Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2016:2998

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
03-06-2016
Datum publicatie
29-06-2016
Zaaknummer
4206368 UT VERZ 15-12162
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Aansprakelijkheid bewindvoerder. Vordering tot schadevergoeding wegens slecht bewind. Artikel 1:444 jo artikel 1:445, lid 4, jo artikel 1:362 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Bewindsbureau

locatie Utrecht

zaaknummer : 4206368 UT VERZ 15-12162

BM nummer : 15954

Beschikking d.d. 3 juni 2016

Op verzoek van:

[verzoekster] , h.o.d.n. [naam],

correspondentieadres: [postbus] , [vestigingsplaats] ,

hierna te noemen: verzoekster,

met betrekking tot het bewind over de goederen die (zullen) toebehoren aan:

[rechthebbende],

geboren te [geboorteplaats] op [1957] ,

wonende te [woonplaats] , [adres] ,

hierna te noemen: rechthebbende.

tegen:

[verweerster] , h.o.d.n. [naam],

correspondentieadres: [postbus] , [vestigingsplaats] ,

hierna te noemen: verweerster.

1 De procedure

1.1.

De kantonrechter heeft kennisgenomen van de klachten ingediend door verzoekster ter griffie ingekomen op 15 april 2015 tegen het handelen van verweerster als bewindvoerder van rechthebbende.

1.2.

Bij brief van 2 juli 2015 heeft rechthebbende een klacht ingediend tegen het handelen van verweerster als haar bewindvoerder.

1.3.

Verzoekster heeft bij schriftelijke stukken van 6 juli 2015 en 2 augustus 2015 de klachten verder geformuleerd. De klachten zijn behandeld ter zitting van 3 september 2015, Ter zitting zijn verschenen: rechthebbende, vergezeld van haar dochter, verzoekster en verweerster. Van het verhandelde ter zitting zijn aantekeningen bijgehouden. De kantonrechter heeft partijen in de gelegenheid gesteld ter onderbouwing van het verzoek nog nadere stukken toe te zenden.

1.4.

Op 17 september 2015 heeft verzoekster een overzicht met misstanden inzake het bewind van rechthebbende ingediend. Bij brief van 16 oktober 2015 heeft verweerster schriftelijk op de brief van verzoekster gereageerd.

1.5.

Verzoekster heeft bij brief van 16 november 2015 nog een schriftelijke reactie gegeven.

1.6.

Op 8 januari 2016 heeft een vervolgzitting plaatsgevonden. Ter zitting zijn verschenen: rechthebbende, vergezeld van haar dochter, en verzoekster. Verweerster is, hoewel zij behoorlijk was opgeroepen, niet verschenen. Van het verhandelde ter zitting zijn aantekeningen bijgehouden.

1.7.

Verweerster is vervolgens in de gelegenheid gesteld om te reageren hetgeen zij uiteindelijk bij mailbericht van op 21 maart 2016 heeft gedaan.

2 Vaststaande feiten

2.1.

Bij beschikking van de kantonrechter te Amersfoort d.d. 27 januari 2011 is het vermogen van rechthebbende onder bewind gesteld met benoeming van verweerster tot bewindvoerder.

2.2.

Bij beschikking van 2 juni 2015 is verweerster ontslagen als bewindvoerder en verzoekster tot opvolgend bewindvoerder benoemd.

2.3.

Ten tijde van de onderbewindstelling zat rechthebbende in een minnelijk schuldsaneringstraject. Dat traject is medio 2012 afgesloten met een schone lei.

3 De beoordeling

3.1.

Het verzoek betreft een uitspraak over klachten met de betrekking tot de wijze waarop verweerster het bewind heeft uitgevoerd en een verzoek om veroordeling tot vergoeding van de schade die rechthebbende in dat verband heeft geleden. Daarnaast wordt verzocht om verweerster te veroordelen tot vergoeding aan rechthebbende van de extra kosten die verzoekster in rekening heeft gebracht bij rechthebbende om de klachten van rechthebbende te onderbouwen, de door verweerster gegeven informatie te verifiëren en corrigeren, de onderhavige klachten in te dienen en te onderbouwen, e.d. Ook wordt verzocht om een immateriële schadevergoeding.

3.2.

De kantonrechter zal allereerst ingaan op de klachten die verzoekster heeft geformuleerd en beoordelen in hoeverre de klachten gegrond zijn. Vervolgens zal de kantonrechter ingaan op het verzoek tot vergoeding van schade en de verzoeken tot vergoeding van extra kosten in verband met de werkzaamheden van verzoekster en toekenning van een immateriële schadevergoeding.

Algemeen

3.3.

In artikel 1:444 Burgerlijk Wetboek (BW) is bepaald dat een bewindvoerder jegens de rechthebbende aansprakelijk is, als hij te kort schiet in de zorg van een goed bewindvoerder, tenzij de tekortkoming hem niet kan worden toegerekend. Dit betekent dat de handelswijze van de bewindvoerder, ook al is hierdoor schade ontstaan, niet automatisch leidt tot aansprakelijkheid. Gekeken zal moeten worden of de bewindvoerder heeft gehandeld in strijdt met hetgeen van een zorgvuldig handelde bewindvoerder verwacht mag worden.

3.4.

Op grond van artikel 1:362 BW, dat ingevolge artikel 1:445, lid 5, BW van overeenkomstige toepassing is bij bewind, kan de kantonrechter op verzoek van de bewindvoerder of ambtshalve de schade vaststellen, die de rechthebbende door slecht bewind van de voormalige bewindvoerder heeft geleden en de voormalige bewindvoerder tot vergoeding daarvan veroordelen.

De klachten

Klacht 1 - Aangifte IB 2012 en 2013

3.5.

De klacht houdt in dat er bij de IB aangifte 2012 en 2013 is opgegeven dat rechthebbende in aanmerking kwam voor een alleenstaande ouderkorting vanwege een inwonend minderjarig kind. Dat was echter onjuist. Dat kind woonde bij de vader. Verweerster heeft erkend dat zij het bureau dat zij had ingeschakeld om aangifte over die jaren te doen, onvoldoende heeft gecontroleerd.

3.6.

Als een bewindvoerder de IB aangifte verzorgt, dan is het de verantwoordelijkheid van de bewindvoerder dat die aangifte ook juist is, tenzij de bewindvoerder niet beschikte en niet hoefde te beschikken over de informatie om een juiste aangifte te doen. De bewindvoerder was er kennelijk van op de hoogte dat er geen sprake was van een inwonend minderjarig kind. In dat geval had zij er ook voor moeten zorgen dat er geen aanspraak werd gemaakt op een alleenstaande ouderkorting. Deze klacht is gegrond.

Klacht 2 - Toeslagen belastingdienst

3.7.

Deze klacht over toeslagen houdt kennelijk in dat verweerster niet zelf de toeslagen heeft aangevraagd, maar daarvoor een derde heeft ingeschakeld.

3.8.

Het enkele feit dat een bewindvoerder toeslagen aanvraagt via een derde is niet klachtwaardig. Deze klacht is ongegrond.

Klacht 3 - Toeslagen UWV

3.9.

De klacht houdt in dat rechthebbende vanaf 27 januari 2011 tot en met 28 februari 2013 ten onrechte een hogere uitkering kreeg omdat zij als gehuwde stond geregistreerd, terwijl zij alleenstaande was.

3.10.

Verweerster heeft aangegeven dat zij hierover vragen heeft gesteld bij het UWV en dat zij daarover ook een gesprek heeft gehad met een inspecteur op haar kantoor in 2013. Die zou hebben aangegeven dat de toeslag te maken zou hebben met een inwonend minderjarig kind.

3.11.

Als een rechthebbende een toeslag op haar uitkering ontvangt, dan is het een taak van de bewindvoerder om te controleren in hoeverre dat ook juist is. Als die toeslag niet juist is, kan dat leiden tot een schuld of er zou een aanspraak kunnen zijn op een hogere uitkering als het UWV van de juiste gegevens op de hoogte is.

3.12.

Uit de terugvorderingsbrief van het UWV is niet af te leiden of de hogere uitkering van rechthebbende was gebaseerd op de veronderstelling dat zij gehuwd was of de veronderstelling dat zij een alleenstaande ouder was met een thuiswonend kind onder de 18 jaar waarvoor door haar kinderbijslag werd ontvangen, hetgeen beide onjuist was. De kantonrechter stelt vast dat het tot 22 februari 2013 geduurd voor het UWV kennelijk op de hoogte was van de juiste thuissituatie van rechthebbende. Het bewind liep toen al ruim 2 jaar. Het UWV vordert terug vanaf 27 januari 2011 en niet over de periode daarvoor, vanaf 1 december 2010, met als motivering dat rechthebbende vanaf 27 januari 2011 onder bewind stond.

3.13.

Dat het zo lang heeft geduurd voordat de bewindvoerder ervoor heeft gezorgd dat de juiste uitkering werd overgemaakt, is in beginsel aan verweerster te verwijten. Zij heeft onvoldoende onderbouwd dat deze fout bij het UWV lag, mede in het licht van de terugvorderingsbeslissing van het UWV. Deze klacht is gegrond.

Klacht 4 - Kinderpostzegels

3.14.

De klacht houdt in dat rechthebbende kinderpostzegels heeft gekocht aan de deur en verweerster daarvan op de hoogte heeft gesteld. Die heeft het aankoopbedrag van € 10,-- niet betaald. Verweerster stelt zich op het standpunt dat rechthebbende haar hiervan niet op de hoogte heeft gesteld.

3.15.

Het is onvoldoende komen vast te staan dat rechthebbende deze uitgave, die feitelijk uit haar leefgeld zou moeten worden betaald, ook heeft gemeld aan verweerster. Zonder die informatie kon verweerster niets doen. De klacht is ongegrond.

Klacht 5 - KPN

3.16.

De klacht houdt in dat rechthebbende met toestemming van verweerster een glasvezel abonnement van KPN heeft afgesloten met extra zenderpakketten. Het Digitenne abonnement van KPN was hierdoor niet meer nodig, maar heeft desondanks nog wel anderhalf jaar doorgelopen. Het nieuwe abonnement van KPN was ook veel te duur, namelijk gemiddeld € 90,-- per maand. Die extra zenderpakketten hadden door verweerster eenvoudig via internet kunnen worde beëindigd.

3.17.

Verweerster geeft aan dat zij uiteindelijk toestemming heeft gegeven voor een glasvezelabonnement, maar niet voor extra zenders. Zij heeft geprobeerd dit contract te beëindigen, maar dit bleek heel lastig. Om te voorkomen dat rechthebbende na afsluiting van het glasvezelabonnement geen tv-aansluiting meer zou hebben, heeft zij het Digitenne abonnement laten doorlopen. Uiteindelijk is het niet meer gelukt om het om te zetten voor het einde van haar werkzaamheden als bewindvoerder.

3.18.

Tussen partijen is niet in geschil dat verweerster rechthebbende toestemming heeft gegeven om een glasvezelabonnement te nemen. Dat had er in ieder geval toe moeten leiden dat het Digitenne abonnement direct werd opgezegd. Ten onrechte heeft verweerster dat niet gedaan. Ook is uit hetgeen verweerster in het geding heeft gebracht, onvoldoende af te leiden wat zij concreet heeft gedaan om het glasvezelabonnement te beëindigen of te verlagen. Zeker nu KPN er volgens verweerster van op de hoogte was dat rechthebbende onder bewind stond en verweerster verder slechts toestemming had gegeven voor een sober pakket, had voor de hand gelegen dat KPN alleen een sober pakket kon leveren en daarvoor kosten in rekening kon brengen. Deze klacht is gegrond.

Klacht 6 - Ziggo

3.19.

De klacht houdt in dat verweerster pas in juni 2014 een regeling heeft getroffen voor deze schuld terwijl zij al in 2011 op de hoogte was van deze schuld en dat deze schuld niet mee gesaneerd zou worden. Daarnaast is verweerster de regeling van € 10,-- per maand niet nagekomen

3.20.

Verweerster stelt dat de regeling niet meer kon worden nagekomen wegens onvoldoende saldo.

3.21.

Het is onvoldoende gebleken dat verweerster ervoor had kunnen zorgen dat deze schuld van Ziggo gesaneerd had kunnen worden in het minnelijk traject. Verweerster heeft verder wel gesteld, maar ondanks betwisting door verzoekster, niet onderbouwd dat de met Ziggo overeengekomen betalingsregeling niet meer kon worden nagekomen en waarom dat het geval was. Deze klacht is gegrond.

Klacht 7 - Reisverzekering

3.22.

De klacht houdt in dat verweerster de premie voor de reisverzekering ten onrechte niet heeft betaald. Verweerster stelt dat rechthebbende deze premie zelf heeft betaald.

3.23.

Het is onvoldoende duidelijk hoe hierover is gecommuniceerd door de rechthebbende. Wel is duidelijk geworden dat op 26 september 2014 door de verzekering een brief is gestuurd aan rechthebbende met de mededeling dat het niet gelukt is de premie automatisch te incasseren en wordt verzocht de nota binnen 30 dagen na dagtekening van de brief te voldoen. Uit een overgelegd bankafschrift blijkt dat de premie op 20 oktober 2014 is betaald. De klacht is ongegrond.

Klacht 8 - Aanmaningskosten huurachterstand

3.24.

De klacht houdt in dat de huur niet tijdig is betaald, waardoor er kosten van aanmaning ontstonden. Verweerster had moeten zorgen voor een goed budgetplan om het niet kunnen betalen van de huur te voorkomen. Rechthebbende heeft de inkomensgegevens van haar dochter aan verweerster gestuurd, maar vervolgens niets meer vernomen, zodat het verweer dat haar dochter niet bijdroeg, geen hout snijdt.

3.25.

Verweerster voert aan dat er onvoldoende saldo was. Daarnaast voert verweerster aan dat de dochter van rechthebbende niet bijdroeg in de kosten.

3.26.

Het is onvoldoende duidelijk geworden waarom verweerster niet in staat was om een sluitend budgetplan te maken en ook te blijven volgen. De belangrijkste taak van een bewindvoerder is om ervoor te zorgen dat er zo snel mogelijk een financieel stabiele situatie ontstaat. Verweerster heeft niet verder onderbouwd waarom er betalingsproblemen ontstonden. Dat de inwonende dochter niet bijdroeg in de kosten, is in het licht van de reactie dat verweerster geen bedrag vaststelde dat zij moest betalen en de slechte bereikbaarheid van verweerster (zie hierna onder klacht 11). Deze klacht is gegrond.

Klacht 9 - Achterstand Vitens

3.27.

Er is een dreigbrief geweest over achterstallige nota’s. De klacht is dat het budgetplan niet klopte.

3.28.

Verweerster voert aan dat er onvoldoende saldo was en dat rechthebbende de aanmaningen en dergelijke niet tijdig doorstuurde.

3.29.

Onder verwijzing naar hetgeen onder klacht 8 is gesteld, is ook deze klacht gegrond. Als verweerster zorgt voor tijdige betaling van vaste verplichtingen als kosten water, dan is niet nodig dat rechthebbende aanmaningen doorstuurt. Kennelijk heeft verweerster er ook niet voor gezorgd dat Vitens niet met rechthebbende communiceerde, maar rechtstreeks met haar.

Klacht 10 - Kwijtschelding gemeentelijke belasting

3.30.

De klacht is dat verweerster ten onrechte geen kwijtschelding van gemeentelijke belastingen heeft gevraagd. Dat rechthebbende daar geen recht op zou hebben omdat zij een inwonende meerderjarige dochter met inkomen, is onjuist. In het betreffende formulier wordt daar niet naar gevraagd en voor 2015 is er ook kwijtschelding verleend.

3.31.

Verweerster stelt dat zij wel kwijtschelding heeft aangevraagd, maar dat zij in overleg met de gemeente dat verder niet heeft doorgezet omdat het geen zin had. Rechthebbende had samen met haar dochter teveel inkomen om voor kwijtschelding in aanmerking te komen.

3.32.

Het is niet in geschil dat het een taak is van de bewindvoerder om kwijtschelding van gemeentelijke belastingen aan te vragen als een rechthebbende daarvoor in aanmerking komt. In het licht van de gemotiveerde betwisting van verzoekster dat het inkomen van de inwonende dochter niet aan kwijtschelding in de weg stond, heeft verweerster onvoldoende onderbouwd dat rechthebbende niet voor kwijtschelding in aanmerking kwam. Daarbij is ook relevant dat verweerster geen daadwerkelijke beslissing van de gemeente heeft gevraagd. De klacht is gegrond.

Klacht 11 - Bereikbaarheid

3.33.

De klacht houdt in dat verweerster niet bereikbaar is. Zij neemt nooit de telefoon op, belt niet terug en beantwoordt e-mail nauwelijks. Rechthebbende kon haar bijna nooit bereiken en ook het Sociale Team Soest niet.

3.34.

Verweerster geeft aan dat zij inderdaad enige tijd zeer slecht bereikbaar is geweest vanwege problemen met haar provider.

3.35.

Zoals verweerster ook ter zitting heeft erkend, is zij in ieder geval 5 maanden niet bereikbaar geweest per mail en per telefoon. In het Besluit kwaliteitseisen curatoren, bewindvoerders en mentoren dat geldt vanaf 1 april 2014, maar op dit punt feitelijk vastlegt wat ook voor 1 april 2014 de norm was, is opgenomen dat een bewindvoerder per week minimaal 4 werkdagen telefonisch bereikbaar moet zijn en voor het overige binnen 2 werkdagen moet reageren. Uit het voorgaande blijkt dat dat gedurende langere tijd niet het geval is geweest. Als verweerster problemen had met haar provider, had zij dit direct moeten oplossen of – als dat niet mogelijk bleek – een alternatief moeten organiseren zodat zij voldoende bereikbaar was om aan haar verplichtingen te voldoen. Deze klacht is gegrond.

Schade

Klacht 1 - Onjuiste opgave belastingdienst

3.36.

Ten aanzien van klacht 1 vordert verzoekster als schade het bedrag dat de belastingdienst heeft teruggevorderd ter hoogte van € 1.344,--. Verweerster heeft daar geen concreet verweer tegen gevoerd.

3.37.

De kantonrechter stelt enerzijds vast dat rechthebbende dit bedrag heeft ontvangen en er dus in zoverre niet zonder meer sprake is van schade. Anderzijds zat rechthebbende in die periode in een minnelijk schuldsaneringstraject, zodat een hoger inkomen kan leiden tot een hoger bedrag dat wordt ingehouden ten behoeve van de schuldeisers. Dan is er sprake van schade tot dit bedrag. Mocht rechthebbende niet tot dit bedrag extra hebben afgedragen aan de schuldeisers, dan had de bewindvoerder kennelijk indertijd al maatregelen moeten treffen, bijvoorbeeld door ook de dochter van rechthebbende te laten bijdragen in de kosten. Ook dan was er geen sprake geweest van een schuld na afloop van het schuldsaneringstraject. Dat betekent dat dit bedrag kan worden toegewezen.

Klacht 3 - Te hoge uitkering UWV

3.38.

Ten aanzien van klacht drie vordert verzoekster als schade een bedrag van € 6.789,87, het bedrag dat het UWV heeft teruggevorderd.

3.39.

Onder verwijzing naar de overwegingen ten aanzien van deze tweede klacht en hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot de schade in verband met de onjuiste opgave van de belastingdienst, is ook deze schade toewijsbaar. Door niet (tijdig) in te grijpen, heeft verweerster er niet voor gezorgd dat er een evenwicht was tussen inkomsten en uitgaven van rechthebbende zonder dat verweerster heeft aangevoerd en onderbouwd dat zonder deze te hoge uitkering van het UWV niet mogelijk was om een evenwicht te creëren om redenen die haar verder niet te verwijten zijn.

Klacht 5 - KPN

3.40.

Onder verwijzing naar hetgeen hiervoor is overwogen bij klacht vijf, had verweerster in ieder geval het Digitenne abonnement moeten afsluiten. Daarnaast heeft verzoekster onbetwist gesteld dat rechthebbende aan de KPN maandelijks gemiddeld € 90,-- kwijt was. Dat is voor een inkomen op minimum niveau te hoog, wat verweerster ook heeft erkend, maar waar zij onvoldoende aan heeft gedaan. Verzoekster vordert € 45,-- gedurende 18 maanden. Verweerster heeft daartegen geen specifiek verweer gevoerd, zodat de schade ad
€ 810,-- zal worden toegewezen.

Klacht 6 - Ziggo

3.41.

De klacht met betrekking tot Ziggo is gegrond. Het is niet gebleken dat hieruit voor rechthebbende schade is voortgevloeid. Deze wordt ook niet gevorderd.

Klacht 8 - Aanmaningskosten huurachterstand

3.42.

Onder verwijzing naar hetgeen is overwegen met betrekking tot de klacht over het niet betalen van de huur zijn de aanmaningskosten van € 75,-- toewijsbaar als schade.

Klacht 9, 10 en 11 - Achterstand Vitens, Kwijtschelding gemeentelijke belasting en bereikbaarheid

3.43.

In verband met deze klachten is geen vergoeding van een concreet bedrag aan schade gevorderd.

Extra kosten verzoekster voor rekening van rechthebbende

3.44.

Verzoekster heeft de kantonrechter verzocht om extra salaris toe te kennen, omdat zij veel extra tijd heeft moeten besteden om aan het bewind van rechthebbende in verband met de wijze van bewindvoering door verweerster. Verzoekster heeft verzocht om vergoeding van 49,5 uur tegen een bedrag van € 78,65 inclusief BTW per uur, derhalve in totaal
€ 3.893,17. Verweerster heeft tegen dit verzoek van verzoekster geen specifiek verweer gevoerd.

3.45.

Bij beschikking van heden heeft de kantonrechter verzoekster een extra vergoeding toegekend van 32,5 extra uren, derhalve in totaal, € 2.556,13. Daarbij is het volgende overwogen:

2.5. De kantonrechter is van oordeel dit onderzoek zodanig omvangrijk was dat er sprake is van uitzonderlijke omstandigheden op grond waarvan een afwijkende beloning van de bewindvoerder kan worden vastgesteld. Daarbij speelt ook een rol dat de kantonrechter bij beschikking van gelijke datum een groot gedeelte van de klachten van verzoekster tegen de voormalig bewindvoerder gegrond heeft verklaard. Dit betekent dat de werkzaamheden van verzoekster in verband met het onderzoek naar de wijze waarop de voormalig bewindvoerder het bewind heeft uitgevoerd, de naar aanleiding van dit onderzoek ingediende klachten en de behandeling daarvan in beginsel voor vergoeding in aanmerking komen.

2.6.

Uit de door verzoeker overgelegde urendeclaratie leidt de kantonrechter af dat verzoeker 32,5 uren bezig is geweest met deze werkzaamheden. Voor een aantal van deze werkzaamheden geldt dat het normale werkzaamheden zijn, waarvoor de bewindvoerder al een reguliere vergoeding heeft gekregen. Het betreft de werkzaamheden verricht voor het verzamelen van informatie bij de instanties (3 uren), het verkrijgen van de bankafschriften (3 uren), het treffen van betalingsregelingen (4 uren), het rondkrijgen van het budget (2 uren), het voorkomen van een incassoprocedure (0,5 uur) en de helft van bestede uren voor overleg met rechthebbende en haar dochter en het overleg met de (andere) kinderen (9 uren). De overige werkzaamheden, optellend tot 32,5 uren, hangen wel voldoende samen met voornoemde uitzonderlijke werkzaamheden, om voor extra vergoeding in aanmerking te komen.

2.7.

Gelet op hetgeen onder punt 2.5. en 2.6. is overwogen, zal de kantonrechter de beloning van verzoekster afwijkend vaststellen in die zin dat verzoekster 32,5 extra uren in rekening mag brengen tegen een uurtarief van € 78,65 inclusief BTW, derhalve in totaal € 2.556,13 inclusief BTW.

Gezien de motivering van deze beschikking tot toekenning van extra vergoeding, zijn deze kosten van de rechthebbende een direct gevolg van het tekortschieten van verweerster en dus door verweerster te vergoeden als schade.

Immateriële schadevergoeding

3.46.

Ten slotte heeft verzoekster nog een bedrag van € 5.000,-- gevorderd als immateriële

schade.

3.47.

De kantonrechter is van oordeel dat het aannemelijk is dat rechthebbende schade heeft geleden door de gevolgen die het tekortschieten van de voormalige bewindvoerder teweeg hebben gebracht. Overeenkomstig de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 10 maart 2016 (ECLI:NL:GHARL:2016:2128) leidt dit evenwel niet zonder meer tot een aanspraak op immateriële schadevergoeding. In dit verband heeft het Hof onder meer overwogen:

“Artikel 6:106 BW regelt onder welke voorwaarden een benadeelde aanspraak kan maken op immateriële schadevergoeding. Er kan slechts aanspraak bestaan op immateriële schadevergoeding indien er een grondslag is voor aansprakelijkheid van de veroorzaker, zoals in het onderhavige geval een toerekenbare tekortkoming. Als de aansprakelijkheid vast staat, kent het Nederlandse recht slechts onder bepaalde voorwaarden een aanspraak op vergoeding voor nadeel niet zijnde vermogensschade (immateriële schadevergoeding) aan de benadeelde toe. Op basis van artikel 6:106 BW kan iemand aanspraak maken op een dergelijke schadevergoeding:

a. indien de aansprakelijke persoon het oogmerk had zodanig nadeel toe te brengen,

b. indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast of

c. indien het nadeel gelegen is in aantasting van de nagedachtenis van een overledene en toegebracht is aan de niet van tafel en bed gescheiden echtgenoot, de geregistreerde partner of een bloedverwant tot in de tweede graad van de overledene, mits de aantasting plaatsvond op een wijze die de overledene, ware hij nog in leven geweest, recht zou hebben gegeven op schadevergoeding wegens het schaden van zijn eer of goede naam.”

3.48.

Door verzoekster is gesteld dat door het handelen van de voormalige bewindvoerder rechthebbende veel stress en verdriet heeft gehad. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft verzoekster echter onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld op basis waarvan moet worden aangenomen dat de voormalige bewindvoerder daadwerkelijk het oogmerk had om haar nadeel toe te brengen.

Totaal toewijsbare schade

3.49.

Resumerend is het totaal toe te wijzen bedrag aan door verweerster aan verzoekster als bewindvoerder van rechthebbende € 9.018,87, zijnde het totaal bedrag aan schade in verband met gegronde klachten en te vermeerderen met € 2.556,13 in verband met de kosten van verzoekster te betalen door rechthebbende, derhalve in totaal € 11.575,--.

4 De beslissing

De kantonrechter:

4.1.

verklaart de hiervoor onder 1, 3, 5, 6, 8, 9, 10 en 11 weergegeven klachten gegrond;

4.2.

verklaart de overige klachten ongegrond;

4.3.

veroordeelt verweerster om aan verzoekster in haar hoedanigheid van bewindvoerder van rechthebbende te voldoen het bedrag van € 11.575,--;

4.4.

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.A.T. van Rens, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2016, in tegenwoordigheid van de griffier.

Tegen deze beslissing kan binnen drie maanden na de dag van de uitspraak hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem. Het beroepschrift kan uitsluitend door een advocaat worden ingediend.