Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2016:2908

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
01-06-2016
Datum publicatie
02-06-2016
Zaaknummer
16-659149-16 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een man heeft in 2016 geprobeerd om een caissière van een filiaal van de winkel in Utrecht te bewegen tot afgifte van een geldbedrag. Hij is er hierbij niet voor teruggeschrokken geweld te gebruiken en te dreigen met geweld. Daarnaast is in de woning van de verdachte een boksbeugel aangetroffen.

De verdachte is eerder veroordeeld wegens poging tot diefstal door middel van braak, afpersing en verduistering. De rechtbank veroordeelt de man voor poging tot afpersing en verboden wapenbezit en legt een gevangenisstraf op van 30 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling straf-, familie- en jeugdrecht

Zittingslocatie Utrecht

Parketnummer: 16-659149-16 (P)

vonnis van de meervoudige strafkamer van 1 juni 2016

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [1988] te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedetineerd in PI Nieuwegein, HvB locatie Nieuwegein.

1 Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 18 mei 2016.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat verdachte en de advocaat, mr. D.N.A. Brouns, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1:

op 2 februari 2016 te Utrecht heeft geprobeerd een filiaal van de winkelketen [naam] te overvallen;

feit 2:

op 2 februari tot en met 13 februari 2016 te Utrecht een dubbelloops pistool en 16 scherpe patronen voorhanden heeft gehad.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen.

4.2

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde.

De raadsvrouw heeft hiertoe aangevoerd dat verdachte op grond van een algemene herkenning is aangehouden. Er was sprake van een foutieve herkenning van de kleding van verdachte. Dit is onvoldoende om een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit aan te nemen. Gelet hierop is de doorzoeking van de woning van verdachte onrechtmatig geweest en moeten de voorwerpen die hierbij zijn aangetroffen van het bewijs worden uitgesloten, aldus de verdediging.

4.3

Oordeel van de rechtbank

4.3.1

Te bespreken verweer

Op 2 februari 2016 heeft een poging tot afpersing plaatsgevonden in een filiaal van [naam] te Utrecht. Hiervan zijn camerabeelden gemaakt. Van deze camerabeelden is een afbeelding geplaatst op de briefing online van het korpsnet Stad Utrecht “wie herkent”. Daarop is het gezicht van de dader deels bedekt; een deel van het voorhoofd, de ogen, de wangen en de neus zijn zichtbaar. Op 13 februari 2016 zag verbalisant [verbalisant 1] een man in Utrecht lopen die hij meende te herkennen van deze afbeelding. Ten tijde van deze herkenning was het gezicht van de man deels bedekt. Alleen het voorhoofd, de ogen en de neus van de man waren zichtbaar. De man werd staande gehouden en gevraagd naar zijn identiteitsbewijs. Verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] hoorden de man zeggen dat hij geen identiteitsbewijs bij zich had. De man gaf vervolgens, daarnaar gevraagd, op te zijn: [verdachte] (verdachte). Verbalisant [verbalisant 1] raadpleegde genoemde briefing en zag dat er grote gelijkenissen waren tussen verdachte en de man op de afbeelding. Vervolgens is verdachte aangehouden op grond van artikel 447e van het Wetboek van Strafrecht. Tijdens de insluiting van verdachte zagen verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] dat verdachte onder zijn jas een trainingsjack droeg, dat op het eerste gezicht grote gelijkenissen vertoonde met de kleding die de man op de foto van de briefing droeg. Bij de poging tot afpersing in [naam] heeft de dader gebruik gemaakt van een vuurwapen.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de doorzoeking van de woning van verdachte op 13 februari 2016 op grond van artikel 49 van de Wet wapens en munitie rechtmatig is geweest.

De omstandigheid dat het trainingsjack dat verdachte bij zijn aanhouding droeg, niet het trainingsjack bleek te zijn dat de dader van de ten laste gelegde poging tot afpersing droeg, en ook niet in alle opzichten daarop geleek (geen drie strepen op de manchetten), maakt dit niet anders. De rechtbank acht voldoende aannemelijk dat verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] de betreffende verschillen destijds niet waren opgevallen. De gelijkenis, die er overigens wel was, kon daarom, toen, bijdragen aan het door hen aannemen van een redelijk vermoeden van schuld bij verdachte.

Het verweer wordt verworpen.

4.3.2

Bewijsmiddelen1

[benadeelde 1] was op 2 februari 2016 omstreeks 15.35 uur aan het werk achter de kassa van [naam] op het [adres] in Utrecht. Er kwam een persoon de winkel in lopen. Ze kan deze persoon als volgt omschrijven:2

- een man;

- tussen 27 en 35 jaar oud;

- blank;

- hij droeg een zwarte muts met een wit logo op de voorzijde;

- hij droeg een zwarte sjaal over zijn mond, net onder zijn neus;

- hij droeg een zwart trainingsjasje van het merk Adidas met een lichtblauw Adidas logo op de linkerborst, over de armen liepen strepen;

- hij droeg aan zijn rechterhand een handschoen, bruin suède;

In de hand met de handschoen had hij een pistool vast. Het pistool had twee lopen naast elkaar met twee gaten aan de voorkant. Het was een donkerkleurig pistool.

[benadeelde 1] zag dat de man richting de kassa kwam lopen waar zij achter stond. Ze zag dat hij naar haar toe liep. Direct daarna stond hij voor haar waarbij hij riep: “Lade open, lade open, geef het geld!”. Terwijl hij dit riep prikte hij met het pistool in haar linker bovenarm. Hij bleef herhalen dat zij de lade open moest doen en dat zij het geld moest geven. Enkele seconden later haalde hij uit met zijn rechterhand, de hand met het pistool. Hij sloeg haar daarmee op haar linker bovenarm. [benadeelde 1] riep direct daarna tegen hem dat zij niet wist hoe ze de lade open moest maken. Ze riep ondertussen ook [benadeelde 2] , de naam van haar leidinggevende. Nadat ze die dingen had geroepen kwam [benadeelde 2] naar haar toe. Direct daarna zag ze dat de man met het pistool de winkel uit rende.3

[benadeelde 2] was op 2 februari 2016 omstreeks 15.34 uur werkzaam in [naam] aan het [adres] te Utrecht. Omstreeks 15.35 uur hoorde ze [benadeelde 1] (de rechtbank begrijpt: [benadeelde 1] ) met luide stem roepen: “ [benadeelde 2] , [benadeelde 2] !”. [benadeelde 2] is gelijk in de richting van de kassa gerend. Ze zag een man bij de kassa staan met een sjaal voor zijn gezicht. Ze zag dat deze man aan zijn rechterhand een handschoen droeg en dat hij in zijn rechterhand een pistool had. Ze zag dat hij dit pistool met kracht tegen de schouder van [benadeelde 1] sloeg. Op het moment dat zij zag dat hij [benadeelde 1] sloeg, hoorde ze hem zeggen: “La open, la open!”. Ze hoorde [benadeelde 1] roepen dat ze de kassa niet open kreeg.4 Ze zag dat de man achter de kassa naar haar keek. Aangekomen bij de kassa zag ze dat de man wegrende in de richting van de uitgang.

[benadeelde 2] kan de man als volgt omschrijven:

- een man;

- tussen 25 en 30 jaar oud;

- lichte huidskleur;

- zwarte muts;

- zwarte sjaal voor de mond;

- droeg aan zijn rechterhand een suède handschoen;

- droeg een pistool in zijn rechterhand;

- droeg een zwarte jas met het Adidas logo op de borst, op beide mouwen van het jasje stonden strepen.5

Op 2 februari 2016 zijn de camerabeelden van de gepleegde poging tot overval veiliggesteld door hoofdkantoor [naam] in Alphen aan den Rijn.6 Om 16.30 uur is een foto gemaakt van de dader op de camerabeelden en via e-mailbericht onder eenheden van de politie Utrecht Stad verspreid.7

Verbalisant [verbalisant 3] heeft op 8 februari 2016 de beschikbaar gestelde opnamen bekeken. Op de camerabeelden van [naam] is de dader in beeld.8 Verbalisant [verbalisant 3] zag een persoon die hij als volgt kon omschrijven:

- een man:

- tussen 27 en 35 jaar;

- blank;

- zwarte muts met wit logo;

- zwarte sjaal;

- zwarte trainingsjas met lichtblauw Adidas logo op linker borst, met strepen op de armen;

- bruine handschoen aan zijn rechterhand, topje van rechtervinger is zichtbaar.9

Op 13 februari 2016 ziet verbalisant [verbalisant 1] een man in Utrecht lopen die hij meende te herkennen van een afbeelding die was geplaatst op de briefing online van het korpsnet Stad Utrecht “Wie herkent”. Deze man werd gezocht voor een gewapende overval gepleegd op 2 februari 2016 op het filiaal van [naam] , gevestigd aan het [adres] te Utrecht.

Hierop hebben verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] de man staande gehouden. De man gaf op te zijn: [verdachte] , geboren op [1988] . Verbalisant [verbalisant 1] raadpleegde met zijn mobiele telefoon genoemde briefing en zag dat er grote gelijkenissen waren tussen deze man en de persoon op de foto. Vervolgens is verdachte aangehouden. Tijdens de insluiting van verdachte zagen verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] dat verdachte onder zijn jas een trainingsjack droeg dat grote gelijkenissen had met de kleding die de man op de foto op de briefing droeg.10

Op 13 februari 2016 heeft de politie de woning van verdachte aan de [adres] betreden. In de woning lag openlijk zichtbaar op de bank een vuurwapen. Dit vuurwapen werd in beslag genomen.11

In een wasmand lag een trainingsjack van het merk Adidas. Dit jack was zwart van kleur en had drie lichtblauwe strepen op beide mouwen.

In een plastic tas zat een zwarte muts van het merk Nike. In de tas zaten tevens een paar bruine handschoenen. Verbalisant [verbalisant 4] zag dat van de rechter handschoen de wijsvinger afgeknipt was.

In een schoenendoos werden 15 scherpe patronen aangetroffen.12

Verbalisant [verbalisant 5] heeft een nader onderzoek ingesteld naar de onder dit proces aangetroffen en in beslag genomen vuurwapen en munitie.

SIN: AAIX1534NL

Wapen: dubbelloops pistool

Categorie: III sub 1

Bovengenoemd voorwerp is een dubbelloops pistool, merk Rossi, kaliber .22L.13

SIN: AAIX1535NL

Munitie: 17 scherpe patronen

Categorie: III

Bovengenoemde scherpe patronen zijn van het kaliber .22LR.

Twee scherpe patronen zijn afkomstig uit de kamers van eerder genoemd vuurwapen.14

Op 16 februari 2016 heeft verbalisant [verbalisant 6] onderzoek verricht naar een paar

suède-achtige bruine handschoenen (SIN AAIG6029NL). [verbalisant 6] zag dat de wijsvinger van de rechter handschoen was afgeknipt.15

[verbalisant 6] heeft de sporendrager AAIG6029NL bemonsterd met behulp van een stub op de mogelijke aanwezigheid van dragermateriaal. Zij heeft het spoor veiliggesteld en gewaarmerkt met SIN AAEN9163NL.

SIN: AAEN9163NL

Relatie met SIN: AAIG6029NL

Spoortype: biologisch

Plaats veiligstellen: rechter handschoen, binnenzijde palm en manchet.16

Het onderzoeksmateriaal AAEN9163NL#01, een bemonstering handschoen (AAIG6029NL), is in het Nederlands Forensisch Instituut onderworpen aan DNA-onderzoek.17

SIN

Beschrijving DNA-profiel / celmateriaal kan afkomstig zijn van

Matchkans DNA-profiel

AAEN9163NL#01

DNA-mengprofiel

Afgeleid DNA-hoofdprofiel (combinatie van afgeleide DNA-kenmerken): verdachte [verdachte]

Kleiner dan één op één miljard

18

4.3.3

Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4. genoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

1.

op 2 februari 2016 te Utrecht ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [benadeelde 1] , medewerkster van de " [naam] " gevestigd aan het [adres] , te dwingen tot de afgifte van een hoeveelheid geld, toebehorende aan " [naam] ", filiaal [adres] ,

- die achter de kassa van de winkel staande [benadeelde 1] een vuurwapen heeft getoond en dat vuurwapen op de [benadeelde 1] heeft gericht en

- met dat vuurwapen tegen de arm van die [benadeelde 1] heeft geprikt en tegen die arm heeft geslagen en

- op luide toon tegen die [benadeelde 1] heeft gezegd: "Lade open, lade open, geef het geld", zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

2.

in de periode van 2 februari 2016 tot en met 13 februari 2016 te Utrecht een wapen van categorie III, te weten een dubbelloops pistool, merk Rossi, kaliber .22 L, en munitie van categorie III, te weten 16 scherpe patronen .22 LR, voorhanden heeft gehad.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 Strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar als

Feit 1:

Poging tot afpersing.

Feit 2:

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, terwijl het feit wordt begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III,

en

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

6 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7 Motivering van de straffen en maatregelen

7.1.

Eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door haar bewezen geachte zal worden veroordeeld tot 30 maanden gevangenisstraf met aftrek van voorarrest.

Ten aanzien van de in beslag genomen kogelwerende jas heeft de officier van justitie gevorderd dat deze wordt onttrokken aan het verkeer.

7.2.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft de rechtbank verzocht tot strafvermindering over te gaan indien de rechtbank oordeelt dat sprake is van een onrechtmatige doorzoeking van de woning van verdachte maar bewijsuitsluiting een te vergaand rechtsgevolg acht.

7.3.

Oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft geprobeerd om een caissière van een filiaal van [naam] te bewegen tot afgifte van een geldbedrag. Hij is er hierbij niet voor teruggeschrokken geweld te gebruiken en te dreigen met geweld. Hij heeft met het vuurwapen op een bovenarm van de caissière geslagen en haar hiermee in bovenarm geprikt. Hij heeft het vuurwapen aan haar getoond en in haar richting gehouden. Verdachte heeft zich hiermee schuldig gemaakt aan een ernstig misdrijf. Hij heeft niet laten blijken te hebben stilgestaan bij de gevolgen voor aangeefster. De wijze waarop verdachte te werk is gegaan heeft bij aangeefster en omstanders gevoelens van angst en onzekerheid teweeggebracht.

De rechtbank heeft onder 4.3.1 het verweer van de verdediging tot bewijsuitsluiting wegens een onrechtmatige doorzoeking van de woning van verdachte verworpen. De rechtbank zal dan ook niet tot strafvermindering overgaan op grond van dit verweer.

Op de dagvaarding is aan verdachte medegedeeld dat de ad informandum gevoegde strafbare feiten met betrekking tot het voorhanden hebben van een boksbeugel en het aanwezig hebben van cocaïne, MDMA en amfetamine ter bepaling van de strafmaat ter kennis van de rechtbank worden gebracht en dat verdachte daarvoor niet afzonderlijk zal worden vervolgd indien de rechtbank met die feiten rekening houdt.

Nu verdachte bij de politie geen verklaring heeft afgelegd over de in zijn woning aangetroffen boksbeugel en hij zich ten aanzien hiervan heeft beroepen op het zwijgrecht, zal de rechtbank geen rekening houden met dit ad informandum gevoegde feit.

Verdachte heeft ter terechtzitting bekend dat de in zijn woning in beslag genomen cocaïne, MDMA en amfetamine van hem waren. Een door de verdachte begaan strafbaar feit dat hem niet ten last is gelegd mag als bijzondere reden ter bepaling van de straf in aanmerking worden genomen wanneer op grond van de erkenning van verdachte ter terechtzitting aannemelijk is geworden dat hij dat feit heeft begaan en wanneer ervan uit mag worden gegaan dat ter zake van dat feit tegen verdachte geen vervolging meer zal worden ingesteld. Gelet hierop zal de rechtbank bij de straftoemeting rekening houden met dit ad informandum gevoegde feit.

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op de inhoud van een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 21 maart 2016, waaruit blijkt dat de verdachte reeds eerder strafrechtelijk is veroordeeld, onder meer op 4 november 2013 tot een gevangenisstraf van 32 maanden wegens poging tot diefstal door middel van braak, afpersing en verduistering.

Verder heeft de rechtbank gelet op een reclasseringsadvies, beknopt, zonder

diagnose-instrument van 11 april 2016, opgemaakt door M. Weemers, reclasseringswerker. In dit advies wordt gerapporteerd dat verdachte niet ontvankelijk is voor begeleiding dan wel behandeling. Gezien de niet meewerkende houding van verdachte tegenover de reclassering is een reclasseringstoezicht (in het kader van een voorwaardelijke straf) contra-geïndiceerd.

De rechtbank acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van 30 maanden met aftrek van voorarrest passend en geboden.

8 Beslag

8.1

Onttrekking aan het verkeer

Onder verdachte is een kogelwerend vest in beslag genomen. Nu dit voorwerp is aangetroffen bij gelegenheid van het onderzoek naar de door verdachte begane misdrijven, terwijl dit voorwerp kan dienen tot het begaan/de voorbereiding van soortgelijke misdrijven, dan wel de belemmering van de opsporing ervan, en het van zodanige aard is, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang, zal dit voorwerp worden onttrokken aan het verkeer.

9 Benadeelde partijen

[benadeelde 1]

De behandeling van de vordering van [benadeelde 1] levert niet een onevenredige belasting van het strafgeding op. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder 1 bewezen geachte feit rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze op € 1.000,00 (duizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 2 februari 2016 tot aan de dag van algehele voldoening. De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen.

De benadeelde partij heeft meer gevorderd dan de rechtbank hiervoor heeft toegewezen. De behandeling van de vordering levert voor dat deel een onevenredige belasting van het strafgeding op. De rechtbank zal daarom de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet ontvankelijk verklaren en bepalen dat de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Voorts zal verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van de benadeelde partij voornoemd wordt als extra waarborg voor betaling de schadevergoedingsmaatregel (artikel 36f Sr) aan verdachte opgelegd.

[benadeelde 2]

Uit het onderzoek tijdens de zitting is gebleken dat de behandeling van de vordering van [benadeelde 2] een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. [benadeelde 2] heeft een bedrag van € 1.000,00 gevorderd wegens immateriële schade. Deze schade heeft zij onvoldoende onderbouwd. De rechtbank zal daarom de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 36d, 45, 57 en 317 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

11 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4.3.3 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Feit 1:

Poging tot afpersing.

Feit 2:

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, terwijl het feit wordt begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III,

en

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 30 maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Verklaart onttrokken aan het verkeer: een kogelwerend vest.

Wijst de vordering van [benadeelde 1] toe tot een bedrag van € 1.000,00 (zegge duizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 2 februari 2016 tot de dag van algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde 1] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering is en bepaalt dat dit gedeelte kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde 1] , € 1.000,00 (zegge duizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 2 februari 2016 tot de dag van algehele voldoening, aan de Staat te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 20 dagen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Verklaart [benadeelde 2] niet ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat deze vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.

Dit vonnis is gewezen door

mr. G.A. Bos, voorzitter,

mrs. J. Ebbens en J.W. Frieling, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J.M.T. Bouwman-Everhardus, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 1 juni 2016.

BIJLAGE : De tenlastelegging

1.

hij op of omstreeks 02 februari 2016 te Utrecht, althans in het arrondissement Midden-Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en / of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en / of bedreiging met geweld [benadeelde 1] (medewerkster van de " [naam] " gevestigd aan het [adres] ) te dwingen tot de afgifte van een hoeveelheid geld, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan " [naam] ", filiaal [adres] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte,

- die (achter de balie/kassa van de winkel staande) [benadeelde 1] een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, heeft getoond en/of dat vuurwapen, althans dat op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op de [benadeelde 1] heeft gericht en/of

- met dat vuurwapen, althans dat op een vuurwapen gelijkende voorwerp, tegen de arm van die [benadeelde 1] heeft getikt en/of in die arm heeft geprikt en/of op/tegen die arm heeft geslagen en/of

- ( op luide en/of dreigende toon) tegen die [benadeelde 1] heeft gezegd: "Lade open, lade open, geeft het geld", althans woorden van gelijke aard of strekking,

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

2.

hij in of omstreeks de periode van 02 februari 2016 tot en met 13 februari 2016 te Utrecht , althans in het arrondissment Midden-Nederland, een of meer wapens van categorie III, te weten een dubbeloops pistool, merk Rossi, kaliber .22 L, en/of munitie van categorie III, te weten 16 scherpe patronen . 22 LR, voorhanden heeft gehad.

1 Indien hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt hierbij verwezen naar een bijlage bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van de politie Midden-Nederland, nummer 2016102662, van 5 april 2016, doorgenummerde pagina’s 1 tot en met 106.

2 Proces-verbaal van aangifte van [benadeelde 1] , doorgenummerde pagina 8.

3 Proces-verbaal van aangifte, doorgenummerde pagina 9.

4 Proces-verbaal van verhoor van [benadeelde 2] , doorgenummerde pagina 12.

5 Proces-verbaal van verhoor van [benadeelde 2] , doorgenummerde pagina 13.

6 Proces-verbaal van bevindingen, doorgenummerde pagina 18.

7 Proces-verbaal van bevindingen, doorgenummerde pagina 18.

8 Proces-verbaal van bevindingen, doorgenummerde pagina 21.

9 Proces-verbaal van bevindingen, doorgenummerde pagina 22.

10 Proces-verbaal van bevindingen, doorgenummerde pagina 25.

11 Proces-verbaal van bevindingen, doorgenummerde pagina 42.

12 Proces-verbaal van bevindingen, doorgenummerde pagina 43.

13 Proces-verbaal van bevindingen, doorgenummerde pagina 73.

14 Proces-verbaal van bevindingen, doorgenummerde pagina 74.

15 Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal biologisch vooronderzoek van de politie Midden-Nederland, nummer PL0900-2016035640-21, 22 februari 2016, blad 1.

16 Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal biologisch vooronderzoek van de politie Midden-Nederland, nummer PL0900-2016035640-21, 22 februari 2016, blad 2.

17 Een geschrift, inhoudende een rapport DNA-onderzoek naar aanleiding van een gewapende overval gepleegd in Utrecht op 2 februari 2016 van 9 maart 2016, doorgenummerde pagina 86.

18 Een geschrift, inhoudende een rapport DNA-onderzoek naar aanleiding van een gewapende overval gepleegd in Utrecht op 2 februari 2016 van 9 maart 2016, doorgenummerde pagina 87.