Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2016:2975

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
24-03-2016
Datum publicatie
22-06-2016
Zaaknummer
16/652828-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vordering ISD afgewezen. Gevangenisstraf opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Utrecht

Parketnummers: 16/652828-15 en 16/661282-15(tul)

Vonnis van de meervoudige strafkamer van 24 maart 2016

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [1975] te [geboorteplaats] ,

thans gedetineerd in het Huis van Bewaring “ [verblijfplaats] ” te [vestigingsplaats] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 10 maart 2016. Verdachte is in persoon verschenen en heeft zich ter terechtzitting laten bijstaan door mr. P. van der Geest, advocaat te Utrecht.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat verdachte en de raadsvrouw naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte pakken vlees heeft gestolen uit een winkel.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het tenlastegelegde en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het hem ten laste gelegde.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging refereert zich aan het oordeel van de rechtbank voor wat betreft de bewezenverklaring.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Aangezien verdachte het ten laste gelegde feit heeft bekend en de raadsvrouw geen vrijspraak heeft bepleit, volstaat de rechtbank voorzover zij dit feit bewezen acht, met toepassing van het bepaalde in artikel 359, derde lid, laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering, met een opsomming van de bewijsmiddelen.

De rechtbank acht het tenlastegelegde bewezen gelet op:


- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 10 maart 2016;
- het landelijk aangifteformulier winkeldiefstal, zijnde een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 Wetboek van Strafvordering, doorgenummerde pagina 21 met bijlage pagina 22, van het proces-verbaal nr. PL0900-2015380763 van 17 december 2015.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4.3 genoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:

op 17 december 2015 te [vestigingsplaats] , met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een supermarkt gevestigd aan het [adres] heeft weggenomen tien verpakkingen vlees, toebehorende aan “supermarkt [naam supermarkt] ”.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar als

diefstal.

Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte op te leggen de maatregel tot plaatsing van verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel), met een tussentijdse toetsing na 9 maanden.

8.2

Het standpunt van de verdediging

Het is de vraag, aldus de verdediging, of een ISD-maatregel wel wenselijk en noodzakelijk is voor verdachte. De verdediging is van mening dat plaatsing van verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders nog niet aan de orde is, aangezien nog niet alle mogelijkheden tot hulpverlening zijn geprobeerd. De hulpverlening is namelijk nog niet van de grond gekomen, hetgeen niet uitsluitend aan verdachte te wijten is. Zo is verdachte nog niet klinisch opgenomen. Verdachte wil graag geholpen worden, maar niet in het kader van een ISD-maatregel. De verdediging is van mening dat aan verdachte een gevangenisstraf en een voorwaardelijke ISD-maatregel dient te worden opgelegd. Bij de voorwaardelijke ISD-maatregel moet als bijzondere voorwaarde worden opgelegd: reclasseringscontact, ook als dat inhoudt een klinische opname in eerste instantie bij Victas en vervolgens opname bij de Brijder stichting voor de duur van maximaal 1 jaar, althans voor zolang de reclassering dat noodzakelijk acht, waarbij de reclassering bij naleving hulp en steun moet verlenen aan verdachte. Dit heeft, aldus de verdediging, de voorkeur boven de ISD-maatregel omdat direct met een behandeling gestart kan worden. Tevens verzoekt de verdediging om de vordering na voorwaardelijke veroordeling af te wijzen, gelet op het feit dat de behandeling zo spoedig mogelijk dient te geschieden, en verzoekt de verdediging om de voorlopige hechtenis op te heffen.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een winkeldiefstal. Dit is een feit dat naast financiële schade ook gevoelens van onrust en onveiligheid veroorzaakt.

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de inhoud van een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 22 januari 2016, waaruit blijkt dat verdachte vele malen eerder is veroordeeld voor het plegen van soortgelijke strafbare feiten, hetgeen hem er kennelijk niet van heeft weerhouden het onderhavige feit te plegen. Datzelfde geldt voor het feit dat verdachte ten tijde van het plegen van het delict nog in een proeftijd liep ten aanzien van een veroordeling voor eveneens een diefstal.

Voorts heeft de rechtbank kennis genomen van het reclasseringsadvies d.d. 25 februari 2016. In dit advies van de heer [A] , reclasseringswerker, geeft de reclassering aan dat het niet gelukt is om binnen het regulier toezicht een ambulante verslavingsbehandeling op te zetten. Dit is deels door overmacht maar ook omdat verdachte afspraken vaak niet na kwam. Hoewel verdachte zich verzet tegen een ISD-maatregel, is de reclassering van mening dat het een goede manier is om een herstart te maken en te werken aan het afkicken van zijn verslavingsproblematiek. De reclassering adviseert derhalve het opleggen van een ISD-maatregel. Tevens geeft de reclassering aan dat een oplossing zou kunnen zijn dat verdachte zijn partner volgt, die een begeleid woonprogramma en behandeling volgt bij de Brijder Stichting in Den Haag. Het is echter niet gelukt om dit plan concreet in te vullen.

Voorts heeft de rechtbank kennis genomen van het reclasseringsadvies d.d. 26 november 2015, dat betrekking heeft op een andere strafzaak. In dit advies van mevrouw [B] , reclasseringswerker, geeft de reclassering aan dat het eerder opgelegde traject in de strafzaak met het parketnummer 16/661282-15 nauwelijks is opgestart. Derhalve vindt de reclassering dat verdachte een kans moet krijgen om zich te bewijzen. Deze kans heeft hij, ook buiten zijn toedoen om, nog niet kunnen benutten. Om die reden onthoudt de reclassering zich in die strafzaak van advies over een sanctie en stelt voor om de zaak aan te houden. De verdediging heeft ter terechtzitting aangegeven dat de politierechter in Arnhem deze strafzaak conform het advies van de reclassering heeft aangehouden.

De rechtbank is van oordeel dat uit de bovengenoemde stukken niet is gebleken dat alle hulpverleningsmogelijkheden zijn geprobeerd. Het (intensieve) behandeltraject zoals opgenomen in de bijzondere voorwaarden opgelegd bij vonnis van 22 juli 2015 was ten tijde van het reclasseringsadvies van 26 november 2015 nog nauwelijks opgestart. Tot die bijzondere voorwaarden behoren onder meer een verplichte behandeling bij de forensische polikliniek of soortgelijke forensische zorg en een klinische behandeling indien noodzakelijk geacht vanwege het niet conformeren aan de bijzondere voorwaarden. Ook de mogelijkheid om een behandeling te volgen bij de Brijder Stichting in Den Haag is niet nader onderzocht. Evenmin is eerder geprobeerd om verdachte via een klinische behandeling te begeleiden.

Daarnaast is ter terechtzitting geen reclasseringswerker verschenen om met name over de hulpverleningsmogelijkheden vragen van de rechtbank te beantwoorden en een en ander nader toe te lichten. De rechtbank is dan ook van oordeel dat nog niet alle hulpverleningsmogelijkheden zijn geprobeerd en derhalve een ISD-maatregel op dit moment nog niet aan de orde is. Verdachte dient nog een kans te krijgen om het eerder genoemde traject waarbij aan hem bijzondere voorwaarden zijn opgelegd succesvol te volgen.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf van 98 dagen passend en geboden is, met aftrek van de tijd dat verdachte in voorlopige hechtenis heeft gezeten.

9 Vordering na voorwaardelijke veroordeling

Bij de stukken bevindt zich de op 4 januari 2016 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Utrecht in de zaak met parketnummer 16/661282-15, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis d.d. 22 juli 2015 van de politierechter, waarbij verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 dagen waarvan 40 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Tevens bevindt zich bij de stukken een akte waaruit blijkt dat de kennisgeving, bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering, op 8 februari 2016 in persoon aan verdachte is uitgereikt.

Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis. De rechtbank ziet hierin aanleiding de proeftijd van de door de politierechter op 22 juli 2015 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf met algemene en bijzondere voorwaarden te verlengen, met dien verstande dat verdachte zich zo snel mogelijk na zijn invrijheidstelling dient te melden bij de Reclassering Victas aan de Heiligenbergerweg 34 te Amersfoort en de bijzondere voorwaarden zoals opgelegd bij vonnis van 22 juli 2015 dient na te leven.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14f en 310 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde en op de reeds aangehaalde artikelen

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

11 Beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 5 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Diefstal;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 98 dagen;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

- heft op de voorlopige hechtenis van verdachte.

Vordering tenuitvoerlegging
- verlengt de proeftijd met 1 jaar.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.A. Spee, voorzitter, mr. A.J.P. Schotman en mr. R.L.M. van Opstal, rechters, in tegenwoordigheid van M.J.C. van der Vegte, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 24 maart 2016.

Mr. J.A. Spee is buiten staat mede dit vonnis te ondertekenen.

BIJLAGE : De tenlastelegging

Aan bovenbedoelde gedagvaarde persoon wordt tenlastegelegd dat

hij op of omstreeks 17 december 2015 te Amersfoort, althans in het arrondissement Midden-Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening (in/uit een supermarkt gevestigd aan het [adres] ) heeft weggenomen tien, althans een of meer, verpakking(en) vlees, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan “supermarkt [naam supermarkt] ”, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

Art. 310 Wetboek van Strafrecht.