Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2016:2978

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
03-06-2016
Datum publicatie
29-06-2016
Zaaknummer
5021949 LE VERZ 16-42
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

WWZ. Vernietiging opzegging, wedertewerkstelling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/1850
AR-Updates.nl 2016-0687
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht
kantonrechter

locatie Lelystad

Zaak- en rekestnummer: 5021949 LE VERZ 16-42

Datum beslissing: 3 juni 2016

Beschikking in het incident en de hoofdzaak

in de zaak van

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] ,
verzoeker,

gemachtigde mr. A.L. Looijenga,

en


[verweerster] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

verweerster,

gemachtigde de heer A. Wilderdijk.

Partijen worden hierna [verzoeker] en [verweerster] genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift met 13 producties, ingekomen op 22 april 2016,

- de door de griffier bijgehouden aantekeningen van de mondelinge behandeling van
12 mei 2016,

- de pleitnota met twee producties van de zijde van [verweerster] ,

- de brief van de zijde van [verzoeker] van 20 mei 2016, ingekomen op 23 mei 2016.

1.2.

Ten slotte is beschikking bepaald.

2 De feiten

2.1.

[verzoeker] is op 1 december 2009 op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd in dienst getreden van [naam] B.V. Per 29 december 2012 is de arbeidsovereenkomst omgezet in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Vanaf
29 februari 2012 was [naam] B.V. de werkgever van [verzoeker] . Per
1 oktober 2014 is de op 23 juni 2014 opgerichte B.V. [verweerster] de werkgever van [verzoeker] geworden. Zowel voor [naam] B.V., [naam] B.V. en [verweerster] B.V. heeft [verzoeker] gewerkt als keukenverkoper op dezelfde locatie in [vestigingsplaats] .

2.2.

Het brutoloon van [verzoeker] bedraagt laatstelijk € 2.870,00 bruto per maand exclusief vakantietoeslag en overig emolumenten op basis van een arbeidsduur van 37 uur per week.

2.3.

Eind maart 2016 heeft [verweerster] een vaststellingsovereenkomst aan [verzoeker] aangeboden met het verzoek deze voor 1 april 2016 te tekenen. Per e-mail van 29 maart 2016 heeft (de gemachtigde van) [verzoeker] aan [verweerster] medegedeeld dat niet tot ondertekening zal worden overgegaan.

2.4.

Per brief van 30 maart 2016 heeft [verweerster] , onder meer, het volgende aan [verzoeker] medegedeeld:

‘(…) Zoals u bekent is en ook reeds meerdere is aangegeven, heeft [verweerster] BV haar activiteiten moeten staken c.q. gestaakt. De liquiditeiten zijn uitgeput en er is geen zicht meer op herstel. Wij hebben u enkele maanden tijdelijk en met behulp van relaties, kunnen plaatsen en kunnen doorbetalen. Dit is nu ook opgehouden. Reden waarom wij bij deze ontslag aanzeggen. De voor u geldende opzegtermijn zal in acht worden genomen. Vooralsnog is dat 1 maand. Getracht zal worden het ontslag op de eerst mogelijke datum in te laten gaan. (…)’

2.5.

In de brief van 1 april 2016 aan [verweerster] heeft (de gemachtigde van) [verzoeker] , onder meer, het volgende geschreven:
‘(…) uw brief van 30 maart is door de heer [verzoeker] begrepen als een aanzegging en dus niet als een opzegging. Als de brief van u bedoeld is als opzegging, moet u mij dat omgaand laten weten. (…)’

2.6.

Per e-mail van 4 april 2016 bericht [verweerster] (de gemachtigde van) [verzoeker] als volgt:
‘(…) Naast de aan [verzoeker] overhandigde brief is hem ook mondeling het dienstverband
opgezegd. (…)’

2.7.

In de brief van 8 april 2016 heeft (de gemachtigde van) [verzoeker] [verweerster] , onder meer, het volgende bericht:
‘(…) Ik verzoek u mij per omgaande, doch uiterlijk binnen een week na dagtekening schriftelijk te bevestigen dat de opzegging uwerzijds is ingetrokken en dat u eerst een ontslagvergunning zult vragen aan het UWV. Zoals u weet houdt cliënt zich beschikbaar voor zijn werkzaamheden. (…)’

2.8.

Over de maanden januari en februari 2016 is € 140,92 netto minder betaald dan gebruikelijk. Over de maand maart 2016 is € 962,84 netto te weinig betaald.

2.9.

[verzoeker] is na 30 maart 2016 door [verweerster] niet meer opgeroepen om werkzaamheden te verrichten.

2.10.

[verweerster] heeft [verzoeker] niet bericht dat de opzegging is ingetrokken.

3 Het geschil

In het incident

3.1.

[verzoeker] verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voor de duur van de procedure [verweerster] te veroordelen om aan hem te voldoen:
a. het loon van € 2.870,00 bruto c.a. ingaande 1 april 2016, op de gebruikelijke wijze en tijdstippen, tot aan het moment dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal zijn beëindigd;

b. € 1.103,76 netto aan achterstallige loon over januari, februari en maart 2016;

c. de wettelijke verhoging van 50% over de hiervoor genoemde posten;

d. de wettelijke rente over de hiervoor genoemde posten vanaf de vervaldata van het salaris.

In de hoofdzaak:

3.2.

[verzoeker] verzoekt om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
Primair

e. de opzegging van 30 maart 2016 (dan wel 4 april 2016) te vernietigen;

f. te bepalen dat [verweerster] [verzoeker] te werk moet stellen in zijn functie van keukenverkoper binnen uiterlijk twee dagen na dagtekening van deze beschikking, op straffe van een dwangsom van € 500,00 voor elke dag of deel daarvan dat [verweerster] na betekening van deze beschikking hieraan niet voldoet;

alsmede [verweerster] te veroordelen om aan [verzoeker] te betalen:
g. het loon van € 2.870,00 bruto c.a. ingaande 1 april 2016, op de gebruikelijke wijze en tijdstippen, tot aan het moment dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal zijn beëindigd;

h. € 1.103,76 netto aan achterstallige loon over januari, februari en maart 2016;

i. de wettelijke verhoging van 50% over de hiervoor genoemde posten;

j. de wettelijke rente over de hiervoor genoemde posten vanaf de vervaldata van het salaris.

Subsidiair:
Voor het geval [verzoeker] ervoor kiest te berusten in de opzegging van de arbeidsovereenkomst, verzoekt [verzoeker] [verweerster] te veroordelen tot betaling binnen vijf dagen na dagtekening van deze beschikking aan hem van:
k. een billijke vergoeding onder verstrekking van een deugdelijke bruto/netto specificatie;

l. een bedrag ter hoogte van het in geld vastgestelde loon over de termijn dat de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging had behoren voort te duren, neerkomend op € 5.470,00 bruto onder verstrekking van een deugdelijke bruto/netto specificatie;

m. een transitievergoeding van € 6.715,80 bruto, onder verstrekking van een deugdelijke bruto/netto specificatie;

n. de wettelijke rente over de onder k tot en met m gevorderde bedragen vanaf de dag dat die bedragen zijn verschuldigd.

In het incident en in de hoofdzaak

3.3.

[verzoeker] verzoekt:
o. [verweerster] te veroordelen in de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na dagtekening van de in deze te wijzen beschikking.

3.4.

[verzoeker] legt aan zijn verzoeken, samengevat, het volgende ten grondslag. [verzoeker] is sinds 1 december 2009 in dienst van (de rechtsvoorgangers) van [verweerster] . [verweerster] heeft de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] opgezegd per brief van
30 maart 2016, dan wel mondeling en per e-mail van 4 april 2016. De opzegging is in strijd met artikel 7:671 BW, omdat toestemming van UWV ontbreekt en [verzoeker] niet heeft ingestemd met de opzegging. [verzoeker] heeft zich beschikbaar gehouden voor werk en wil zijn werk ook blijven voortzetten. Nu het dienstverband niet correct is beëindigd, behoudt [verzoeker] recht op loon. Over de maanden januari en februari 2016 is € 140,92 netto te weinig betaald. Over de maand maart 2016 is € 962,84 netto te weinig betaald. Ondanks sommatie heeft [verweerster] het achterstallig loon niet betaald. Voor zover [verzoeker] kiest voor de switch heeft hij recht op een billijke vergoeding, een transitievergoeding en een gefixeerde schadevergoeding wegens onregelmatige beëindiging.

3.5.

[verweerster] heeft op de mondelinge behandeling gemotiveerd verweer gevoerd.

4 De beoordeling

In de hoofdzaak

4.1.

Het verzoekschrift tot vernietiging van de opzegging is tijdig ingediend, gelet op de vervaltermijn als genoemd in artikel 7:686a lid 4 onderdeel a BW in verbinding met de artikelen 7:671 en 681 lid 1 onderdeel a BW.

4.2.

[verzoeker] heeft primair om vernietiging van de opzegging verzocht en toelating tot zijn werkzaamheden. Subsidiair heeft [verzoeker] verzocht om betaling van een billijke vergoeding, een transitievergoeding en van het loon over de termijn dat de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging zou hebben geduurd. Artikel 7:681 BW is echter zo geformuleerd, dat als sprake is van een opzegging in strijd met de regels, de werknemer kan kiezen voor hetzij de vernietiging waarbij de arbeidsovereenkomst voortduurt, hetzij een billijke vergoeding waarbij de opzegging in stand blijft en de arbeidsovereenkomst dus niet voortduurt. Ter zitting heeft [verzoeker] aangegeven dat hij bij [verweerster] in dienst wil blijven, zodat de kantonrechter hieronder ingaat op zijn verzoek het ontslag op staande voet te vernietigen.

4.3.

[verweerster] heeft ter zitting aangevoerd dat zij op 4 april 2016 niet de intentie had de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] op te zeggen. Het was haar bedoeling een ontslagvergunning bij UWV aan te vragen op grond van bedrijfseconomische omstandigheden. De kantonrechter overweegt dat, ondanks dit verweer, in de e-mail van
4 april 2016 duidelijk is medegedeeld dat de arbeidsovereenkomst is opgezegd. [verzoeker] , althans zijn gemachtigde, heeft [verweerster] verzocht de opzegging in te trekken. Nu [verweerster] hier niet toe is overgegaan en [verzoeker] voorts door [verweerster] niet meer is opgeroepen om werkzaamheden te verrichten, mag ervan uit worden gegaan dat de arbeidsovereenkomst per 4 april 2016 door [verweerster] is opgezegd.

4.4.

Voor opzegging van de arbeidsovereenkomst had [verweerster] geen toestemming van UWV. [verweerster] is ook nog niet overgegaan tot het aanvragen van een ontslagvergunning. Voorts is niet gesteld of gebleken dat [verzoeker] met de beëindiging van de arbeidsovereenkomst heeft ingestemd. Dit leidt tot de conclusie dat [verweerster] de arbeidsovereenkomst in strijd met artikel 7:671 BW heeft opgezegd, zodat het primaire verzoek van [verzoeker] toewijsbaar is. De opzegging zal worden vernietigd en het verzoek tot wedertewerkstelling zal worden toegewezen. [verweerster] heeft onbetwist gesteld dat zij haar bedrijfsactiviteiten in verband met haar slechte financiële situatie gestaakt heeft. Derhalve zal geen dwangsom worden opgelegd. [verweerster] heeft ter zitting nog wel betoogd dat [verzoeker] zichzelf buiten spel heeft gezet, doordat hij gelogen heeft over gedane verkopen, stukken heeft zoekgemaakt, heeft medegedeeld dat hij [verweerster] kapot zal maken en gezegd heeft dat hij zal zorgen dat [verweerster] in staat van faillissement wordt verklaard. Los van het feit dat [verzoeker] dit heeft betwist, geldt dat [verweerster] geen verzoek heeft gedaan de arbeidsovereenkomst te ontbinden. Deze stelling van [verweerster] is derhalve niet relevant en doet aan de vernietiging van de opzegging en het toewijzen van het verzoek tot wedertewerkstelling ook niet af.

4.5.

Door de vernietiging van de opzegging is de arbeidsovereenkomst in stand gebleven. [verweerster] is daarom verplicht het aan [verzoeker] toekomende loon van
€ 2.870,00 bruto, vermeerderd met vakantietoeslag en overige emolumenten, te voldoen totdat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd. Dit gedeelte van de vordering van [verzoeker] wordt derhalve eveneens toegewezen.

4.6.

[verweerster] heeft ter zitting erkend dat zij over de maanden januari en februari 2016 € 140,92 netto minder dan gebruikelijk aan [verzoeker] heeft betaald. Zij heeft betoogd dat dit verband houdt met het feit dat [verzoeker] in januari en februari 2016 tewerk is gesteld in zijn woonplaats [woonplaats] bij een relatie van [verweerster] . [verzoeker] is hier volgens [verweerster] op de fiets naar toe gegaan, zodat hij geen recht heeft op de reiskostenvergoeding van € 50,00 netto per maand. Dit is door [verzoeker] niet, althans onvoldoende gemotiveerd, weersproken. Gelet op het voorgaande is de loonvordering over de maanden januari en februari 2016 slechts toewijsbaar tot een bedrag van € 40,92.

4.7.

Ten aanzien van het loon over de maand maart 2016 heeft [verzoeker] gesteld dat aan hem € 1.182,58 netto is uitbetaald, terwijl het nettoloon normaliter € 2.145,42 bedraagt. [verweerster] heeft ter zitting, onder verstrekking van een specificatie, opgemerkt dat op het nettoloon is ingehouden € 496,00 ter zake van loonbeslag door het LBIO, € 135,00 in verband met door [verzoeker] meegenomen tegels, € 250,00 in verband met een door
meegenomen stofzuiger en € 39,00 voor het vervangen van sloten waarvan [verzoeker] de sleutels niet heeft willen inleveren. De beslaglegging door het LBIO is door [verzoeker] niet betwist. Tegen de andere inhoudingen heeft [verzoeker] ingebracht dat de tegels reeds door hem betaald zijn en dat de stofzuiger kan worden ingeleverd. Voorts heeft hij betwist dat vervanging van de sloten noodzakelijk is. Ook heeft hij de hoogte van de kosten voor de tegels, stofzuiger en sloten betwist. [verweerster] heeft geen nadere onderbouwing gegeven van voornoemde kosten, terwijl dit wel op haar weg had gelegen. De loonvordering over de maand maart 2016 zal derhalve worden toegewezen tot een bedrag van € 1.649,42 (€ 2.145,42 - € 496,00).

4.8.

Gelet op het voorgaande zal in totaal aan [verzoeker] worden toegewezen het bruto equivalent van € 1.690,34 (€ 40,92 + € 1.649,42), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW. De wettelijke verhoging wordt gematigd tot 10%.

4.9.

Nu het primaire verzoek van [verzoeker] wordt toegewezen, wordt het subsidiaire verzoek afgewezen.

4.10.

[verweerster] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [verzoeker] worden begroot op:

- griffierecht € 471,00

- salaris gemachtigde € 400,00 (2 punten x tarief € 200,00)

Totaal € 871,00

In het incident

4.11.

Aangezien in deze beschikking eindbeslissingen zijn gegeven op alle verzoeken, eindigt hiermee de procedure en bestaat geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 223 Rv. [verzoeker] zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn verzoek.

4.12.

De kantonrechter ziet aanleiding om de proceskosten in het incident te compenseren, in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt.

5 De beslissing

De kantonrechter:

In de hoofdzaak

5.1.

vernietigt de opzegging van de arbeidsovereenkomst door [verweerster] van 4 april 2016;

5.2.

veroordeelt [verweerster] om [verzoeker] toe te laten tot de werkvloer teneinde de gebruikelijke werkzaamheden te verrichten;

5.3.

veroordeelt [verweerster] tot betaling aan [verzoeker] van het loon van € 2.870,00 bruto per maand vermeerderd met vakantietoeslag en overige emolumenten over de periode 4 april 2016 tot het moment dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd;

5.4.

veroordeelt [verweerster] om aan [verzoeker] het bruto equivalent te betalen van
€ 1.690,34 netto ter zake van het achterstallig loon van de maanden januari, februari en maart 2016;

5.5.

veroordeelt [verweerster] tot betaling aan [verzoeker] van de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW over het onder 5.3 en 5.4 bepaalde van 10%;

5.6.

veroordeelt [verweerster] tot betaling aan [verzoeker] van de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over het onder 5.3, 5.4 en 5.5. bepaalde, steeds vanaf de dag dat [verweerster] met de betaling van de afzonderlijke bedragen in verzuim is tot de dag van algehele voldoening;

5.7.

veroordeelt [verweerster] in de proceskosten aan de zijde van [verzoeker] , tot de uitspraak van deze beschikking begroot op € 871,00;

5.8.

wijst het meer of anders gevorderde af,

5.9.

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

In het incident

5.10.

verklaart [verzoeker] niet-ontvankelijk in zijn verzoek;

5.11.

compenseert de proceskosten in die zin, dat ieder van partijen de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.M.J. Schoenaker en in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2016.