Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2016:2742

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
19-05-2016
Datum publicatie
20-05-2016
Zaaknummer
UTR 16/679
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2017:1192, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Betreft omgevingsvergunning voor periode van 1 jaar voor realiseren van tijdelijke losvoorziening ten behoeve van het bouwrijp maken van de Bloemendalerpolder te Weesp. Vergunning is verleend met toepassing artikel 2.12, eerste lid, aanhef onder a onder 2°, van de Wabo in samenhang met artikel 4, onderdeel 11, van bijlage II van het Bor. De rechtbank is van oordeel dat de uitgebreide voorbereidingsprocedure gevolgd had moeten worden, omdat artikel 4, onderdeel 11 niet van toepassing is op een activiteit als bedoeld in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit Mer. Verweerder heeft dan ook ten onrechte de reguliere voorbereidingsprocedure gevolgd. Dit kan evenwel niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit vanwege het relativiteitsvereiste als bedoeld in artikel 8:69a van de Awb. De normen genoemd in het Besluit Mer en de Wet milieubeheer strekken ter bescherming van milieubelangen, terwijl het belang van eisers een commercieel/bedrijfseconomisch belang is. Dat is evenwel geen belang dat valt onder het beschermingsbereik van de normen uit de vermelde regelgeving. Dat kan dus niet leiden tot vernietiging van het besluit.

Rechtbank is verder van oordeel dat verweerder voorafgaande aan het besluit ten onrechte geen onderzoek heeft ingesteld naar de gevolgen voor de luchtkwaliteit. Daardoor sprake van gebrek in motivering en dus reden tot vernietiging van het besluit. Rechtbank laat rechtsgevolgen van besluit echter in stand, aangezien uit later ingediend rapport blijkt dat de verkeersaantrekkende werking niet zal leiden tot een onaanvaardbare verslechtering van de luchtkwaliteit.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 7.17
Besluit omgevingsrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JM 2016/97 met annotatie van A. Wagenmakers

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 16/679

uitspraak van de meervoudige kamer van 19 mei 2016 in de zaak tussen

1. Fontijn Vlees en Vleeswaren B.V.

2. B2C Europe Netherlands B.V.,

3. DENSO Europe B.V.,

4. Carlisle Hardcast Europe B.V.,

5. Flexicon B.V.,

6. Gebrema Weesp B.V. en

7. Vereniging van Eigenaars “Bedrijvenpark Bloemendael”,

allen te Weesp, eisers

(gemachtigde: mr. E.A. Wentink-Quelle),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Weesp, verweerder

(gemachtigde: mr. S.K. Verwer)

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [derde-partij] B.V., te [vestigingsplaats] , gemachtigde: mr. J.C. Ellerman.

Procesverloop

Bij besluit van 21 september 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder aan [derde-partij] B.V. (vergunninghouder) omgevingsvergunning voor een periode van één jaar verleend voor het realiseren van een tijdelijke losvoorziening ten behoeve van het bouwrijp maken van de Bloemendalerpolder op het perceel Zuiderzeelaan nabij nummer 83 (het perceel).

Bij besluit van 14 januari 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep is geregistreerd onder nummer UTR 16/679. Eisers hebben de voorzieningenrechter tevens verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Dit verzoek is geregistreerd onder nummer UTR 16/1347.

Het verzoek en het beroep zijn behandeld ter enkelvoudige zitting van 16 maart 2016. Eisers zijn verschenen bij hun gemachtigde, vergezeld door [A] , [B] en [C] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en [D] . Derde-partij is verschenen bij zijn gemachtigde, vergezeld door [E] , mr. A.A. Kozijn en ir. [F] .

De rechtbank heeft het beroep (UTR 16/679) aan het einde van de enkelvoudige behandeling ter zitting verwezen naar de meervoudige kamer.

Bij uitspraak van 16 maart 2016 heeft de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening toegewezen, het bestreden besluit van 14 januari 2016 alsmede, voor zover nodig, het primaire besluit van 21 september 2015, voor zover die besluiten zien op het gebruik van de tijdelijke losvoorziening, geschorst tot door de rechtbank uitspraak is gedaan op het beroep tegen het bestreden besluit van 14 januari 2016 (UTR 16/679).

De behandeling van het beroep is meervoudig hervat op de zitting van 21 april 2016. Eisers zijn verschenen bij hun gemachtigde, vergezeld door [A] , [B] en [C] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door
[G] en [H] . Derde-partij is verschenen bij zijn gemachtigde, vergezeld door [E] , mr. A.A. Kozijn, ir. [F] , [I] en mr. N. van Hulst.

Overwegingen

1. Vergunninghouder heeft op 22 juni 2015 een aanvraag om omgevingsvergunning ingediend voor het realiseren van een tijdelijke losvoorziening ten behoeve van het bouwrijp maken van het perceel. Bij het primaire besluit heeft verweerder de gevraagde omgevingsvergunning voor een periode van één jaar verleend. Het door eisers tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij het bestreden besluit ongegrond verklaard.

2. De omgevingsvergunning heeft verweerder verleend met toepassing van artikel 2.1, aanhef en onder a en c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), en met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef onder a onder 2°, van de Wabo in samenhang met artikel 4, onderdeel 11, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor).

3. Op grond van artikel 4, onderdeel 11, van bijlage II van het Bor komt voor vergunning in aanmerking ander gebruik van gronden dan bedoeld in de onderdelen 1 tot en met 10, voor een periode van ten hoogste tien jaar. Uit de Nota van Toelichting blijkt dat onderdeel 11 van artikel 4 strekt tot het flexibeler maken van de mogelijkheden voor tijdelijke afwijking van het bestemmingsplan.

4. Eisers hebben als meest verstrekkende grond aangevoerd dat toepassing van artikel 4, onderdeel 11, van bijlage II van het Bor niet mogelijk is, nu artikel 5, zesde lid, van bijlage II van het Bor bepaalt dat artikel 4, onderdeel 11, niet van toepassing is op een activiteit als bedoeld in onderdeel C of D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage (Besluit Mer). Eisers hebben aangevoerd dat in dit geval sprake is van een activiteit als genoemd in kolom 1 van onderdeel D 2.1 van die bijlage. Om die reden had verweerder de uitgebreide voorbereidingsprocedure moeten volgen en niet de reguliere voorbereidingsprocedure, aldus eisers.

5. Verweerder en vergunninghouder hebben aangevoerd dat in dit geval geen sprake is van een activiteit als bedoeld in onderdeel D 2.1 van de bijlage bij het Besluit Mer, nu die categorie is bedoeld voor activiteiten die een significant effect hebben op het milieu. De beoordeling van de vraag of sprake is van een activiteit als bedoeld in onderdeel D 2.1 dient niet alleen te geschieden aan de hand van wat in kolom 1 (‘Activiteiten’) van de betreffende categorie is vermeld, maar dient plaats te vinden in samenhang met wat in kolom 2 (‘Gevallen’) is vermeld. Aangezien in kolom 2 wordt beschreven dat het dient te gaan om gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 25 hectare of meer, en daarvan in dit geval geen sprake is, zijn verweerder en vergunninghouder van mening dat toepassing van artikel 4, onderdeel 11, van bijlage II van het Bor wel degelijk mogelijk is. Verweerder en vergunninghouder menen voor dat betoog steun te vinden in het voorbeeld dat in de Nota van Toelichting op het Besluit Mer wordt genoemd, namelijk dat van Multimodaal Transport centrum Valburg aan de Betuwelijn. Uit dat voorbeeld is naar de mening van verweerder en vergunninghouder af te leiden dat men niet alleen dient te kijken naar de activiteit zelf, maar ook naar de omvang van die activiteit. Verweerder en vergunninghouder zijn dan ook van mening dat op goede gronden de reguliere voorbereidingsprocedure is gevolgd.

6. De voorzieningenrechter heeft in de uitspraak van 16 maart 2016 geoordeeld dat artikel 5, zesde lid, van bijlage II van het Bor van toepassing is, zodat verweerder ten onrechte een omgevingsvergunning op grond van artikel 2.12, eerste lid, aanhef onder a onder 2°, van de Wabo in samenhang met artikel 4, onderdeel 11, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor) heeft verleend. De rechtbank kan zich met dit oordeel van de voorzieningenrechter verenigen alsmede met de overwegingen die aan dat oordeel ten grondslag liggen. Ten behoeve van de duidelijkheid zal de rechtbank de dragende overwegingen van de voorzieningenrechter hieronder weergeven.

”8. Ingevolge artikel 3.7, eerste lid, van de Wabo is § 3.2 (de reguliere voorbereidingsprocedure) van toepassing op de voorbereiding van besluiten, tenzij § 3.3 (de uitgebreide voorbereidingsprocedure) van toepassing is.

Ingevolge artikel 3.10, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing op de voorbereiding van de beschikking op de aanvraag om een omgevingsvergunning, indien de aanvraag geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, voor zover er strijd is met het bestemmingsplan of een beheersverordening en slechts vergunning kan worden verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, of artikel 2.12, tweede lid, van de Wabo.

9. Tussen partijen is niet in geschil en ook voor de voorzieningenrechter staat vast dat de tijdelijke losvoorziening op het perceel in strijd is met het vigerende bestemmingsplan.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder in dit geval ten behoeve van de voorbereiding van het besluit de uitgebreide voorbereidingsprocedure had moeten volgen.

De voorzieningenrechter vindt voor dit oordeel allereerst steun in het gestelde in artikel 5, zesde lid, van bijlage II van het Bor. Dit artikellid bepaalt, voor zover hier van belang, immers dat artikel 4, onderdeel 11, niet van toepassing is op een activiteit als bedoeld in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit Mer.

Nu dit artikel spreekt over ‘activiteit’ en daarmee direct verwijst naar kolom 1 en niet naar kolom 2, welke kolom handelt over ‘gevallen’, is de voorzieningenrechter van oordeel dat dit al impliceert dat de zogenoemde ‘kruimelregeling’ niet meer kan worden toegepast.

9.1

De voorzieningenrechter wordt in dit oordeel gesteund door het gestelde in de Nota van Toelichting bij het Besluit van 4 september 2014 tot wijziging van het Besluit omgevingsrecht en diverse andere algemene maatregelen van bestuur in verband met het permanent maken van de Crisis- en herstelwet en het aanbrengen van enkele verbeteringen op het terrein van het omgevingsrecht (Staatsblad 2014, 333). Aan die Nota van Toelichting ontleent de voorzieningenrechter het volgende:

“Bij dit onderdeel is aan artikel 5 een nieuw zesde lid toegevoegd. Hierin worden van de toepassing van artikel 4, onderdelen 9 en 11, van bijlage II bij het Bor, zoals bij dit besluit gewijzigd, bepaalde activiteiten uitgezonderd. De strekking van artikel 5, zesde lid, is dat als een activiteit daaronder valt, op de beslissing op de aanvraag om een omgevingsvergunning voor afwijking van het bestemmingsplan ten behoeve van die activiteit, niet de reguliere voorbereidingsprocedure maar de uitgebreide voorbereidingsprocedure van toepassing is. Er is dan sprake van een geval waarvoor met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de Wabo een omgevingsvergunning voor afwijking van het bestemmingsplan kan worden verleend.

De uitgezonderde activiteiten zijn de activiteiten, bedoeld in onderdeel C of D van de bijlage bij het Besluit mer. Dit zijn zowel de mer-plichtige als de mer-beoordelingsplichtige activiteiten in kolom 1 van genoemde onderdelen van de bijlage bij het Besluit mer. Bij het formuleren van deze uitzonderingsbepaling is geabstraheerd van de vraag of het ook gaat om een aangewezen geval waarin de mer-plicht of de mer-beoordelingsplicht geldt alsmede om een aangewezen besluit. Dit is geregeld in de kolommen 2 en 4 van genoemde onderdelen van de bijlage bij het Besluit mer. Ook is ingeval van een mer-beoordelingsplicht geabstraheerd van de vraag of het bevoegd gezag ook feitelijk heeft besloten dat een MER moet worden gemaakt. Hiermee wordt voor de uitvoeringspraktijk een duidelijk criterium geboden om te bepalen of artikel 4, onderdelen 9 en 11, van bijlage II al dan niet van toepassing is.”

Uit deze passage uit de Nota van Toelichting kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter slechts worden afgeleid dat voor de beoordeling van de vraag of sprake is van een activiteit als bedoeld in artikel 5, zesde lid, van bijlage II van het Bor uitsluitend gekeken dient te worden naar kolom 1 van, in dit geval, onderdeel D van de bijlage bij het Besluit Mer.

9.2

De voorzieningenrechter is verder van oordeel dat ook de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS) van 2 mei 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BW4511) aanknopingspunten biedt voor het oordeel dat artikel 5, zesde lid, van bijlage II van het Bor, specifiek verwijst naar activiteiten als genoemd in kolom 1 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit Mer. De voorzieningenrechter verwijst daarbij met name naar rechtsoverweging 2.5 van die uitspraak, waarin expliciet wordt overwogen dat daarbij niet wordt verwezen naar de bij de betreffende activiteit in kolom 2 genoemde ‘gevallen’.

9.3

Ten slotte overweegt de voorzieningenrechter dat de drempelwaarde genoemd in kolom 2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit Mer is bedoeld ter beoordeling van de vraag of er een milieueffectrapport moet worden gemaakt.

In onderdeel D van de bijlage zijn de activiteiten opgenomen die alleen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben in bijzondere omstandigheden, wat per geval moet worden vastgesteld. Daarbij is een indeling gemaakt in kolommen. In kolom 1 zijn de m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteiten opgenomen, terwijl in de tweede kolom is aangegeven, in welke gevallen de activiteit m.e.r.-(beoordelings)plichtig is. Er bestaat daarbij geen verplichting om activiteiten te beoordelen die de drempel niet overschrijden. De voorzieningenrechter verwijst ter ondersteuning van dit oordeel naar de Nota van Toelichting bij het Besluit van 7 mei 1999, houdende wijziging van het Besluit milieu-effectrapportage 1994 alsmede uitvoering van artikel 2, derde lid, van de Tracéwet (Staatsblad 1999, 224).”

7. In beroep heeft verweerder aangevoerd dat het betoog van eisers niet kan leiden tot vernietiging van het bestreden besluit vanwege het zogenoemde relativiteitsvereiste als bedoeld in artikel 8:69a van de Awb. Het betoog van verweerder komt er op neer dat het relativiteitsvereiste eraan in de weg staat dat eisers een beroep doen op de normen van artikel 5, zesde lid, van bijlage II van het Bor in samenhang met het Besluit Mer, nu deze bepalingen strekken ter bescherming van de milieubelangen en er geen duidelijke verwevenheid bestaat van die belangen en de door eisers gestelde bedrijfseconomische belangen.

9.1

De rechtbank overweegt allereerst dat dit verweer van verweerder in de voorlopige voorzieningenprocedure niet is gevoerd en daardoor ook niet is beoordeeld. Bovendien geldt dat artikel 8:69a van de Awb, gelet op het bepaalde in artikel 8:84, vijfde lid, van de Awb, niet van overeenkomstige toepassing is verklaard in de voorlopige voorzieningenprocedure en daar dus ook niet beoordeeld had kunnen worden. De rechtbank overweegt naar aanleiding van het in beroep aangevoerde verweer van verweerder als volgt.

10. Ingevolge artikel 8:69a van de Awb vernietigt de bestuursrechter een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.

10.1

Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) heeft de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis willen stellen dat er een verband moet bestaan tussen een beroepsgrond en het belang waarin de eiser door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van de eiser.

10.2

De strekking van artikel 5, zesde lid, van bijlage II van het Bor is dat op de beslissing op een aanvraag om een omgevingsvergunning voor afwijking van het bestemmingsplan, niet de reguliere voorbereidingsprocedure maar de uitgebreide voorbereidingsprocedure van toepassing is. Voor de betreffende activiteit als bedoeld in onderdeel C of D van de bijlage bij het Besluit Mer, naar welke activiteiten artikel 5, zesde lid, van bijlage II van het Bor verwijst, kan dan eventueel met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de Wabo een omgevingsvergunning worden verleend.

De onderhavige activiteit ziet op een activiteit als bedoeld in onderdeel D 2.1 van de bijlage bij het Besluit Mer. Opname van deze activiteit in bedoelde bijlage betekent dat beoordeeld dient te worden of een milieueffectrapport als bedoeld in de artikelen 7.16 tot en met 7.19 van de Wet milieubeheer moet worden gemaakt. Met andere woorden: beoordeeld zal moeten worden of de betreffende activiteit, de tijdelijke losvoorziening, nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben.

10.3

Eisers hebben betoogd dat de verleende omgevingsvergunning gepaard gaat met intensieve en omvangrijke transportbewegingen, wat een onevenredige inbreuk maakt op hun ondernemingsklimaat. Het exceptioneel zware vrachtverkeer en de toename van het aantal verkeersbewegingen, zal leiden tot onevenredige verkeerscongestie waarvan zij rechtstreeks en onevenredig schade zullen ondervinden.

10.4

Uit het betoog van eisers blijkt dat hun belangen er in zijn gelegen dat zij gevrijwaard worden van verkeerscongestie als gevolg van het zandtransport, aangezien zij vrezen daardoor in hun bedrijfseconomische belangen te worden geschaad.

De rechtbank stelt vast dat de regelgeving zoals neergelegd in artikel 5, zesde lid, van bijlage II van het Bor, bezien in relatie met het Besluit Mer, ertoe strekt om te bepalen of een activiteit als bedoeld in onderdeel C of D van de bijlage bij het Besluit Mer, in dit geval de tijdelijke losvoorziening, nadelige gevolgen heeft voor het milieu en zo ja, of dat moet leiden tot toepassing van de artikelen 7.16 tot en met 7.19 van de Wet milieubeheer. De normen uit de hiervoor genoemde regelgeving strekken dus ter bescherming van milieubelangen, terwijl het feitelijke belang waarin eisers dreigen te worden geraakt, een commercieel/bedrijfseconomisch belang is. Dat is evenwel geen belang dat valt onder het beschermingsbereik van de normen uit de hiervoor vermelde regelgeving en is evenmin een belang dat verweven is met de algemene belangen die de betreffende bepalingen beogen te beschermen. Geconcludeerd moet dan ook worden dat artikel 8:69a van de Awb er aan in de weg staat dat het bestreden besluit op grond van dit betoog van eisers wordt vernietigd.

11. Gelet op het vorenstaande staat de rechtbank vervolgens voor de beantwoording van de vraag of wat eisers overigens hebben aangevoerd aanknopingspunten biedt voor het oordeel dat verweerder in redelijkheid niet tot verlening van de omgevingsvergunning heeft kunnen overgaan.

12. Eisers hebben betoogd dat verweerder nader onderzoek had moeten doen naar de effecten die het vrachtverkeer heeft op de luchtkwaliteit. Gelet op de verkeersaantrekkende werking achten eisers een verslechtering van de luchtkwaliteit niet uitgesloten.

12.1

Artikel 2.8 van het Bor bepaalt dat als categorieën als bedoeld in artikel 5.16, tweede lid, onder g, van de Wet milieubeheer waarbij bij het verlenen van een omgevingsvergunning met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de Wabo een beoordeling van de gevolgen voor de luchtkwaliteit als bedoeld in artikel 5.16, eerste lid, van de Wet milieubeheer is vereist, worden aangewezen de categorieën gevallen, bedoeld in artikel 4, onderdelen 9 en 11, van bijlage II.

12.2

De rechtbank overweegt dat het op grond van deze bepaling vereist is dat, bij het verlenen van een vergunning met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de Wabo, een beoordeling van de gevolgen van de luchtkwaliteit plaatsvindt. De rechtbank stelt vast dat verweerder voorafgaande aan de verlening van de omgevingsvergunning een dergelijk onderzoek niet heeft ingesteld. In zoverre is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een gebrek in de motivering van het bestreden besluit, zodat het betoog van eisers slaagt. De rechtbank zal het bestreden besluit om die reden vernietigen. In het navolgende zal de rechtbank beoordelen of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen blijven.

13. Bij brief van 11 april 2016 heeft verweerder onder meer een rapport van 7 april 2016 van Rho, adviseurs voor leefruimte, overgelegd. In dit rapport zijn de mogelijke gevolgen van de verkeerstoename door de losactiviteiten op de luchtkwaliteit onderzocht en getoetst aan de wettelijke grenswaarden.

13.1

Eisers hebben de rechtbank verzocht om (onder meer) het rapport van Rho van 7 april 2016 wegens strijd met een goede procesorde buiten beschouwing laten, aangezien verweerder bij de indiening van dat rapport niet heeft voldaan aan het bepaalde in artikel 8:58 van de Awb. De rechtbank overweegt naar aanleiding van dit betoog als volgt.

13.2

Ingevolge artikel 8:58, eerste lid, van de Awb kunnen partijen tot tien dagen voor de zitting nadere stukken indienen. Ook indien een stuk niet binnen de daarvoor gestelde termijn is ingediend, is het - zoals volgt uit eerdere uitspraken van de ABRS (zie onder meer de uitspraak van 16 oktober 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1551) - aan de rechter om te beslissen of de goede procesorde zich ertegen verzet dat het desbetreffende stuk bij de beoordeling van het bestreden besluit wordt betrokken. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat door de late indiening van het nadere stuk eisers zijn belemmerd om daarop adequaat te reageren of de goede voortgang van de procedure daardoor anderszins is belemmerd. Het nadere stuk, dat tien dagen voor de zitting bij de rechtbank is ingekomen, wordt derhalve niet wegens strijd met een goede procesorde buiten beschouwing gelaten. Hierbij betrekt de rechtbank dat eisers van dit nadere stuk kennis hebben genomen. Hoewel de rechtbank begrip heeft voor het feit dat eisers op zo’n korte termijn niet in staat waren om een tegenrapport in te dienen, kan die omstandigheid er niet toe leiden dat daardoor het rapport van Rho buiten beschouwing moet blijven. Eisers hebben immers wel de tijd gehad om zich op de inhoud van het rapport voor te bereiden, doch die gelegenheid hebben zij niet aangegrepen om met (een begin van) een inhoudelijke reactie op dat rapport te komen. Er bestaat dan ook geen grond voor het oordeel dat eisers onvoldoende in staat zijn geweest hierop ter zitting adequaat te reageren.

13.3

In het rapport van Rho van 7 april 2016 wordt op basis van het uitgevoerde onderzoek geconcludeerd dat 280 extra vrachtwagenbewegingen op de Hogeweyselaan niet zullen leiden tot een overschrijding van de wettelijke grenswaarden voor stikstofdioxide en fijn stof. Naar het oordeel van de rechtbank is met deze nadere rapportage, gelezen in samenhang met de overige bevindingen van Rho, voldoende gemotiveerd dat de verkeersaantrekkende werking niet zal leiden tot een (onaanvaardbare) verslechtering van de luchtkwaliteit. Gelet

hierop ziet de rechtbank aanleiding op dit punt de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit in stand te laten.

14. Eisers hebben verder nog aangevoerd dat verweerder nader had moeten onderbouwen waarom niet voor een andere route voor het zandtransport is gekozen. De rechtbank overweegt dat verweerder moet beslissen over een project zoals dat is aangevraagd. Indien een project op zichzelf voor het bevoegd gezag aanvaardbaar is, kan het zo mogelijk bestaan van alternatieven slechts dan tot weigering van een omgevingsvergunning voor het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan leiden, indien op voorhand duidelijk is dat door verwezenlijking van de alternatieven een gelijkwaardig resultaat met aanmerkelijk minder bezwaren kan worden bereikt (zie de uitspraak van de ABRS van 19 februari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:508). De rechtbank is niet gebleken dat in dit geval sprake is van een dergelijk alternatief. De rechtbank overweegt in dat verband dat verweerder de door eisers genoemde alternatieven in bezwaar tijdens de hoorzitting heeft weerlegd. In beroep hebben eisers nogmaals gewezen op het alternatief om een bestaande losvoorziening (Spaans) te gebruiken. Verweerder heeft daarop aangevoerd dat dat alternatief met zich brengt dat langs een dubbel woonhuis gereden zou moeten worden en bovendien ook een grotere afstand zou moeten worden afgelegd. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat daarmee van een gelijkwaardig alternatief geen sprake is. Het betoog van eisers slaagt dan ook niet.

15. Eisers hebben verder betoogd dat verweerder in de door hem uitgevoerde belangenafweging onvoldoende rekening heeft gehouden met eisers belangen.

De rechtbank overweegt dat het niet aan de bestuursrechter is de betrokken belangen zelf af te wegen of zijn oordeel in de plaats te stellen van het oordeel van verweerder. De rechter dient zich bij de beoordeling van de belangenafweging in een geval als het onderhavige terughoudend op te stellen en slechts te toetsen of het besluit strijdig is met wettelijke voorschriften, dan wel sprake is van een zodanige onevenwichtigheid in de afweging van de betrokken belangen, dat verweerder niet in redelijkheid tot dat besluit heeft kunnen komen.

15.1

Hoewel de rechtbank niet uitsluit dat het intensievere gebruik van (een deel van) het bedrijventerrein door de extra verkeersbewegingen die het zandtransport met zich meebrengt voor eisers enige hinder tot gevolg zal hebben, is de rechtbank van oordeel dat dit inherent is aan het vestigen van een bedrijf op een bedrijventerrein. Op een bedrijventerrein zullen immers altijd veel verkeersbewegingen plaatsvinden, welke verkeersbewegingen in dit geval bovendien planologisch zijn toegestaan. Dat deze verkeersbewegingen tot een voor eisers onaanvaardbare hinder zal leiden, is de rechtbank dan ook niet gebleken. Overigens is de omgevingsvergunning slechts voor de duur van een jaar verleend, waarna een nieuwe omgevingsvergunning zal moeten worden verleend. Eventueel ondervonden hinder zal daarbij in de belangenafweging betrokken kunnen worden.

Mede gelet op het belang van vergunninghouder bij de start van de werkzaamheden, dit met het oog op de voorziene woningbouw in de Bloemendalerpolder, heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank dan ook in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de hier bedoelde belangen van eisers door het realiseren van de tijdelijke losvoorziening niet onevenredig zullen worden geschaad.

16. Gelet op wat hiervoor is overwogen, ziet de rechtbank aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand te laten. De rechtbank ziet, gelet op de gebrekkige motivering van het bestreden besluit, aanleiding om verweerder te veroordelen tot vergoeding van de kosten van eisers. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 992,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter nadere zitting) met een waarde per punt van € 496,-. Tevens zal verweerder het door eisers betaalde griffierecht moeten vergoeden.

Beslissing

De rechtbank,

- verklaart het beroep gegrond,

- vernietigt het bestreden besluit,

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven,

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 334,- aan eisers te vergoeden,

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 992,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Sneevliet, voorzitter, en mr. R.C. Stijnen en

mr. M.E.A. Braeken, leden, in aanwezigheid van W.B. Lakeman, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 mei 2016.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.