Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2016:2730

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
20-05-2016
Datum publicatie
20-05-2016
Zaaknummer
16/994032-13 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Mega-onderzoek Mount Nepal. Verdachten waren medewerkers van SNSPF en hebben onderling betalingsafspraken gemaakt, waarbij een deel van de uurvergoeding van SNSPF werd doorbetaald aan andere SNSPF-medewerkers. Daarbij werden valse facturen opgemaakt.

Vrijspraak oplichting. Verdachte was zelf geen medewerker van SNSPF, maar wordt veroordeeld voor medeplegen van niet-ambtelijke omkoping. Daarnaast een bewezenverklaring voor valsheid in geschrift, gewoontewitwassen en deelneming aan een criminele organisatie. Gevangenisstraf van 3 maanden voorwaardelijk en een taakstraf van 240 uur.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Utrecht

Parketnummer: 16/994032-13 (P)

Vonnis van de meervoudige strafkamer van 20 mei 2016

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1957] ,

ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres

[adres] , [woonplaats] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 30 november 2015 (regie), 22, 24 (inhoudelijke behandeling) en 29 maart 2016 (requisitoir), 5 april 2016 (pleidooi, repliek, dupliek en laatste woord verdachte) en 9 mei 2016 (sluiting onderzoek).

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie en van wat verdachte (hierna ook te noemen: [verdachte] ) en de advocaat, mr. L.S. Wachters, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

De tenlastelegging is op de zitting van 22 maart 2016 gewijzigd.

De tenlastelegging zoals gewijzigd is aan dit vonnis gehecht (Bijlage I).

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte -al dan niet samen met anderen- SNS Property Finance BV / SNS Reaal NV heeft opgelicht (feit 1), zich samen met een ander -werkzaam zijnde bij SNS- meermalen heeft laten omkopen (feit 2) en anderen werkzaam zijnde bij SNS heeft omgekocht (feit 3), valse facturen voorhanden heeft gehad (feit 4), zich schuldig heeft gemaakt aan gewoontewitwassen (feit 5) en heeft deelgenomen aan een criminele organisatie (feit 6).

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en het Openbaar Ministerie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officieren van justitie hebben gevorderd alle ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen te verklaren.

De officieren van justitie hebben een aantal uitdrukkelijk onderbouwde standpunten naar voren gebracht, die zullen worden besproken bij de bewijsoverwegingen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft integrale vrijspraak bepleit.

De raadsvrouw heeft een aantal verweren gevoerd, die zullen worden besproken bij de bewijsoverwegingen.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

Bewijsmiddelen1

Niet-ambtelijke omkoping, valsheid in geschrift, gewoontewitwassen en criminele organisatie

[medeverdachte 1]
[medeverdachte 1] is sinds 2005 enig aandeelhouder2 en bestuurder3 van [bedrijf 1] BV, welke vennootschap enig aandeelhoudster en bestuurster is van [bedrijf 2] BV4, beide gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna respectievelijk: [bedrijf 1] en [bedrijf 2] ).

[bedrijf 3] NV (hierna: [bedrijf 3] ) is op verzoek van [medeverdachte 1] opgericht eind 2010/begin 2011. [bedrijf 3] is gevestigd te Curaçao5 en [medeverdachte 1] is gemachtigd tot de bankrekeningen van [bedrijf 3] .6

[medeverdachte 1] is vanaf maart 2010 werkzaam geweest bij SNSPF en op interim basis belast met het aansturen van nationale en internationale equity participaties van SNSPF alsmede het behandelen van andere door de Directie van SNSPF te bepalen dossiers, hetgeen met zich mee kan brengen dat (tijdelijk) een functie als bestuurder of commissaris dient te worden vervuld.7 [medeverdachte 1] noemt zichzelf interim-manager.8

Introductie en afspraken externen
Nadat hij [medeverdachte 1] had aangenomen is [medeverdachte 2] aangenomen bij SNS via [medeverdachte 1] , aldus [medeverdachte 3] .9 Vervolgens zijn toen nog een aantal mensen aangebracht waaronder [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] , [medewerker 1] , [medewerker 2] en [medewerker 3] . [medeverdachte 1] heeft met deze mensen gesprekken gevoerd.10 [medeverdachte 2] werd als eerste medio 2010 aangenomen.11 [verdachte] heeft verklaard dat een aantal van deze mensen via hem bij SNSPF is gaan werken.12

In het bij [medeverdachte 1] aangetroffen excelbestand genaamd “detachering”13 zijn werkbladen opgenomen met de namen: [medeverdachte 2] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] , [medewerker 2] , [medewerker 1] , [medewerker 3] en [medeverdachte 6] . Dit zijn voornamen van medewerkers van SNSPF (de rechtbank begrijpt respectievelijk: [medeverdachte 2] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] , [medewerker 2] , [medewerker 1] , [medewerker 3] en [medeverdachte 6] ). Over de periode augustus 2010 tot en met december 2012 is per persoon vermeld:

- hoeveel uur de medewerker bij SNSPF heeft gewerkt;

- hoeveel vergoeding deze medewerker bij SNSPF heeft gedeclareerd;

- hoeveel [medeverdachte 1] bij deze medewerker declareerde en

- hoe deze declaratie verdeeld werd tussen: [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] , [verdachte] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] .14

Volgens [medeverdachte 1] betreft dit zijn administratie van deze groep; hij hield dit overzicht maandelijks bij.15 De bedragen die op dit spreadsheet staan, komen overeen met de afspraken die hij met de betreffende mensen heeft gemaakt.16 Als mensen anderen aanbrachten kregen zij een deel van die fee.17 [medeverdachte 1] heeft [medeverdachte 3] verteld over deze afspraken en het betalen van de bemiddelingsfees. [medeverdachte 3] wist dat een gedeelte van hun uurtarief naar [medeverdachte 1] ging.18 [medeverdachte 1] heeft [medeverdachte 3] hierover ingelicht enkele maanden nadat de eerste van die groep, [medeverdachte 2] , was aangenomen.19

[medeverdachte 3] heeft verklaard dat hij in het vierde kwartaal van 2010 wist dat [medeverdachte 1] afspraken had gemaakt met andere externen en betalingen van hen ontving.20 Ook vond er een aantal verrekeningen plaats met andere mensen, waaronder [verdachte] .21

[medeverdachte 2] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] maakten gebruik van -onder meer- de volgende vennootschappen: respectievelijk [bedrijf 4] BV22, [bedrijf 5] BV23 en [bedrijf 6] BV (hierna: [bedrijf 6] )24. [medeverdachte 3] is sinds de oprichting in 2006 enig aandeelhouder van [bedrijf 7] BV welke vennootschap enig aandeelhoudster is van [bedrijf 8] BV.25

[verdachte]
[bedrijf 9] (hierna: [bedrijf 9] ) is het bedrijf van de dochter van [verdachte] , waarvan hij feitelijk leidinggevende en algemeen tekenbevoegd is.26 [bedrijf 9] is gevestigd te [vestigingsplaats] , Tsjechië.27

[verdachte] heeft verklaard dat een aantal mensen via hem bij SNSPF is gaan werken.28 Toen [medeverdachte 1] hem vroeg of hij nog mensen kende, heeft [verdachte] [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] aanbevolen. [medeverdachte 1] zei dat hij bij de inbreng van deze mensen wilde verdienen en zei dat [verdachte] er ook aan kon verdienen. Via [medeverdachte 4] heeft [verdachte] cv’s doorgestuurd van [medewerker 1] en [medewerker 2] . Ook [medeverdachte 6] heeft hij aanbevolen. [verdachte] stuurde de cv’s door naar [medeverdachte 1] voor een introductie bij SNSPF.29 [verdachte] kreeg een vergoeding voor het aanbrengen van deze externen, een bedrag per door de jongens gewerkt uur. Bij [medeverdachte 5] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 6] was dat € 25,- per uur, bij [medewerker 1] en [medewerker 2] was dat bedrag wat lager.30 De betalingen liepen via [medeverdachte 1] .31 De verdeling van de betaling van [medewerker 1] en [medewerker 2] met [medeverdachte 4] heeft hij besproken met [medeverdachte 1] . [verdachte] heeft niet met [medeverdachte 1] besproken of SNS van de afspraken wist.32

[medeverdachte 1] heeft verklaard dat er personen door bemiddeling van [verdachte] bij SNSPF zijn gekomen. Met deze personen is door [verdachte] een bemiddelingsfee afgesproken, die verdeeld werd onder hem, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] .33 [medeverdachte 1] heeft met [verdachte] afspraken gemaakt over het aanbrengen van mensen. [verdachte] zou een deel van het tarief krijgen dat de aangenomen mensen zouden betalen.34 [medeverdachte 1] gaf aan [verdachte] door wat gefactureerd kon worden. [verdachte] stuurde dan een factuur vanuit [bedrijf 9] in Tsjechië naar [bedrijf 2] of [bedrijf 1] .35 [verdachte] kreeg een deel van de bemiddelingsfee van [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] , [medewerker 1] , [medewerker 2] , en [medeverdachte 6] .36 [medeverdachte 1] heeft hierover, buiten [medeverdachte 3] , niemand binnen SNSPF ingelicht.37

Voor het ontvangen van de betalingen maakte [verdachte] maandelijks een factuur op op naam van [bedrijf 9] . [medeverdachte 1] gaf aan hem door hoeveel hij kon factureren. De factuur verzond [verdachte] naar [medeverdachte 1] . [verdachte] heeft alle facturen zelf opgemaakt vanuit huis (de rechtbank begrijpt: te [vestigingsplaats] ). De omschrijving op de facturen heeft hij zelf bedacht. Fysiek heeft hij geen werkzaamheden verricht voor [bedrijf 1] . Hij heeft het format van de facturen aangepast zodat deze opgenomen konden worden in de administratie van [bedrijf 9] .38 De gefactureerde bedragen heeft hij ontvangen, deels op de rekening van [bedrijf 9] en deels op zijn eigen rekening.39

In de periode van 3 december 2010 tot en met 9 februari 2013 is door [bedrijf 9] een totaalbedrag van € 324.927,15 (exclusief btw) gefactureerd aan [bedrijf 1] en [bedrijf 2] . Deze facturen zijn in de periode van 22 november 2010 tot en met 8 februari 2013 voldaan, te weten een bedrag van € 187.429,64 door [bedrijf 1] en een bedrag van € 137.497,51 door [bedrijf 2] .40

[medeverdachte 6]
[medeverdachte 6] verklaart dat hij in april 2011 is benaderd door [medeverdachte 1] om voor SNSPF aan de slag te gaan. [medeverdachte 6] heeft vervolgens een kennismakingsgesprek met [medeverdachte 1] gehad bij [medeverdachte 1] thuis. Na dit gesprek heeft [medeverdachte 1] [medeverdachte 6] in contact gebracht met SNSPF en het cv van [medeverdachte 6] voorgelegd aan [medeverdachte 3] . Vervolgens is er een afspraak gemaakt met [medeverdachte 3] .41 [medeverdachte 6] had van [medewerker 3] begrepen dat er sprake was van een bemiddelingsfee en dat [medewerker 3] 30 procent van zijn uurtarief afstond aan [medeverdachte 1] .42 Ook aan [medeverdachte 6] vroeg [medeverdachte 1] een bemiddelingsfee. Dat was omdat hij externen bij SNSPF aanbracht. [medeverdachte 6] verklaart dat hij zonder [medeverdachte 1] niet met SNSPF in contact zou zijn gekomen. [medeverdachte 6] kreeg per maand één factuur van [medeverdachte 1] . Daarop stond het aantal uren maal € 70,-. Op de facturen stond als omschrijving: adviesdiensten. Achteraf gezien zou het volgens [medeverdachte 6] beter zijn geweest als daarop bemiddelingsfee had gestaan. De prestatie zag namelijk op de bemiddeling van [medeverdachte 1] tussen [medeverdachte 6] en SNSPF.43 [medeverdachte 6] verklaart dat hij zijn opdrachtgever niet op de hoogte heeft gesteld van deze afdracht.44

[medeverdachte 1] verklaart dat hij SNSPF niet op de hoogte heeft gebracht van de afspraak die hij had met [medeverdachte 6] .45 Alleen [verdachte] en [medeverdachte 3] waren op de hoogte van deze afspraak.46

Door [bedrijf 1] en [bedrijf 2] is in totaal een bedrag van € 184.940,- (exclusief btw) gefactureerd aan de vennootschap van [medeverdachte 6] : [bedrijf 10] BV. Deze facturen zijn in de periode van 1 juli 2011 tot en met 3 december 2012 door [bedrijf 10] BV voldaan.47

Uit het excelbestand dat bij [medeverdachte 1] is aangetroffen, blijkt dat de € 70,- die door [medeverdachte 6] aan de vennootschappen van [medeverdachte 1] werd betaald, als volgt werd verdeeld:

- [medeverdachte 1] : € 23,50;

- [medeverdachte 3] : € 23,25;

- [verdachte] : € 23,25.48

[medeverdachte 4]
De werkzaamheden van [medeverdachte 4] voor SNSPF vloeien voort uit een overeenkomst van opdracht die door SNSPF met de vennootschap van [medeverdachte 4] ,49 in het contract aangeduid als [bedrijf 5] BV i.o., is gesloten op 11 september 2010. Op 16 oktober 2011 is een aanvullende overeenkomst gesloten tussen SNSPF en [bedrijf 5] voor de duur van 16 maanden, ingaande op 1 september 2011. De werkzaamheden bestaan volgens de overeenkomst uit het management van de nationale en internationale equity posities van SNSPF en alle daaruit voortvloeiende werkzaamheden.50

[medeverdachte 4] verklaart dat hij in augustus 2010 via [verdachte] in contact kwam met [medeverdachte 1] .51 [verdachte] vroeg hem of hij wilde werken voor een financiële instelling. [medeverdachte 4] heeft daarop zijn cv naar [medeverdachte 1] gestuurd.52 Vervolgens heeft [verdachte] meer dan een goed woordje voor [medeverdachte 4] gedaan bij [medeverdachte 1] .53 Daarna heeft een gesprek plaatsgevonden met [medeverdachte 3] .54 In een gesprek met [verdachte] zijn [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] een fee overeengekomen van € 75,- per gewerkt uur. Op verzoek van [verdachte] is de betaling van de fee door een aan [medeverdachte 1] gelieerde vennootschap gefactureerd en is aan die vennootschap ook betaald.55

[medeverdachte 1] verklaart dat hij binnen SNSPF, behalve aan [medeverdachte 3] , niemand iets heeft verteld over de betalingen die [medeverdachte 4] aan hem deed.56 Verder verklaart [medeverdachte 1] dat hij binnen het project Hamburg de functioneel leidinggevende was van [medeverdachte 4] .57

Door [bedrijf 1] en [bedrijf 2] is in totaal een bedrag van € 276.787,25 (exclusief btw) gefactureerd aan de vennootschap van [medeverdachte 4] : [bedrijf 5] BV. Deze facturen zijn in de periode van 11 november 2010 tot en met 26 januari 2013 door [bedrijf 5] BV voldaan.58

Uit het excelbestand dat bij [medeverdachte 1] is aangetroffen, blijkt dat de € 75,- die door [medeverdachte 4] aan de vennootschappen van [medeverdachte 1] werd betaald, als volgt werd verdeeld:

- [medeverdachte 1] : € 25,-;

- [medeverdachte 3] : € 25,-;

- [verdachte] : € 25,-.59

[medeverdachte 4] verklaart dat via hem [medewerker 1] en [medewerker 2] zijn komen werken bij SNSPF. In een gesprek met [verdachte] -waar ook [medeverdachte 5] bij aanwezig was- heeft [medeverdachte 4] aangegeven dat hij het wel redelijk zou vinden dat zij voor het aanbrengen van deze medewerkers een correctie op hun te betalen fee zouden ontvangen. Ongeveer een week erna kwam [verdachte] hierop terug en stelde voor dat zij € 7,50 per persoon per medewerker zouden krijgen. [medeverdachte 4] heeft hiervoor correctiefacturen gestuurd aan [medeverdachte 1] met daarop dezelfde omschrijving als de facturen die hij van [medeverdachte 1] ontving: adviesdiensten. [medeverdachte 4] betaalde steeds het netto verschuldigde bedrag aan de vennootschap van [medeverdachte 1] .60 Er is door [medeverdachte 4] geen melding gedaan bij zijn opdrachtgever SNS van het feit dat hij deze beloning ontving.61

Door [bedrijf 5] BV is een bedrag van in totaal € 45.900,16 (exclusief btw) gefactureerd aan [bedrijf 1] en [bedrijf 2] .62 Daarvan is alleen de eerste factuur van € 798,75 (exclusief btw) door [bedrijf 1] op 29 november 2010 betaald.63 De overige factuurbedragen zijn in de periode van 30 december 2010 tot en met 26 januari 2013 verrekend met de bedragen die [medeverdachte 1] aan [medeverdachte 4] in rekening bracht.64

[medeverdachte 5]
[medeverdachte 5] verklaart dat hij in augustus 2010 via [verdachte] in contact is gekomen met [medeverdachte 1] .65 [medeverdachte 1] heeft [medeverdachte 5] gebeld en aan hem meegedeeld om welke functie bij SNSPF het zou gaan en heeft hem gevraagd zijn cv te sturen. [medeverdachte 5] heeft vervolgens zijn cv aan [medeverdachte 1] gemaild. Daarna heeft [medeverdachte 5] een gesprek gehad met [medeverdachte 3] . Met [verdachte] maakte [medeverdachte 5] de afspraak dat hij 30 procent (€ 75,-) per gewerkt uur zou afdragen aan [verdachte] . Op verzoek van [verdachte] werden de betalingen van deze afdracht gedaan via [medeverdachte 1] .66

De omschrijving op de facturen, die aan [medeverdachte 5] gericht waren, had volgens [medeverdachte 1] anders moeten zijn, namelijk bemiddelingsfee.67 [medeverdachte 1] verklaart dat hij binnen SNSPF, behalve aan [medeverdachte 3] , niemand iets heeft verteld over de betalingen die [medeverdachte 4] aan hem deed.68 Over [medeverdachte 5] verklaart [medeverdachte 1] gelijkluidend.69

Door [bedrijf 1] en [bedrijf 2] is in totaal een bedrag van € 289.908,75 (exclusief btw) gefactureerd aan de vennootschap van [medeverdachte 5] : [bedrijf 11] BV. Deze facturen zijn in de periode van 12 november 2010 tot en met 27 januari 2013 door [bedrijf 11] BV voldaan.70

Uit het excelbestand dat bij [medeverdachte 1] is aangetroffen, blijkt dat de € 75,- die door [medeverdachte 5] aan de vennootschappen van [medeverdachte 1] werd betaald, als volgt werd verdeeld:

- [medeverdachte 1] : € 25,-;

- [medeverdachte 3] : € 25,-;

- [verdachte] : € 25,-.71

[medeverdachte 5] verklaart dat [medeverdachte 4] op enig moment mensen heeft aangebracht bij [medeverdachte 1] . In een gesprek met [verdachte] heeft [medeverdachte 4] onderhandeld en een korting gekregen van € 15,- per door [medewerker 1] en [medewerker 2] gewerkt uur. Deze korting heeft [medeverdachte 4] met [medeverdachte 5] gedeeld.72 De facturering van deze fee deed [medeverdachte 5] via [bedrijf 6]73 [medeverdachte 5] wist hoeveel er gefactureerd moest worden, omdat [medeverdachte 1] de uren van [medewerker 1] en [medewerker 2] aan hem doorstuurde.74

Door [bedrijf 6] is een bedrag van in totaal € 40.378,16 (exclusief btw) gefactureerd aan [bedrijf 1] en [bedrijf 2] . Deze facturen zijn in de periode van 3 december 2010 tot en met 16 december 2012 voldaan.75

[medewerker 1] en [medewerker 2]

[medewerker 2] verklaart dat hij via [medeverdachte 4] in contact is gekomen met [medeverdachte 1] . Als zij (de rechtbank begrijpt: [medewerker 2] en [medewerker 1] ) aangenomen zouden worden bij SNSPF, dan wilde [medeverdachte 1] daarvoor een vergoeding van 30 procent van hun uurloon. Uiteindelijk stelde [medewerker 2] facturen op voor SNSPF van de gewerkte uren van [medewerker 2] en [medewerker 1] . Op basis van die gewerkte uren, ontvingen zij van [medeverdachte 1] een factuur waarop hij 30 procent in rekening bracht. De facturen van [medeverdachte 1] waren afkomstig van [bedrijf 1] .76 [medeverdachte 1] gaf aan dat hij liever niet wilde dat deze afspraak bekend werd.77 Er zijn volgens [medewerker 2] door [medeverdachte 1] geen andere diensten of adviezen gegeven door [medeverdachte 1] . Alle facturen die hij stuurde hadden betrekking op de introductie bij SNS.78

[medewerker 1] verklaart dat hij via [medewerker 2] in contact is gekomen met [medeverdachte 1] .79 Er hebben niet daadwerkelijk adviesdiensten plaatsgevonden, [medeverdachte 1] heeft alleen de introductie van [medewerker 1] en [medewerker 2] bij SNSPF verricht.80

[medeverdachte 1] verklaart dat SNSPF niet op de hoogte was van de vergoeding die hij ontving van [medewerker 2] en [medewerker 1] . [medeverdachte 1] heeft alleen [medeverdachte 3] verteld dat hij deze vergoeding ontving. Daarnaast waren [verdachte] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 4] op de hoogte van de afspraak tussen [medeverdachte 1] en [medewerker 2] en [medewerker 1] .81

Door [bedrijf 1] en [bedrijf 2] is gefactureerd aan de vennootschap van [medewerker 1] en [medewerker 2] : [bedrijf 12] BV. De facturen voor [medewerker 2] van in totaal een bedrag van € 175.987,50 (exclusief btw) zijn in de periode van 29 november 2010 tot en met 30 januari 2013 voldaan.82 De facturen voor [medewerker 1] van in totaal een bedrag van € 282.862,50 (exclusief btw) zijn in de periode van 3 december 2010 tot en met 30 januari 2013 voldaan.83

Uit het excelbestand dat bij [medeverdachte 1] is aangetroffen, blijkt dat de € 75,- die door zowel [medewerker 1] als door [medewerker 2] aan de vennootschappen van [medeverdachte 1] werd betaald, als volgt werd verdeeld:

- [medeverdachte 1] : € 20,-;

- [medeverdachte 3] : € 20,-;

- [verdachte] : € 20,-;

- [medeverdachte 4] : € 7,50;

- [medeverdachte 5] : € 7,50.84

De hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden worden slechts gebezigd tot het bewijs van dat ten laste gelegde feit waarop deze blijkens de inhoud kennelijk betrekking hebben.

4.3.2

Korte samenvatting feiten en omstandigheden
Voor de leesbaarheid van dit vonnis volgt hier een korte samenvatting van de opgesomde bewijsmiddelen.

[medeverdachte 1] en [verdachte] hebben verschillende personen benaderd om werkzaamheden te gaan verrichten voor SNSPF. Na een sollicitatiegesprek met [medeverdachte 3] is een overeenkomst van opdracht gesloten tussen de vennootschappen van deze personen en SNSPF. Op enig moment is de afspraak gemaakt om een deel van het uurtarief dat deze personen ontvingen af te dragen aan de personen die hen hadden aangebracht bij SNSPF. [medeverdachte 1] heeft alle gelden geïnd en verdeeld. Door [medeverdachte 1] en [verdachte] zijn facturen gestuurd ter verkrijging van deze afdrachten. De omschrijving op de facturen had als strekking: advieswerkzaamheden. [medeverdachte 4] , die een deel van zijn tarief afdroeg, heeft ook zelf [medewerker 1] en [medewerker 2] aangebracht bij SNSPF. Hiervoor hebben hij en [medeverdachte 5] ook een vergoeding ontvangen.

De rechtbank zal in de volgende paragrafen uitwerken of vorenstaande bewijsmiddelen tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde strafbare feiten dienen te leiden.

4.3.3

Vrijspraak van oplichting en verduistering

Oplichting van SNS(PF)

Het Openbaar Ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachten tezamen en in vereniging SNSPF en/of SNS Reaal N.V. (hierna: SNS) hebben bewogen tot afgifte van (aanvullende) overeenkomsten van opdracht en geldbedragen, namelijk de daarin opgenomen te hoge uurtarieven, door middel van de in de tenlastelegging opgenomen oplichtingshandelingen. Een deel van de uurtarieven is vervolgens gebruikt voor de onderlinge betalingen, die voor SNS(PF) werden verzwegen. Indien de oplichtingsmiddelen niet tegenover SNS(PF) waren aangewend, was zij niet overgegaan tot afgifte van deze geldbedragen en/of het sluiten van deze overeenkomsten.

De rechtbank overweegt hierover als volgt.

Oplichting is het door het gebruikmaken van een (oplichtings-)middel een ander bewegen tot bepaalde gedragingen, waaronder de afgifte van een goed en het aangaan van een schuld. Degene die zich aan oplichting schuldig maakt, handelt met het oogmerk om zichzelf of een ander wederrechtelijk te bevoordelen en bedient zich daartoe ten minste van één van de oplichtingsmiddelen als genoemd in artikel 326, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) dan wel een combinatie daarvan. Tussen het aanwenden van (één van) genoemde oplichtingsmiddelen en één van voormelde gedragingen waartoe de bedrogene wordt bewogen, dient een causaal verband te bestaan.

De gestelde oplichtingshandelingen zijn uitgewerkt in de tenlastelegging.

De rechtbank zal de dagvaarding partieel nietig verklaren ten aanzien van de eerste oplichtingshandeling, inhoudend dat verdachten aan SNS(PF) zouden hebben voorgehouden en/of in strijd met de werkelijkheid de indruk gewekt zouden hebben (enkel) de belangen van SNS(PF) te zullen behartigen, nu dit verwijt te algemeen en onbepaald is omschreven. Anders dan in de Icare-zaak (ECLI:NL:GHARL:2012:CA1943) is nagelaten nader te concretiseren ten aanzien van welke rechtshandeling(en) deze belangenbehartiging in de ten laste gelegde periode zou zijn voorgewend. Zonder die concretisering is het geformuleerde verwijt te ruim en te vaag. Deze oplichtingshandeling is dan ook onvoldoende feitelijk omschreven en de dagvaarding is op dit punt partieel nietig.

De tweede, derde en vierde oplichtingshandeling inhoudende -kort gezegd- het verzwijgen van het feit dat betalingen zijn overeengekomen, het verzwijgen van die betalingen zelf en het verzwijgen van de verrekening daarvan acht de rechtbank bewezen. Overwegingen hierover zijn hieronder nader uitgewerkt bij de bespreking van de niet-ambtelijke omkoping.

De overige drie ten laste gelegde oplichtingshandelingen acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen en zij overweegt daartoe als volgt.

Het verwijt met betrekking tot de benchmark houdt in dat deze ondeugdelijk was en dat deze is gebruikt voor het verkrijgen van (niet marktconforme, te hoge) tarieven. Allereerst kan aan de hand van het dossier niet worden vastgesteld dat de gehanteerde tarieven hoger waren dan marktconform. Daarbij is van belang dat verschillende andere medewerkers van SNSPF met een vergelijkbare functie, die niet als verdachten zijn aangemerkt, vergelijkbare uurtarieven hadden.

Bovendien kan op basis van het dossier niet worden vastgesteld op welk moment de directie van SNS(PF) bekend is geworden met het benchmarkonderzoek. In het najaar van 2010 heeft Group Audit een rapport uitgebracht waarin zij concludeert dat het benchmarkonderzoek zodanige gebreken vertoont dat het niet kan dienen als onderbouwing voor de gehanteerde tarieven. Nadat de directie van SNS(PF) met dit rapport bekend is geworden, zijn er echter geen maatregelen genomen om de tarieven naar beneden bij te stellen.

Daarnaast blijkt uit het dossier niet dat het benchmarkonderzoek is “overgelegd of ingebracht” ter “onderbouwing of rechtvaardiging” van de gehanteerde tarieven. Niet kan worden vastgesteld dat het benchmarkonderzoek vóór het onderzoek van Group Audit aan de directie van SNS(PF) is overgelegd ter onderbouwing van de nieuwe tarieven.

Met betrekking tot de zesde oplichtingshandeling ziet de rechtbank niet in hoe in dit geval sprake kan zijn van detachering of enige vorm hiervan. De relatie tussen de verdachten kan niet worden geduid als “een vorm van detachering”. Geen sprake is van een driepartijen-overeenkomst tussen SNSPF, verdachte en (één van) de medeverdachten. Anders dan in een detacheringsverhouding verrichtten de verdachten zelfstandig werkzaamheden voor SNSPF.

Ook heeft de rechtbank niet kunnen constateren dat verdachte en/of de medeverdachten hebben voorgewend dat de overeengekomen uurtarieven noodzakelijk waren voor het werven/behouden van die betrokkenen (de zevende oplichtingshandeling). Daarbij komt dat [A] en [B] , toenmalige directieleden, verklaren dat destijds opdracht is gegeven tot het binden van externen. Een tariefsverhoging werd volgens hen begrijpelijk en kennelijk aanvaardbaar geacht. Dat de noodzaak hiervan voorgewend moest worden, kan dus niet worden vastgesteld.

Concluderend acht de rechtbank drie oplichtingshandelingen, te weten het verzwijgen van het feit dat betalingen zijn overeengekomen, het verzwijgen van die betalingen zelf en het verzwijgen van de verrekening daarvan, bewezen.

Voor een bewezenverklaring van oplichting zoals bedoeld in artikel 326 Sr dient een causaal verband te bestaan tussen de oplichtingshandelingen (indien aan te merken als een oplichtingsmiddel) en één van de gedragingen waartoe de opgelichte wordt bewogen. Deze moet door de inwerking van die handelingen gebracht worden tot hetgeen hij doet.

De rechtbank is van oordeel dat er -voor zover de bewezenverklaarde verzwijgingen al gekwalificeerd kunnen worden als een oplichtingsmiddel- onvoldoende bewijs is dat SNS(PF) hierdoor is bewogen tot het aangaan van de overeenkomsten van opdracht en de afgifte van de geldbedragen. Hierbij wordt ook in aanmerking genomen dat sprake is van een professionele organisatie, waarvan mag worden verwacht dat zij de nodige zorgvuldigheid betracht. De werkzaamheden van de verdachten werden positief beoordeeld en de uurtarieven werden breed gehanteerd. Niet is gebleken dat de gehanteerde uurtarieven niet marktconform waren en/of kunstmatig zijn verhoogd. SNS(PF) was kennelijk bereid deze tarieven te betalen. Zelfs nadat het rapport van Group Audit bekend is geworden heeft dit niet tot aanpassingen geleid.

De rechtbank acht dan ook niet wettig en overtuigend bewezen dat SNS(PF) deze tarieven heeft betaald en deze (aanvullende) overeenkomsten is aangegaan dóórdat betalingsafspraken en de voldoening hiervan zijn verzwegen en zal verdachte daarom vrijspreken van de ten laste gelegde oplichting.

Verduistering


Voor bewezenverklaring van verduistering is vereist dat bewezen kan worden dat verdachte (samen met de medeverdachten) zich de genoemde geldbedragen wederrechtelijk heeft toegeëigend. Gelet op het voorgaande is niet bewezen dat SNS(PF) door middel van oplichting is bewogen tot het betalen van (te hoge) tarieven en het aangaan van overeenkomsten van opdracht. De uitbetaling van uurtarieven is conform de onderliggende overeenkomsten van opdracht gebeurd. Er is dan ook geen sprake van wederrechtelijke toe-eigening van (een deel van) de overeengekomen vergoeding voor geleverde werkzaamheden nu niet kan worden bewezen dat betrokkenen hier geen recht op hadden.

De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van de ten laste gelegde verduistering.

Conclusie

Uit het voorgaande volgt dat verdachte wordt vrijgesproken van het onder 1 (primair en subsidiair) ten laste gelegde.

Ook volgt uit het vorenstaande dat niet kan worden vastgesteld dat SNS(PF) door de ten laste gelegde handelingen en toedoen van verdachten direct financieel nadeel heeft geleden. Dat de bank wel is geschaad op het gebied van vertrouwen en integriteit en dat sprake is geweest van (een risico op) belangenverstrengeling wordt nader uitgewerkt onder 4.3.4.

4.3.4

Bewijsoverwegingen

Algemeen

Vervolging rechtspersonen en/of natuurlijke personen

De rechtbank overweegt allereerst dat de vervolging of het daderschap van een rechtspersoon de vervolging of het daderschap van natuurlijke personen niet uitsluit. Het staat het Openbaar Ministerie in beginsel vrij te beslissen of de rechtspersoon en/of de natuurlijke persoon op grond van het eigen daderschap wordt vervolgd (HR 21-10-1986, NJ 1987, 362 en ECLI:NL:PHR:2007:BA7261). De stelling dat het daderschap van een rechtspersoon daderschap van een natuurlijk persoon uitsluit, vindt in zijn algemeenheid geen steun in het recht.

Toerekening aan rechtspersonen

Daarnaast is voor de onderstaande overwegingen van belang dat een rechtspersoon (in de zin van artikel 51 Sr) kan worden aangemerkt als dader van een strafbaar feit indien de betreffende gedraging redelijkerwijs aan hem kan worden toegerekend. Een belangrijk oriëntatiepunt bij de toerekening is of de gedraging heeft plaatsgevonden dan wel is verricht in de sfeer van de rechtspersoon (ECLI:NL:HR:2003:AF7938).

Passieve niet-ambtelijke omkoping

Aan [verdachte] is ten laste gelegd dat [medeverdachte 1] zich niet-ambtelijk heeft laten omkopen door [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 6] , [medewerker 1] en [medewerker 2] en dat [verdachte] dit feit met hem heeft medegepleegd (feit 2).


Het eerste lid van artikel 328ter Sr luidde ten tijde van de ten laste gelegde periode als volgt:

“Hij die, anders dan als ambtenaar, werkzaam zijnde in dienstbetrekking of optredend als lasthebber, naar aanleiding van hetgeen hij in zijn betrekking of bij de uitvoering van zijn last heeft gedaan of nagelaten dan wel zal doen of nalaten, een gift, belofte of dienst aanneemt dan wel vraagt, en dit aannemen of vragen in strijd met de goede trouw verzwijgt tegenover zijn werkgever of lastgever, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vijfde categorie.”


De rechtbank zal hieronder de verschillende onderdelen van dit artikel beoordelen.

Medeplegen
De verdediging heeft bepleit dat [verdachte] moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde medeplegen. Daarmee valt [verdachte] niet onder de reikwijdte van artikel 328ter Sr, omdat hij niet als lasthebber van SNSPF kan worden aangemerkt.

[verdachte] heeft [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 6] , [medewerker 1] en [medewerker 2] in contact gebracht met [medeverdachte 1] om uiteindelijk werkzaamheden te gaan verrichten voor SNSPF. [medeverdachte 1] heeft daarbij aan [verdachte] meegedeeld dat hij aan het aanbrengen van deze personen wilde verdienen en dat [verdachte] er ook aan kon verdienen. [verdachte] was op de hoogte van het feit dat de afdracht van deze personen plaatsvond op basis van de uren die zij werkten. [medeverdachte 1] en [verdachte] hebben samen afgesproken welk deel van de afdracht ieder van hen zou ontvangen. Daarnaast hebben zij de afspraak gemaakt dat [medeverdachte 1] aan de hiervoor genoemde personen zou factureren en dat [verdachte] op zijn beurt zijn deel van de afdracht zou factureren aan [medeverdachte 1] . Uit al deze omstandigheden blijkt dat sprake is van een gezamenlijke uitvoering en een nauwe en bewuste samenwerking tussen [verdachte] en [medeverdachte 1] . De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] de ten laste gelegde gedragingen heeft medegepleegd.

Lasthebber
De verdediging heeft betoogd dat zowel [verdachte] als [medeverdachte 1] niet in dienstbetrekking waren bij SNSPF en ook niet als lasthebber kunnen worden aangemerkt. Ook kunnen de overeenkomsten van opdracht die door [medeverdachte 1] met SNSPF zijn gesloten -civielrechtelijk- niet als overeenkomsten van lastgeving worden aangemerkt.

De rechtbank merkt allereerst op dat artikel 328ter Sr een zogenoemd kwaliteitsdelict betreft: slechts degene die in dienstbetrekking werkzaam is of optreedt als lasthebber valt onder de reikwijdte van dit artikel. Uit vaste jurisprudentie volgt echter dat ook de medepleger die deze kwaliteit mist een kwaliteitsdelict kan plegen wanneer zijn mededader wel over deze kwaliteit beschikt (ECLI:NL:HR:2006:AU9096). Hoewel [verdachte] niet werkzaam was bij SNSPF, kan hij dus als medepleger van [medeverdachte 1] wel onder de reikwijdte van dit artikel vallen.

De rechtbank overweegt met betrekking tot het begrip lasthebber als volgt. Voor de interpretatie van begrippen in het Wetboek van Strafrecht hoeft niet altijd aansluiting te worden gezocht bij de definities uit het civiele recht. Aan begrippen die in het strafrecht voorkomen, dient juist zoveel mogelijk een autonome betekenis te worden gegeven die tegemoet komt aan de strekking van het betreffende strafbare feit. Daarbij is van belang dat de wetgever het beschermd belang van deze bepaling niet uitsluitend heeft beperkt tot de relatie tussen werkgever en werknemer, maar ook oog had voor de publieke moraal en de openbare orde. Het vertrouwen dat in de werknemer of lasthebber wordt gesteld krijgt meer inhoud naarmate bevoegdheden worden gedelegeerd en de specialisatie binnen de onderneming voortschrijdt (Kamerstukken II 1965/66, 8437, nr. 4, p. 7). De huidige Memorie van Toelichting van artikel 328ter Sr betrekt het te beschermen belang -zonder aanpassing van het begrip lasthebber- eveneens op de belangen van de consument, de economische sector en de samenleving als geheel (Kamerstukken II 2012/13, 33685, nr. 4, p. 14-15).

Gelet op de strekking van en de toelichting op deze strafbepaling is de rechtbank van oordeel dat [medeverdachte 1] (en zijn vennootschappen) in zijn relatie met SNSPF als lasthebber te beschouwen is en dat [verdachte] als medepleger van dit kwaliteitsdelict moet worden aangemerkt. Juist het grote vertrouwen dat in [medeverdachte 1] werd gesteld en de verregaande bevoegdheden die aan hem en andere externe medewerkers werden toegekend, maken dat zij -gelet op de Memorie van Toelichting- onder het bereik van dit artikel vallen.

Het aannemen van een gift
De verdediging heeft aangevoerd dat er geen sprake is van een gift, omdat door [verdachte] werkzaamheden zijn verricht, namelijk de introductie van [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] bij [medeverdachte 1] .

De rechtbank overweegt dat de term gift ziet op elk overdragen aan een ander van iets wat voor die ander waarde heeft. Daarvan is sprake, in de vorm van de geldbedragen die aan [medeverdachte 1] zijn overgemaakt en waarvan een deel aan [verdachte] is doorbetaald.

Naar aanleiding van hetgeen hij in de uitvoering van zijn last heeft gedaan of nagelaten dan wel zal doen of nalaten
De verdediging heeft gesteld dat [medeverdachte 1] -voor zover er al van medeplegen sprake is - geen tegenprestatie heeft geleverd voor de betalingen die aan hem zijn gedaan in niveau 2. Bovendien is er geen verband te leggen tussen de betalingen die hij ontving en zijn werkzaamheden bij SNSPF.

De rechtbank stelt voorop dat de woorden “naar aanleiding van hetgeen hij in de uitvoering van zijn last heeft gedaan of nagelaten dan wel zal doen of nalaten” inhouden dat de gift moet zijn gedaan of aangenomen naar aanleiding van een verrichte of nog te verrichten prestatie van de ontvanger. Een concrete prestatie van de omgekochte is echter niet altijd vereist (HR 27 november 1991, NJ 1991, 318). Zo is bijvoorbeeld voldoende dat de omkoper giften aan de omgekochte doet om zijn zakelijke relatie met de werkgever van de omgekochte in stand te houden of te verbeteren terwijl de omgekochte daarop invloed had en dit moet hebben begrepen (HR 16 januari 1990, DD 90.197).

Anders dan de verdediging is de rechtbank van oordeel dat sprake is geweest van het door [medeverdachte 1] -en [verdachte] als medepleger- verrichten van een prestatie “in de uitvoering van zijn last”, zoals hieronder nader overwogen.

Opgemerkt wordt dat een prestatie zowel vóór de betalingen als ná de betalingen kan zijn verricht. [medeverdachte 6] , [medewerker 1] en [medewerker 2] verklaren allemaal dat zij met [medeverdachte 1] betalingsafspraken hebben gemaakt en dat zij hem betaalden, omdat hij hen had geïntroduceerd bij SNSPF. Door niemand van hen wordt verklaard dat er een andere aanleiding was om een deel van hun uurtarief af te dragen aan [medeverdachte 1] .

Ook voor [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] heeft [medeverdachte 1] de introductie bij [medeverdachte 3] verzorgd. [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] maakten de betalingsafspraak met [verdachte] , maar buiten hun weten om is een deel van de betaling bij [medeverdachte 1] gebleven. Deze afspraak tot verdeling tussen [verdachte] en [medeverdachte 1] is dus ook terug te leiden tot het feit dat [medeverdachte 1] voor de introductie heeft zorg gedragen.

De rechtbank is van oordeel dat de introductie van de hiervoor genoemde medewerkers door [medeverdachte 1] is gedaan “in de uitvoering van zijn last”. Op het moment dat deze introducties plaatsvonden werkte [medeverdachte 1] al bij SNSPF en wist hij dat er nieuwe medewerkers nodig waren. [medeverdachte 1] heeft hen (na in sommige gevallen een kennismakingsgesprek te hebben gehad) voorgedragen bij degene die medeverantwoordelijk was voor het aannemen van nieuwe medewerkers, namelijk [medeverdachte 3] . De rechtbank kan deze omstandigheden niet anders duiden dan dat [medeverdachte 1] vanuit zijn functie bij SNSPF de hiervoor genoemde personen heeft geïntroduceerd.

Door de officieren van justitie is betoogd dat de prestatie (mede) gelegen was in het feit dat [medeverdachte 1] via [medeverdachte 3] invloed had op de beslissingen die binnen SNSPF over de externe medewerkers werden genomen. De rechtbank deelt dit standpunt niet. Uit het dossier blijkt niet dat door [medeverdachte 1] hierover toezeggingen zijn gedaan aan degenen die aan hem een deel van hun uurtarief afdroegen. Ook is er geen correspondentie aangetroffen tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] waaruit blijkt dat [medeverdachte 1] via [medeverdachte 3] invloed uitoefende op besluiten die binnen SNSPF werden genomen. Wel blijkt uit het dossier dat tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] sprake is geweest van een nauwe samenwerking. Echter, zelfs al zou [medeverdachte 1] via [medeverdachte 3] invloed hebben gehad (zoals hij in de e-mail aan [medewerker 1] en [medewerker 2] suggereert, D‑0175), dan nog blijkt onvoldoende dat de ‘betalers’ van deze invloed op de hoogte waren en dat deze invloed een reden voor de betaling vormde.

In strijd met de goede trouw verzwijgen tegenover zijn werkgever
De verdediging heeft naar voren gebracht dat de onderlinge afspraken die door [medeverdachte 1] -en [verdachte] als medepleger- zijn gemaakt, niet in strijd met de goede trouw zijn verzwegen tegenover SNSPF. De afspraken stonden los van de relatie van [medeverdachte 1] met SNSPF en hoefden daarom niet te worden gemeld. Bovendien had [verdachte] , omdat hij zelf niet werkzaam was bij SNSPF, geen enkele rol in het al dan niet melden van deze afspraken.

Bij het bestanddeel goede trouw geldt dat van essentieel belang is of de ondergeschikte heeft gezwegen waar hij naar objectieve maatstaf tot spreken verplicht was geweest. Niet zijn goede trouw, maar de goede trouw is doorslaggevend. Deze strenge eis noodzaakt de ondergeschikte om, in geval van twijfel aan de toelaatbaarheid van de gift of belofte, zijn principaal te raadplegen (Kamerstukken II 1966/67, 8437, nr. 6, p. 3). Daarnaast blijkt uit de wetsgeschiedenis dat de goede trouw is toegevoegd om onbeduidende en min of meer gebruikelijke fooien of relatiegeschenken en buitenlandse handelsgebruiken buiten het bereik van deze strafbepaling te laten vallen (Kamerstukken II 1965/66, 8437, nr. 4, p. 15-16).

Anders dan de verdediging is de rechtbank van oordeel dat [medeverdachte 1] -en [verdachte] als medepleger- er voor hadden dienen te zorgen dat de onderlinge afspraken en betalingen aan SNSPF werden gemeld en dat zij door dit na te laten hebben gehandeld in strijd met de goede trouw. [medeverdachte 1] was werkzaam bij een bank. Juist bij banken is het van groot belang dat de integriteit gewaarborgd blijft en belangenverstrengeling wordt voorkomen. [medeverdachte 1] had zich moeten realiseren dat deze geldstromen tussen externe medewerkers van SNSPF kenbaar hadden moeten zijn voor de organisatie. Daarbij is van belang dat sprake was van grote, maandelijks terugkerende geldbedragen. Het verzwijgen van dit soort grote bedragen die maandelijks worden betaald is -anders dan het ontvangen van onbeduidende fooien- evident in strijd met de goede trouw. Bovendien was de afdracht gekoppeld aan het aantal uren dat bij SNSPF gewerkt werd. Daardoor zou zich een vorm van belangenverstrengeling voor kunnen doen tussen [medeverdachte 1] -en [verdachte] als medepleger- en degene die het geld aan hen afdroeg. Of deze belangenverstrengeling daadwerkelijk bestond, kon echter pas door SNSPF worden beoordeeld op het moment dat zij van deze betaalstromen op de hoogte was. Die beoordeling had [medeverdachte 1] door het melden van deze betaalstromen mogelijk moeten maken.

Ook op [verdachte] rustte, als medepleger, de verplichting om er voor zorg te dragen dat de betalingsafspraken werden gemeld bij SNSPF. Door dit niet te doen heeft ook hij deze afspraken in strijd met de goede trouw verzwegen.

Conclusie
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat [medeverdachte 1] zich niet-ambtelijk heeft laten omkopen door [medeverdachte 6] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 4] , [medewerker 1] en [medewerker 2] en dat [verdachte] dit feit tezamen en in vereniging met [medeverdachte 1] heeft gepleegd (feit 2).

Actieve niet-ambtelijke omkoping

Aan [verdachte] is ten laste gelegd dat hij samen met een ander [medeverdachte 5] en [medeverdachte 4] heeft omgekocht met het geld dat hij ontving van [medewerker 1] en [medewerker 2] (feit 3).


Het tweede lid van artikel 328ter Sr luidde ten tijde van de ten laste gelegde periode als volgt:

“Met gelijke straf wordt gestraft hij die aan iemand die, anders dan als ambtenaar, werkzaam is in dienstbetrekking of optreedt als lasthebber, naar aanleiding van hetgeen deze in zijn betrekking of bij de uitvoering van zijn last heeft gedaan of nagelaten dan wel zal doen of nalaten, een gift of belofte doet dan wel een dienst verleent of aanbiedt van die aard of onder zodanige omstandigheden, dat hij redelijkerwijs moet aannemen dat deze de gift of belofte in strijd met de goede trouw zal verzwijgen tegenover zijn werkgever of lastgever.”


Ook hier zal de rechtbank de verschillende onderdelen van de wettekst beoordelen.

Lasthebber
De rechtbank verwijst voor het beoordelingskader van de term lasthebber naar hetgeen is overwogen onder de passieve niet-ambtelijke omkoping. Gelet op de strekking van en de toelichting op deze strafbepaling is de rechtbank van oordeel dat ook [medeverdachte 4] (en zijn vennootschap) in zijn relatie met SNSPF als lasthebber te beschouwen is. Ook hier geldt dat juist het grote vertrouwen dat in [medeverdachte 4] werd gesteld en de verregaande bevoegdheden die aan de externe medewerkers werden toegekend, maken dat zij -gelet op de Memorie van Toelichting- onder het bereik van dit artikel vallen.

Het doen van een gift
De rechtbank stelt vast dat de term gift ziet op elk overdragen aan een ander van iets wat voor die ander waarde heeft. Daarvan is sprake, in de vorm van de geldbedragen die aan [medeverdachte 5] en [medeverdachte 4] zijn overgemaakt.

Naar aanleiding van hetgeen deze in de uitvoering van zijn last heeft gedaan of nagelaten dan wel zal doen of nalaten
De rechtbank verwijst voor het beoordelingskader van de woorden “naar aanleiding van hetgeen hij in de uitvoering van zijn last heeft gedaan of nagelaten dan wel zal doen of nalaten” naar hetgeen is overwogen onder de passieve niet-ambtelijke omkoping.

De rechtbank is van oordeel dat sprake is geweest van het verrichten van een prestatie “in de uitvoering van zijn last”.

[verdachte] en [medeverdachte 1] droegen een deel van de vergoeding die zij ontvingen van [medewerker 1] en [medewerker 2] af aan [medeverdachte 4] , die dit vervolgens deelde met [medeverdachte 5] . [medeverdachte 4] kreeg deze afdracht, omdat hij [medewerker 1] en [medewerker 2] had aangebracht. Nadat [medeverdachte 4] dit verzoek had gedaan bij [verdachte] is er overleg geweest tussen [verdachte] en [medeverdachte 1] . [verdachte] heeft hiervoor toestemming gegeven aan [medeverdachte 4] , waarna [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] hun facturen stuurde naar de vennootschappen van [medeverdachte 1] en zij de betalingen ontvingen. Gelet op de nauwe samenwerking tussen [medeverdachte 1] en [verdachte] is de rechtbank van oordeel dat [verdachte] dit feit met [medeverdachte 1] heeft medegepleegd.

Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat de introductie van [medewerker 1] en [medewerker 2] door [medeverdachte 4] is gedaan “in de uitvoering van zijn last”. Op het moment dat de introductie van [medewerker 1] en [medewerker 2] plaatsvond werkte [medeverdachte 4] al bij SNSPF en wist hij dat er nieuwe medewerkers nodig waren. [medeverdachte 4] heeft [medewerker 1] en [medewerker 2] vervolgens voorgedragen aan [medeverdachte 1] , waarna zij door [medeverdachte 3] zijn aangenomen als externe medewerkers van SNSPF. De rechtbank kan deze omstandigheden niet anders duiden dan dat [medeverdachte 4] vanuit zijn functie bij SNSPF [medewerker 1] en [medewerker 2] heeft geïntroduceerd.

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] samen met [medeverdachte 1] [medeverdachte 5] heeft omgekocht. Voor omkoping is vereist dat er een verband is tussen de betaling en een bepaalde tegenprestatie. Uit het dossier blijkt echter niet dat [medeverdachte 5] enige betrokkenheid heeft gehad bij de tegenprestatie die ten grondslag ligt aan deze betalingen, namelijk de introductie van [medewerker 1] en [medewerker 2] door [medeverdachte 4] . De rechtbank zal [verdachte] van dit deel van de tenlastelegging dan ook vrijspreken.

Redelijkerwijs aannemen dat in strijd met de goede trouw wordt verzwegen
Voor de strafbaarheid van de omkoper is niet bepalend of hij verwachtte dat de gift in strijd met de goede trouw zou worden verzwegen. Doorslaggevend is wat de omkoper gezien de aard van de gift, de omstandigheden waaronder de gift werd gedaan en zijn kennis van de (opvattingen in de) branche redelijkerwijs -objectief gezien dus- had moeten verwachten. De omkoper is strafbaar wanneer hij zich bewust had moeten zijn van de mogelijkheid dat de ontvanger van de gift dit in strijd met de goede trouw zou verzwijgen. Onbewuste schuld is daarvoor voldoende.

Voor de betalingen aan [medeverdachte 4] geldt dat [medeverdachte 1] , gezien de aard van de afspraak, had moeten verwachten dat deze werden verzwegen aan SNSPF. Op enig moment was [medeverdachte 4] werkzaam binnen het project USQ, welk project onder de verantwoordelijkheid viel van [medeverdachte 1] . Bovendien ging het om maandelijks terugkerende betalingen op basis van de uren van andere SNSPF-medewerkers. Ook [verdachte] was van de aard van deze afspraken geheel op de hoogte. Bovendien was hij bekend met soortgelijke constructies, waaraan niet alleen hij, maar ook [medeverdachte 1] verdiende. Daarbij komt, dat het juist in het bankwezen van groot belang is dat (de schijn van) belangenverstrengeling wordt voorkomen. [verdachte] had dan ook moeten verwachten -zeker gelet op zijn langdurige arbeidsverleden bij soortgelijke organisaties- dat een afspraak van dergelijke aard voor SNSPF zou worden verzwegen.

Medeplegen eigen vennootschap
De niet-ambtelijke omkoping, zoals ten laste gelegd, wordt zowel voor [verdachte] als voor zijn vennootschap bewezen verklaard. Uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden vastgesteld dat [verdachte] zelf samen met [medeverdachte 1] de ten laste gelegde handelingen (zodoende als medepleger) heeft begaan. Omdat de ten laste gelegde gedragingen gelet op de gebezigde bewijsmiddelen- hebben plaatsgevonden en/of zijn verricht in de sfeer van de rechtspersoon worden deze ook aan haar (als medepleger) toegerekend.

Conclusie

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] -samen met [medeverdachte 1] en hun vennootschappen- [medeverdachte 4] heeft omgekocht met het geld dat hij en [medeverdachte 1] ontvingen van [medewerker 1] en [medewerker 2] (feit 3). De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] [medeverdachte 5] heeft omgekocht en zal hem van dit deel van de tenlastelegging vrijspreken.

Valsheid in geschrift

Valsheid facturen

De verdediging heeft betoogd dat de facturen niet vals zijn omdat -kort gezegd- beide partijen wisten wat de onderliggende prestatie was en de omschrijving voldoende juist is.

De rechtbank is van oordeel dat alle hiervoor besproken facturen, opgenomen in het bewijsoverzicht Bijlage II, valselijk zijn opgemaakt. Daarbij is van belang dat de facturen volgens de verdachten betrekking hadden op de betaling voor de onderling gemaakte afspraken. Anders dan de omschrijvingen op de facturen suggereren, werden met de facturen dan ook geen adviezen of andere werkzaamheden in rekening gebracht. Aan de hand van de omschrijving op de facturen kan dus niet worden afgeleid op welke onderliggende afspraken en betalingen de facturen in werkelijkheid betrekking hadden. De facturen zijn opgemaakt ten behoeve van de verzwegen omkoping en de bijbehorende betaalstroom en zijn bedoeld om deze betalingen een titel te verschaffen. Met de opgenomen valse omschrijvingen is de werkelijke aard van deze betaalstroom verhuld.

Ook ten tijde van het opmaken van de facturen door [verdachte] had hij wetenschap van de aard van de betalingen waarop deze facturen betrekking hadden en hij had daarmee ten minste voorwaardelijk opzet op de valsheid hiervan. Hij heeft de aanmerkelijke kans op de valsheid van deze facturen willens en wetens aanvaard.

Daarbij komt dat door de manier van factureren de suggestie wordt gewekt van een niet bestaande rechtsverhouding. Immers, gefactureerd is tussen de vennootschappen van [verdachte] en [medeverdachte 1] terwijl de betalingsafspraak is gemaakt tussen [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] en [verdachte] . Ook wat betreft deze valsheid had [verdachte] wetenschap en ten minste voorwaardelijk opzet.

Bewijsbestemming als waren de facturen echt en onvervalst
De verdediging heeft ook betoogd dat geen sprake is geweest van een oogmerk om de facturen als echt en onvervalst te gebruiken. De facturen zijn wel gebruikt, maar de ontvanger is hierdoor niet misleid aangezien het zowel voor de opsteller als de geadresseerde duidelijk was waar de facturen op zagen.

De rechtbank overweegt hierover als volgt. Het oogmerk van de verdachte moet zijn gericht op het gebruik van het valse of vervalste geschift als echt en onvervalst. Dit impliceert een gerichtheid op misleiding. Dit betekent dat er derden in het spel moeten zijn, die niet van de valsheid op de hoogte zijn. Het gebruik van het geschrift hoeft niet daadwerkelijk plaats te vinden. Het verweer van de verdediging wordt verworpen, nu facturen naar hun aard reeds in het maatschappelijk verkeer (ook jegens derden) een bewijsbestemming hebben. Bovendien zijn de facturen in dit geval ook nog opgenomen in de bedrijfsadministratie(s) waarmee temeer vast staat dat de facturen bestemd waren voor het gebruik door derden -anderen dan de geadresseerden- als waren zij echt en onvervalst, bijvoorbeeld de fiscus en/of accountants (ECLI:NL:GHAMS:2015:1212). De rechtbank acht dan ook bewezen dat de facturen valselijk zijn opgemaakt met het oogmerk om deze als echt en onvervalst te (doen) gebruiken. Ook hebben de betalers deze door anderen opgemaakte valse facturen voorhanden gehad, terwijl zij wisten dat deze geschriften een zodanige bewijsbestemming hadden.

Medeplegen eigen vennootschap
De valsheid van de facturen en de hiermee verrichte handelingen, zoals ten laste gelegd, worden zowel voor [verdachte] als voor zijn bedrijf bewezen verklaard. Uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden vastgesteld dat [verdachte] zelf de ten laste gelegde handelingen (zodoende als medepleger) heeft begaan. Omdat de ten laste gelegde gedragingen gelet op de gebezigde bewijsmiddelen- hebben plaatsgevonden en/of zijn verricht in de sfeer van de rechtspersoon worden deze ook aan haar (als medepleger) toegerekend.

Conclusie

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] zich -samen met zijn vennootschap- heeft schuldig gemaakt aan het opmaken van valse facturen (feit 4).

Gewoontewitwassen

De verdediging heeft betoogd dat geen sprake is van gelden die verkregen zijn uit (voorafgaande) strafbare feiten. Indien de rechtbank wel tot een bewezenverklaring van een gronddelict komt dan is sprake van geld afkomstig uit een eigen misdrijf. De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat dan geen sprake is van het verbergen of verhullen van de criminele herkomst.

Illegale herkomst
De rechtbank stelt vast dat [verdachte] gedurende de ten laste gelegde periode een geldbedrag van in totaal € 324.927,15 (exclusief btw) heeft ontvangen. Zoals reeds overwogen is de rechtbank van oordeel dat verdachte dit geldbedrag heeft ontvangen terwijl hij wist dat dit afkomstig was uit (passieve) niet-ambtelijke omkoping. Dit geldbedrag is dan ook afkomstig uit een door hemzelf begaan misdrijf.

Witwashandelingen
Bij voorwerpen die afkomstig zijn uit een door verdachte zelf begaan misdrijf moet sprake zijn van een “extra verhullende handeling” willen de gedragingen als witwassen kunnen worden aangemerkt. Op grond van vaste jurisprudentie van de Hoge Raad moet sprake zijn van een gedraging die gericht is op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat -door eigen misdrijf verkregen- voorwerp (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:HR:2015:950). Hiermee wordt beoogd een automatische verdubbeling van de strafbaarheid te voorkomen.

De officieren van justitie hebben betoogd dat het opmaken en ontvangen van de valse facturen en de verzwijgingen van de werkelijke aard van de betalingen als verhullende handelingen kunnen worden aangemerkt. De rechtbank deelt dit standpunt niet. [verdachte] heeft, om ervoor te zorgen dat de omkoping niet zou worden opgemerkt, de betalingsafspraak voor anderen verzwegen en op de facturen een onjuiste omschrijving gebruikt. Deze gedragingen vormen naar het oordeel van de rechtbank een essentieel onderdeel van het gronddelict en zijn gebruikt om de geldbedragen te verkrijgen. De rechtbank is van oordeel dat deze gedragingen zo nauw samenhangen met het gronddelict, dat zij niet kunnen worden gezien als de vereiste “extra verhullende handeling” na het ontvangen van dit uit misdrijf verkregen geld. Het aanmerken van de hiervoor genoemde gedragingen als witwashandelingen is daarmee strijdig met het voorkomen van een automatische verdubbeling van de strafbaarheid. Zij zal bij de beoordeling van de vraag of sprake is van witwassen deze handelingen buiten beschouwing laten.

[verdachte] heeft verklaard dat hij de facturen die hij verstuurde ook heeft verwerkt in zijn administratie. Door deze handeling is de aard van de ontvangen geldbedragen blijvend verhuld en de rechtbank beoordeelt dit wel als een extra verhullende handeling die niet samenvalt met de omkoping zelf. Hierbij is van belang dat de bedrijfsadministratie zelf als een geschrift kan worden aangemerkt, wat meebrengt dat het opnemen van valse facturen in die administratie een nieuwe vervalsing oplevert, zoals bedoeld in artikel 225, eerste lid, Sr (HR 29‑05-1984, NJ 1985, 6). De facturen met een onjuiste omschrijving die in de administratie van de vennootschappen zijn opgenomen, suggereerden dat de geldbedragen op deze facturen uitsluitend een legale aard hadden. De illegale aard van de betalingen is door [verdachte] op deze wijze blijvend verhuld in de legale bedrijfsvoering.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat [verdachte] de door hem ontvangen omkoopbedragen heeft witgewassen door deze voorhanden te hebben en de werkelijke aard hiervan te verhullen.

Pleegperiode en gewoonte
Witwassen moet worden beschouwd als een voortdurend delict. Dit brengt mee dat de pleegperiode doorloopt zolang de verdachten ten aanzien van deze geldbedragen nog steeds witwashandelingen verrichten (ECLI:NL:HR:2014:956). Dat deze handelingen nog altijd voortduren of worden verricht kan echter aan de hand van het dossier niet worden vastgesteld. Daarbij acht de rechtbank het in dit geval ook rechtens niet juist om de pleegperiode tot heden door te laten lopen. Het voorhanden hebben en verhullen van de werkelijke aard loopt door zolang verdachten de beschikking hadden over de geldbedragen. Het specifieke moment waarop zij -bijvoorbeeld door gebruik- niet meer over de geldbedragen konden beschikken, is niet vast te stellen aan de hand van het dossier. Daarom wordt in het voordeel van verdachten aangesloten bij data waarvan gesteld kan worden dat zij in de periode daaraan voorafgaand in ieder geval hebben kunnen beschikken over de geldbedragen.

Vastgesteld kan worden dat de witwashandelingen in ieder geval hebben plaatsgevonden tot aan het moment van ontvangst van de laatste omkoopbetaling op 8 februari 2013. Anders dan bij andere ontvangers kan ten aanzien van [verdachte] niet worden bewezen dat het geldbedrag ook is gebruikt. Dit zou meteen na de datum van ontvangst kunnen zijn gebeurd waardoor [verdachte] het uit misdrijf afkomstige geld vanaf dat moment niet meer voorhanden heeft gehad en/of heeft verhuld. Om te kunnen witwassen moet verdachte kunnen beschikken over het van misdrijf afkomstige voorwerp. Het einde van de pleegperiode wordt daarom vastgesteld op 8 februari 2013.

De rechtbank is ten slotte van oordeel dat, gelet op de bewezenverklaarde periode, de hoeveelheid witgewassen geldbedragen en de verschillende verrichte witwashandelingen, de verdachten van witwassen een gewoonte hebben gemaakt.

Medeplegen eigen vennootschap
Het gewoontewitwassen van de ten laste gelegde geldbedragen wordt zowel voor [verdachte] als voor zijn vennootschap bewezen verklaard. Uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden vastgesteld dat [verdachte] zelf de ten laste gelegde handelingen (zodoende als medepleger) heeft begaan. Omdat de ten laste gelegde gedragingen gelet op de gebezigde bewijsmiddelen- hebben plaatsgevonden en/of zijn verricht in de sfeer van de rechtspersoon worden deze ook aan haar (als medepleger) toegerekend.

Conclusie

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] zich -samen met zijn vennootschap- heeft schuldig gemaakt aan gewoontewitwassen van het ten laste gelegde totaalbedrag in de voornoemde pleegperiode (feit 5).

Criminele organisatie

De verdediging heeft betoogd dat geen sprake was van een samenwerkingsverband tussen verdachten, geen opzet op deelneming aan een criminele organisatie en ook geen opzet op het oogmerk van die organisatie tot het plegen van strafbare feiten.

Criminele organisatie

De rechtbank overweegt allereerst dat met een criminele organisatie ex artikel 140 Sr wordt bedoeld een gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband van twee of meer personen met als oogmerk het plegen van misdrijven. Niet is vereist dat de betrokkenen bekend zijn met alle personen die deel uitmaken van de organisatie. Verdachten moeten een aandeel hebben in het samenwerkingsverband, dan wel de gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie ondersteunen. Voor opzettelijke deelneming is voldoende dat verdachten in zijn algemeenheid weten dat de organisatie het plegen van misdrijven tot oogmerk heeft. Ook rechtspersonen kunnen deelnemen aan een criminele organisatie.

Deelneming niveau 2

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de gebezigde bewijsmiddelen, in niveau 2 sprake is geweest van een gestructureerd samenwerkingsverband, opgericht en geleid door [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] . Het oogmerk van de organisatie was gericht op de passieve en actieve niet-ambtelijke omkoping, de hiermee samenhangende valsheid in geschrift en het gewoontewitwassen. [verdachte] heeft niet alleen wetenschap gehad van het oogmerk van de organisatie maar hij heeft ook een aandeel gehad in de gedragingen die strekken tot verwezenlijking hiervan.

[verdachte] heeft een substantieel aandeel gehad in en ondersteuning gegeven aan gedragingen strekkende tot uitvoering van het oogmerk van de organisatie. Hij was samen met [medeverdachte 1] betrokken bij de aanstelling van andere verdachten bij SNSPF. [verdachte] zorgde voor de introductie bij [medeverdachte 1] , [medeverdachte 1] zorgde voor de introductie bij SNSPF. Hiervoor is door de medeverdachten een fee betaald die werd verdeeld tussen (onder meer) [verdachte] en [medeverdachte 1] . [medeverdachte 1] heeft alle gelden geïnd en verdeeld. [verdachte] heeft hiertoe een grote hoeveelheid facturen opgemaakt. Daarnaast is een vergelijkbare constructie opgezet met [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] en gingen zij meedelen toen [medeverdachte 4] ook twee mensen aanbracht. Ook had [verdachte] wetenschap van de betrokkenheid en het verrichte aandeel van de door hem en door anderen gebruikte vennootschappen bij de organisatie en haar oogmerk. Niemand heeft de betaalstromen gemeld bij SNS(PF). Het samenwerkingsverband heeft hierdoor onafgebroken en gedurende een langere periode kunnen bestaan, terwijl het aantal medewerkers van SNSPF dat bij de betalingen betrokken raakte toenam.

De rechtbank concludeert dat [verdachte] heeft deelgenomen aan een criminele organisatie bestaande uit de in de bewezenverklaring nader te noemen verdachten en hun vennootschappen.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4.3 genoemde bewijsmiddelen de feiten 2 (passieve niet-ambtelijke omkoping), 3 (actieve niet-ambtelijke omkoping), 4 (het opmaken van valse geschriften), 5 (gewoontewitwassen) en 6 (deelneming aan een criminele organisatie) wettig en overtuigend bewezen.

De volledige bewezenverklaring is opgenomen in Bijlage III van dit vonnis.

De rechtbank spreekt verdachte vrij van hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan in deze bijlage is bewezen verklaard.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar als

Feit 2: Medeplegen van het, anders dan als ambtenaar, optredend als lasthebber, naar aanleiding van hetgeen hij bij de uitvoering van zijn last heeft gedaan, aannemen van een gift of belofte en dit aannemen in strijd met de goede trouw verzwijgen tegenover zijn lastgever, meermalen gepleegd;

Feit 3: Medeplegen van het doen van een gift of belofte aan iemand die, anders dan als ambtenaar, optredend als lasthebber, naar aanleiding van hetgeen hij bij de uitvoering van zijn last heeft gedaan, van die aard of onder zodanige omstandigheden, dat hij redelijkerwijs moet aannemen dat deze de gift of belofte in strijd met de goede trouw zal verzwijgen tegenover zijn lastgever, meermalen gepleegd;

Feit 4: Medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd;

Feit 5: Medeplegen van gewoontewitwassen;

Feit 6: Het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1

De eis van de officier van justitie

De officieren van justitie hebben gevorderd dat verdachte voor de door hen onder 1 tot en met 6 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 18 maanden.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit dat bij het opleggen van een straf rekening moet worden gehouden met de persoonlijke omstandigheden van [verdachte] . In het bijzonder heeft de raadsvrouw gewezen op de lange duur van de strafzaak en de media-aandacht. Indien tot strafoplegging wordt gekomen, acht de raadsvrouw hoogstens een taakstraf passend.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

[verdachte] heeft samen met [medeverdachte 1] die werkzaam was bij SNSPF laten omkopen door andere medewerkers van SNSPF. Daarnaast hebben zij samen ook andere medewerkers van SNSPF omgekocht. Aan [verdachte] is in totaal een bedrag van ruim 360.000 euro overgemaakt, terwijl door de verdachten onderling nog veel meer bedragen werden overgeboekt. Deze onderling gemaakte afspraken werden door hen verzwegen tegenover SNSPF. Om te voorkomen dat de afspraken aan het licht zouden komen, zijn valse facturen opgemaakt, waarmee de werkelijke aard van de betalingen werd verhuld. Ook werden de ontvangen geldbedragen door [verdachte] en zijn mededaders witgewassen door deze in de administratie als legale inkomsten in te boeken en door de gelden in het financiële verkeer te brengen.

[verdachte] heeft er samen met [medeverdachte 1] voor gezorgd dat steeds meer personen betrokken raakten bij deze omkopingen. Het netwerk dat hierdoor ontstond, werd in stand gehouden doordat sprake was van een effectieve en gestructureerde samenwerking tussen de betrokken personen onderling. Aan enkele personen die hun afdracht ter discussie stelden, werd een tegenvergoeding geboden, zodat de afspraken verzwegen zouden blijven en de omkopingsconstructies konden blijven voortbestaan. Zodoende kon de criminele organisatie blijven functioneren.

Hoewel SNSPF niet is opgelicht, is de integriteit van SNSPF door de handelwijze van [verdachte] wel ernstig geschaad. Voor zover nog geen sprake was van belangenverstrengeling, heeft [verdachte] door de afspraken die hij maakte het risico op belangenverstrengeling wel aanzienlijk vergroot, zonder dat SNSPF hiervan op de hoogte was. [verdachte] had zich van dit risico, gelet op zijn langdurige arbeidsverleden bij soortgelijke organisaties, juist zeer bewust moeten zijn. Het grote vertrouwen dat SNSPF in de betrokken medeverdachten stelde, heeft ook [verdachte] op ernstige wijze geschaad. De rechtbank neemt hem dat zeer kwalijk.

De rechtbank heeft wat betreft de persoon van de verdachte gelet op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 5 november 2015, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder veroordeeld is voor soortgelijke delicten.

Anders dan de officieren van justitie zal de rechtbank voor de strafoplegging geen aansluiting zoeken bij de oriëntatiepunten met betrekking tot fraude. Zoals hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat de bewezen verklaarde feiten geen direct financieel nadeel hebben gehad voor SNSPF of andere derden.

Gelet op de ernst van de feiten is de rechtbank van oordeel dat een forse taakstraf in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf geboden is. De rechtbank let daarbij in het bijzonder op de volgende omstandigheden. [verdachte] was anders dan zijn mededaders zelf niet werkzaam bij SNSPF. Desalniettemin heeft hij zich samen met [medeverdachte 1] , die wel werkzaam was bij SNSPF, gedurende geruime tijd schuldig gemaakt aan diverse omkopingen. Hij betrok actief meerdere SNSPF-medewerkers bij deze omkopingen, waardoor dit netwerk groter werd en de kwetsbaarheid van SNSPF toenam. Hierdoor had hij, zij het van buitenaf, een belangrijke rol in de criminele organisatie die zich bezig hield met de omkoping, valsheid in geschrift en gewoontewitwassen.

De rechtbank houdt in strafmatigende zin rekening met het feit dat over deze zaak vele publicaties zijn verschenen, waarbij -onterecht- ook verbanden zijn gelegd tussen de nationalisatie van SNS en deze zaak. Mede doordat het strafproces geruime tijd heeft geduurd, hebben de verdachten veel nadeel ondervonden van deze negatieve publiciteit.

De rechtbank acht, gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden en het feit dat zij minder feiten bewezen verklaart dan door de officieren van justitie is gevorderd, een taakstraf van de maximale duur, te weten 240 uur, passend en geboden. Daarnaast zal aan [verdachte] een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden worden opgelegd, met een proeftijd van twee jaar.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47, 57, 140, 225, 328ter, 420bis en 420ter van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde en op de reeds aangehaalde artikelen.

10 Beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak
Verklaart het onder feit 1 (primair en subsidiair) ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bewezenverklaring

Verklaart bewezen dat verdachte het onder feiten 2, 3, 4, 5 en 6 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Strafbaarheid
Het bewezen verklaarde levert op:

Feit 2: Medeplegen van het, anders dan als ambtenaar, optredend als lasthebber, naar aanleiding van hetgeen hij bij de uitvoering van zijn last heeft gedaan, aannemen van een gift of belofte en dit aannemen in strijd met de goede trouw verzwijgen tegenover zijn lastgever, meermalen gepleegd;

Feit 3: Medeplegen van het doen van een gift of belofte aan iemand die, anders dan als ambtenaar, optredend als lasthebber, naar aanleiding van hetgeen hij bij de uitvoering van zijn last heeft gedaan, van die aard of onder zodanige omstandigheden, dat hij redelijkerwijs moet aannemen dat deze de gift of belofte in strijd met de goede trouw zal verzwijgen tegenover zijn lastgever, meermalen gepleegd;

Feit 4: Medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd;

Feit 5: Medeplegen van gewoontewitwassen;

Feit 6: Het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte daarvoor strafbaar.

Straf
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 3 maanden.

Beveelt dat deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast op grond dat de verdachte zich voor het einde van de hierbij bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Stelt daarbij een proeftijd van twee (2) jaar vast.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 240 uur.

Beveelt, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 120 dagen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. A. van Maanen, voorzitter,

mr. drs. S.M. van Lieshout en mr. A.M.M.E. Doekes-Beijnes, rechters,

in tegenwoordigheid van mrs. M.C. van Reenen en K.M. Strijbos, griffiers,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 20 mei 2016.

BIJLAGE I: de tenlastelegging

Aan [verdachte] is ten laste gelegd dat

1.

Primair

(niveau 2):

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 20 september

2010 tot en met 23 januari 2013 te Leusden en/of Utrecht en/of Hilversum en/of

Haren (Groningen) en/of Amsterdam en/of Groningen en/of Sneek, in elk geval in

Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

(telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te

bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse

hoedanigheid en/of door een (of meer) listige kunstgre(e)p(en) en/of door een

samenweefsel van verdichtsels, SNS Property Finance BV (met ingang van 1

januari 2014 genaamd Propertize BV) en/of SNS Reaal NV heeft/hebben bewogen

tot de afgifte(n) van een of meer geldbedragen, te weten in totaal circa Euro

1.210.486,20, (exclusief btw) (bestaande uit circa Euro 184.940,- (exclusief

btw) en/of circa Euro 276.787,50 (exclusief btw) en/of circa Euro 289.908,75

(exclusief btw) en/of circa Euro 282.862,50 (exclusief btw) en/of Euro

175.987,50 (exclusief btw): zie o.a. AH-042 en/of AH-064 en/of AH-067 en/of

AH-068 en/of AH-069 en/of AH-070), in elk geval van enig(e)

geldbedrag(en),

en/of

heeft/hebben bewogen tot het aangaan van een of meer schuld(en), te weten het

sluiten/aangaan van een of meer (aanvullende) overeenkomst(en) van opdracht

met [medeverdachte 6] en/of zijn bedrijf [bedrijf 10] BV (zie: D-0311)

en/of

met [medeverdachte 4] en/of zijn bedrijf [bedrijf 5] BV(zie: D-0314)

en/of

met [medeverdachte 5] en/of zijn bedrijf [bedrijf 11] BV (zie: D-0315)

en/of

met [medewerker 1] en/of zijn bedrijf [bedrijf 12] BV (thans genaamd Avigliana BV)

(zie: D-0316)

en/of

met [medewerker 2] en/of zijn bedrijf [bedrijf 12] BV (thans genaamd Avigliana

BV) (zie: D-0317)

hebbende verdachte en/of zijn mededader(s) met vorenomschreven oogmerk -

zakelijk weergegeven - opzettelijk valselijk en/of listiglijk en/of

bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid

aan SNS Porperty Finance BV en/of SNS Reaal NV voorgehouden en/of (in strijd

met de werkelijkheid) de indruk gewekt (enkel) de belangen van SNS Property

Finance BV en/of SNS Reaal NV te zullen behartigen

en/of

tegenover SNS Property Finance BV en/of SNS Reaal NV verzwegen en/of verborgen

gehouden en/of verhuld dat er met betrekking tot de (overeengekomen en/of

gefactureerde) vergoeding(en) voor het verrichten van werkzaamheden ten

behoeve van SNS Property Finance BV en/of SNS Reaal NV door [medeverdachte 6]

(en/of zijn bedrijf) en/of [medeverdachte 4] (en/of zijn bedrijf) en/of [medeverdachte 5]

[medeverdachte 5] (en/of zijn bedrijf) en/of [medewerker 1] (en/of zijn bedrijf) en/of

[medewerker 2] (en/of zijn bedrijf), die door hem, verdachte, en/of [medeverdachte 1]

en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] was/waren aangedragen en/of

voorgedragen en/of gecontracteerd, een (verborgen of verzwegen) vergoeding

en/of betaling aan hem, verdachte, en/of zijn bedrijf en/of [medeverdachte 1] en/of

zijn bedrij(f)(ven) en/of [medeverdachte 3] en/of zijn bedrij(f)(ven) en/of [medeverdachte 4]

[medeverdachte 4] en/of zijn bedrijf en/of [medeverdachte 5] en/of zijn bedrijf was

inbegrepen en/of overeengekomen

en/of

tegenover SNS Property Finance BV en/of SNS Reaal NV verzwegen en/of verborgen

gehouden en/of verhuld dat door [medeverdachte 6] (en/of zijn bedrijf) en/of [medeverdachte 4]

[medeverdachte 4] (en/of zijn bedrijf) en/of [medeverdachte 5] (en/of zijn bedrijf) en/of

[medewerker 1] (en/of zijn bedrijf) en/of [medewerker 2] (en/of zijn bedrijf)

(substantiële) betalingen zouden worden verricht en/of zijn verricht aan P.

[medeverdachte 1] en/of zijn bedrij(f)(ven)

en/of

tegenover SNS Property Finance BV en/of SNS Reaal NV verzwegen en/of verborgen

gehouden en/of verhuld dat door [medeverdachte 1] (en/of zijn bedrij(f)(ven))

(substantiële) betalingen zouden worden verricht en/of zijn verricht aan en/of

verrekeningen zouden worden verricht en/of zijn verricht met [medeverdachte 3]

en/of zijn bedrij(f)(ven) en/of met hem, verdachte, en/of zijn bedrijf en/of

[medeverdachte 4] en/of zijn bedrijf en/of [medeverdachte 5] en/of zijn bedrijf

en/of

(daarbij) ter onderbouwing en/of rechtvaardiging van de hoogte van de

(overeengekomen) vergoeding(en) met die [medeverdachte 6] (en/of zijn bedrijf) en/of

die [medeverdachte 4] (en/of zijn bedrijf) en/of die [medeverdachte 5] (en/of zijn bedrijf)

en/of die [medewerker 1] (en/of zijn bedrijf) en/of die [medewerker 2] (en/of zijn bedrijf)

een (ondeugdelijk) benchmarkonderzoek (D-0254 en/of D-0255) ingebracht en/of

overgelegd en/of laten inbrengen en/of laten overleggen, (waaruit diende te

blijken dat de hoogte van die vergoeding(en) marktconform is/zijn/was/waren)

en/of

tegenover SNS Property Finance BV en/of SNS Reaal NV verzwegen en/of verborgen

gehouden en/of verhuld dat die [medeverdachte 6] (en/of zijn bedrijf) en/of die

[medeverdachte 4] (en/of zijn bedrijf) en/of die [medeverdachte 5] (en/of zijn bedrijf) en/of

die [medewerker 1] (en/of zijn bedrijf) en/of die [medewerker 2] (en/of zijn bedrijf)

(feitelijk) via (een vorm van) detachering via [medeverdachte 1] en/of zijn

bedrij(f)(ven) en/of via [medeverdachte 3] en/of zijn bedrij(f)(ven) en/of via

hem, verdachte, en/of zijn bedrijf en/of via [medeverdachte 4] en/of zijn bedrijf

en/of via [medeverdachte 5] en/of zijn bedrijf werkzaamheden verrichtte(n) voor

SNS Property Finance BV en/of SNS Reaal NV,

en/of

tegenover SNS Property Finance BV en/of SNS Reaal NV voorgewend dat de

bovengenoemde (overeengekomen) vergoeding(en) nodig was/waren en/of (een)

zakelijke vergoeding(en) was/waren teneinde bovengenoemde personen (en/of

bedrijven) te kunnen werven en/of behouden ten behoeve van het verrichten van

werkzaamheden en/of diensten ten behoeven van de Restructuring &

Recovery-afdeling van SNS Property Finance BV

waardoor SNS Property Finance BV en/of SNS Reaal NV (telkens) werd bewogen tot

bovenomschreven afgifte(n) en/of werd bewogen tot het aangaan van

bovenomschreven schuld(en);

Artikel 326 jo artikel 47 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 326 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 9 november 2010

tot en met 23 januari 2013 te Leusden en/of Utrecht en/of Hilversum, in elk

geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen,

althans alleen, opzettelijk een of meer grote hoeveelheden geld, te weten in

totaal circa Euro 1.210.486,20 (exclusief btw), in elk geval enig(e)

geldbedrag(en), dat/die geheel of ten dele toebehoorde(n) aan SNS Property

Finance BV (met ingang van 1 januari 2014 genaamd Propertize BV) en/of SNS

Reaal NV, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en/of zijn

mededader(s), en welk(e) geldbedrag(en) verdachte en/of zijn mededader(s) uit

hoofde van de persoonlijke (dienst)betrekking van [medeverdachte 3] van/als

directieadviseur en/of lid van de directie en/of Chief Restructuring Officer

en/of Senior Strategisch Adviseur en/of consultant, in elk geval als

gedetacheerd leidinggevende bij SNS Property Finance BV (met ingang van 1

januari 2014 genaamd Propertize BV), in elk geval anders dan door misdrijf

onder zich had(den), (zich) wederrechtelijk heeft/hebben toegeëigend;

Artikel 322/321 jo artikel 47 Wetboek van Strafrecht

art 321 Wetboek van Strafrecht

art 322 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

2.

(niveau 2):

[medeverdachte 1] op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 11

november 2010 tot en met 28 februari 2013 te Groningen en/of Leusden en/of

Utrecht en/of Haren (Groningen) en/of Amsterdam en/of Sneek, in elk geval in

Nederland, anders dan als ambtenaar, werkzaam zijnde in dienstbetrekking bij

en/of optredend als lasthebber van SNS Property Finance BV (met ingang van 1

januari 2014 genaamd Propertize BV) en/of SNS Reaal NV (in de functie van

interim-manager en/of (daarbij) belast met het aansturen van nationale en

internationale equity participaties van SNSPF alsmede het behandelen van

andere door de Directie van SNSPF te bepalen dossiers en/of in de functie van

(tijdelijk) bestuurder en/of commissaris en/of Restructuring Medewerker, naar

aanleiding van hetgeen hij, die [medeverdachte 1] , in zijn betrekking en/of bij de

uitvoering van zijn last(en) heeft gedaan en/of nagelaten dan wel zal/zou doen

of nalaten, (telkens) een belofte, te weten de toezegging/instemming om een

vast gedeelte/bedrag per gewerkt/te declareren uur aan hem, [medeverdachte 1] (en/of

zijn bedrij(f)(ven)), te betalen en/of een of meer gift(en), te weten

de betaling van in totaal circa Euro 184.940,- (exclusief btw) door H. van

der Zee en/of zijn bedrijf (zie: o.a. AH-042 en/of AH-064)

en/of

de betaling van in totaal circa Euro 175.987,50 (exclusief btw) door [medewerker 2]

[medewerker 2] en/of zijn bedrijf (zie: o.a. AH-042 en/of AH-070)

en/of

de betaling van in totaal circa Euro 282.862,50 (exclusief btw) door [medewerker 1]

[medewerker 1] en/of zijn bedrijf (zie: o.a. AH-042 en/of AH-069)

en/of

de betaling van in totaal circa Euro 289.908,75 (exclusief btw) door [medeverdachte 5]

[medeverdachte 5] en/of zijn bedrijf (zie: o.a. AH-042 en/of AH-068)

en/of

de betaling van in totaal circa Euro 276.787,50 (exclusief btw) door [medeverdachte 4]

[medeverdachte 4] en/of zijn bedrijf (zie: o.a. AH-042 en/of AH-067)

heeft aangenomen en dit aannemen in strijd met de goede trouw (telkens) heeft

verzwegen tegenover zijn werkgever en/of lastgever,

welke bovenomschreven gedraging(en) door hem, verdachte, tezamen en in

vereniging met deze [medeverdachte 1] is/zijn medegepleegd;

Artikel 328ter lid 1 jo artikel 47 Wetboek van Strafrecht

art 328ter lid 1 Wetboek van Strafrecht

3.

(niveau 2)

Hij in of omstreeks de periode van 29 november 2010 tot en met 26 januari 2013

te Haren (Groningen) en/of Amsterdam en/of Leusden en/of Groningen en/of

Utrecht en/of Enschede, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging

met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) aan iemand, die anders dan

als ambtenaar, te weten

[medeverdachte 5] , werkzaam in dienstbetrekking bij en/of optredend als

lasthebber van SNS Property Finance BV (met ingang van 1 januari 2014 genaamd

Propertize BV) en/of SNS Reaal NV (in de functie van Equity manager en/of

(daarbij) belast met het management van de nationale en internationale equity

posities van SNS PF en alle daaruit voortvloeinde werkzaamheden),

en/of

[medeverdachte 4] , werkzaam in dienstbetrekking bij en/of optredend als lasthebber

van SNS Property Finance BV (met ingang van 1 januari 2014 genaamd Propertize

BV) en/of SNS Reaal NV (in de functie van Equity manager en/of (daarbij)

belast met het management van de nationale en internationale equity posties

van SNS PF en alle daaruit voortvloeiende werkzaamheden),

naar aanleiding van hetgeen deze [medeverdachte 5] en/of [medeverdachte 4] in

dienstbetrekking en/of bij de uitvoering van diens/hun last heeft/hebben

gedaan en/of nagelaten dan wel zal/zullen doen of nalaten, (telkens) een

belofte, te weten de toezegging/instemming om een vast gedeelte/bedrag per

door [medewerker 2] en/of [medewerker 1] gewerkt/te declareren uur aan [medeverdachte 4]

en/of [medeverdachte 5] (en/of zijn/hun bedrij(f)(ven)) te betalen en/of een of

meer gift(en, in elk geval enig(e) geldbedrag(en)), te weten

de betaling van in totaal circa Euro 40.378,16 (exclusief btw) aan [medeverdachte 5]

[medeverdachte 5] en/of zijn bedrijf

en/of

de betaling van in totaal circa Euro 798,75 (exclusief btw) aan [medeverdachte 4]

en/of zijn bedrijf en/of een korting/verrekening van in totaal circa Euro

45.101,42 (exclusief btw) op/met het/de door [medeverdachte 4] te betalen resterende

en/of (nog) verschuldigde geldbedrag/omkoopgeld/kickback aan hem, verdachte,

en/of zijn mededader(s)

heeft gedaan van die aard en/of onder zodanige omstandigheden dat hij,

verdachte, en/of zijn mededader(s) redelijkerwijs moest(en) aannemen dat die

[medeverdachte 5] en/of die [medeverdachte 4] deze belofte(n) en/of gift(en) in strijd

met de goede trouw zou/zouden/zal/zullen verzwijgen tegenover zijn/hun

werkgever en/of lastgever;

Artikel 328ter lid 2 artikel 47 Wetboek van Strafrecht

als ambtenaar, te weten

art 328ter lid 1 Wetboek van Strafrecht

4.

(niveau 2):

Hij in of omstreeks de periode van 3 december 2010 tot en met 9 februari 2013

te Haren (Groningen), in elk geval in Nederland, en/of te Praag, in elk geval

in Tsjechië, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans

alleen,

zestien (16), althans een of meer, factu(u)r(en) van hem, verdachte, en/of

[bedrijf 9] gericht aan [medeverdachte 1] en/of [bedrijf 1] BV ten bedrage

van in totaal circa Euro 187.429,64 (zonder btw) (te weten: D-0431 en/of

D-0204 en/of D-1160 en/of D-1161 en/of D-1162 en/of D-1163 en/of D-1164 en/of

D-1165 en/of D-1166 en/of D-1167 en/of D-1168 en/of D-0465 en/of D-0466 en/of

D-0467 en/of D-0468 en/of D-0469),

en/of

twaalf (12), althans een of meer, factu(u)r(en) van hem, verdachte, en/of

[bedrijf 9] gericht aan [medeverdachte 1] en/of [bedrijf 2] BV ten bedrage

van in totaal circa Euro 137.497,51 (zonder btw) (te weten: D-0470 en/of

D-0471 en/of D-0434 en/of D-0472 en/of D-0473 en/of D-0474 en/of D-0475 en/of

D-0476 en/of D-0477 en/of D-0478 en/of D-0479 en/of D-0432))

zijnde telkens (een) geschrift(en) dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van

enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt en/of doen opmaken en/of laten

opmaken en/of vervalst en/of doen vervalsen en/of laten vervalsen, immers

heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) valselijk en/of in strijd

met de waarheid -zakelijk weergegeven-

op/in die factu(u)r(en) vermeld dat door hem, verdachte en/of [bedrijf 9]

werkzaamheden en/of diensten (te weten: "advisory and consultancy services")

zijn verricht ten behoeve van/voor [medeverdachte 1] en/of [bedrijf 1] BV

en/of [bedrijf 2] BV, terwijl in werkelijkheid die werkzaamheden en/of

diensten niet, althans niet in zijn geheel, door hem, verdachte, en/of

[bedrijf 9] zijn verricht ten behoeve van/voor [medeverdachte 1] en/of [bedrijf 1]

[bedrijf 1] BV en/of [bedrijf 2] BV

en/of (telkens)

op/in die factu(u)r(en) (een) factuurbedrag(en) vermeld dat/die in

werkelijkheid geen, althans niet volledig, betrekking heeft/hebben op de in

die factu(u)r(en) vermelde(n) werkzaamheden en/of diensten,

zulks (telkens) met het oogmerk om dat/die geschrift(en) als echt en

onvervalst te gebruiken en/of door anderen te doen gebruiken;

Artikel 225 lid 1 jo artikel 47 Wetboek van Strafrecht

art 225 lid 1 Wetboek van Strafrecht

5.

(niveau 2):

Hij in of omstreeks de periode van 22 november 2010 tot en met heden te Haren

(Groningen), en/of Leusden en/of Utrecht, in elk geval in Nederland, en/of te

Praag, in elk geval in Tsjechië, tezamen en in vereniging met een ander of

anderen, althans alleen, (van) één of meer voorwerp(en), te weten een of een

meer geldbedrag(en) tot een totaal bedrag van circa Euro 324.927,15 (zonder

btw) (zie: o.a. AH-042), bestaande uit

circa Euro 187.429,64 (zonder btw) (ontvangen (van [medeverdachte 1] ) op basis van

de factu(u)r(en) D-0431 en/of D-0204 en/of D-1160 en/of D-1161 en/of D-1162

en/of D-1163 en/of D-1164 en/of D-1165 en/of D-1166 en/of D-1167 en/of D-1168

en/of D-0465 en/of D-0466 en/of D-0467 en/of D-0468 en/of D-0469)

en/of

circa Euro 137.497,51 (zonder btw) (ontvangen (van [medeverdachte 1] ) op basis van

de factu(u)r(en) D-0470 en/of D-0471 en/of D-0434 en/of D-0472 en/of D-0473

en/of D-0474 en/of D-0475 en/of D-0476 en/of D-0477 en/of D-0478 en/of D-0479

en/of D-0432),

in elk geval enig(e) geldbedrag(en),

de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding

en/of de verplaatsing heeft/hebben verborgen/verhuld en/of heeft/hebben

verborgen/verhuld wie de rechthebbende(n) op/het/de

voorwerp(en)/geldbedrag(en) was/waren en/of wie het/dat/die voorhanden

heeft/hebben gehad

en/of dat/die voorwerp(en)/geldbedrag(en) voorhanden heeft/hebben gehad en/of

heeft/hebben verworven en/of heeft/hebben omgezet en/of heeft/hebben

overgedragen en/of van dat/die voorwerp(en)/geldbedrag(en) gebruik

heeft/hebben gemaakt,

terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s), (telkens) wist(en) dat/die

voorwerp(en)/geldbedrag(en) geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of

middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf,

terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s), daarvan een gewoonte

heeft/hebben gemaakt;

Artikel 420bis/ter jo artikel 47 Wetboek van Strafrecht

art 420ter Wetboek van Strafrecht

art 420bis lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht

6.

(niveau 2):

Hij in of omstreeks de periode van 1 augustus 2010 tot en met 4 maart 2013 te

Leusden en/of Sint-Michielsgestel en/of Hilversum en/of Utrecht en/of Haren

(Groningen) en/of Amsterdam en/of Groningen en/of Enschede, in elk geval in

Nederland en/of te Willemstad, in elk geval op Curaçao, en/of te Praag, in elk

geval in Tsjechië, opzettelijk heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten

een organisatieverband van natuurlijke personen en/of rechtspersonen,

bestaande uit o.a. hem, verdachte, en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 1]

en/of [medeverdachte 7] en/of [medeverdachte 6] en/of [medewerker 3] en/of [medeverdachte 2]

en/of [medeverdachte 5] en/of [medeverdachte 4] en/of [bedrijf 8] BV (" [bedrijf 13]

[bedrijf 13] BV") en/of [bedrijf 1] BV en/of [bedrijf 2] BV en/of

[bedrijf 3] NV en/of [bedrijf 10] BV en/of [bedrijf 14] BV

en/of [bedrijf 4] BV en/of [bedrijf 11] BV en/of [bedrijf 6]

( [bedrijf 6] ) BV en/of [bedrijf 5] BV en/of [bedrijf 9] , welke organisatie

tot oogmerk heeft/had het plegen van misdrijven, namelijk onder meer

-oplichting van SNS Property Finance BV (met ingang van 1 januari 2014 genaamd

Propertize BV) en/of SNS Reaal NV (artikel 326 Wetboek van Strafrecht)

-verduistering in dienst betrekking bij SNS Property Finance BV en/of SNS

Reaal NV (artikel 321/322 Wetboek van Strafrecht)

-actieve en/of passieve niet-ambtelijke omkoping (artikel 328ter Wetboek van

Strafrecht)

-(gewoonte)witwassen (artikel 420bis/ter Wetboek van Strafrecht)

-valsheid in geschrifte (artikel 225 Wetboek van Strafrecht);

Artikel 140 Wetboek van Strafrecht

art 140 lid 1 Wetboek van Strafrecht

BIJLAGE II: bewijsmiddelenoverzicht facturen

Nummer

Afkomstig van

Gericht aan

Omschrijving

Factuurdatum

Bedrag (excl. BTW)

Betaaldatum

D-0431

[bedrijf 9]

[bedrijf 1] B.V.

Advisory and consultancy services September 2010

3 januari 2011

€ 5.231,25

22 november 2010

D-0204

[bedrijf 9]

[bedrijf 1] B.V.

Advisory and consultancy services September 2010

3 december 2010

€ 5.042,50

3 december 2010

D-1160

[bedrijf 9]

[bedrijf 1] B.V.

Advisory and consultancy services November 2010

3 januari 2011

€ 9.585,00

3 januari 2011

D-1161

[bedrijf 9]

[bedrijf 1] B.V.

Advisory and consultancy services December 2010

27 januari 2011

€ 9.450,00

28 januari 2011

D-1162

[bedrijf 9]

[bedrijf 1] B.V.

Consultancy services January 2011

16 februari 2011

€ 11.181,25

22 februari 2011

D-1163

[bedrijf 9]

[bedrijf 1] B.V.

Advisory and consultancy services February 2011

21 maart 2011

€ 10.101,25

22 maart 2011

D-1164

[bedrijf 9]

[bedrijf 1] B.V.

Advisory and consultancy services February 2011

13 april 2011

€ 13.201,25

15 april 2011

D-1165

[bedrijf 9]

[bedrijf 1] B.V.

Advisory and consultancy services April 2011

16 mei 2011

€ 11.737,50

16 mei 2011

D-1166

[bedrijf 9]

[bedrijf 1] B.V.

Advisory and consultancy services May 2011

16 juni 2011

€ 15.787,50

17 juni 2011

D-1167

[bedrijf 9]

[bedrijf 1] B.V.

Advisory and consultancy services June 2011

16 juli 2011

€ 12.952,25

21 juli 2011

D-1168

[bedrijf 9]

[bedrijf 1] B.V.

Advisory and consultancy services July 2011

17 augustus 2011

€ 14.553,13

19 augustus 2011

D-0465

[bedrijf 9]

[bedrijf 1] B.V.

Advisory and consultancy services August 2011

9 september 2011

€ 7.353,00

12 september 2011

D-0466

[bedrijf 9]

[bedrijf 1] B.V.

Advisory and consultancy services September 2011

5 oktober 2011

€ 14.416,63

11 oktober 2011

D-0467

[bedrijf 9]

[bedrijf 1] B.V.

Advisory and consultancy services October 2011

8 november 2011

€ 15.791,00

10 november 2011

D-0468

[bedrijf 9]

[bedrijf 1] B.V.

Advisory and consultancy services November 2011

8 december 2011

€ 16.046,13

9 december 2011

D-0469

[bedrijf 9]

[bedrijf 1] B.V.

Advisory and consultancy services December 2011

14 januari 2012

€ 15.000,00

16 januari 2012

Totaal: € 187.429,64

D-0470

[bedrijf 9]

[bedrijf 2] B.V.

Advisory and consultancy services January 2012

11 februari 2012

€ 16.352,50

13 februari 2012

D-0471

[bedrijf 9]

[bedrijf 2] B.V.

Advisory and consultancy services February 2012

12 maart 2012

€ 15.277,50

12 maart 2012

D-0434

[bedrijf 9]

[bedrijf 2] B.V.

Advisory and consultancy services March 2012

19 april 2012

€ 15.476,75

10 en 20 april 2012

D-0472

[bedrijf 9]

[bedrijf 2] B.V.

Advisory and consultancy services March 2012

9 mei 2012

€ 15.463,00

10 en 18 mei 2012

D-0473

[bedrijf 9]

[bedrijf 2] B.V.

Advisory and consultancy services May 2012

25 juni 2012

€ 10.205,88

25 juni 2012

D-0474

[bedrijf 9]

[bedrijf 2] B.V.

Advisory and consultancy services June 2012

16 juli 2012

€ 10.350,00

18 en 23 juli 2012

D-0475

[bedrijf 9]

[bedrijf 2] B.V.

Advisory and consultancy services July 2012

21 augustus 2012

€ 10.000,00

22 augustus en 7 september 2012

D-0476

[bedrijf 9]

[bedrijf 2] B.V.

Advisory and consultancy services August 2012

14 augustus 2012

€ 5.185,00

14 september 2012

D-0477

[bedrijf 9]

[bedrijf 2] B.V.

Advisory and consultancy services September 2012

18 oktober 2012

€ 9.982,25

19 oktober 2012

D-0478

[bedrijf 9]

[bedrijf 2] B.V.

Advisory and consultancy services October 2012

15 november 2012

€ 13.187,13

2 en 4 december 2012

D-0479

[bedrijf 9]

[bedrijf 2] B.V.

Advisory and consultancy services November 2012

16 januari 2013

€ 11.017,50

19 december 2012 en 26 januari 2013

D-0432

[bedrijf 9]

[bedrijf 2] B.V.

Advisory and consultancy services December 2012

9 februari 2013

€ 5.000,000

8 februari 201385

Totaal: € 137.497,51

BIJLAGE III: de bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte]

Niveau 2

2.

[medeverdachte 1] in of omstreeks de periode van 11 november 2010 tot en met 28 februari 2013 in Nederland, anders dan als ambtenaar, optredend als lasthebber van SNS Property Finance BV (in de functie van interim-manager en/of (daarbij) belast met het aansturen van nationale en internationale equity participaties van SNSPF alsmede het behandelen van andere door de Directie van SNSPF te bepalen dossiers en/of in de functie van (tijdelijk) bestuurder en/of commissaris), naar aanleiding van hetgeen hij, die [medeverdachte 1] , bij de uitvoering van zijn lasten heeft gedaan, telkens een belofte, te weten de toezegging/instemming om een vast gedeelte/bedrag per gewerkt/te declareren uur aan hem, [medeverdachte 1] (en/of zijn bedrij(f)(ven)), te betalen en giften, te weten

de betaling van in totaal Euro 184.940,- (exclusief btw) door [medeverdachte 6] en/of zijn bedrijf

en

de betaling van in totaal Euro 175.987,50 (exclusief btw) door [medewerker 2] en/of zijn bedrijf

en

de betaling van in totaal Euro 282.862,50 (exclusief btw) door [medewerker 1] en/of zijn bedrijf

en

de betaling van in totaal circa Euro 289.908,75 (exclusief btw) door [medeverdachte 5] en/of zijn bedrijf

en

de betaling van in totaal Euro 276.787,50 (exclusief btw) door [medeverdachte 4] en/of zijn bedrijf

heeft aangenomen en dit aannemen in strijd met de goede trouw telkens heeft verzwegen tegenover zijn lastgever,

welke bovenomschreven gedragingen door hem, verdachte, tezamen en in vereniging met deze [medeverdachte 1] zijn medegepleegd;

3.

in de periode van 29 november 2010 tot en met 26 januari 2013 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, telkens aan iemand, die anders dan als ambtenaar, te weten

[medeverdachte 4] , optredend als lasthebber van SNS Property Finance BV (in de functie van Equity manager en/of (daarbij) belast met het management van de nationale en internationale equity posties van SNS PF en alle daaruit voortvloeiende werkzaamheden),

naar aanleiding van hetgeen deze [medeverdachte 4] bij de uitvoering van diens last heeft gedaan, telkens een

belofte, te weten de toezegging/instemming om een vast gedeelte/bedrag per door [medewerker 2] en [medewerker 1] gewerkt/te declareren uur aan [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] (en/of zijn/hun bedrij(f)(ven)) te betalen en giften, te weten

de betaling van in totaal Euro 40.378,16 (exclusief btw) aan [medeverdachte 5] en/of zijn bedrijf

en

de betaling van in totaal Euro 798,75 (exclusief btw) aan [medeverdachte 4] en/of zijn bedrijf en een verrekening van in totaal Euro 45.101,42 (exclusief btw) met het door [medeverdachte 4] te betalen resterende

en/of (nog) verschuldigde geldbedrag aan hem, verdachte, en/of zijn mededader(s),

heeft gedaan van die aard en onder zodanige omstandigheden dat hij, verdachte, en zijn mededader(s) redelijkerwijs moesten aannemen dat die [medeverdachte 4] deze belofte en giften in strijd met de goede trouw zou verzwijgen tegenover zijn lastgever;

4.

in de periode van 3 december 2010 tot en met 9 februari 2013 te Haren, tezamen en in vereniging met een ander,

zestien (16) facturen van [bedrijf 9] gericht aan [bedrijf 1] BV ten bedrage van in totaal Euro 187.429,64 (exclusief btw) (te weten: D-0431 en D-0204 en D-1160 en D-1161 en D-1162 en D‑1163 en D-1164 en D-1165 en D-1166 en D-1167 en D-1168 en D-0465 en D-0466 en D-0467 en D-0468 en D-0469),

en

twaalf (12) facturen van [bedrijf 9] gericht aan [bedrijf 2] BV ten bedrage van in totaal Euro 137.497,51 (exclusief btw) (te weten: D-0470 en D-0471 en D-0434 en D-0472 en D-0473 en D‑0474 en D-0475 en D-0476 en D-0477 en D-0478 en D-0479 en D-0432),

zijnde telkens een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt, immers hebben hij, verdachte, en zijn mededader valselijk en in strijd met de waarheid zakelijk weergegeven-

op die facturen vermeld dat door hem, verdachte en/of [bedrijf 9] werkzaamheden en/of diensten (te weten: "advisory and consultancy services") zijn verricht ten behoeve van/voor [medeverdachte 1] en/of [bedrijf 1] BV en/of [bedrijf 2] BV, terwijl in werkelijkheid die werkzaamheden en/of

diensten niet door hem, verdachte, en/of [bedrijf 9] zijn verricht ten behoeve van/voor [medeverdachte 1] en/of [bedrijf 1] BV en/of [bedrijf 2] BV

en telkens

op die facturen factuurbedragen vermeld die in werkelijkheid geen betrekking hebben op de in die facturen vermelde werkzaamheden en/of diensten,

zulks telkens met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken en/of door anderen te doen gebruiken;

5.

in de periode van 22 november 2010 tot en met 8 februari 2013 te in Nederland en/of in Tsjechië, tezamen en in vereniging met een ander, van voorwerpen, te weten geldbedragen tot een totaalbedrag van Euro 324.927,15 (exclusief btw), bestaande uit

Euro 187.429,64 (exclusief btw) ontvangen van [medeverdachte 1] op basis van de facturen D-0431 en D‑0204 en D-1160 en D-1161 en D-1162 en D-1163 en D-1164 en D-1165 en D-1166 en D-1167 en D-1168 en D-0465 en D-0466 en D-0467 en D-0468 en D-0469

en

Euro 137.497,51 (exclusief btw) ontvangen van [medeverdachte 1] op basis van de facturen D-0470 en D‑0471 en D-0434 en D-0472 en D-0473 en D-0474 en D-0475 en D-0476 en D-0477 en D-0478 en D-0479 en D-0432,

de werkelijke aard heeft verhuld en die geldbedragen voorhanden heeft gehad, terwijl hij, verdachte, en zijn mededader, telkens wisten dat die geldbedragen onmiddellijk afkomstig waren uit enig misdrijf, terwijl hij, verdachte, en zijn mededader, daarvan een gewoonte hebben gemaakt;

6.

in de periode van 1 augustus 2010 tot en met 4 maart 2013 in Nederland en/of in Tsjechië, opzettelijk heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een organisatieverband van natuurlijke personen en rechtspersonen, bestaande uit hem, verdachte, en [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 5] en [medeverdachte 4] en [bedrijf 8] BV en [bedrijf 1] BV en [bedrijf 2] BV en [bedrijf 3] NV en [bedrijf 4] BV en [bedrijf 6] ( [bedrijf 6] ) BV en [bedrijf 5] BV en [bedrijf 9] , welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk

- actieve en passieve niet-ambtelijke omkoping

- gewoontewitwassen

- valsheid in geschrift.

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende FIOD dossier, nummer 51693, bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering (onderzoek Mount Nepal, inhoudende 28 ordners). Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. AH staat voor ambtshandeling, V staat voor proces-verbaal van verhoor verdachte en G staat voor proces-verbaal verhoor getuige. Waar wordt verwezen naar D betreft het andere geschriften als bedoeld in artikel 344, eerste lid, onder 5, van het Wetboek van Strafvordering.

2 AH-020, pagina 2

3 D-1330

4 D-1330

5 V04-05, pagina 10

6 V04-05, pagina 11

7 D-0275, pagina 1 en 2

8 V04-05, pagina 3

9 V01-10, pagina 3

10 V01-10, pagina 4

11 D-0258, pagina 3

12 V15-01, pagina 3

13 D-0230

14 AH-042, pagina 2

15 V04-07, pagina 9

16 V04-07, pagina 10

17 V04-05, pagina 6

18 V04-05, pagina 7

19 V04-06, pagina 8

20 V01-12, pagina 6

21 V01-10, pagina 4

22 V10-01, pagina 2

23 V11-01, pagina 3

24 V12-03, pagina 2

25 [bedrijf 7] : D-0167 en [bedrijf 8] : D-0152

26 V15-01, pagina 2

27 AH-042, pagina 27

28 V15-01, pagina 3

29 V15-01, pagina 4

30 V15-01, pagina 5

31 V15-01, pagina 8

32 V15-01, pagina 9

33 V04-07, pagina 14

34 V04-05, pagina 6

35 V04-05, pagina 8

36 V04-05, pagina 9

37 V04-05, pagina 8

38 V15-01, pagina 5

39 V15-01, pagina 6

40 Bijlage II: bewijsmiddelenoverzicht facturen

41 V08-01, pagina 3

42 V08-01, pagina 4

43 V08-01, pagina 5

44 V08-01, pagina 6

45 V04-06, pagina 10

46 V04-06, pagina 11

47 AH-042, pagina 8

48 AH-042, pagina 8

49 AH-067, pagina 9

50 D-0314

51 V11-01, pagina 3

52 V11-01, pagina 4

53 V11-01, pagina 3

54 V11-01, pagina 4

55 V11-01, pagina 6

56 V04-07, pagina 12

57 V04-07, pagina 11

58 AH-042, pagina 24

59 AH-042, pagina 25

60 V11-01, pagina 8

61 V11-01, pagina 8

62 AH-067, pagina 28

63 D-0386

64 AH-042, pagina 25

65 V12-01, pagina 3

66 V12-01, pagina 5

67 V04-07, pagina 12

68 V04-07, pagina 12

69 V04-07, pagina 13

70 AH-042, pagina 20

71 AH-042, pagina 21

72 V12-01, pagina 7

73 V12-02, pagina 10

74 V12-03, pagina 4

75 AH-042, pagina 21

76 V14-01, pagina 4

77 V14-01, pagina 6

78 V14-01, pagina 7

79 V13-01, pagina 3

80 V13-01, pagina 8

81 V4-07, pagina 16

82 AH-042, pagina 16

83 AH-042, pagina 18

84 AH-042, pagina 16 en 18

85 AH-042, pagina 28