Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2016:2708

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
25-05-2016
Datum publicatie
16-06-2016
Zaaknummer
4716122 ac expl 15-5854
Rechtsgebieden
Intellectueel-eigendomsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geen auteursrecht op gegevens van bouwmodel van legervoertuig: ontleend aan origineel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

kantonrechter

locatie Amersfoort

zaaknummer: 4716122 AC EXPL 15-5854

Vonnis van 25 mei 2016, bij vervroeging

inzake

[eiser],

wonende te [woonplaats] ,

eisende partij,

gemachtigde: mr. L.A. Bettonvil,

tegen:

[gedaagde],

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde partij,

gemachtigde: mr. C.G.A. van Meel.

Partijen worden hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd.

1 Het procesverloop

1.1

Het procesverloop blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met producties aan de zijde van [eiser]

  • -

    het antwoord met producties aan de zijde van [gedaagde]

  • -

    de brief van [gedaagde] van 14 maart 2016 met drie nadere producties

  • -

    de brief van [gedaagde] van 26 april 2016 met een nadere productie

  • -

    de brief van [eiser] van 4 mei 2016 met een nadere productie

  • -

    de comparitie van partijen op 12 mei 2016.

1.2

Vervolgens is vonnis bepaald.

2 Defeiten

2.1

[eiser] en [gedaagde] hebben modelbouw als hobby. [eiser] interesseert zich daarbij in het model van een door de Koninklijke Landmacht in het midden van de vorige eeuw in Indonesië gebruikte zogenaamde overvalwagen. Van dit militaire pantservoertuig bestonden acht verschillende types. [eiser] heeft onderzoek gedaan naar de gegevens van de overvalwagen (hierna: de wagen). Er bestaan, voor zover bekend, geen originele exemplaren meer van de wagen. Wel bevinden zich in Indonesië nog twee exemplaren ervan (van twee van de acht types), die beide zijn omgebouwd tot treinvoertuig. Deze bevinden zich in Djakarta en Bandung.

2.2

De Nederlandse militaire attaché in Indonesië heeft op verzoek van [eiser] het (tot treinstel omgebouwde) exemplaar van de wagen in Djakarta opgemeten. Met deze maten en de overige door [eiser] verzamelde informatie (onder meer foto’s uit die tijd) heeft [eiser] (in of voor 2001) een schets van de wagen gemaakt, waarop de wagen eenmaal van opzij en eenmaal van boven is weergegeven, met vermelding van de genoemde maten.

2.3

Vervolgens heeft [gedaagde] op verzoek van [eiser] , met gebruikmaking van het zogenaamde CAD-programma op de computer een tekening van de wagen gemaakt. Daarbij heeft hij twee types onderscheiden, op basis van de twee nog bestaande, omgebouwde, exemplaren. Deze exemplaren zijn in die tekening respectievelijk ‘type Ford’ en ‘type Chevrolet’ genoemd. Op deze twee tekeningen zijn de beide types van boven en van alle zijden weergegeven. Met het gebruikte computerprogramma heeft [gedaagde] berekend dat die exemplaren, althans ‘type Ford’, niet de ingevoerde maten kunnen hebben gehad, omdat die maten, in onderling verband bezien, elkaar uitsloten. Met name bleek het onmogelijk om met die maten een sluitende hoekberekening uit te voeren.

2.4

[eiser] heeft naar aanleiding daarvan een bevriende modelbouwer, [A] , bereid gevonden de twee omgebouwde exemplaren in Indonesië te bekijken en nauwkeurig op te meten. Met de daarbij gevonden maten heeft [gedaagde] een nieuwe computertekening gemaakt van het type Ford. De door [gedaagde] gemaakte tekeningen worden hierna aangeduid als de tekeningen. In vervolg op de tekeningen heeft [gedaagde] , zelfstandig, nadere werkzaamheden verricht teneinde te komen tot een bouwmodel van de wagen. Daartoe heeft hij onder meer een kartonnen model van de wagen gemaakt.

2.5

In september 2013 is [eiser] ervan op de hoogte geraakt dat [gedaagde] gegevens omtrent de wagen aan een bevriende modelbouwer, ene [B] , heeft gegeven, die (mede) aan de hand daarvan een bouwmodel van de (beide types Ford en Chevrolet van de) wagen heeft geproduceerd of doen produceren, dat hij op zijn website ter verkoop aanbiedt voor € 20,50 per stuk.

3 Het geschil

3.1

[eiser] vordert dat de kantonrechter [gedaagde] , uitvoerbaar bij voorraad, veroordeelt om:

1. (primair) € 2.710,- aan [eiser] te betalen, althans een door de kantonrechter in goede justitie vast te stellen lager bedrag, dan wel (subsidiair) de door [eiser] geleden schade te vergoeden welke dient te worden opgemaakt bij staat en vereffend volgens de wet, (telkens) de te betalen bedragen te verhogen met de wettelijke rente vanaf 23 december 2015 tot aan de betaling,

2. de kosten van dit geding te dragen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na het te wijzen vonnis tot aan de betaling.

3.2

[eiser] baseert zijn vordering op de stelling dat [gedaagde] door het afgeven aan [B] van gegevens omtrent de wagen, waaronder de tekeningen, het uitsluitend aan [eiser] dan wel het gezamenlijk aan [eiser] en [gedaagde] toekomende auteursrecht op die tekeningen heeft geschonden. Indien van dat auteursrecht geen sprake is, heeft [gedaagde] door die afgifte onrechtmatig jegens [eiser] gehandeld, naar [eiser] stelt. Door [gedaagde] ’s handelswijze kan [eiser] naar zijn zeggen niet meer zelf een bouwmodel van de wagen op de markt brengen, waardoor hij inkomsten misloopt en gemaakte kosten niet meer vergoed kan krijgen. Daarop ziet de gevorderde som.

3.3

[gedaagde] voert verweer. Op de standpunten van partijen wordt nader ingegaan bij de beoordeling van het geding.

4 De beoordeling

4.1

[eiser] stelt primair dat hem (alleen dan wel samen met [gedaagde] ) auteursrecht toekomt op de tekeningen die [gedaagde] op diens computer heeft gemaakt en dat het afgeven van die tekeningen (met de daarin vervatte gegevens) door [gedaagde] aan [B] (zonder [eisers] wetenschap en akkoord) een ongeoorloofde vermenigvuldiging en openbaarmaking vormt in de zin van de Auteurswet.

4.2

Voor het welslagen van de op deze stellingen gebaseerde vordering van [eiser] is allereerst vereist dat de bedoelde tekeningen een beschermd werk betreffen in de zin van die wet. Daartoe dienen de tekeningen een eigen, oorspronkelijk karakter te hebben en het persoonlijk stempel van de maker te dragen. Dit betekent dat sprake moet zijn van een vorm die het resultaat is van scheppende menselijke arbeid en dus van creatieve keuzes. Daarbuiten valt in elk geval al hetgeen een vorm heeft die zo banaal of triviaal is, dat daarachter geen creatieve arbeid van welke aard ook valt aan te wijzen. De keuzes van de maker mogen niet louter een technisch effect dienen of te zeer het resultaat zijn van een door technische uitgangspunten beperkte keuze.

4.3

[eiser] heeft, in zijn dagvaarding en zoals ter zitting nader toegelicht, de volgende elementen in de tekeningen genoemd die meebrengen dat de tekeningen zijns inziens aan het voormelde criterium voldoen, welke elementen door hem zijn samengevat onder de noemer ‘het uiterlijk van de pantserromp’:

a. a) de locatie waar zich de benzineklep van de wagen bevindt

b) de totale lengte van de wagen, als gevolg van de mate waarin de aan de achterkant van de wagen getekende treeplank uitsteekt

c) de vorm en afmeting van de luchtinlaat aan de onder-voorzijde van de wagen

d) het toegevoegd zijn van een motorluik aan de wagen, aan de midden-voorzijde van de wagen

e) het weglaten van een uitlaatpijp.

4.4

[gedaagde] heeft betwist dat de tekeningen een auteursrechtelijk werk zijn. Die tekeningen en de daarin vervatte, genoemde, elementen zijn naar zijn stelling ontleend aan het uiterlijk van de wagen, zoals blijkend uit de gedane metingen en hetgeen er overigens over dat uiterlijk bekend is. Van de genoemde scheppende arbeid en creatieve keuzes is daarom geen sprake, naar hij stelt.

4.5

Ter zitting heeft [eiser] verklaard dat de locatie van de benzineklep op de tekeningen is gebaseerd op een waarneming van [A] bij het bekijken van de twee omgebouwde exemplaren in Indonesië. Die waarneming hield in dat zich op de desbetreffende plek een gave ronde opening bevond die was dichtgelast. Omdat een dergelijke opening elders op die beide exemplaren niet werd waargenomen en gezien de omvang van de opening, is het een reële aanname dat dat gat de voormalige benzineklep betreft. Deze verklaring leidt de kantonrechter tot het oordeel dat de locatie van de benzineklep door [eiser] aan het (voormalige) uiterlijk van de wagen is ontleend en daarom geen creatieve keuze betreft. Aan die locatie komt daarom geen betekenis toe bij de toets van het oorspronkelijkheidsvereiste.

4.6

Wat de totale lengte van de wagen betreft geldt het volgende. Op grond van wat ter zitting is verklaard staat vast dat die lengte wordt bepaald door de lengte van de wagen zonder treeplank, zoals blijkend uit de door [A] gedane metingen, vermeerderd met de mate waarin de aan de achterzijde ingetekende treeplank uitsteekt. Dát de originele wagen een treeplank aan de achterzijde had die uitstak, is kenbaar uit bewaard gebleven foto’s van de wagen. Het komt hier aldus uitsluitend aan op de mate van uitsteken van de treeplank als eventueel creatief element. [eiser] heeft ter zitting toegelicht dat de precieze mate van uitsteken bij de originele wagen niet bekend is, dat die mate daarom op basis van de foto’s grofweg is geschat maar dat het bij het intekenen er niet toe deed hoeveel de treeplank precies uitstak. Ten aanzien van de precieze mate van uitsteken bij het intekenen heeft [gedaagde] daarom ‘maar wat gedaan’, aldus [eiser] . Op die grond kan ook van dat uitsteken (en daarmee van de totale lengte van de wagen op de tekeningen) niet worden gezegd dat het gaat om een creatieve keuze van [eiser] en/of [gedaagde] .

4.7

De vorm en afmeting van de luchtinlaat aan de onder-voorzijde van de wagen

is gebaseerd, aldus [eiser] ter zitting, op bewaard gebleven foto’s van de diverse types van de wagen. Die vorm en afmeting verschilden per type. De ingetekende luchtinlaat is aan een van die types ontleend. Ook hier is daarom geen sprake van een creatieve keuze bij dat intekenen. Niet is gesteld of gebleken dat de ingetekende luchtinlaat in het verleden op een ander type wagen aanwezig was dan op de getekende types Ford en Chevrolet. Ook van een creatieve keuze in de combinatie van een bepaalde luchtinlaat met een bepaald type wagen is daarom geen sprake.

4.8

Ten aanzien van het toegevoegde motorluik is evenmin sprake van een creatieve keuze. Naar [eiser] immers ter zitting heeft verklaard is op bewaard gebleven foto’s van de wagen te zien dat sommige exemplaren wel en andere exemplaren geen motorluik hadden. Het ingetekende motorluik is ontleend aan een foto waarop een dergelijk luik zichtbaar was. De omvang en de plek van het ingetekende motorluik is bovendien gebaseerd op de metingen die [A] aan de omgebouwde wagens heeft verricht. Ook hier is niet gesteld of gebleken dat het ingetekende motorluik in het verleden op een ander type wagen aanwezig was dan op de getekende types Ford en Chevrolet. Ook van een creatieve keuze in de combinatie van dat motorluik met een bepaald type wagen is daarom geen sprake.

4.9

Omtrent de weggelaten uitlaatpijp heeft [eiser] ter zitting verklaard dat op de bewaard gebleven foto’s een dergelijke pijp niet zichtbaar was, dat hem ook overigens geen gegevens bekend waren over (plaats, omvang en vorm van) de uitlaatpijp, dat hij daarnaar nog verder onderzoek wilde doen en dat hij in afwachting daarvan die pijp nog niet in de tekening opgenomen wilde zien. Dit sluit aan bij de verklaring van [gedaagde] , inhoudend dat [eiser] en hij het niet over een uitlaatpijp hebben gehad. Het vooralsnog weglaten van een bepaald element in de tekeningen in de verwachting dat element op een later tijdstip (na ontlening aan het origineel) alsnog toe te kunnen voegen, vormt geen creatieve keuze in de hier vereiste zin.

4.10

De slotsom moet zijn dat ten aanzien van geen van de door [eiser] aangevoerde elementen in de tekeningen sprake is van een creatieve keuze, zodat zijn stelling dat de tekeningen auteursrechtelijk beschermd zijn, faalt. Aan de beantwoording van de vraag of dat auteursrecht, als dat anders was geweest, aan hem alleen of aan hem en [gedaagde] samen toekwam, wordt daarom niet toegekomen. Voor zover [eisers] vordering op het auteursrecht is gebaseerd, moet zij worden afgewezen.

4.11

Vervolgens dient beoordeeld te worden of het verstrekken van de bedoelde gegevens door [gedaagde] aan [B] een onrechtmatige daad van [gedaagde] jegens [eiser] betekende en zo ja, of de schadevordering van [eiser] op die voet toewijsbaar is. Het gaat daarbij om de tekeningen met bijbehorend fotomateriaal en de gegevens die [gedaagde] in vervolg daarop heeft verkregen door zelf een kartonnen bouwmodel van de wagen te maken.

4.12

[eiser] stelt dat de door hem aan [gedaagde] aangeleverde gegevens het resultaat zijn van diepgravende studie zijnerzijds (met bijbehorende tijdsinvestering en kosten), waardoor die gegevens als het ware zijn eigendom zijn en het [gedaagde] niet vrij stond de tekeningen aan [B] te geven, met het gevolg dat de studie en kosten van [eiser] daardoor niet meer renderend konden worden gemaakt. [eiser] had immers, naar hij stelt, het plan om aan de hand van die tekeningen en nadien te verrichten vervolgstudie, zelf een bouwmodel van de wagen te ontwikkelen en op de markt te brengen. Nu hem die kans door [B] ’ handelen is ontnomen, dient [gedaagde] naar zijn oordeel hem zijn onderzoekskosten te vergoeden (kopiekosten € 275,-, aanschafkosten boeken € 573,40, reiskosten € 861,90), alsmede de gemiste verkoopopbrengst van een ‘master’ (een prototype van een bouwmodel), te weten tweemaal € 500,-.

4.13

[gedaagde] bestrijdt ook deze grondslag, onder meer stellend dat onder de groep modelbouwers waartoe [eiser] , hijzelf en [B] behoren het gebruik is dat gegevens rond bepaalde modellen onderling worden uitgewisseld, waarbij men elkaar belangeloos verder helpt bij het uitoefenen van de hobby. Voorts bestrijdt hij dat [eiser] blijvend het plan heeft gehad zelf een bouwmodel van de wagen te ontwikkelen en op de markt te brengen en bestrijdt hij de individuele kostenposten die [eiser] opvoert. De gegevens die [eiser] hem heeft aangeleverd (voor zover bruikbaar en als onderdeel van de tekeningen aan het door [B] ontwikkelde bouwmodel ten grondslag liggend), zijn naar stelling van [gedaagde] alle gegevens die (zeker) voor de desbetreffende hobbyisten zonder al teveel inspanning algemeen kenbaar zijn uit de beschikbare bronnen (zoals gangbare handboeken, fotomateriaal en de twee in Indonesië aanwezige, tot treinvoertuig omgebouwde, exemplaren van de wagen).

4.14

Voor de toewijsbaarheid van de vordering op deze grondslag is vereist (1) dat de gegevens aan de hand waarvan [B] zijn bouwmodel van de wagen heeft ontwikkeld in relevante mate zijn gebaseerd op de aanvankelijk door [eiser] aan [gedaagde] meegedeelde gegevens en (2) dat die laatstbedoelde gegevens (in het algemeen gezien) slechts met een zodanige mate van inspanning en kosten door [eiser] konden worden verkregen, dat het niet aangaat dat [gedaagde] deze zonder toestemming van [eiser] doorspeelde aan [B] . Naar het oordeel van de rechtbank heeft [eiser] , gezien de onder 2.2 tot en met 2.4 omschreven gang van zaken (met name gezien de computermatige correctie door [gedaagde] van de door [eiser] aangeleverde meetgegevens en het door [gedaagde] zelf ontwikkelde kartonnen bouwmodel), alsmede gezien het onvoldoende weersproken verweer van [gedaagde] omtrent de (onder de hobbyisten) algemene kenbaarheid van de door [eiser] aan [gedaagde] aangeleverde gegevens, niet voldoende onderbouwd dat het genoemde dubbelcriterium hier is vervuld. Dat betekent dat [eiser] de gestelde grondslag van de vordering niet voldoende heeft onderbouwd, zodat ook die grondslag faalt.

4.15

Het voorgaande betekent dat de gehele vordering moet worden afgewezen en dat [eiser] daarvan, als de in het ongelijk gestelde partij, de kosten dient te dragen. Die kosten worden aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op

€ 79,- aan vast recht

€ 150,- salaris gemachtigde (twee salarispunten ad € 75,- per punt).

€ 229,- totaal.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1

wijst de vordering af,

5.2

veroordeelt [eiser] in de gedingkosten, tot op heden aan de zijde van [gedaagde] begroot op € 229,-.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.A. Steenbergen, kantonrechter, en is in het openbaar uitgesproken op 25 mei 2016.

Coll: NG