Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2016:2686

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
18-05-2016
Datum publicatie
18-05-2016
Zaaknummer
16/705704-15
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2018:866, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 33-jarige vrouw uit Nederhorst den Berg is door de rechtbank Midden-Nederland vrijgesproken van dood door schuld van haar toenmalige vriendin in 2014. De vrouw overleed na een overdosis GHB die was ingeschonken door de 33-jarige verdachte. De rechtbank oordeelt dat verdachte de hoeveelheid GHB niet nauwkeurig heeft afgemeten, maar dat er geen strafrechtelijk verwijt gemaakt kan worden omdat er in juridische zin geen sprake is van onvoorzichtig handelen.

Om iemand te kunnen veroordelen voor dood door schuld moet de verdachte hebben kunnen voorzien dat bepaald gedrag zo onvoorzichtig is dat dat tot de dood kan leiden. In deze strafzaak betekent dat dus dat verdachte moest kunnen voorzien dat de door haar ingeschonken hoeveelheid de dood tot gevolg kon hebben.

De verdachte heeft verklaard dat zij niet wist vanaf welke hoeveelheid GHB gevaarlijk is, maar wel hoeveel zij altijd met de mensen om haar heen gebruikte. Dit zag verdachte als een veilige hoeveelheid die zij ook gaf aan het slachtoffer. Uit de wisselende verklaringen leidt de rechtbank af dat de verdachte niet meer weet wat zij precies heeft ingeschonken. De proef met het inschenken die verdachte heeft gedaan op het politiebureau acht de rechtbank niet betrouwbaar omdat de proef slechts eenmaal en een jaar later is gedaan en er gebruik is gemaakt van een ander glas. Daarnaast kan de concentratie van GHB niet worden vastgesteld omdat dit niet is onderzocht.

Op grond van het dossier kan de rechtbank niet vaststellen hoeveel GHB de verdachte heeft ingeschonken, of deze hoeveelheid meer was dan de normale gebruikershoeveelheid en wat de concentratie van de GHB was. De rechtbank oordeelt dat verdachte niet kon voorzien dat de dosering een dodelijke hoeveelheid was en spreekt de verdachte daarom vrij.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2016/150
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Lelystad

Parketnummer: 16/705704-15

Vonnis van de meervoudige kamer van 18 mei 2016

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [1982] te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] , [adres] .

1 HET ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.

Het onderzoek heeft plaatsgevonden ter openbare terechtzittingen van 20 april 2016 en 11 mei 2016, waarbij de verdachte tijdens eerstgenoemde zitting is verschenen, bijgestaan door mr. H. de Kroon, advocaat te Hilversum.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. R.E. Craenen en van de standpunten door de verdachte en haar raadsvrouw naar voren gebracht.

2 DE TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

zij op of omstreeks 29 maart 2014 te Nederhorst den Berg, gemeente Wijdemeren, althans in het arrondissement Midden-Nederland, roekeloos, in elk geval grovelijk, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onachtzaam en/of nalatig heeft gehandeld door aan [slachtoffer] , terwijl zij wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat deze geen/weinig ervaring had met het gebruik van verdovende middelen, een (te) grote hoeveelheid, althans meer dan een normale gebruikershoeveelheid van een verdovend en/of schadelijk middel (te weten GHB) (ter inname) aan te bieden en/of beschikbaar te stellen en/of toe te dienen, door genoemde hoeveelheid van dat middel in te schenken in een glas en/of dat glas en/of dat middel (vervolgens) aan die [slachtoffer] beschikbaar te stellen (ter inname),

waardoor het aan haar, verdachtes, schuld te wijten is geweest dat die [slachtoffer] zodanig letsel, (te weten een GHB-intoxicatie,) heeft bekomen, dat deze aan de gevolgen daarvan is overleden.

3 DE VOORVRAGEN

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 DE BEWIJSMIDDELEN EN DE BEOORDELING DAARVAN

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen. Daartoe heeft hij aangevoerd dat vastgesteld kan worden dat de dood van [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) is veroorzaakt door een overdosis GHB. De verdachte heeft, uitgaande van een hoeveelheid van 11,5 milliliter, ruim vier keer de normale gebruikershoeveelheid van 2,5 milliliter voor [slachtoffer] ingeschonken. Onder verwijzing naar het zogenoemde Speedbom-arrest heeft de officier van justitie aangevoerd dat GHB een middel is dat op lijst I van de Opiumwet voorkomt, zodat extreme voorzichtigheid geboden was. De verdachte beschikte over enige ervaring met het gebruik van GHB en [slachtoffer] was, vanwege haar gebrek aan ervaring, voor wat betreft de dosering volledig afhankelijk van het inzicht van de verdachte. Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken op grond waarvan de verdachte ervan uit mocht gaan dat het verstrekken van de GHB niet een onaanvaardbaar risico voor de gezondheid van [slachtoffer] met zich zou brengen. Ondanks dat de verdachte wist dat de dosering van GHB heel nauw luistert heeft zij ‘uit de losse pols’ GHB gedoseerd aan iemand die weinig of geen ervaring had met het gebruik van verdovende middelen. De verdachte heeft daarmee volgens de officier van justitie grovelijk onvoorzichtig gehandeld, waardoor het aan haar schuld te wijten is dat [slachtoffer] is overleden. De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van vier maanden met een proeftijd van drie jaren en een taakstraf van 240 uren.

Het standpunt van de verdediging

Door de raadsvrouw is vrijspraak bepleit. Zij heeft daartoe aangevoerd dat de dood van [slachtoffer] weliswaar is veroorzaakt door een GHB-intoxicatie, maar dat dit niet aan de verdachte kan worden toegerekend. [slachtoffer] , een volwassen vrouw, heeft immers zelf ingestemd met de inname van GHB en de enkele verstrekking van de GHB door de verdachte is onvoldoende voor een bewezenverklaring. Daarnaast mocht de verdachte ervan uitgaan dat het verstrekken van de GHB niet een onaanvaardbaar risico met zich bracht, nu ten eerste de concentratie GHB in het bloed van [slachtoffer] overlapt met concentraties die bij personen zijn aangetroffen die hier niet aan zijn overleden, ten tweede GHB niet bij het algemeen publiek en ook niet in gebruikerskringen bekend is als een potentieel dodelijke drug, de verdachte ten derde voldoende voorzorgsmaatregelen heeft genomen om een eventueel intredend gezondheidsrisico het hoofd te bieden, ten vierde de meting met het theeglas, waarbij de verdachte heeft voorgedaan hoeveel GHB zij voor [slachtoffer] had ingeschonken, onbetrouwbaar is en de verdachte ten slotte niet als een gemiddelde GHB-gebruiker kan worden gekenschetst. Zij heeft een in haar ogen normale gebruikershoeveelheid ingeschonken en niet kan worden vastgesteld dat zij meer dan de normale gebruikershoeveelheid heeft ingeschonken. De verdachte heeft aldus, volgens de raadsvrouw, niet aanmerkelijk onvoorzichtig, onachtzaam of nalatig gehandeld, zodat de dood van [slachtoffer] niet aan haar schuld te wijten is.

Het oordeel van de rechtbank

De feiten

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Op 30 maart 2014 trof de verdachte haar vriendin [slachtoffer] , met wie zij een relatie had, in de vroege ochtend dood aan in bed. De verdachte heeft verklaard dat zij [slachtoffer] in de avond van 29 maart 2014 rond 22.00 uur GHB heeft aangeboden, waarop [slachtoffer] aangaf dat zij dit wel wilde proberen. De verdachte heeft de GHB, die zij een aantal jaren terug van een bekende had gekregen en in een afgesloten spa rood flesje in haar slaapkamer achter haar schoenenkast bewaarde, ingeschonken in een theeglas en dit gemengd met cola, waarna [slachtoffer] eerst de eerste helft van het glas heeft leeggedronken en na zo’n tien tot vijftien minuten de tweede helft. De verdachte heeft die avond zelf geen GHB gebruikt. [slachtoffer] viel na anderhalf uur in slaap, is na enig porren van de verdachte nog wakker geworden en daarna naar haar eigen kant van het bed gerold. De verdachte heeft [slachtoffer] daarna nog tien minuten in de gaten gehouden en is vervolgens zelf ook in slaap gevallen. De volgende ochtend rond 05.45 uur bemerkte de verdachte dat [slachtoffer] niet meer leefde.

Door het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) is vastgesteld dat het restant van de vloeistof in het spa rood flesje, dat onder de verdachte in beslag is genomen, GHB bevat. De concentratie van de GHB is niet onderzocht.

Wat kan er omtrent de doodsoorzaak van [slachtoffer] worden vastgesteld?

De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld wat de doodsoorzaak van [slachtoffer] is geweest.

Toxicologisch onderzoek door het NFI naar de in het lichaamsmateriaal van [slachtoffer] aanwezige stoffen heeft uitgewezen dat in het femoraalbloed een hoge concentratie GHB van 206 mg/l is aangetroffen, alsook een hoge concentratie GHB van 3600 mg/l in de urine. De gemeten concentratie GHB in het femoraalbloed past volgens de toxicoloog bij concentraties die zijn gemeten bij personen die zijn overleden ten gevolge van een GHB overdosis. Maar omdat deze concentraties overlappen met concentraties bij personen die hier niet aan zijn overleden, kan op grond van alleen deze resultaten het overlijden niet worden verklaard. De conclusie van de toxicoloog is dat door de aanwezigheid van GHB het bewustzijn/gedrag van [slachtoffer] ten tijde van het overlijden is beïnvloed, en dat GHB in de gemeten concentratie een bijdrage kan hebben geleverd aan het overlijden van [slachtoffer] door het optreden van centraal dempende effecten, waarmee wordt bedoeld dat de hersenfuncties verminderen en er een soort slaap optreedt. Bij uitsluiting van een meer waarschijnlijke doodsoorzaak kan het overlijden van [slachtoffer] volgens de toxicoloog verklaard worden door de GHB.

Pathologisch onderzoek heeft uitgewezen dat bij [slachtoffer] , voor zover relevant, de volgende letsels zijn waargenomen:

  • -

    sub 3: een vaag begrensde, blauwe, onderhuidse bloeduitstorting in het gelaat ter plaatse van de rechter kaakhoek en in de diepere halsspieren daaronder;

  • -

    sub 4: een paarsblauwe bloeduitstorting in het onderhuidse weefsel rechts in de hals, kleine bloeduitstortingen in de oppervlakkige halsspieren en meer uitgesproken bloeduitstortingen in de diepe halsspieren voornamelijk in de onderste helft beiderzijds, bloeduitstorting in en om de onderpool van de rechterkwab van de schildklier;

  • -

    sub 5: een bloeduitstorting aan de binnenzijde van de bovenlip links;

  • -

    sub 11: toxicologisch onderzoek wees uit dat in het lichaamsmateriaal van [slachtoffer] GHB is aangetroffen, waarbij GHB in de gemeten concentratie een bijdrage kan hebben geleverd aan het overlijden van [slachtoffer] .

De patholoog merkt op dat de letsels sub 4 (de bloeduitstorting in hals, de halsspieren en de schildklier) bij leven recent, dat wil zeggen niet enige dagen voorafgaand aan het overlijden, zijn ontstaan en het gevolg zijn van uitwendig mechanisch samendrukkend en/of stomp botsend geweld, zoals bijvoorbeeld bij de keel grijpen, een ‘band’ om de hals aanbrengen, (zich) stoten of slaan. De letsels waren klein, en passen beter bij geringe geweldsinwerking dan bij grote(re) geweldsinwerking. Veranderingen die eventueel zouden kunnen passen bij substantieel omsnoerend geweld op de hals werden niet aangetroffen. Het ontbreken van deze afwijkingen sluit substantieel geweld op de hals echter niet volledig uit en daarom is (enige mate van) verstikking niet volledig uit te sluiten.

Het letsel aan de bovenlip (sub 5) was het gevolg van bij leven recent opgetreden inwerking van uitwendig mechanisch geweld. Dit geweld kan botsend of samendrukkend zijn. Indien er sprake was van samendrukkend geweld op de mond, waarbij ook de neus was bedekt, kan dit hebben geleid tot of bijgedragen aan verstikking door belemmering van inademing van lucht (smoren). Smoren is door middel van een sectie niet aan te tonen. Indien sprake zou zijn geweest van smoren kan dit het overlijden verklaren of een bijdrage hieraan hebben geleverd.

De letsels sub 3 ( bloeduitstortingen linker kaakhoek enin de diepere halsspieren eronder) waren recent en het gevolg van bij leven opgetreden inwerking van uitwendig, mechanisch geweld. Dit geweld kan stomp of botsend zijn geweest. Zij kunnen echter ook zijn ontstaan ten gevolge van inwerking van samendrukkend geweld bijvoorbeeld gelijktijdig met het mogelijk opgetreden samendrukkende geweld op de bovenlip.

De patholoog concludeert dat bij sectie op het lichaam van [slachtoffer] geen eenduidige doodsoorzaak is gevonden. Het overlijden kan worden verklaard door verstikking ten gevolge van samendrukkend geweld op de hals, verstikking ten gevolge van smoren, een intoxicatie met GHB of een combinatie van twee of alle deze factoren. Indien smoren en verwurging op grond van de resultaten van andere, bijvoorbeeld tactische onderzoeken, kunnen worden uitgesloten, is de intoxicatie de doodsoorzaak. Op grond van de resultaten van de sectie kan deze conclusie echter niet worden getrokken.

De rechtbank stelt vast dat uit tactisch onderzoek niet is gebleken dat de door de patholoog onder sub 3, 4 en 5 genoemde letsels door de verdachte zijn toegebracht. De rechtbank gaat er daarom met de officier van justitie en de raadsvrouw vanuit dat de intoxicatie met GHB de doodsoorzaak is.

Is het overlijden van [slachtoffer] aan de schuld van de verdachte te wijten?

De rechtbank dient vervolgens de vraag te beantwoorden of het aan de schuld van de verdachte te wijten is dat [slachtoffer] is overleden. De rechtbank overweegt als volgt.

De verdachte heeft wisselend verklaard over de hoeveelheid GHB die zij voor [slachtoffer] heeft ingeschonken. De verdachte heeft op 30 maart 2014 bij de politie verklaard dat zij een hoeveelheid van ongeveer twintig milliliter GHB in het glas heeft gedaan. Zij heeft toen ook met duim en wijsvinger aangegeven hoeveel het volgens haar was, waarbij de ruimte tussen duim en wijsvinger volgens verbalisanten ongeveer één centimeter betrof. Op 31 maart 2014, heeft de verdachte, naar haar zeggen ter zitting op aanwijzen van een vriendin, verklaard dat zij 1,5 milliliter GHB met een pipetje in het glas heeft gedaan. Deze verklaring heeft de verdachte op 21 april 2014 ingetrokken en toen heeft zij verklaard een scheut in het glas te hebben gedaan en gaf zij met duim en wijsvinger een hoeveelheid van circa twee centimeter aan. Ten overstaan van een vriendin, getuige [getuige 1] , heeft de verdachte in een glas voorgedaan hoeveel GHB zij aan [slachtoffer] had gegeven. [getuige 1] heeft verklaard dat de verdachte in het glas een laagje van ongeveer twee centimeter inschonk. Tijdens het verhoor van de verdachte op 9 april 2015 is haar gevraagd in een door de politie meegebracht theeglas voor te doen hoeveel GHB zij voor [slachtoffer] in het glas heeft gedaan. De verdachte heeft toen een hoeveelheid van 11,5 milliliter ingeschonken. De verdachte heeft ter zitting van 20 april 2016 verklaard dat dit theeglas anders is dan het door haar bij [slachtoffer] gebruikte theeglas. Haar eigen theeglas was namelijk smaller. Zij heeft de politie aangeboden dat zij haar eigen theeglas bij haar thuis konden ophalen, maar dit is niet gebeurd.

De verdachte heeft verklaard dat zij dezelfde GHB uit het spa rood flesje ook samen met haar ex-vriendin [getuige 2] heeft gebruikt. Dit betrof dezelfde hoeveelheid in hetzelfde glas. [getuige 2] had na het gebruik van GHB nergens last van, en de verdachte is in een diepe slaap gevallen. [getuige 2] heeft tegenover de politie bevestigd dat zij een keer bij de verdachte GHB heeft gebruikt en dat de verdachte daarna in slaap was gevallen. Zij heeft niet gezien hoeveel GHB er in het glas werd gedaan.

De verdachte heeft voorts verklaard dat zij, voordat zij met [getuige 2] GHB gebruikte, met haar ex-vriendin [getuige 3] meerdere keren GHB heeft gebruikt, waarbij zij steeds een hoeveelheid van ongeveer 1,5 centimeter GHB – afkomstig uit hetzelfde spa rood flesje – in een glas schonk, en zij dit soms twee keer deden. Getuige [getuige 3] heeft verklaard dat zij een keer GHB met de verdachte heeft gebruikt.

De verdachte heeft ten slotte verklaard dat zij niet wist vanaf welke hoeveelheid GHB gevaarlijk is. Zij wist dat je er aan kunt overlijden als je heel veel neemt, bijvoorbeeld een laag van vijf centimeter. Zij wist niet hoeveel milliliter gangbaar was, maar wel hoeveel zij altijd met de mensen om haar heen gebruikte. Zij heeft altijd dezelfde hoeveelheid gebruikt en het is altijd goed gegaan. Daarom dacht zij dat de hoeveelheid die zij [slachtoffer] gaf, een veilige hoeveelheid was.

De rechtbank overweegt dat in het algemeen geldt dat onder schuld als bedoeld in artikel 307 van het Wetboek van Strafrecht een min of meer grove of aanmerkelijke schuld wordt verstaan. Of hiervan sprake is, wordt volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad bepaald door de manier waarop dit in de tenlastelegging nader is geconcretiseerd, en is voorts afhankelijk van het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Onvoorzichtig, onachtzaam of nalatig handelen op zichzelf is niet voldoende om tot een bewezenverklaring van schuld te kunnen komen. Voor een bewezenverklaring van schuld is voorts van belang dat de verdachte moest kunnen voorzien dat bepaald gedrag (handelen of nalaten) onvoorzichtig zou zijn en tot bepaalde gevolgen zou kunnen leiden. Dit laatste betekent in onderhavige zaak dat de verdachte moest kunnen voorzien dat het aanbieden van de door haar ingeschonken hoeveelheid GHB de dood van [slachtoffer] tot gevolg kon hebben.

De rechtbank kan op grond van het dossier niet vaststellen wat de hoeveelheid GHB is geweest die de verdachte voor [slachtoffer] heeft ingeschonken. Uit de (sterk) wisselende verklaringen van de verdachte op dit punt leidt de rechtbank af dat de verdachte niet meer weet wat zij precies heeft ingeschonken. De ‘proef’ tijdens een verhoor door de politie waarbij de verdachte een hoeveelheid water in een glas moest inschenken, vergelijkbaar met de hoeveelheid GHB die zij voor [slachtoffer] had ingeschonken, acht de rechtbank niet betrouwbaar nu deze proef ruim een jaar na het ten laste gelegde handelen, en slechts eenmaal, is uitgevoerd en daarbij bovendien van een ander theeglas gebruik is gemaakt dan het glas dat door de verdachte voor [slachtoffer] is gebruikt. Evenmin als de hoeveelheid GHB kan de rechtbank vaststellen wat de concentratie van de GHB is geweest, nu dit niet is onderzocht. De rechtbank kan derhalve niet vaststellen dat de verdachte van deze GHB meer dan de normale gebruikershoeveelheid heeft ingeschonken en daarmee aan [slachtoffer] een voorzienbaar te hoge dosering heeft aangeboden.

Met betrekking tot de concentraties GHB die in het femoraalbloed en in de urine van [slachtoffer] zijn aangetroffen, heeft de toxicoloog gerapporteerd dat uit de literatuur ook voorbeelden bekend zijn van mensen die dergelijke concentraties hebben overleefd. Op basis van die concentraties alleen kan daarom niet worden gesproken van een te hoge dosering.

Ten slotte overweegt de rechtbank dat de verdachte heeft verklaard – en de rechtbank ziet geen aanleiding om aan de waarheid van deze verklaringen te twijfelen – dat zij eerder met anderen van dezelfde GHB vergelijkbare of juist grotere hoeveelheden gebruikte, en dat dit altijd goed is gegaan. Voor de verdachte was derhalve niet voorzienbaar dat de hoeveelheid GHB die zij voor [slachtoffer] inschonk een (potentieel) dodelijke hoeveelheid was. Daarbij neemt de rechtbank ook in aanmerking dat zij het niet als een feit van algemene bekendheid beschouwt wat de gangbare recreatieve en veilige hoeveelheid GHB is en evenmin dat GHB met een kleine wisseling van hoeveelheid van veilig naar toxisch kan gaan, zoals door de toxicoloog ter zitting naar voren is gebracht. Dat GHB een op lijst I van de Opiumwet vermelde stof is, hetgeen inhoudt dat deze stof door de wetgever wordt beschouwd als een drug waarvan het gebruik een onaanvaardbaar risico voor de (volks)gezondheid oplevert, maakt dit oordeel niet anders.

Het enkele feit dat de verdachte de hoeveelheid GHB die zij voor [slachtoffer] inschonk niet nauwkeurig heeft afgemeten, maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat de verdachte ook een strafrechtelijk verwijt te maken valt. Daarvoor is immers vereist dat ten minste sprake is van aanmerkelijke onvoorzichtigheid, onachtzaamheid of nalatigheid. Het handelen van de verdachte is naar het oordeel van de rechtbank niet als zodanig te kwalificeren.

De rechtbank zal de verdachte daarom vrijspreken van het aan haar ten laste gelegde feit.

5 DE BENADEELDE PARTIJ

Voor aanvang van de terechtzitting hebben [benadeelde 1] en [benadeelde 2] – daartoe vertegenwoordigd door mr. A.H. Middelkoop – zich als benadeelde partij in dit geding gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van affectieschade ten gevolge van het aan de verdachte ten laste gelegde feit. De hoogte van die schade wordt door de benadeelde partij begroot op een bedrag van € 20.000,-.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij in haar vordering tot schadevergoeding.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft, gelet op de door haar bepleite vrijspraak, primair verzocht de vordering af te wijzen. Subsidiair heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat de vordering niet voor toewijzing vatbaar is, nu de wet geen mogelijkheid kent voor toekenning van een vergoeding voor affectieschade.

Het oordeel van de rechtbank

De benadeelde partij dient naar het oordeel van de rechtbank in haar vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk te worden verklaard nu de verdachte van het haar ten laste gelegde zal worden vrijgesproken.

6 BESLISSING

De rechtbank:

Vrijspraak

- verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte is ten laste gelegd en spreekt haar daarvan vrij;

Benadeelde partij

- bepaalt dat de benadeelde partij [benadeelde 1] en [benadeelde 2] in haar vordering niet-ontvankelijk is;

- veroordeelt de benadeelde partij in de kosten, door de verdachte gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. N.E.M. Kranenbroek, voorzitter, mrs. W.S. Ludwig en H.J. Bos, rechters, in tegenwoordigheid van mr. T.M. van Zwet, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 mei 2016.