Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2016:3035

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
01-06-2016
Datum publicatie
06-06-2016
Zaaknummer
16/659273-15 (ontneming)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Toegewezen ontnemingsvordering van € 193.138,85.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Lelystad

Parketnummer: 16/659273-15 (ontneming)

Vonnis van de meervoudige kamer van 1 juni 2016.

in de ontnemingszaak tegen

[veroordeelde] ,

geboren op [1963] te [geboorteplaats] ,

wonende te [adres] , [woonplaats] .

Het onderzoek ter openbare terechtzitting heeft plaatsgevonden op 18 mei 2016, waarbij zijn gehoord:

  • -

    mr. M. Kamper, officier van justitie;

  • -

    mr. J.F. van Halderen, advocaat te Haarlem, die heeft verklaard door [veroordeelde] , die niet is verschenen, uitdrukkelijk te zijn gemachtigd om namens haar het woord te voeren.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken van het voorbereidend onderzoek, te weten:

- een rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij, opgemaakt door [verbalisant] , hoofdagent van Politie Flevoland;

  • -

    het vonnis van de meervoudige strafkamer van deze rechtbank van 14 oktober 2015 in de onderliggende strafzaak met parketnummer 16/659273-15;

  • -

    de conclusie van antwoord en de nadere conclusie van de raadsman en het repliek van het openbaar ministerie, die voorafgaand aan het onderzoek ter terechtzitting door de raadsman en het openbaar ministerie zijn gewisseld in de ontnemingszaak;

- de stukken behorende tot het dossier in de strafzaak met parketnummer 16/659273-15.

OVERWEGINGEN

De meervoudige strafkamer van deze rechtbank heeft [veroordeelde] in de onderliggende strafzaak met parketnummer 16/659273-15, (evenals haar mededader, tevens de partner van [veroordeelde] , in de strafzaak met parketnummer 16/702719-13) bij vonnis van 14 oktober 2015 veroordeeld ter zake:

Medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod

en

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking.

De officier van justitie heeft bij vordering d.d. 26 augustus 2015 gevorderd dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en dat de rechtbank aan [veroordeelde] de verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van dit voordeel, welk voordeel door de officier van justitie wordt geschat op € 345.470,40. De officier van justitie heeft ter terechtzitting van 18 mei 2016 haar vordering gewijzigd in die zin dat het wederrechtelijk genoten voordeel wordt geschat op een bedrag van € 193.138,85.

De raadsman van [veroordeelde] heeft de vordering bestreden. Daartoe heeft hij aangevoerd dat

[veroordeelde] niet op de hoogste is geweest van de hennepkwekerij.

De rechtbank overweegt als volgt. Dat [veroordeelde] op 16 september 2013 actief betrokken is geweest bij het telen van hennep blijkt uit voormeld vonnis en uit de in dat vonnis opgenomen bewijsmiddelen. De rechtbank acht het niet aannemelijk dat er voor 16 september 2013 sprake is geweest van verhuur, [veroordeelde] heeft zulks onvoldoende onderbouwd.

De rechtbank ontleent aan de inhoud van de in voormeld vonnis opgenomen bewijsmiddelen het oordeel dat aannemelijk is dat [veroordeelde] uit de bewezenverklaarde feiten, althans uit een ander, soortgelijk strafbaar feit, wederrechtelijk voordeel heeft genoten als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank constateert dat [veroordeelde] geen verweer heeft gevoegd tegen de aard en wijze van berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel. De rechtbank is van oordeel dat de grondslag voor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel, neergelegd in het proces-verbaal berekening wederrechtelijk verkregen voordeel met nummer 2013068172, juist is. De politie is bij de berekening uitgegaan van de normen, zoals weergegeven in het rapport ‘Wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij bij binnenteelt onder kunstlicht’, opgesteld op 1 november 2010 door het Bureau Ontnemingswetgeving Openbaar Ministerie (BOOM). Bij gebrek aan een verklaring van de zijde van [veroordeelde] heeft de rechtbank geen reden om van deze gebruikte normen af te wijken.

De rechtbank gaat bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel uit 420 planten per oogst in kweekruimte 1 en eveneens 420 planten per oogst in kweekruimte 2. De rechtbank gaat daarbij uit van hetgeen is aangetroffen bij ontdekking van de hennepkwekerij.

In beide kweekruimten stonden 25 planten per m2, met een gemiddelde opbrengst volgens het BOOM-rapport van 23 gram hennep per plant. De totale opbrengst aan hennep per oogst bedraagt derhalve 420 planten x 23 gram = 9,66 kilogram per kweekruimte. Uitgaande van een opbrengst van € 3.280,00 per kilo, kan de bruto opbrengst per oogst worden berekend op een bedrag van € 31.684,80 per kweekruimte.

De rechtbank gaat uit van meerdere oogsten in beide kweekruimten, gelet op de geconstateerde kalkafzetting op het zeil en aan de onderzijde van de plantenpotten, stof op en verkleuring van de koolstoffilters, de aanwezigheid van gebruikte droogrekken en met hennepresten vervuilde knipscharen. Dat er een mislukte oogst zou hebben plaatsgevonden of dat de hennepkwekerij gefaseerd is uitgebreid is niet aannemelijk geworden. De rechtbank gaat uit van zes eerdere oogsten in kweekruimte 1. Gezien het verschil in leeftijd van de planten in beide kweekruimtes gaat de rechtbank uit van één eerdere oogst in kweekruimte 2.

De totale bruto opbrengst op basis van zeven oogsten bedraagt 7 x € 31.684,80 =

€ 221.793,60.

Op die opbrengst zal de rechtbank een aantal kosten in mindering brengen. De rechtbank overweegt hierover het navolgende.

Voor de hennepkwekerij hebben investeringen plaatsgevonden in duurzame productiemiddelen. Door het gebruik van deze productiemiddelen neemt de waarde daarvan af, welke waardevermindering als afschrijvingskosten in mindering zullen worden gebracht, evenals de kosten voor hennepstekken en variabele kosten voor onder meer water en voedingsstoffen.

De rechtbank gaat bij de schatting van de kosten uit van de in het hiervoor genoemde BOOM-rapport genoemde normen en schat deze kosten op € 2.895,60 per oogst. In totaal bedragen deze kosten derhalve 7 x € 2.895,60 = € 20.269,20. De rechtbank zal voorts in mindering brengen de kosten van Enexis, te weten € 8.385,55. Van overige kosten is niets gesteld of gebleken.

De rechtbank schat aldus het door [veroordeelde] wederrechtelijk verkregen voordeel op een bedrag van € 193.138,85 (€ 221.793,60 - € 20.229,20 - € 8.385,55).

Zoals hiervoor vermeld, zijn [veroordeelde] en haar partner veroordeeld voor actieve betrokkenheid bij de hennepkwekerij. Het bestaan van andere mededaders is niet aannemelijk geworden. Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting blijkt niet anders dan dat [veroordeelde] en haar medeveroordeelde gezamenlijk de beschikking hebben of gedurende een zekere tijd hebben gehad over de opbrengst, zodat het voordeel als gemeenschappelijk voordeel kan worden aangemerkt. In het verlengde daarvan zal de betalingsverplichting hoofdelijk worden opgelegd.

Aan [veroordeelde] dient, ter ontneming van het door haar wederrechtelijk verkregen voordeel, de hoofdelijke verplichting te worden opgelegd tot betaling aan de staat van een bedrag van € 193.138,85.

De rechtbank ziet op basis van de huidige en de redelijkerwijs te verwachten toekomstige financiële omstandigheden van [veroordeelde] geen aanleiding om dit ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel te betalen bedrag te matigen.

BESLISSING

De rechtbank stelt het bedrag, waarop het wederrechtelijk voordeel wordt geschat, vast op

€ 193.138,85.

De rechtbank legt aan [veroordeelde] de verplichting op om terzake van ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel aan de Staat te voldoen een bedrag van € 193.138,85.

[veroordeelde] is voor dit bedrag hoofdelijk aansprakelijk met dien verstande dat indien en voor zover haar mededader betaalt, [veroordeelde] in zoverre van deze verplichting zal zijn bevrijd.

Deze beslissing is gegeven door mr. R.B. Eigeman , voorzitter, en mr. N.E.M. Kranenbroek en mr. W.S. Ludwig, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.P. Ponsteen, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 juni 2016.