Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2016:2882

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
01-06-2016
Datum publicatie
28-06-2016
Zaaknummer
3634211 UC EXPL 14-18990
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzetprocedure. Regresvordering. Geen vernietiging van het verstekvonnis voor wat betreft de hoofdsom na toerekening van ten laste van gedaagde geïncasseerde bedragen op de voet van artikel 6:44 lid 1 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 3634211 UC EXPL 14-18990 JvdB/866

Vonnis in verzet van 1 juni 2016

inzake

[gedaagde partij in het verzet/oorspronkelijk eisende partij] ,

wonende te [woonplaats] ,

verder ook te noemen [gedaagde partij in het verzet/oorspronkelijk eisende partij] ,

gedaagde partij in het verzet,

oorspronkelijk eisende partij,

gemachtigde: mr. M.H.J. Langerak,

tegen:

[eisende partij in het verzet/oorspronkelijk gedaagde partij],

wonende te [woonplaats] ,

verder ook te noemen [eisende partij in het verzet/oorspronkelijk gedaagde partij] ,

eisende partij in het verzet,

oorspronkelijk gedaagde partij,

gemachtigde: mr. R.H.J. Koopmans.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 6 april 2016

  • -

    de akte uitlating na tussenvonnis van [gedaagde partij in het verzet/oorspronkelijk eisende partij] van 20 april 2016

  • -

    de akte uitlating na tussenvonnis van [eisende partij in het verzet/oorspronkelijk gedaagde partij] van 4 mei 2016.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling

2.1.

In het tussenvonnis van 6 april 2016 heeft de kantonrechter geoordeeld dat de regresvordering van [gedaagde partij in het verzet/oorspronkelijk eisende partij] op [eisende partij in het verzet/oorspronkelijk gedaagde partij] , waarvan de hoofdsom € 19.000 bedraagt, in

juli 2014 opeisbaar is geworden en dat [eisende partij in het verzet/oorspronkelijk gedaagde partij] vanaf 19 augustus 2014 wettelijke rente (in de zin van artikel 6:119 BW) verschuldigd is geworden. Het verstekvonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en [gedaagde partij in het verzet/oorspronkelijk eisende partij] heeft in het kader van de executie daarvan bedragen ten laste van [eisende partij in het verzet/oorspronkelijk gedaagde partij] geïncasseerd. De kantonrechter heeft [gedaagde partij in het verzet/oorspronkelijk eisende partij] opgedragen bij akte te onderbouwen welk bedrag hij in totaal van [eisende partij in het verzet/oorspronkelijk gedaagde partij] heeft geïncasseerd, en tot welke toewijsbare hoofdsom dit leidt met inachtneming van artikel 6:44 lid 1 BW.

2.2.

In zijn akte van 20 april 2016 heeft [gedaagde partij in het verzet/oorspronkelijk eisende partij] aangevoerd dat hij in totaal

€ 2.364,45 ten laste van [eisende partij in het verzet/oorspronkelijk gedaagde partij] heeft geïncasseerd en dat de deurwaarder tot op heden

€ 2.099,72 aan kosten bij [eisende partij in het verzet/oorspronkelijk gedaagde partij] in rekening heeft gebracht, bestaande uit € 989,52 aan proceskosten op basis van het verstekvonnis (inclusief het nasalaris gemachtigde), € 41,14 aan onderzoekskosten en € 1.119,06 aan explootkosten. Als gevolg van de deelbetaling van

€ 495,01 op 20 februari 2015 is het totaal van de ten laste van [eisende partij in het verzet/oorspronkelijk gedaagde partij] gekomen betalingen op die datum (€ 2.274,45) voor het eerst boven de kosten van € 2.099,72 uitgekomen. Het verschil tussen laatstgenoemde twee bedragen, € 174,73, strekt in mindering op de wettelijke rente die op 20 februari 2015 opeisbaar was (€ 263,92). Vervolgens is aan wettelijke rente nog een bedrag van € 89,19 open blijven staan (€ 263,92 verminderd met € 174,73). De volgende betaling van [eisende partij in het verzet/oorspronkelijk gedaagde partij] ter hoogte van € 90 dateert van 17 april 2015. De op die datum opeisbare wettelijke rente bedroeg € 147,49. Na aftrek van het bedrag van € 90 was [eisende partij in het verzet/oorspronkelijk gedaagde partij] op 17 april 2015 dus nog € 57,49 aan wettelijke rente verschuldigd. [gedaagde partij in het verzet/oorspronkelijk eisende partij] concludeert dat [eisende partij in het verzet/oorspronkelijk gedaagde partij] nog geen betalingen heeft gedaan die met inachtneming van artikel 6:44 lid 1 BW in mindering te strekken op de door hem gevorderde hoofdsom van € 19.000.

2.3.

[eisende partij in het verzet/oorspronkelijk gedaagde partij] neemt in haar antwoordakte het standpunt in dat namens [gedaagde partij in het verzet/oorspronkelijk eisende partij]

€ 799,92 teveel aan kosten in rekening is gebracht. In verband daarmee voert zij aan dat de deurwaarder die ten laste van [eisende partij in het verzet/oorspronkelijk gedaagde partij] beslag heeft gelegd onder Triodos Bank, bij navraag bij die bank had moeten concluderen dat beslaglegging onder Triodos Bank geen zin had, nu de kosten van het beslag het getroffen saldo overtroffen. Hetzelfde geldt volgens [eisende partij in het verzet/oorspronkelijk gedaagde partij] voor het onder [bedrijf] op 12 maart 2015 gelegde loonbeslag. Ook voert [eisende partij in het verzet/oorspronkelijk gedaagde partij] aan dat de deurwaarder in strijd met artikel 9 lid 1 onder a en b van het Besluit tarieven ambtshandelingen gerechtsdeurwaarders telkenmale en binnen een korte periode informatie bij derden heeft ingewonnen (SVB, UWV, EVOI, kenteken), waardoor onnodig kosten zijn gemaakt. [eisende partij in het verzet/oorspronkelijk gedaagde partij] concludeert dat de vordering van [gedaagde partij in het verzet/oorspronkelijk eisende partij] , met voorbehoud van alle rechten in een eventueel hoger beroep, nog ten hoogste € 18.255,39 kan bedragen.

2.4.

De kantonrechter overweegt hierover als volgt.

2.5.

Op grond van artikel 6:44 lid 1 BW strekt een betaling van een op een bepaalde verbintenis toe te rekenen geldsom in de eerste plaats in mindering op de kosten, vervolgens op de verschenen rente en ten slotte op de hoofdsom en de lopende rente. De rente die [eisende partij in het verzet/oorspronkelijk gedaagde partij] verschuldigd is met ingang van 19 augustus 2014 betreft wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW (zie het tussenvonnis van 6 april 2016, randnummer 2.23). Onder verschenen rente moet worden verstaan opeisbare rente. Uit het eerste lid van artikel

6:119 BW volgt dat, voor zover een schuldenaar in verzuim is met het betalen van de hoofdsom, de wettelijke rente over elke dag waarin die hoofdsom niet wordt betaald, met ingang van de volgende dag opeisbaar wordt. De wettelijke rente over de wettelijke rente die het jaar daarvoor verschuldigd is geworden (zie artikel 6:119 lid 2 BW), is in dit geval de lopende rente.

2.6.

Het verweer van [eisende partij in het verzet/oorspronkelijk gedaagde partij] dat voor een bedrag van € 799,92 teveel aan kosten is berekend, met als gevolg dat dit bedrag in mindering moet worden gebracht op de verschenen rente (en, voor zover er daarna een bedrag resteert, op de hoofdsom en de lopende rente), slaagt niet. Op een schuldeiser rust namelijk niet de verplichting om voordat hij tot beslaglegging onder een derde overgaat, bij die derde te informeren naar het bestaan van een schuld en de eventuele hoogte daarvan. Bovendien bestaat voor een derde niet de verplichting om daarover informatie te verstrekken vóórdat beslag onder die derde wordt gelegd. Haar stelling dat de deurwaarder in strijd met artikel 9 lid 1 onder a en b van het Besluit tarieven ambtshandelingen gerechtsdeurwaarders informatie heeft ingewonnen, is door [eisende partij in het verzet/oorspronkelijk gedaagde partij] onvoldoende onderbouwd. Uit het feit dat de deurwaarder in een korte periode informatie heeft ingewonnen bij de door haar genoemde derden volgt namelijk niet dat hij hierbij in strijd met genoemd besluit heeft gehandeld, terwijl ook niet is gesteld of gebleken dat de deurwaarder meer dan eens dezelfde soort informatie bij een derde heeft ingewonnen.

2.7.

De kantonrechter neemt de in 2.2 genoemde berekening van [gedaagde partij in het verzet/oorspronkelijk eisende partij] over omdat deze zoveel mogelijk aansluit bij de in artikel 6:44 lid 1 BW voorgeschreven methodiek. Met inachtneming van het voorgaande is [eisende partij in het verzet/oorspronkelijk gedaagde partij] sinds 17 april 2015 een bedrag van € 19.057,49 aan [gedaagde partij in het verzet/oorspronkelijk eisende partij] verschuldigd, bestaande uit de hoofdsom van € 19.000 en een bedrag van

€ 57,49 ter zake van op 17 april 2015 opeisbare wettelijke rente, vermeerderd met de wettelijke rente over € 19.000 vanaf 17 april 2015. Hieruit volgt dat het verstekvonnis zal worden bekrachtigd, voor zover [eisende partij in het verzet/oorspronkelijk gedaagde partij] daarin is veroordeeld tot betaling van de hoofdsom van € 19.000. Het verstekvonnis zal worden vernietigd voor wat betreft de veroordeling tot betaling van de wettelijke (handels) rente over € 19.000 vanaf de datum van de onderscheidenlijke deelbetalingen door [gedaagde partij in het verzet/oorspronkelijk eisende partij] aan [A] , zoals vermeld in de dagvaarding, beginnend bij 14 maart 2007 tot de voldoening (zie in dit verband ook het tussenvonnis van 6 april 2016, randnummer 2.23). In verband met het voorgaande zal [eisende partij in het verzet/oorspronkelijk gedaagde partij] worden veroordeeld tot betaling aan [gedaagde partij in het verzet/oorspronkelijk eisende partij] van € 57,49 ter zake van op 17 april 2015 opeisbare wettelijke rente, en tot betaling aan [gedaagde partij in het verzet/oorspronkelijk eisende partij] van de wettelijke rente (artikel 6:119 BW) over € 19.000 vanaf 17 april 2015 tot aan de dag van volledige betaling.

2.8.

[gedaagde partij in het verzet/oorspronkelijk eisende partij] vordert ook een bedrag dat is gebaseerd op het bepaalde in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Op grond van artikel 1 van het Besluit is het Besluit slechts van toepassing indien de gevorderde hoofdsom is gegrond op:

a. een uit overeenkomst voortvloeiende verbintenis tot betaling van een geldsom of
b. een verbintenis die strekt tot vergoeding van schade, voor zover deze verbintenis is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst (mits het niet gaat om een vaststellingsovereenkomst die in het kader van een gerechtelijke procedure totstandgekomen is) of
c. een verbintenis tot betaling van een geldsom die is omgezet in een verbintenis tot vervangende schadevergoeding in de zin van artikel 6:87 BW.

De onderhavige regresvordering heeft echter geen betrekking op één van deze situaties. De kantonrechter toetst daarom de vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn aan de eisen voor dergelijke vorderingen zoals deze zijn geformuleerd in het Rapport BGK-integraal. Dit leidt ertoe dat de vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke

(incasso-)kosten zal worden afgewezen. Uit de door [gedaagde partij in het verzet/oorspronkelijk eisende partij] gegeven omschrijving van de verrichte werkzaamheden blijkt niet dat kosten zijn gemaakt die betrekking hebben op verrichtingen die meer omvatten dan een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een (niet aanvaard) schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. De kosten waarvan [gedaagde partij in het verzet/oorspronkelijk eisende partij] vergoeding vordert moeten dan ook worden aangemerkt als betrekking hebbend op verrichtingen waarvoor de proceskostenveroordeling wordt geacht een vergoeding in te sluiten. Voor zover [gedaagde partij in het verzet/oorspronkelijk eisende partij] in het verstekvonnis is veroordeeld tot betaling van € 965 als vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten, zal het verstekvonnis daarom worden vernietigd.

2.9.

In het kader van de onderhavige verzetprocedure zal [eisende partij in het verzet/oorspronkelijk gedaagde partij] als grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten. Het verstekvonnis zal worden bekrachtigd voor wat betreft de daarin uitgesproken proceskostenveroordeling. Dit brengt mee dat [eisende partij in het verzet/oorspronkelijk gedaagde partij] nu niet zal worden veroordeeld tot betaling aan [gedaagde partij in het verzet/oorspronkelijk eisende partij] van bedragen die corresponderen met de kosten van de dagvaarding (€ 77,52), het griffierecht in de verstekprocedure (€ 462) en het salaris van de gemachtigde van [gedaagde partij in het verzet/oorspronkelijk eisende partij] , voor zover het betreft het opstellen van de dagvaarding in de verstekprocedure (1 punt ter waarde van € 300). In het kader van de verzetprocedure heeft [gedaagde partij in het verzet/oorspronkelijk eisende partij] niet opnieuw griffierecht betaald. Daarnaast heeft geen van de gehoorde getuigen aanspraak gemaakt op een kostenvergoeding. Met inachtneming hiervan worden de proceskosten aan de zijde van [gedaagde partij in het verzet/oorspronkelijk eisende partij] in deze verzetprocedure begroot op € 1.050

(3,5 punten x € 300).

2.10.

De gevorderde nakosten en de wettelijke rente over de proceskosten en de nakosten zullen worden toegewezen met inachtneming van de hierna te bepalen termijnen.

3 De beslissing

De kantonrechter:

3.1.

vernietigt het tussen [gedaagde partij in het verzet/oorspronkelijk eisende partij] en [eisende partij in het verzet/oorspronkelijk gedaagde partij] gewezen verstekvonnis van 24 september 2014 (met zaaknummer 3400645 UC EXPL 14-14376), uitsluitend voor wat betreft a) de veroordeling tot betaling van de wettelijke (handels)rente over € 19.000 vanaf de datum van de onderscheidenlijke deelbetalingen door eiser ( [gedaagde partij in het verzet/oorspronkelijk eisende partij] ) aan [A] , zoals vermeld in de dagvaarding, beginnend bij 14 maart 2007 tot de voldoening, en b) de veroordeling tot betaling van € 965 als vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten,

3.2.

bekrachtigt voor het overige het tussen [gedaagde partij in het verzet/oorspronkelijk eisende partij] en [eisende partij in het verzet/oorspronkelijk gedaagde partij] gewezen verstekvonnis van 24 september 2014 (met zaaknummer 3400645 UC EXPL 14-14376),

3.3.

veroordeelt [eisende partij in het verzet/oorspronkelijk gedaagde partij] tot betaling aan [gedaagde partij in het verzet/oorspronkelijk eisende partij] van € 57,49 ter zake van op 17 april 2015 opeisbare wettelijke rente, en tot betaling aan [gedaagde partij in het verzet/oorspronkelijk eisende partij] van de wettelijke rente (artikel 6:119 BW) over € 19.000 vanaf 17 april 2015 tot aan de dag van volledige betaling,

3.4.

veroordeelt [eisende partij in het verzet/oorspronkelijk gedaagde partij] in de proceskosten van de verzetprocedure, aan de zijde van [gedaagde partij in het verzet/oorspronkelijk eisende partij] begroot op € 1.050, vermeerderd met de wettelijke rente (artikel 6:119 BW) hierover vanaf de 15e (vijftiende) dag na de datum van dit vonnis,

3.5.

veroordeelt [eisende partij in het verzet/oorspronkelijk gedaagde partij] , onder de voorwaarde dat zij niet binnen 14 dagen na aanschrijving door [gedaagde partij in het verzet/oorspronkelijk eisende partij] volledig aan dit vonnis voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:

- € 100 aan salaris gemachtigde, vermeerderd met de wettelijke rente (artikel 6:119 BW) met ingang van de vijftiende dag na aanschrijving,

- te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van betekening van het vonnis, vermeerderd met de wettelijke rente (artikel 6:119 BW) met ingang van de vijftiende dag na betekening,

3.6.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.K.J. van den Boom, kantonrechter, en is in het openbaar uitgesproken op woensdag 1 juni 2016.

Type: JvdB

Coll: HvW