Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2016:2576

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
22-03-2016
Datum publicatie
13-05-2016
Zaaknummer
16/661880-15, 16/661747-15, 16/042259-15 (tul) en 16/652481-15 (tul)
Rechtsgebieden
Materieel strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Opleggen ISD-maatregel op dit moment buitenproportioneel; wel aanleiding tot het opleggen van een gevangenisstraf van 110 dagen; daarnaast tenuitvoerlegging van 2 weken gevangenisstraf en 3 maanden gevangenisstraf

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Utrecht

Parketnummers: 16-661880-15 en 16/661747-15 (ttz. gev.), 16/042250-15 (tul),

16/652481-15 tul (P)

Vonnis van de meervoudige strafkamer van 22 maart 2016.

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1972] ,

verblijvende in [verblijfplaats] , te [woonplaats] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 8 maart 2016. De verdachte is in persoon verschenen en heeft zich ter terechtzitting laten bijstaan door mr. R.E.H. Jager, advocaat te Amersfoort.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat verdachte en de raadsvrouw naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

De tenlasteleggingen zijn als bijlagen aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

16/661747-15:

op 9 oktober 2015 te Amersfoort een winkeldiefstal heeft gepleegd;

16/661880-15:

op 9 december 2015 te Amersfoort een winkeldiefstal heeft gepleegd.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie acht beide feiten wettig en overtuigend bewezen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich met betrekking tot het onder parketnummer 16/661747-15 ten laste gelegde feit, gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Voor het onder parketnummer 16/661880-15 ten laste gelegde feit is door de verdediging vrijspraak gevraagd, omdat verdachte steeds heel stellig is geweest in zijn ontkenning dat hij het vlees heeft weggenomen. Aan het proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot het kasregister en het proces-verbaal bevindingen met betrekking tot de plek van aanhouding, wordt door de verdediging geen waarde gehecht, gelet op het late tijdstip waarop dat proces-verbaal is opgemaakt respectievelijk de omstandigheid dat verdachte al voorafgaand aan dat incident te horen had gekregen dat er bij hem mogelijk weer aan het opleggen van een ISD-maatregel werd gedacht. Verdachte voelt zich er ingeluisd.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

16/661747-15

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.1

1. Het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 1] van 9 oktober 2015 met bijlagen2;

2. De bekennende verklaring van verdachte ter zitting van 8 maart 20163.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het hem ten laste gelegde feit heeft begaan. Aangezien verdachte het ten laste gelegde feit heeft bekend en de raadsvrouw geen vrijspraak heeft bepleit, heeft de rechtbank met toepassing van het bepaalde in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, hiervoor volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen.

16/661880-15

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.4

Op 9 december 2015 heeft [slachtoffer 2] namens de [supermarkt B] aan de [adres] te [vestigingsplaats] aangifte gedaan van diefstal van 2 pakken ribeye uit de vleesafdeling.5

Verbalisant [verbalisant 1] zag de hem ambtshalve bekende verdachte, [verdachte] , op 9 december 2015 omstreeks 19:30 uur de [supermarkt B] inlopen, zag dat verdachte bij de vleeswaren stond, zag dat verdachte vluchtig van links naar rechts keek, zag dat verdachte

zijn jas had opengeritst, zag dat verdachte tot tweemaal toe met zijn rechterhand in een staande koelbak ging en hier goederen uithaalde en in zijn linker binnenzak deed. Verbalisant [verbalisant 1] zag vervolgens dat verdachte een energiedrank pakte, daarmee naar kassa 6 liep, alleen de energiedrank op de kassaband legde en deze afrekende, waarna verdachte de winkel uitliep.6

Verbalisant [verbalisant 2] zag de haar ambtshalve bekende verdachte op 9 december 2015 omstreeks 19:30 uur de [supermarkt B] inlopen, zag dat verdachte twee vleesverpakkingen uit het schap pakte, zag dat verdachte een blikje energiedrank bij kassa 6 op de loopband zette, dat de cassière bij kassa 6 de energiedrank scande, zag dat verdachte muntgeld aan de cassière overhandigde, waarna verdachte de winkel verliet.

Verbalisant [verbalisant 2] heeft verdachte vervolgens samen met verbalisant [verbalisant 1] aangehouden, en terwijl verbalisant [verbalisant 2] de handboeien bij verdachte om deed, voelde zij dat verdachte iets in zijn linker mouw had zitten. Op het politiebureau zag verbalisant [verbalisant 2] dat er twee vleesverpakkingen ribeye van de [supermarkt B] uit de fouillering van verdachte waren gekomen.7

Uit het kasregister van de [supermarkt B] van 9 december 2015, tussen 19:30 en 19:45 uur, kwam naar voren dat er bij kassa 6 in dat tijdsbestek geen vleeswaren met energydrank waren afgerekend, maar wel om 19:41 uur een blikje energydrink ter waarde van 0,39 Euro. Twee minuten nadien is verdachte aangehouden.8

De rechtbank acht op basis van bovengenoemde bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het hem ten laste gelegde heeft begaan.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4. genoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

16/661747-15

hij op of omstreeks 09 oktober 2015 in [woonplaats] , althans in het arrondissement Midden-Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen één of meer verpakking(en) koffie en/of snoepgoed (met een totale verkoopwaarde van 21,09 euro), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan het winkel(keten)bedrijf [supermarkt A] (gelegen aan [adres] ) , in elk geval aan een ander of anderen dan aan

verdachte;

16/661880-15

hij op of omstreeks 09 december 2015 te [woonplaats] , althans in het arrondissement Midden-Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen twee vleesverpakkingen met ribeye, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [supermarkt B] (gevestigd aan de [adres] ) , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar als

telkens: diefstal

Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

De rechtbank heeft kennis genomen van het Pro Justitia rapport van 1 februari 2016, opgemaakt door M. de Klerk, GZ-psycholoog.

Het rapport vermeldt - samengevat - dat verdachte lijdt aan een anti-sociale persoonlijkheidsstoornis en cannabisafhankelijkheid. De persoonlijkheidsstoornis speelt een rol in het reageren op gevoelens van onvrede en op zijn hang naar spanning. Dit kan ten tijde van het ten laste gelegde van invloed zijn geweest op zijn handelen. Verdachte beschikt vanuit zijn persoonlijkheidspathologie over onvoldoende copingmechanismen om anders te reageren in de situatie waarin hij zich boos voelt en zich in zijn recht voelt staan. Geadviseerd wordt om verdachte enigszins verminderd toerekeningsvatbaar te achten.

De rechtbank maakt de conclusie van voornoemde deskundige tot de hare.

Aangezien er geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluit, is verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht en gebaseerd op de wettelijke vereisten waaraan is voldaan, gevorderd aan verdachte op te leggen de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (ISD).

Aan de formele vereisten voor het opleggen van deze maatregel wordt naar de mening van de officier van justitie voldaan. Zij acht de maatregel wenselijk en noodzakelijk met het oog op de veiligheid van goederen en personen.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft betwist dat is voldaan aan het vereiste dat verdachte in de vijf jaren voorafgaand aan het feit waarop het tenlastegelegde feit met parketnummer 16/661747-15 ziet tenminste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel, een vrijheidsbeperkende maatregel of een taakstraf en dat deze straffen dan wel maatregelen inmiddels geheel ten uitvoer zijn gelegd. Daarmee is niet voldaan aan de wettelijke vereisten voor het opleggen van de ISD-maatregel, aldus de verdediging.

Voorts is de verdediging van mening dat een ISD-maatregel als een uiterste redmiddel heeft te gelden en dat het nu opleggen van die maatregel een brug te ver is. De verdediging heeft een terugkeer naar de Stichting Aanzien bepleit, en een ambulante behandeling bij een forensische instelling.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Gelet op de nog immer actuele problematiek bij verdachte en de recidive moet er ernstig rekening mee worden gehouden dat hij opnieuw een misdrijf zal begaan. Verdachte heeft zich, nadat in 2014 een in 2012 opgelegde ISD-maatregel was geëindigd, opnieuw schuldig gemaakt aan vermogensdelicten, waaronder de onderhavige diefstallen.

Eerder werd verdachte op 20 juli 2015 veroordeeld voor een winkeldiefstal tot een gevangenisstraf van 5 weken waarvan 2 weken voorwaardelijk, op 8 juli 2015 veroordeeld voor een diefstal tot een gevangenisstraf van 3 weken, en op 15 juni 2015 veroordeeld voor drie winkeldiefstallen. Deze straffen zijn ook geëxecuteerd, zodat met inbegrip van de veroordeling tot de ISD-maatregel in 2012, voldaan is aan het vereiste uit artikel 38m, eerste lid, aanhef en onder 2, van het Wetboek van Strafrecht..

Door voornoemde deskundige M. de Klerk is in het rapport van 1 februari 2016 een voorwaardelijke ISD-maatregel geadviseerd en een ambulante behandeling bij een forensische instelling. Het Leger des Heils, afdeling Jeugdbescherming & Reclassering heeft in het rapport van 1 maart 2016 een onvoorwaardelijke ISD-maatregel geadviseerd, welk advies ter terechtzitting nader is toegelicht door [A] , reclasseringswerker.

De rechtbank is op grond van de adviezen en het verhandelde ter terechtzitting tot het oordeel gekomen dat er geen aanleiding is om verdachte in het kader van bijzondere voorwaarden een ambulante behandeling op te leggen. Gelet op de persoon van verdachte en de omstandigheid dat verdachte zich tijdens de vorige ISD-maatregel niet aan gemaakte afspraken hield, acht de rechtbank het succesvol volbrengen van een ambulante behandeling zonder het kader van een ISD-maatregel voor verdachte –wegens het ontbreken van een intrinsieke motivatie– niet haalbaar.

De rechtbank is van oordeel dat aan de formele vereisten voor oplegging van de ISD-maatregel is voldaan. Deze maatregel is echter verstrekkend en het opleggen daarvan dient mede gerechtvaardigd te zijn in het licht van de ernst van de begane strafbare feiten. De rechtbank ziet zich tevens, gelet op de strekking van het opleggen van een ISD-maatregel, te weten de beveiliging van de maatschappij èn de beëindiging van de recidive van verdachte, voor de vraag gesteld of het in dit geval thans ook zinvol is om aan verdachte wederom een ISD-maatregel op te leggen. Gelet op hetgeen door de reclassering naar voren is gebracht en de weerstand van de verdachte zoals hij daar ook ter zitting blijk van heeft gegeven, is de verwachting gerechtvaardigd dat er in behandelopzicht weinig van de grond zal komen. Oplegging van de ISD-maatregel zou in onderhavig geval neerkomen op een vrijheidsbeneming voor de duur van twee jaren voor twee (recente) winkeldiefstallen van etenswaren. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat oplegging van een tweede ISD-maatregel op dit moment buitenproportioneel zou zijn.

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn gepleegd, mede gelet op de persoon van de verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken. Bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan heeft de rechtbank in het bijzonder rekening gehouden met de omstandigheid dat uit de justitiële documentatie blijkt dat verdachte veelvuldig is veroordeeld voor soortgelijke feiten. Dit rechtvaardigt geen andere straf dan een gevangenisstraf. De duur ervan moet naar het oordeel van de rechtbank ook oplopen, nu verdachte wederom in herhaling is gevallen en de overlast voor de winkels niet is afgenomen.

9 Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordelingen

16/652481-15 tul

Bij de stukken bevindt zich de op 7 december 2015 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Utrecht in de zaak met parketnummer 16/652481-15, betreffende het onherroepelijk geworden en op tegenspraak gewezen vonnis d.d. 20 juli 2015 van de politierechter van deze rechtbank, waarbij verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 5 weken, met bevel dat van deze straf een gedeelte, groot 2 weken niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op 2 jaren bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis. De rechtbank ziet hierin aanleiding de tenuitvoerlegging van 2 weken te gelasten.

16/044250-15

Bij de stukken bevindt zich de op 26 januari 2016 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Utrecht in de zaak met parketnummer 16/044250-15, betreffende het onherroepelijk geworden en op tegenspraak gewezen vonnis d.d. 15 juni 2015 van de politierechter van deze rechtbank, waarbij verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 3 maanden, met bevel dat deze straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op 2 jaren bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis. De rechtbank ziet hierin aanleiding de tenuitvoerlegging van 3 maanden te gelasten.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14g, 57, 310 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

11 Beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

telkens: diefstal;

- verklaart verdachte daarvoor strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 110 (honderdentien) dagen;

- beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden;

Tenuitvoerlegging 16/652481-15

- gelast de tenuitvoerlegging van de bij genoemd vonnis van 20 juli 2015 opgelegde voorwaardelijke straf, namelijk een gevangenisstraf van 2 (twee) weken;

Tenuitvoerlegging 16/042250-15

- gelast de tenuitvoerlegging van de bij genoemd vonnis van 15 juni 2015 opgelegde voorwaardelijke straf, namelijk een gevangenisstraf van 3 (drie) maanden.

Voorlopige hechtenis
Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan die van de onvoorwaardelijk opgelegde vrijheidsstraf.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.A. Spee, voorzitter,

mrs. P.J.M. Mol en M.P. Glerum, rechters,

in tegenwoordigheid van A. Heijboer, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 22 maart 2016.

De griffier is verhinderd het vonnis mee te ondertekenen.

BIJLAGE : De tenlasteleggingen

Aan [verdachte] wordt ten laste gelegd dat

16/661747-15

hij op of omstreeks 09 oktober 2015 in Amersfoort, althans in het arrondissement Midden-Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen één of meer verpakking(en) koffie en/of snoepgoed (met een totale verkoopwaarde van 21,09 euro), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan het winkel(keten)bedrijf [supermarkt A] (gelegen aan [adres] ), in elk geval aan een ander of anderen dan aan

verdachte;

art 310 Wetboek van Strafrecht

16/661880-15

hij op of omstreeks 09 december 2015 te Amersfoort, althans in het arrondissement Midden-Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen twee vleesverpakkingen met ribeye, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [supermarkt B] (gevestigd aan de [adres] ), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

art 310 Wetboek van Strafrecht

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier PL0900-2015305521 bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering van 1 tot en met 18. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344.1.5° Wetboek van Strafvordering, worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.

2 Het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 1] d.d. 9 oktober 2015 met bijlagen, pagina 11-16.

3 Het proces-verbaal van de zitting van 8 maart 2016.

4 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier PL0900-2015372500 bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering van 1 tot en met 25. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344.1.5° Wetboek van Strafvordering, worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.

5 Het proces-verbaal van aangifte van 9 december 2015, pagina 5-6, in het bijzonder pagina 5.

6 Het proces-verbaal van bevindingen van 9 december 2015, pagina 7-8, in het bijzonder pagina 7.

7 Het proces-verbaal van bevindingen van 9 december 2015, pagina 9-10, in het bijzonder pagina 9.

8 Het proces-verbaal van bevindingen van 4 februari 2016, pagina 3-4.PL0900-2015372500, sluitingsdatum 8 februari 2016, in het bijzonder pagina 3.