend met ingang van 18 mei 2015 op basis van een arbeidsongeschiktheidspercentage van 100%.

2.8.

Bij ontslagbesluit (Verklaring einde dienstverband) van 22 mei 2015 heeft de [verweerster] de arbeidsovereenkomst met [verzoekster] opgezegd per 1 augustus 2015 wegens blijvende arbeidsongeschiktheid.

2.9.

Tegen deze opzegging heeft [verzoekster] op 23 juni 2015 beroep aangetekend bij de Commissie van Beroep HBO van de Stichting Onderwijsgeschillen (hierna: de Commissie) en een voorlopige voorziening aangevraagd tot opschorting van de einddatum van de arbeidsovereenkomst en tot nakoming door de [verweerster] van haar re-integratieverplichtingen. [verzoekster] stelt hiertoe onder meer dat de [verweerster] niet de juiste opzegtermijn in acht heeft genomen en dat haar herstel op korte termijn te verwachten valt.

2.10.

Bij brief van 8 juli 2015 heeft de [verweerster] erkend dat in het ontslagbesluit niet de juiste opzegtermijn in acht is genomen en heeft zij de einddatum van de arbeidsovereenkomst opgeschort tot 1 november 2015 en aangegeven de re-integratie tot die tijd voort te zetten zonder een nieuw ontslagbesluit te nemen. [verzoekster] heeft hierop bij brief van 8 juli 2015 gereageerd en zich op het standpunt gesteld dat de opzegging van 22 mei 2015 nietig is. Op 13 juli 2015 heeft de Commissie de door [verzoekster] gevraagde voorziening afgewezen.

2.11.

De [verweerster] heeft [verzoekster] , al dan niet abusievelijk, op 20 juli 2015 een nieuw ontslagbesluit gezonden. In dit ontslagbesluit is opgenomen dat het dienstverband met ingang van 1 november 2015 wordt beëindigd en dat “ Verklaring einde dienstverband d.d. 22-5-2015 komt hiermee te vervallen.”

2.12.

Bij brief van haar gemachtigde van 19 augustus 2015 heeft [verzoekster] een beroep gedaan op de vernietigbaarheid van de opzegging van 20 juli 2015 wegens het ontbreken van de (per 1 juli 2015) vereiste toestemming van het UWV en zich op het standpunt gesteld dat de arbeidsovereenkomst na 1 november 2015 voortduurt.

2.13.

Bij brief van 25 augustus 2015 heeft de [verweerster] het ontslagbesluit van 22 juli 2015 ingetrokken.

2.14.

Bij e-mail van 1 september 2015 heeft de verzekeringsarts van het UWV de [verweerster] bericht dat het herstel van [verzoekster] vordert in een stijgende lijn, maar dat er nog geen sprake is van een stabiele situatie. Re-integratie in de vorm van een proefplaatsing kan herstel bevorderd werken en kan beter gebeuren onder begeleiding/controle van de bedrijfsarts, aldus de verzekeringsarts.

2.15.

De Commissie heeft bij tussenuitspraak van 3 december 2015 op het beroep van [verzoekster] tegen het ontslagbesluit van 22 mei 2015 overwogen dat het ontslagbesluit van 22 juli 2015 is ingetrokken en dat de [verweerster] heeft beoogd het besluit van 22 mei 2015 in stand te houden en slechts de opzegtermijn aan te passen om daarmee een ontslagdatum van 1 november 2015 aan te houden. Teneinde te kunnen beoordelen of op 22 mei 2015 is voldaan aan de voorwaarden voor een ontslag wegens blijvende arbeidsongeschiktheid heeft de Commissie de [verweerster] in de gelegenheid gesteld om (alsnog) een deskundigenoordeel als vereist in de ZAHBO aan te vragen.

2.16.

In de periode van juni 2015 tot december 2015 is door partijen herhaaldelijk gesproken over re-integratiemogelijkheden voor [verzoekster] bij derden. De door [verzoekster] aangedragen concrete mogelijkheden hebben geen doorgang gevonden. Partijen maken elkaar hieromtrent over en weer verwijten.

2.17.

Bij brief van 3 december 2015 heeft [verzoekster] een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend bij de Commissie en verzocht de [verweerster] te verplichten haar re-integratieverplichtingen en andere verplichtingen uit hoofde van de arbeidsovereenkomst alsnog na te komen. Bij beslissing van 1 februari 2016 is dit verzoek afgewezen.

3 Het verzoek en het verweer

3.1.

[verzoekster] verzoekt de kantonrechter bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

Primair

  1. te verklaren voor recht dat de Verklaring einde arbeidsovereenkomst d.d. 22 mei 2015 van de [verweerster] op 20 juli 2015 is komen te vervallen;

  2. de opzegging door de [verweerster] per 1 november 2015 te vernietigen;

  3. de [verweerster] te veroordelen tot nakoming van de op haar rustende re-integratieverplichtingen uit hoofde van de wet en de CAO HBO, met inachtneming van de daartoe strekkende adviezen van de bedrijfsarts en de behandelaars van [verzoekster] , en [verzoekster] in staat te stellen haar eigen werk dan wel passend werk in het kader van haar re-integratie binnen of buiten de [verweerster] te verrichten;

  4. e [verweerster] te bevelen tot het plaatsen van een bericht als vermeld in het verzoekschrift ter zake opheffing van het opgelegde contactverbod;

Subsidiair

de [verweerster] te veroordelen de arbeidsovereenkomst te herstellen en, afhankelijk van de datum van herstel, een voorziening te treffen ter zake van de rechtsgevolgen van de onderbreking van de arbeidsovereenkomst;

Primair en subsidiair

de [verweerster] te verplichten om de hiervoor genoemde re-integratieverplichtingen na te leven op straffe van de verbeurte van een dwangsom;

de [verweerster] te verplichten het onder d. bedoelde bericht te publiceren op de website binnen 24 uur na betekening van deze beschikking op straffe van de verbeurte van een dwangsom;

de [verweerster] te verplichten binnen 24 uur na betekening van deze beschikking alle faciliteiten aan [verzoekster] uit hoofde van haar dienstverband ter beschikking te stellen op straffe van de verbeurte van een dwangsom;

de [verweerster] te verplichten om aanvullingen op het loon bij ziekte, vermeerderd met emolumenten, rente en wettelijke verhoging, aan [verzoekster] te voldoen;

de [verweerster] te veroordelen in de proceskosten.

3.2.

[verzoekster] legt aan haar verzoek (kort samengevat) ten grondslag dat zij door het onophoudelijke pestgedrag van de [verweerster] is komen te lijden aan een Post Traumatisch Stress Syndroom (PTSS). De [verweerster] heeft de adviezen van de bedrijfsarts en de behandelaars van [verzoekster] niet willen volgen en heeft [verzoekster] niet laten re-integreren. De [verweerster] heeft op 20 juli 2015 de arbeidsovereenkomst met [verzoekster] opgezegd per 1 november 2015 wegens blijvende arbeidsongeschiktheid. [verzoekster] stelt dat deze opzegging vernietigbaar is, nu de [verweerster] niet beschikt over de, vanaf 1 juli 2015 ook voor onderwijsinstellingen, verplichte voorafgaande toestemming van het UWV om de arbeidsovereenkomst te mogen opzeggen. [verzoekster] betwist voorts dat er sprake is van een situatie van blijvende arbeidsongeschiktheid.

3.3.

De [verweerster] voert verweer en concludeert in de hoofdzaak tot afwijzing van het verzoek van [verzoekster] . Voor het geval onherroepelijk in rechte komt vast te staan dat het ontslagbesluit van 22 mei 2015 waarin is opgezegd tegen 1 november 2015 niet geldig was en de arbeidsovereenkomst daarna voortduurt, verzoekt de [verweerster] de kantonrechter de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden tegen een kortere opzegtermijn, met veroordeling van [verzoekster] in de proceskosten.

3.4.

Op hetgeen partijen aan hun verzoeken en verweren ten grondslag hebben gelegd wordt – voor zover van belang – hierna verder ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Vooropgesteld wordt dat de kantonrechter bevoegd is om het geschil tussen partijen in volle omvang te beoordelen. Anders dan de [verweerster] heeft betoogd, leidt de omstandigheid dat de Commissie reeds heeft geoordeeld over de geldigheid van de ontslagbesluiten en de re-integratie niet tot onbevoegdheid van de kantonrechter. Dit is slechts anders indien tussen de [verweerster] en [verzoekster] ondubbelzinnig is overeengekomen dat de beslissing van de Commissie tussen hen geldt als een bindend advies. Hiervan is in het onderhavige geval geen sprake. Het enkele feit dat in de CAO HBO is opgenomen dat het advies van de Commissie bindend is voor partijen, is onvoldoende om een overeenkomst tussen partijen aan te nemen. Nu de [verweerster] geen andere feiten en omstandigheden heeft gesteld op grond waarvan kan worden aangenomen dat er sprake is van een overeenkomst tussen partijen omtrent de bindendheid van het advies van de Commissie, faalt het verweer van de [verweerster] .

4.2.

De verzoeken van partijen zullen in het hierna volgende afzonderlijk worden behandeld.

Geldigheid ontslagbesluiten van 22 mei 2015 en 20 juli 2015

4.3.

Het geschil tussen partijen betreft allereerst de vraag of de arbeidsovereenkomst op 1 november 2015 is geëindigd. Vast staat dat de [verweerster] om te komen tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst een tweetal ontslagbesluiten (verklaringen) aan [verzoekster] heeft doen toekomen, te weten op 22 mei 2015 en 20 juli 2015. Partijen verschillen van mening over de geldigheid van deze besluiten.

4.4.

[verzoekster] stelt zich op het standpunt dat de verklaring van 22 mei 2015 op haar verzoek en met haar instemming door de [verweerster] op 20 juli 2015 is ingetrokken, zodat alleen het tweede ontslagbesluit van 20 juli 2015 kan leiden tot opzegging van de arbeidsovereenkomst. Dit tweede ontslagbesluit is evenwel genomen zonder voorafgaande toestemming van het UWV, zodat dit besluit nietig is en de arbeidsovereenkomst thans nog voortduurt.

De [verweerster] is van mening dat zij de arbeidsovereenkomst met de eerste opzegging van 22 mei 2015 per 1 augustus 2015 rechtsgeldig heeft beëindigd, welke beëindiging later middels haar brief van 8 juli 2015 aan de Commissie is geconverteerd in de beëindiging per 1 november 2015. Het (abusievelijk genomen) tweede ontslagbesluit van 20 juli 2015 heeft volgens de [verweerster] geen rechtsgevolg, nu zij niet bevoegd was om nogmaals op te zeggen en die opzegging ook door haar is ingetrokken.

4.5.

Een opzegging van een arbeidsovereenkomst is een zogenaamde eenzijdige rechtshandeling en heeft ingevolge het bepaalde in artikel 3:37 BW werking indien zij de werknemer heeft bereikt. Op deze eenzijdige rechtshandeling mag de werkgever niet terugkomen door een tweede maal op te zeggen, anders dan met toestemming van de werknemer. Uit de stelling van partijen en de door hen overgelegde stukken volgt dat [verzoekster] van de [verweerster] heeft verlangd dat zij een nieuw besluit tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst zou nemen. De kantonrechter neemt dan ook aan dat [verzoekster] aan de [verweerster] toestemming heeft verleend om terug te komen op de eerste opzegging.

De [verweerster] heeft hieraan gevolg gegeven door op 20 juli 2015 een tweede ontslagbesluit te nemen. In dit ontslagbesluit is uitdrukkelijk bepaald dat het eerste ontslagbesluit komt te vervallen. Ook indien het tweede ontslagbesluit op een vergissing van [verweerster] berust, heeft dit ontslagbesluit werking gehad, nu zij [verzoekster] heeft bereikt. Gesteld noch gebleken is dat de inhoud van het tweede ontslagbesluit - beëindiging van de overeenkomst met ingang van 1 november 2015 - niet overeenkwam met de wil van de [verweerster] . De [verweerster] heeft geen beroep gedaan op de vernietigbaarheid van de opzegging vanwege een wilsgebrek, maar heeft het ontslagbesluit bij brief van 25 augustus 2015 ingetrokken. Nu dit is geschiedt naar aanleiding van het beroep van [verzoekster] bij brief van 19 augustus 2015 op de vernietigbaarheid van de opzegging, moet worden aangenomen dat (ook) de intrekking van het ontslagbesluit van 20 juli 2015 is geschied met toestemming van [verzoekster] . Kortom, het ontslagbesluit van 20 juli 2015 dient als ingetrokken te worden beschouwd.

4.6.

Los van het hiervoor overwogene omtrent de intrekking van beide ontslagbesluiten, stelt de kantonrechter vast dat de ontslagbesluiten gebrekkig zijn, in die zin dat de voorgeschreven procedures met betrekking tot de opzegging niet volledig en op een juiste wijze zijn gevolgd. Ten aanzien van het ontslagbesluit van 20 juli 2015 ontbreekt (de op dat moment vereiste) toestemming voor opzegging van het UWV, terwijl ook voor wat betreft het ontslagbesluit van 22 mei 2015 niet is komen vast te staan dat de [verweerster] het oordeel van het UWV heeft betrokken bij haar opzegging. Op grond van artikel 20 lid 4 ZAHBO had de [verweerster] een deskundigenoordeel van het UWV moeten aanvragen ter zake van de mogelijkheid van ontslag van [verzoekster] . Vast staat dat tot op heden niet aan deze voorwaarde is voldaan.

4.7.

Op grond van het vorenstaande komt de kantonrechter tot de conclusie dat de ontslagbesluiten niet hebben geleid tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 november 2015. De arbeidsovereenkomst duurt derhalve thans nog voort. Dit leidt ertoe dat de kantonrechter zoals door [verzoekster] is verzocht de opzegging door de [verweerster] per 1 november 2015 zal vernietigen. Nu hierin reeds besloten ligt dat het ontslagbesluit van 22 mei 2015 zijn gelding heeft verloren, zal de door [verzoekster] verzochte verklaring voor recht bij gebrek aan belang worden afgewezen.

Ontbinding van de arbeidsovereenkomst

4.8.

De [verweerster] heeft een voorwaardelijk verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst ingediend, namelijk voor het geval de arbeidsovereenkomst niet blijkt te zijn geëindigd door middel van opzegging en het ontslag door de kantonrechter wordt vernietigd. Nu deze voorwaarde zich heeft verwezenlijkt, zal de kantonrechter op het verzoek van de [verweerster] beslissen.

4.9.

Uit het bepaalde in artikel 7: 671b en 7:669 lid 1 BW volgt dat de arbeidsovereenkomst kan worden ontbonden indien daar een redelijke grond voor is en herplaatsing binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt. In artikel 7:669 lid 3 onder c. tot en met h. BW is nader bepaald wat als een redelijke grond voor ontbinding moet worden verstaan. Uit artikel 7:671b lid 2 BW volgt voorts dat een verzoek tot ontbinding slechts kan worden ingewilligd indien er geen opzegverbod geldt als bedoeld in artikel 7:670 BW. De kantonrechter stelt vast dat, hoewel [verzoekster] thans nog arbeidsongeschikt is, het in artikel 7:670 lid 1 BW opgenomen opzegverbod tijdens ziekte niet (meer) van kracht is, nu de arbeidsongeschiktheid van [verzoekster] langer dan twee jaar heeft geduurd en de periode van verlengde loondoorbetaling is verstreken.

4.10.

De [verweerster] heeft haar verzoek primair gebaseerd op verwijtbaar handelen van [verzoekster] (artikel 7:669 lid 3 onder e BW) en subsidiair op een verstoorde arbeidsverhouding (artikel 7:669 lid 3 onder g BW), een en ander zodanig dat van de [verweerster] in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.

4.11.

De [verweerster] heeft aan haar primaire verzoek ten grondslag gelegd dat [verzoekster] herhaaldelijk heeft geweigerd om met de door de [verweerster] aangeboden re-integratiebureaus in zee te gaan. Tussen partijen is niet in geschil dat er vanaf medio 2015 sprake is van een geleidelijk herstel van [verzoekster] waardoor re-integratieactiviteiten zijn geboden. Dit volgt ook uit de rapportages van de bedrijfsarts. De [verweerster] heeft [verzoekster] in dat kader onder meer bij faxbericht van 17 september 2015 voorgesteld een re-integratiebedrijf in te schakelen. Vast staat dat partijen elkaar over en weer voorstellen hebben gedaan omtrent het in te schakelen re-integratiebureau, maar dat het partijen niet is gelukt om hieromtrent overeenstemming te bereiken. Niet kan worden vastgesteld dat dit in overwegende mate aan één van partijen is te verwijten of toe te rekenen. Anders dan de [verweerster] heeft betoogd, kan uit de overgelegde stukken dan ook niet worden afgeleid dat [verzoekster] naar aanleiding van het voorstel van de [verweerster] zodanig verwijtbaar heeft gehandeld dat van de [verweerster] in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Het verzoek van de [verweerster] tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van artikel 7:669 lid 3 sub e BW kan dan ook niet worden toegewezen.

4.12.

Wel is de kantonrechter van oordeel dat sprake is van een verstoorde arbeidsrelatie tussen partijen op grond waarvan de arbeidsovereenkomst dient te worden ontbonden. Uit de in het geding gebrachte stukken blijkt dat er tussen partijen al jaren verschil van inzicht bestaat omtrent de (oorzaak van de) arbeidsongeschiktheid van [verzoekster] en de te ontplooien re-integratieactiviteiten door elk van partijen. Teneinde te komen tot herstel van de verstoorde arbeidsverhoudingen heeft er van 29 mei 2012 tot en met 24 april 2013 mediation plaatsgevonden. De mediation heeft niet tot een oplossing van het conflict geleid.

In het licht van voornoemde omstandigheden, alsmede gelet op de door partijen ingenomen standpunten in het kader van deze procedure, acht de kantonrechter een zinvolle samenwerking tussen partijen niet meer mogelijk. Nu sprake is van een redelijke grond voor de ontbinding van de arbeidsovereenkomst en herplaatsing van [verzoekster] bij de [verweerster] gelet op de verstoorde arbeidsrelatie niet in de rede ligt, is voldaan aan de voorwaarden van artikel 7:671b onder a en lid 2 BW. De kantonrechter zal het verzoek van de [verweerster] derhalve inwilligen en de arbeidsovereenkomst ontbinden.

4.13.

Ingevolge het bepaalde in artikel 7:671b lid 8 BW dient de datum van de ontbinding te worden bepaald aan de hand van de opzegtermijn onder aftrek van, kort gezegd, de behandelduur van de ontbindingsprocedure en vervolgens bepaald op het einde van de maand. Door [verzoekster] is niet, althans niet gemotiveerd betwist, dat de opzegtermijn drie maanden te vermeerderen met negen weken bedraagt. Het verzoek van de [verweerster] is ontvangen op 26 januari 2016 en deze beslissing wordt gegeven op 23 februari 2016, zodat de behandelduur vier weken bedraagt. Dit brengt mee dat er een opzegtermijn van 3 maanden en vijf weken resteert, als gevolg waarvan de arbeidsovereenkomst met ingang van 1 juli 2016 wordt ontbonden. Voor toepassing van het bepaalde in artikel 7:671b lid 8, aanhef en onder b BW bestaat geen grond, omdat op grond van hetgeen hierboven is overwogen, niet kan worden vastgesteld dat de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [verzoekster] .

Transitievergoeding en billijke vergoeding

4.14.

Vervolgens dient te worden beoordeeld of aan [verzoekster] een transitievergoeding en/of een billijke vergoeding toekomt. De gemachtigde van [verzoekster] heeft ter gelegenheid van de mondelinge behandeling aangegeven dat een transitievergoeding en een billijke vergoeding op zijn plaats is en heeft verzocht zich hieromtrent nader te mogen uitlaten. De kantonrechter zal de gemachtigde van [verzoekster] hiertoe niet in de gelegenheid stellen. Uit de stellingen van [verzoekster] niet is af te leiden dat zij voorafgaand aan de mondelinge behandeling niet in de gelegenheid is geweest het ontbindingsverzoek met haar gemachtigde te bespreken en zich adequaat tegen het ontbindingsverzoek te verweren, terwijl zij tijdens de mondelinge behandeling de mogelijkheid heeft gekregen haar verweer nader vorm te geven. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [verzoekster] derhalve voldoende gelegenheid gehad om het door haar ingenomen standpunt omtrent verschuldigdheid van een transitievergoeding en een billijke vergoeding te onderbouwen.

4.15.

Op grond van artikel 7:673 BW is een werkgever bij beëindiging van de arbeidsovereenkomst een transitievergoeding verschuldigd indien de arbeidsovereenkomst ten minste 24 maanden heeft geduurd. Artikel 7:673 BW is per 1 juli 2015 in werking getreden en heeft directe werking. Ingevolge het overgangsrecht in artikel XXII lid 7 van de WWZ kan, in afwijking van de artikelen 7:673 en 673a BW, bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden bepaald dat de transitievergoeding geheel of gedeeltelijk niet verschuldigd is gedurende een bepaalde periode en onder bepaalde voorwaarden, indien de werknemer wegens de beëindiging van de arbeidsovereenkomst recht heeft op een vergoeding of voorziening, op grond van tussen de werkgever of verenigingen van werkgevers en de werknemer of verenigingen van werknemers voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I, onderdelen V en W, van deze wet gemaakte afspraken.

Het Besluit overgangsrecht transitievergoeding van 23 april 2015 (hierna: het Besluit) is de algemene maatregel van bestuur waarnaar in artikel XXII lid 7 van de WWZ wordt verwezen. Dit Besluit bepaalt in artikel 2 lid 1 dat indien de werknemer op grond van tussen de werkgever of verenigingen van werkgevers of verenigingen van werknemers gemaakte afspraken recht heeft op vergoedingen of voorzieningen als bedoeld in artikel XXII lid 7 van de WWZ, de transitievergoeding niet verschuldigd is, tenzij overeengekomen is dat de werknemer recht heeft op die vergoeding of voorziening, in aanvulling op de transitievergoeding. Dit Besluit is op 1 juli 2015 in werking getreden.

4.16.

Tussen partijen is niet in geschil dat [verzoekster] op grond van de CAO HBO, en meer in het bijzonder op grond van de Bovenwettelijke Werkloosheidsregeling Hoger Beroepsonderwijs (BWRHBO), recht heeft op een bovenwettelijke werkloosheidsuitkering, bestaande uit een aanvulling op de WW en een aansluitende uitkering indien de WW is geëindigd. Gelet op de onder 4.15 besproken anticumulatie staat deze voorziening in de weg aan toekenning van een transitievergoeding en bestaat in het onderhavige geval geen recht op een transitievergoeding.

4.17.

Voor wat betreft het verzoek tot toekenning van een billijke vergoeding overweegt de kantonrechter als volgt. Gelet op artikel 7:671b lid 8, onderdeel c, BW is voor toekenning van een billijke vergoeding alleen plaats indien de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. [verzoekster] is van mening dat hiervan sprake is en stelt hiertoe dat zij als gevolg van verwijtbaar onvoldoende zorg van de [verweerster] arbeidsongeschikt is geworden. Sinds haar aantreden bij de [verweerster] heeft zij te maken gehad met een te hoge werkdruk waarover zij zich heeft beklaagd. Haar opstelling heeft geleid tot stelselmatige pesterijen door 23 personen en is uitgemond in een PTSS. De [verweerster] heeft bovendien niets gedaan aan re-integratie, hetgeen de symptomen van de PTSS heeft doen toenemen, aldus steeds [verzoekster] en zij verwijst naar het rapport van psycholoog B. van der Meer.

4.18.

Gelet op de uitdrukkelijke betwisting door de [verweerster] kan op grond van de stellingen van partijen en de overgelegde stukken niet worden vastgesteld dat er sprake is van zodanig pestgedrag door de [verweerster] dat dit een ernstig verwijtbaar handelen van de [verweerster] oplevert. De [verweerster] heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen de stelling van [verzoekster] dat zij PTSS heeft en heeft vraagtekens geplaatst bij het door [verzoekster] ter onderbouwing van haar PTSS overgelegde rapport van de psycholoog B. van der Meer. Nu [verzoekster] ter gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft aangekondigd in een afzonderlijke procedure een schadevergoeding te zullen vorderen op grond van artikel 7:658 BW en de feiten en omstandigheden waar [verzoekster] zich op beroept in deze procedure niet zijn komen vast te staan, zal de kantonrechter dit punt in deze ontbindingsprocedure buiten beschouwing laten. De stelling van [verzoekster] dat het handelen van de [verweerster] heeft geleid tot de arbeidsongeschiktheid van [verzoekster] kan in het kader van deze procedure derhalve niet leiden tot toekenning van een billijke vergoeding.

4.19.

Nu geen billijke vergoeding wordt toegekend, hoeft de [verweerster] geen gelegenheid te worden gegeven het verzoek in te trekken.

Re-integratie

4.20.

In het licht van de relatieve korte resterende duur van het dienstverband en de ernstig verstoorde relatie tussen partijen, acht de kantonrechter het niet zinvol de [verweerster] te veroordelen om [verzoekster] in staat te stellen haar eigen werk dan wel passende werkzaamheden in het kader van haar re-integratie binnen of buiten de [verweerster] te verrichten. De vordering van [verzoekster] zal worden afgewezen.

Loon en faciliteiten uit hoofde van de arbeidsovereenkomst

4.21.

Uit hoofde van de arbeidsovereenkomst tussen partijen is de [verweerster] gehouden tot 1 juli 2016 eventuele aanvullingen op het loon bij ziekte aan [verzoekster] te voldoen. De vordering dienaangaande is toewijsbaar. De gevorderde wettelijke rente over het achterstallig loon is eveneens toewijsbaar. De wettelijke verhoging zal worden gematigd tot nihil, nu de [verweerster] gelet op het verschil van mening tussen partijen over de geldigheid van de ontslagbesluiten een te rechtvaardigen reden had voor de niet-tijdige voldoening van het achterstallig loon. Hoewel de kantonrechter komt tot een voor de [verweerster] ongunstige uitkomst van dit geschilpunt, is het door de [verweerster] ingenomen standpunt niet zonder meer onredelijk of onjuist.

4.22.

De [verweerster] dient aan [verzoekster] bovendien de faciliteiten ter beschikking te stellen zoals die golden of hadden moeten gelden tot 1 november 2015. Dit echter voor zover [verzoekster] daar belang bij heeft. Nu gelet op het vorenstaande wordt aangenomen dat [verzoekster] niet meer op haar werkplek zal terugkeren, bestaat naar het oordeel van de kantonrechter voor [verzoekster] geen belang meer bij het hebben van een [verweerster] -emailaccount. Voor wat betreft faciliteiten van betaalde lidmaatschappen en nascholing is dit belang wel aanwezig. De vordering zal dan ook in zoverre worden toegewezen. [verzoekster] heeft niet gesteld of aannemelijk gemaakt welke andere faciliteiten voor haar van belang zijn, zodat hier ook geen rekening mee kan worden gehouden. De gevorderde dwangsom wordt afgewezen, nu niet valt in te zien dat de [verweerster] niet vrijwillig aan deze verplichting zal voldoen.

Contactverbod

4.23.

[verzoekster] heeft zich op het standpunt gesteld dat de [verweerster] haar bij brieven van haar gemachtigde van 3 en 7 december 2015 een contactverbod heeft opgelegd. Volgens de [verweerster] is van een contactverbod geen sprake en heeft zij [verzoekster] slechts verzocht de communicatie tussen de gemachtigden te laten lopen. De [verweerster] heeft uitdrukkelijk betwist dat dat er binnen haar organisatie intern zou zijn uitgedragen dat er niet met [verzoekster] mag worden gecommuniceerd.

Gelet op de uitdrukkelijke betwisting door de [verweerster] had het op de weg van [verzoekster] gelegen feiten en omstandigheden te stellen en te onderbouwen waaruit het door haar gestelde contactverbod zou blijken. Nu [verzoekster] dit heeft nagelaten kan niet worden vastgesteld dat er daadwerkelijk sprake is van een contactverbod als door [verzoekster] gesteld. Het verzoek van [verzoekster] tot opheffing van een contactverbod wordt dan ook afgewezen.

Proceskosten

4.24.

De [verweerster] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij veroordeeld worden in de kosten van deze procedure in de hoofdzaak. Deze kosten worden aan de zijde van [verzoekster] begroot op € 478,--, bestaande uit € 78,-- aan griffierecht en € 400,-- aan salaris gemachtigde.

4.25.

In de uitkomst van deze procedure in het tegenverzoek ziet de kantonrechter aanleiding de proceskosten te compenseren.

5 De beslissing

De kantonrechter:

in de hoofdzaak:

a. vernietigt de opzegging van de [verweerster] per 1 november 2015;

b. verplicht de [verweerster] tot 1 juli 2016 eventuele aanvullingen op het loon bij ziekte aan [verzoekster] te voldoen, te vermeerderen met vakantiebijslag en overige emolumenten, alsmede met de wettelijke rente over het achterstallig loon vanaf de respectieve data van opeisbaarheid tot de voldoening;

c. verplicht de [verweerster] om binnen vijf werkdagen na deze beschikking de faciliteiten van betaalde lidmaatschappen en nascholing aan [verzoekster] ter beschikking te stellen;

d. veroordeelt de [verweerster] in de proceskosten aan de zijde van [verzoekster] , tot de uitspraak van deze beschikking begroot op € 478,-- aan salaris gemachtigde;

e. wijst af het meer of anders verzochte;

in het tegenverzoek:

f. ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen;

g. bepaalt het einde van de arbeidsovereenkomst op 1 juli 2016;

h. compenseert de proceskosten in die zin, dat partijen de eigen kosten dragen;

zowel in de hoofdzaak als in het tegenverzoek:

i. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.P. Killian, kantonrechter, en is in het openbaar uitgesproken op 23 februari 2016.