Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2016:2931

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
25-05-2016
Datum publicatie
01-06-2016
Zaaknummer
4960171 AE VERZ 16-37 LH/1040
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Verschuldigdheid van de transitievergoeding bij een werkgeverswisseling nadat een vervoersopdracht aan een ander vervoersbedrijf is gegund. Opzegging door de aanvankelijke werkgever. Parlementaire geschiedenis van artikel 7:673 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2016-0578
AR 2016/1517
Prg. 2016/171
RAR 2016/124
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

kantonrechter

locatie Amersfoort

zaaknummer: 4960171 AE VERZ 16-37 LH/1040

Beschikking van 25 mei 2016

inzake

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] ,

verder ook te noemen [verzoeker] ,

verzoekende partij,

gemachtigde: mr. S.B. de Jong,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Hoektax B.V.,

gevestigd te Amersfoort,

verder ook te noemen Hoektax,

verwerende partij,

gemachtigde: P.J.M. Mommers.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:

- het verzoekschrift van [verzoeker] , ter griffie ontvangen op 31 maart 2016;

- het verweerschrift van Hoektax;

- de op voorhand door [verzoeker] toegezonden loonstroken over de maanden januari tot en met maart 2016.

1.2.

De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 26 april 2016, tegelijk met de mondelinge behandeling van de door collega’s van [verzoeker] , de heren [A] en [B] , tegen Hoektax (en Connexxion) ingediende verzoekschrift, eveneens onder meer strekkende tot betaling van de transitievergoeding, welke zaken bij deze rechtbank zijn geregistreerd onder de nummers 4960654 AE VERZ 16-39 en 4960685 AE VERZ 16-40 en waarin gelijktijdig beschikking wordt gegeven.

1.3.

Partijen hebben ter zitting van 26 april 2016 een nadere toelichting gegeven op hun standpunten. De gemachtigde van [verzoeker] deed dat mede aan de hand van de door haar overgelegde pleitaantekeningen. Zij heeft ter zitting ook een vaststellingsovereenkomst overgelegd, die (mogelijk) op 27 november 2015 is gesloten tussen [verzoeker] en Connexxion. [B] heeft ter zitting verklaard eenzelfde overeenkomst met Connexxion te hebben gesloten. [verzoeker] , [A] en [B] hebben verklaard elkaars standpunten over te nemen.

1.4.

Van het verhandelde ter zitting is aantekeningen gehouden.

1.5.

Daarna is uitspraak bepaald.

2 De vaststaande feiten

2.1.

[verzoeker] , geboren op [1970] , is van 7 januari 2008 tot en met 31 december 2015 als chauffeur in dienst geweest van Hoektax, laatstelijk voor 32 uren per week. De arbeidsovereenkomst is vanaf 7 januari 2011 aangegaan voor onbepaalde tijd. Op de arbeidsovereenkomsten is de CAO Taxivervoer van toepassing verklaard.

2.2.

Hoektax heeft tot 1 januari 2016 te Hoevelaken een regionaal taxi-, groeps- en rolstoelverhuurbedrijf geëxploiteerd. In het kalenderjaar 2015 heeft Hoektax enkel nog gereden voor zorginstelling De Amerpoort. In de loop van 2015 heeft De Amerpoort de overeenkomst met Hoektax beëindigd tegen 1 januari 2016 en het vervoer opnieuw aanbesteed. Na een onderhandse aanbestedingsprocedure is de opdracht met ingang van 1 januari 2016 voor de duur van drie jaren gegund aan Connexxion, een landelijk opererend bedrijf dat taxi- en huurautobedrijven doet exploiteren. In verband hiermee heeft Hoektax besloten haar bedrijfsactiviteiten te staken. Op 9 oktober 2015 heeft zij het UWV verzocht om toestemming in de zin van artikel 7:671a Burgerlijk Wetboek (BW) tot beëindiging van de arbeidsovereenkomsten met al haar 24 werknemers in vaste dienst, onder wie [verzoeker] . Op 19 november 2015 heeft het UWV aan Hoektax toestemming verleend tot beëindiging van de arbeidsovereenkomsten met (onder meer) [verzoeker] . Op 26 november 2015 heeft Hoektax vervolgens deze arbeidsovereenkomsten opgezegd tegen 31 december 2015. Hoektax heeft de huur van haar bedrijfsruimte beëindigd en haar wagenpark verkocht.

2.3.

Na bemiddeling door Hoektax heeft [verzoeker] (net als onder andere [A] en [B] ) gesolliciteerd bij Connexxion. Met ingang van 1 januari 2016 zijn zij (en dertien van hun collega’s) als chauffeur bij Connexxion in parttime dienst getreden. Zij worden ingezet op het personenvervoer ten behoeve van De Amerpoort. De arbeidsovereenkomst met Connexxion aangegaan voor de bepaalde tijd van zes maanden en eindigt van rechtswege op 31 juli 2016. Artikel 1 van de arbeidsovereenkomsten bepaalt: ‘Deze arbeidsovereenkomst treedt met ingang van 1 januari 2016 in werking. Voor het berekenen van het aantal dienstjaren van de werknemer bij werkgever dan wel één van haar rechtsvoorgangers, wordt de werknemer geacht in dienst te zijn getreden op 1 januari 2016 (-).’ Artikel 5 lid 1 luidt: ‘De werknemer werkt in onregelmatige diensten gedurende 5,0 dagen per week. Per week wordt gemiddeld 15,00 uur arbeid verricht (-).’ Connexxion heeft de van Hoektax overgenomen werknemers geen vaste aanstelling willen geven. Zij heeft hen voorshands ook niet voor meer dan 15 uren per week in dienst willen nemen, omdat zij ‘eerst meer gevoel bij de routes (wil) krijgen alvorens hogere contracten af te geven (-). Na verloop van tijd worden de contracten van de chauffeurs op de routes afgestemd. Tot die tijd worden de extra gewerkte uren als meeruren uitbetaald (-)’, aldus de regiomanager van Connexxion in een e-mail van 21 september 2015 aan Hoektax. In artikel 7 is bepaald: ‘Het salaris van de werknemer bedraagt € 2.081,-- bruto per maand (voor [B] is dit € 2.163,76 bruto per maand) bij een fulltime dienstverband. Voor de werknemer geldt een arbeidspercentage van 37,500% (-).’ Op de arbeidsovereenkomsten is de CAO Taxivervoer van toepassing verklaard.

2.4.

In de eerste drie maanden van 2016 heeft [verzoeker] voor Connexxion gemiddeld per week meer uren gewerkt dan het overeengekomen aantal van gemiddeld 15 uren per week, maar gemiddeld minder dan het aantal uren dat hij voor Hoektax werkte.

2.5.

Connexxion heeft in november 2015 met [verzoeker] (net als met [B] ) een vaststellingsovereenkomst (als hierboven onder 1.3. bedoeld) gesloten. ‘(O)m onzekerheid of een geschil over het al dan niet meetellen van de dienstjaren bij Hoek bij een eventueel te betalen transitievergoeding bij het einde van het dienstverband met Connexxion te voorkomen’ is daarin bepaald dat de aan 1 januari 2016 voorafgegane jaren niet meetellen voor de berekening van het recht op en de hoogte van een transitievergoeding.

3 Het verzoek en het daartegen gevoerde verweer

3.1.

[verzoeker] vordert dat Hoektax wordt veroordeeld om aan hem een transitievergoeding van € 4.715,-- bruto te voldoen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de opeisbaarheid tot de voldoening, met veroordeling van Hoektax in de proceskosten.

3.2.

[verzoeker] legt aan zijn verzoek ten grondslag dat Hoektax degene was die zijn arbeidsovereenkomst, die ten minste 24 maanden heeft geduurd, heeft opgezegd. Daaraan staat zijn aansluitende indiensttreding bij Connexxion niet in de weg.

3.3.

Hoektax betwist de vordering. Zij beroept zich erop dat Connexxion moet worden aangemerkt als opvolgend werkgever in de zin van artikel 7:673 lid 4, aanhef en onder b BW, nu de arbeid die [verzoeker] tot voor kort voor Hoektax heeft verricht aansluitend, met ingang van 1 januari 2016, in dienst van Connexxion wordt verricht en de aanleiding van de overgang is gelegen in de gunning van de vervoersopdracht aan Connexxion. Hoektax verwijst in dit verband naar de parlementaire geschiedenis van artikel 7:668a lid 2 en artikel 7:673 lid 4 onder b BW (Kamerstukken II, 2013/2014, 33818, nr. 8), waarin tot uitdrukking is gebracht dat in het kader van de ketenregeling en de transitievergoeding niet (meer) het vereiste geldt dat tussen opvolgende werkgevers inzicht bestaat in de hoedanigheid en geschiktheid van de werknemer. Daarom is in het geval van een concessie of als - zoals in het onderhavige geval - een vervoersopdracht na heraanbesteding van het ene naar het andere vervoersbedrijf overgaat, waarbij de aanleiding tot de overgang aan werkgeverszijde ligt, het uitgangspunt dat de werknemer met het werk ‘meeverhuist’ naar de nieuwe werkgever en de opbouw van de transitievergoeding doorloopt bij de nieuwe werkgever. Dat [verzoeker] in tijdelijke en parttime dienst van Connexxion is getreden, maakt dit niet anders.

3.4.

Ook het feit dat Hoektax de arbeidsovereenkomsten heeft opgezegd staat niet aan toepassing van artikel 7:668a lid 2 en artikel 7:673 lid 4 BW in de weg. Omdat [verzoeker] zijn werk naar Connexxion is gevolgd, is Hoektax hem geen transitievergoeding verschuldigd. Hoektax verwijst hiervoor naar de Nota naar aanleiding van het verslag (Kamerstukken II, 2013/2014, 33818, nr. 7, p. 74), de Memorie van antwoord (Kamerstukken I, 2013/2014, 33818, C, p. 14/15) en de Nota naar aanleiding van het verslag (Kamerstukken I, 2013/2014, 33818, E, p. 6/7), waar voor de beantwoording van de vraag op wiens initiatief de arbeidsovereenkomst wordt beëindigd een vergelijking is getrokken tussen enerzijds de situatie dat een uitzendkracht ervoor kiest om in dienst van de inlener te treden en daarom geen recht heeft op een transitievergoeding en anderzijds de situatie dat een opdracht na een aanbestedingsprocedure aan een andere onderneming wordt gegund en de werknemer daar een dienstverband aanvaardt. In beide gevallen is het, zo betoogt Hoektax, de bedoeling van de wetgever dat de aanvankelijke werkgever geen transitievergoeding verschuldigd is, maar moet bij een later ontslag door de opvolgende werkgever de transitievergoeding mede worden berekend op grond van de dienstjaren vóór de overgang.

3.5.

Subsidiair stelt Hoektax zich op het standpunt dat zij jegens [verzoeker] slechts een transitievergoeding verschuldigd is naar rato van hun verlies aan arbeidsuren per 1 januari 2016. Mede gezien de strekking van de transitievergoeding om ‘compensatie voor ontslag’ te beiden, moet de onderhavige situatie op één lijn worden gesteld met een deeltijdontslag. Daarbij is niet de met Connexxion overeengekomen omvang van zijn dienstverband, maar het daadwerkelijk gewerkte aantal uren, beslissend. Uit de door [verzoeker] overgelegde gegevens kan niet worden opgemaakt hoeveel uren hij in de eerste drie maanden van 2016 gemiddeld per week voor Connexxion heeft gewerkt. Teneinde het urenverlies van [verzoeker] te kunnen bepalen dient hij alsnog zijn weekstaten in het geding te brengen.

4 De beoordeling van het geschil

4.1.

De kantonrechter heeft onderzocht of [verzoeker] zijn verzoekschrift binnen de vervaltermijn van artikel 7:686a lid 4, aanhef en onder b BW hebben ingediend. Dat is het geval nu het verzoekschrift op 31 maart 2016 ter griffie is ontvangen.

4.2.

Bij de verdere beoordeling van de verschuldigdheid van de transitievergoeding stelt de kantonrechter voorop dat partijen het er over eens zijn dat geen sprake is geweest van een overgang van de onderneming van Hoektax naar Connexxion in de zin van artikel 7:662 BW. Ook staat tussen partijen vast dat de regeling ‘Overgang personeel bij overgang vervoerscontracten’, de zogenoemde OPOV-regeling, opgenomen in Bijlage 3 bij de CAO Taxivervoer, niet van toepassing is, nu het vervoerscontract met De Amerpoort niet langs de weg van een openbare aanbesteding op Connexxion is overgegaan. Connexxion was daarom niet verplicht aan werknemers van Hoektax een baanaanbod te doen en het stond haar vrij om hen voor gemiddeld 15 uren per week in dienst te nemen op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd.

4.3.

[verzoeker] baseert zijn vordering jegens Hoektax, strekkende tot betaling van een transitievergoeding berekend over de duur van hun arbeidsovereenkomst tot 1 januari 2016, op artikel 7:673 leden 1 en 2 BW. Daarin is (voor zover hier van belang) bepaald dat de werkgever aan een werknemer een transitievergoeding verschuldigd is, indien de arbeidsovereenkomst ten minste 24 maanden heeft geduurd en de arbeidsovereenkomst door de werkgever is opgezegd. Vast staat dat Hoektax degene is geweest die de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd, alsook dat [verzoeker] ten minste 24 maanden bij haar in dienst zijn geweest. Tussen partijen is niet in geschil dat de hoogte van de wettelijke transitievergoeding, gezien de duur van het dienstverband met Hoektax, ingevolge het tweede lid van artikel 7:673 BW € 4.715,-- bruto zou bedragen.

4.4.

Hoektax heeft zich tegen de vordering allereerst verweerd met een beroep op het gestelde opvolgend werkgeverschap van Connexxion, bij wie [verzoeker] aansluitend in dienst is getreden. Dit verweer faalt. Ook indien Connexxion ten aanzien van de verrichte arbeid redelijkerwijze geacht zou moeten worden de opvolger van Hoektax te zijn, rust niettemin ingevolge artikel 7:673 lid 1 BW op Hoektax de verplichting om aan [verzoeker] een transitievergoeding te betalen over de periode die hij bij haar in dienst is geweest. Met haar beroep op het vermeende opvolgend werkgeverschap van Connexxion in de zin van artikel 7:673 lid 4, aanhef en onder b BW miskent Hoektax dat die bepaling, ter bescherming van de belangen van de werknemer die met een werkgeverswisseling te maken krijgt, slechts een voorziening treft voor de berekening van de duur van de arbeidsovereenkomst, zoals bedoeld in de leden 1 en 2. Ingeval van opvolgend werkgeverschap in de zin van dit vierde lid wordt, zowel ter beantwoording van de vraag of aan de vereiste minimumduur van het dienstverband (in lid 1 gesteld op 24 maanden) is voldaan als bij de berekening van de hoogte van de transitievergoeding (met toepassing van het tweede lid), de duur van de beide elkaar met tussenpozen van ten hoogste zes maanden opgevolgd hebbende arbeidsovereenkomsten samengeteld. Hieruit volgt, anders dan Hoektax meent, niet dat zij - indien Connexxion als opvolgend werkgever moet worden aangemerkt - niet met [verzoeker] hoeft af te rekenen over de periode die aan de werkgeverswisseling per 1 januari 2016 is voorafgegaan. De door Hoektax verdedigde uitleg van artikel 7:673 lid 4 BW sluit ook niet aan bij het vijfde lid van dat artikel, dat (voor zover hier van belang) bepaalt dat indien in de situatie van opvolgend werkgeverschap bij de beëindiging van een voorafgaande arbeidsovereenkomst een transitievergoeding is betaald ‘een bedrag ter hoogte van de transitievergoeding die bij die beëindiging op grond van de leden 1 en 2 verschuldigd was’ in mindering wordt gebracht op de transitievergoeding die de opvolgend werkgever bij beëindiging verschuldigd is.

4.5.

De verwijzing van Hoektax naar de wetsgeschiedenis, in het bijzonder de Nota van wijziging (Kamerstukken II 2013/2014, 33818, nr. 8, p. 14/15), kan haar niet baten. Daarin heeft de regering toegelicht dat bij de toepassing van de ketenregeling van artikel 7:668a BW, ter bescherming van het belang dat de werknemer heeft bij ‘de zekerheid van een vast contract’, van opvolgend werkgeverschap sprake kan zijn, ongeacht of de opvolger inzicht heeft in de hoedanigheid en geschiktheid van de werknemer. Omdat artikel 7:673 lid 4 BW ziet op dezelfde situatie van opvolgende werkgevers, geldt de bedoelde verruiming in het kader van de ketenregeling ook voor de regeling van de transitievergoeding. Ook bij de regeling van de opbouw van de transitievergoeding heeft derhalve de bescherming van het werknemersbelang voorop gestaan. Daarmee strookt niet dat een werknemer bij een werkgeverswisseling zijn recht op een transitievergoeding jegens de aanvankelijke werkgever (deels) zou verliezen, bijvoorbeeld omdat de opvolgend werkgever bij ontslag - ook al zou de periode voorafgaand aan de wisseling voor de hoogte van de transitievergoeding (ondanks een vaststellingsovereenkomst zoals Connexxion die met onder meer [verzoeker] heeft gesloten) worden meegerekend - vanwege een beperktere omvang van het dienstverband en/of een lager loon (ingevolge artikel 2 van het Besluit loonbegrip vergoeding aanzegtermijn en transitievergoeding) een lagere transitievergoeding verschuldigd is dan zijn voorganger.

4.6.

Hoektax heeft zich voorts tegen de vordering van [verzoeker] verweerd door te verwijzen naar de parlementaire totstandkomingsgeschiedenis van artikel 7:673 BW, kenbaar uit de Nota naar aanleiding van het verslag (Kamerstukken II, 2013/2014, 33818, nr. 7, p. 74), de Memorie van antwoord (Kamerstukken I, 2013/2014, 33818, C, p. 14/15) en de Nota naar aanleiding van het verslag (Kamerstukken I, 2013/2014, 33818, E, p. 6/7). Daaruit leidt Hoektax af dat [verzoeker] geacht moet worden op eigen initiatief zijn arbeidsovereenkomst met haar te hebben beëindigd. Ook dit verweer wordt verworpen. De kantonrechter overweegt daartoe het volgende.

4.7.

De gedachtewisseling tussen regering en parlement, die in de genoemde parlementaire stukken zijn beslag heeft gekregen, ving aan met de vragen van enkele Tweede Kamerfracties over het recht op een transitievergoeding in relatie tot de uitzendonderneming. Naar aanleiding van de beantwoording van die vragen bij Nota naar aanleiding van het verslag heeft de VVD-fractie in de Eerste Kamer aandacht gevraagd voor het recht op een transitievergoeding in de situatie dat een bedrijf, niet zijnde een uitzendonderneming, een bestaande opdracht verliest na een (nieuwe) aanbestedingsprocedure betreffende diezelfde opdracht, waarna de betrokken werknemer een dienstverband aanvaardt bij de onderneming die de opdracht verkrijgt. De leden van de VVD-fractie vroegen zich af of ‘de vorige concessiehouder/werkgever geen transitievergoeding verschuldigd is indien de concessie overgaat naar een nieuwe werkgever omdat sprake is van opvolgend werkgeverschap waarbij opgebouwde rechten meegaan naar de nieuwe werkgever en de werknemer dit dienstverband aanvaardt daarmee het initiatief nemend voor de beëindiging van het dienstverband met de vorige werkgever.’

De regering beantwoordde deze vraag als volgt (Kamerstukken I, 2013/2014, 33818, C p. 15): ‘In een geval als geschetst door de leden van de fractie van de VVD geldt dat de vorige concessiehouder/werkgever geen transitievergoeding verschuldigd is als de concessie wordt verleend aan een nieuwe werkgever en de werknemer deze concessie volgt en aldus een arbeidsovereenkomst sluit met de nieuwe werkgever. In dat geval geldt, net als in het op pagina 73 van de nota naar aanleiding van het verslag opgenomen voorbeeld ten aanzien van de uitzendkracht, dat de werknemer in een dergelijk geval zelf zal bepalen of hij al dan niet in dienst treedt van de inlenende organisatie. De beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst met de vorige concessiehouder wordt in dit geval geacht te zijn verricht op initiatief van de werknemer. Op basis van artikel 7:673, vierde lid, onderdeel b, BW geldt dat de opbouw van de transitievergoeding doorloopt bij de nieuwe werkgever. Als bij een overgang naar de opvolgende werkgever niettemin reeds een transitievergoeding is betaald, dan kan deze, op grond van het voorgestelde artikel 7:673, vijfde lid, BW overigens wel in mindering gebracht worden op een eventueel op enig moment door de opvolgend werkgever te betalen transitievergoeding.’

4.8.

Uit de Nota naar aanleiding van het verslag (Kamerstukken I, 33818, E, p. 6/7) blijkt dat de VVD-fractie nogmaals op de kwestie terug is gekomen: ‘De leden van de VVD-fractie merken op de vraag te hebben gesteld of de beëindiging van een arbeidsovereenkomst ook geacht wordt te zijn verricht op initiatief van de werknemer indien een onderneming, niet zijnde een uitzendonderneming, (anders dan bij beantwoording van de vragen in de nota naar aanleiding van het verslag, pagina 74 bovenaan) een bestaande opdracht na een nieuwe aanbestedingsprocedure betreffende diezelfde opdracht verliest waarna de medewerker in kwestie een dienstverband aanvaardt bij de onderneming die de betreffende opdracht na de aanbestedingsprocedure verkrijgt. Zij menen dat het antwoord van de regering de situatie openlaat dat een werknemer de baan aanvaardt bij de opvolgende werkgever (de nieuwe concessiehouder) zonder zijn baan bij zijn huidige werkgever op te zeggen. Zij vragen wat geldt met betrekking tot de transitievergoeding als de oude werkgever vervolgens de arbeidsovereenkomst met toestemming van UWV opzegt. Naar aanleiding hiervan merkt de regering op dat het antwoord in de memorie van antwoord waar naar wordt verwezen de door deze leden bedoelde situatie niet openlaat nu daarin is gesteld dat de beëindiging van de arbeidsovereenkomst met de vorige concessiehouder geacht wordt te zijn verricht op initiatief van de werknemer indien deze een dienstverband aanvaardt bij de nieuwe concessiehouder. Het betreft hier aldus juist de situatie waar deze leden op doelen - beëindiging van de arbeidsovereenkomst door de oude werkgever bij overgang van een concessie en indiensttreding van een werknemer bij de nieuwe concessiehouder - nu bij beëindiging van de arbeidsovereenkomst door de werknemer zelf, deze daadwerkelijk op zijn initiatief wordt beëindigd.’

4.9.

Uit deze passages uit de parlementaire stukken blijkt dat, hoe ook moge worden gedacht over het antwoord van de regering, de in de Eerste Kamer gestelde vraag zag op de situatie dat bij een werkgeverswisseling de opgebouwde rechten van de werknemer meegaan naar de nieuwe werkgever. Deze situatie doet zich in het onderhavige geding niet voor. Ook indien ervan zou mogen worden uitgegaan dat Connexxion, ondanks het bepaalde in artikel 1 van de met Hoektax-werknemers gesloten arbeidsovereenkomsten en de met een aantal van hen (onder andere [verzoeker] ) gesloten vaststellingsovereenkomsten, bij een ontslag de diensttijd bij Hoektax dient mee te nemen bij de berekening van de alsdan verschuldigde transitievergoeding, ondervindt [verzoeker] van de werkgeverswisseling negatieve gevolgen, omdat hij met Connexxion slechts een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd voor niet meer dan gemiddeld 15 uren per week heeft kunnen sluiten. Weliswaar heeft hij in de eerste maanden van 2016 meer uren kunnen werken, maar het gemiddeld aantal gewerkte uren per week bleef achter bij de arbeidsomvang bij Hoektax. Bovendien is niet uit te sluiten dat hij in zijn verdere dienstverband bij Connexxion, voor zover dat wordt verlengd, niet boven de bedongen arbeidsomvang kan blijven werken. Ook dan blijft de vraag of hij evenveel uren kunnen maken als bij Hoektax. De kantonrechter oordeelt dat de wetgever de situatie dat werknemers er bij een werkgeverswisseling op achteruit gaan, niet onder ogen heeft gezien.

4.10.

De kantonrechter neemt hierbij in aanmerking dat ook in de literatuur (zie ‘Handboek Nieuw ontslagrecht’ van J.M. van Slooten e.a., p. 211) het door de regering gegeven antwoord op de vraag van de VVD-fractie in de Eerste Kamer als ‘goed nieuws’ is geduid ‘(v)oor werknemers die hetzelfde werk blijven doen, maar die te maken kunnen krijgen met een werkgeverswissel.’ Volgens deze schrijvers heft de door de regering voorgestane aanpak ‘het onderscheid tussen overgang van onderneming en andere vormen van werkgeverswissel’ op en hoeven de betrokken werknemers nu niet bang te zijn ‘hun rechten te verspelen’ als ze met het werk ‘meeverhuizen.’ Van Slooten c.s. wijzen erop dat er met artikel 7:673 lid 5 BW tegen wordt gewaakt dat de werknemers er ‘niet beter van worden’, maar (ook) zij sluiten kennelijk uit dat werknemers door een werkgeverswisseling kunnen worden geconfronteerd met een verlies van (een deel van) de reeds opgebouwde aanspraak op een transitievergoeding.

4.11.

Hieruit volgt dat het door de regering in de Eerste Kamer gegeven antwoord niet aan [verzoeker] kan worden tegengeworpen. Aldus leidt dit geding ook tot een uitkomst die aansluit bij het bepaalde in artikel 7:673 lid 1 BW, waarin wordt onderscheiden tussen enerzijds de situatie dat de arbeidsovereenkomst door de werkgever wordt opgezegd of ontbonden (onder a en b, sub 1 en 2) en anderzijds de situatie dat een arbeidsovereenkomst na een einde van rechtswege niet aansluitend wordt voortgezet (onder a en b, sub 3). Bij opzegging en ontbinding is naar de tekst van de wet uitsluitend van belang wie opzegt respectievelijk op wiens verzoek wordt ontbonden. Niet in geschil is dat Hoektax de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] na verkregen UWV-toestemming heeft opgezegd. Alleen in de situatie dat een arbeidsovereenkomst na een einde van rechtswege niet wordt voortgezet is naar de tekst van de wet van belang op wiens initiatief niet wordt voortgezet. Zeker in een situatie als de onderhavige, waarin de werknemer nadeel zou lijden indien de aanvankelijke werkgever (Hoektax) niet met hem zou hoeven af te rekenen over de periode tot de werkgeverswisseling, is de fictie dat - niettegenstaande de opzegging door de werkgever - het initiatief aan werknemerszijde zou liggen te gekunsteld. Deze fictie acht de kantonrechter in dit geval ook onaanvaardbaar en moet wijken voor de werkelijke situatie, te weten die van opzegging door de werkgever en op diens initiatief.

4.12.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het verzoek van [verzoeker] tot veroordeling van Hoektax tot betaling van een transitievergoeding toewijsbaar is. Voor een veroordeling tot betaling in termijnen ziet de kantonrechter geen reden, omdat Hoektax daar in dit geding niet om heeft verzocht en zij ook geen feiten of omstandigheden heeft aangevoerd waaruit volgt dat een betaling ineens leidt tot onaanvaardbare gevolgen. Dat zij in betalingsonmacht verkeert, heeft Hoektax onvoldoende onderbouwd. De wettelijke rente over de transitievergoeding wordt op grond van artikel 7:686a lid 1 BW toegewezen vanaf 1 februari 2016.

4.13.

Hoektax wordt, als de in het ongelijk gestelde partij, veroordeeld in de proceskosten. Deze worden tot deze beschikking aan de zijde van [verzoeker] begroot op € 823,--, bestaande uit € 223,-- aan vast recht en € 600,-- aan salaris gemachtigde.

5 De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt Hoektax om aan [verzoeker] tegen bewijs van kwijting een transitievergoeding te betalen van € 4.715,-- bruto, vermeerderd met de wettelijke rente hierover vanaf 1 februari 2016 tot de voldoening;

veroordeelt Hoektax tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [verzoeker] , tot deze beschikking begroot op € 823,--, waarin begrepen € 600,-- aan salaris gemachtigde;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders verzochte en gevorderde af.

Deze beschikking is gegeven door mr. L.C. Heuveling van Beek, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 25 mei 2016.