Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2016:3048

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
07-06-2016
Datum publicatie
07-06-2016
Zaaknummer
16/702479-13 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 34-jarige man uit Leusden is vrijgesproken van het veroorzaken van een dodelijk verkeersongeval in Renswoude in 2013. Een auto met in totaal drie inzittenden botste ’s nachts op een boom. Het slachtoffer zat achterin de auto.

Vrijspraak

De centrale vraag in de strafzaak was of de 34-jarige verdachte reed, of bijrijder was. De verdachte zegt dat hij niet gereden heeft. Vezelonderzoek door het NFI wees in eerste instantie naar de verdachte, maar na aanvullend onderzoek trok het NFI die conclusie in. De deskundige zegt nu dat het even waarschijnlijk is dat de andere inzittende heeft gereden. De rechtbank kon dit onderzoek daarom niet gebruiken voor het bewijs.

Op camerabeelden van een benzinestation is te zien dat ongeveer 7 minuten voor het ongeval de verdachte op de bijrijdersstoel zit. Ook is er een verklaring van een getuige die kort na het ongeluk aanwezig was. Deze getuige wijst een andere inzittende aan als bestuurder van de auto. De rechtbank oordeelt dat niet kan worden bewezen dat de verdachte heeft gereden en spreekt hem daarom vrij.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Utrecht

Parketnummer: 16/702479-13 (P)

Vonnis van de meervoudige strafkamer van 7 juni 2016

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1982] ,

wonende te [adres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 10 december 2015, 31 maart 2016, 14 april 2016 en 24 mei 2016.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat verdachte en de advocaat, mr. J.P.A. van Schaik, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1, primair : als bestuurder van een auto, terwijl hij onder invloed was van alcohol

en/of verdovende middelen, de macht over het stuur verloor en tegen

een boom is gebotst, waardoor [slachtoffer 1] werd gedood en [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel opliep;

subsidiair: als bestuurder van een auto, terwijl hij onder invloed was van alcohol en/of verdovende middelen, zich zodanig op de weg heeft gedragen dat gevaar op de weg werd veroorzaakt;

Feit 2 : onder invloed van alcohol en/of verdovende middelen een auto heeft

bestuurd.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het tenlastegelegde en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie en de verdediging

Zowel de officier van justitie als de verdediging zijn van mening dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de ten laste gelegde feiten.

4.2

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en zal hem dan ook vrijspreken. Dit oordeel berust op het volgende.

Op 14 september 2013 botste ’s nachts op de provinciale weg te Renswoude een auto tegen een boom. Vaststaat dat verdachte in deze auto zat, samen met [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] , die op de achterbank van de auto zat. [slachtoffer 1] overleed vrijwel direct na het ongeval. Centrale vraag in deze strafzaak is of verdachte ten tijde van het ongeval de bestuurder of de bijrijder van de auto was.

Een aanwijzing voor het scenario dat verdachte de bestuurder van de auto is geweest was aanvankelijk gelegen in door het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) uitgevoerd vergelijkend vezelonderzoek. Op basis van de resultaten van dit vezelonderzoek, neergelegd in een rapport van 23 mei 2014, werd geconcludeerd dat de auto ten tijde van het ongeval werd bestuurd door verdachte. Na de terechtzitting van 10 december 2015, waarop de deskundige van het NFI is bevraagd over deze conclusie, is aanvullend onderzoek gedaan door het NFI. Onderdeel van dit aanvullende onderzoek van 23 maart 2016 is nader onderzoek naar de mogelijke bewegingen van de inzittenden van de auto op basis van een uitgebreide verkeersongevallenanalyse. Door het NFI wordt in dit aanvullende onderzoek geconstateerd dat de conclusie uit het eerdere vezelonderzoek – dat verdachte de bestuurder van de auto was ten tijde van het ongeval – is gebaseerd op onjuiste aannames en daarmee niet langer houdbaar is. De conclusie van het aanvullende onderzoek is dat de hypothese dat verdachte op de bestuurdersstoel zat onmiddellijk voor het ongeval even waarschijnlijk is als de hypothese dat [slachtoffer 2] op dat moment op deze plek zat.

Uit het nader onderzoek dat is verricht na de heropening van het onderzoek, is gebleken dat verdachte voorafgaand aan de zitting op 10 december 2015 een bezoek heeft gebracht aan getuige [getuige] , die aan verdachte de auto waarmee het ongeval heeft plaatsgehad had verkocht. Tijdens dat bezoek zou gesproken zijn over het vezelonderzoek. [getuige] heeft over dit bezoek verklaard dat verdachte aan hem had gevraagd om, kort gezegd, te verklaren over een fictief ongeluk waarbij de auto behoorlijke schade had opgelopen. Door verdachte is deze gang van zaken zowel bij de politie als ter zitting op 24 mei 2016 evenwel gemotiveerd betwist en hij heeft een andere lezing van het bezoek aan [getuige] gegeven. Zelfs indien evenwel van de juistheid van de verklaring van [getuige] zou moeten worden uitgegaan, vormt deze verklaring geen directe aanwijzing dat verdachte ten tijde van het ongeval de bestuurder van de auto is geweest.

Andere overtuigende aanwijzingen dat verdachte de bestuurder van de auto is geweest ontbreken.

Daartegenover staat dat het dossier aanwijzingen bevat voor het scenario dat verdachte niet de bestuurder van de auto is geweest. Allereerst zijn er camerabeelden van een benzinestation, die zijn gemaakt ongeveer 7 minuten voor het ongeval. Op deze beelden is de wegrijdende auto van verdachte te zien, waarbij ook te zien is dat – op dat moment – [slachtoffer 2] deze auto bestuurt en dat verdachte op de bijrijdersstoel zit. Ten tweede is er de verklaring van een getuige die zeer kort na het ongeval ter plaatse was en die [slachtoffer 2] aanwijst als de persoon die hij aan de bestuurderskant van de auto uit de auto zag hangen.

Gelet op het bovenstaande is naar het oordeel van de rechtbank geen wettig en overtuigend bewijs voorhanden voor het scenario dat het verdachte is geweest die de auto onmiddellijk voorafgaande aan het ongeval heeft bestuurd. Hij dient dan ook te worden vrijgesproken van de ten laste gelegde feiten.

5 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van de ten laste gelegde feiten.

Dit vonnis is gewezen door

mr. C.A.M. van Straalen, voorzitter,

mrs. G. Perrick en K.J. Veenstra, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S. Passchier, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 7 juni 2016.

Mr. G. Perrick is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE: de tenlastelegging

1.

Primair

hij op of omstreeks 14 september 2013 te Renswoude als verkeersdeelnemer,

namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto, Rover, met

kenteken [kenteken] ) daarmede rijdende over de weg, de Arnhemseweg, komende uit

de richting van Veenendaal en gaande in de richting van Renswoude, roekeloos,

in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend en/of

onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte, terwijl hij onder

invloed verkeerde van alcohol en/of amfetamine en/of MDMA en/of MDA en/of het

door hem bestuurde motorrijtuig niet met de nodige voorzichtigheid heeft

bestuurd en/of niet voortdurend in controle heeft gehouden, tengevolge waarvan

hij, verdachte, (ter hoogte van de middengeleiding) de macht over het stuur is

verloren en/of met het door hem bestuurde motorrijtuig van de rijbaan van die

weg is geraakt en/of (vervolgens) in de linker berm terecht is gekomen en/of

tegen een in die berm staande paal (met een verkeersbord) en/of een boom is

gebotst, waardoor een ander, mede inzittende van die auto, genaamd [slachtoffer 1] ,

werd gedood en/of een andere inzittende, genaamd [slachtoffer 2] , (zwaar

lichamelijk) letsel, te weten (vijf) gebroken rib(ben) en/of een wond op zijn

linker schouder en/of rechter (onder)arm en/of krassen over het hele lichaam,

werd toegebracht terwijl hij verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel

8, tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994

art 6 Wegenverkeerswet 1994

Subsidiair

hij, op of omstreeks 14 september 2013, te Renswoude, althans in het

arrondissement Midden-Nederland, als bestuurder van een motorrijtuig

(personenauto, merk Rover, met kenteken [kenteken] ) heeft gereden op de voor het

openbaar verkeer openstaande weg, de Arnhemseweg, terwijl hij onder invloed

verkeerde van alcohol en/of amfetamine en/of MDMA en/of MDA en/of het door hem

bestuurde motorrijtuig niet met de nodige voorzichtigheid heeft bestuurd en/of

niet voortdurend in controle heeft gehouden, tengevolge waarvan hij,

verdachte, (ter hoogte van de middengeleiding) de macht over het stuur is

verloren en/of met het door hem bestuurde motorrijtuig van de rijbaan van die

weg is geraakt en/of (vervolgens) in de linker berm terecht is gekomen en/of

tegen een in die berm staande paal (met een verkeersbord) en/of een boom is

gebotst, door welke gedraging(en) gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans

kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans

kon worden gehinderd;

art 5 Wegenverkeerswet 1994

2.

hij op of omstreeks 14 september 2013 te Renswoude, althans in het

arrondissement Midden-Nederland, als bestuurder van een voertuig,

(personenauto, merk Rover met kenteken [kenteken] ), dit voertuig heeft bestuurd,

na zodanig gebruk van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van

verdachtes bloed bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid,

aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994, 0,59 milligram, in elke geval

hoger dan 0,5 milligram, alcohol milliter bloed bleek te zijn en/of onder

zodanige invloed van een stof (amfetamine en/of MDMA en/of MDA), waarvan hij

weet of redelijkerwijs moet weten, dat het gebruik daarvan - al dan niet in

combinatie met het gebruik van een andere stof - de rijvaardigheid kan

verminderen, dat hij niet tot behoorlijke besturen in staat moest worden

geacht;

art 8 lid 1 Wegenverkeerswet 1994