Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2016:2566

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
25-04-2016
Datum publicatie
06-06-2016
Zaaknummer
15/3293
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De gemeente Noordoostpolder heeft met ingang van 1 maart 2015 op grond van de Wmo 2015 een algemene voorziening getroffen die bestaat uit gratis bemiddeling tussen cliënten en marktpartijen ter verkrijging van hulp bij het huishouden. In het geval een cliënt de kosten voor de geïndiceerde hulp bij het huishouden niet kan betalen, kan een aanvraag voor bijzondere bijstand voor het aantal geïndiceerde uren voor hulp bij het huishouden op grond van de Participatiewet worden ingediend.

Hulp bij het huishouden kan op grond van de Wmo 2015 naar het oordeel van de rechtbank worden aangeboden door het treffen van een algemene voorziening.

De rechtbank is echter van oordeel dat verweerder met de getroffen algemene voorziening, die enkel bestaat uit gratis bemiddeling, niet heeft voldaan aan het bieden van maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in de Wmo 2015

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 15/3293

tussenuitspraak van de meervoudige kamer van 25 april 2016 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. M.F. Vermaat),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Noordoostpolder, verweerder

(gemachtigden: H.H. Stegeman en C. Maandag).

Procesverloop

Bij besluit van 18 november 2014 (het primaire besluit 1) heeft verweerder eiseres geïndiceerd voor hulp bij het huishouden ter zake van licht en zwaar huishoudelijk werk en wasverzorging alsook voor het bereiden van de brood- en warme maaltijd en boodschappen doen, met een totale omvang van 15 uur per week.

Voorts heeft verweerder bepaald dat de bij eerder besluit op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo 2007) aan eiseres toegekende individuele voorzieningen, bestaande uit hulp bij het huishouden ter zake van licht en zwaar huishoudelijk werk en wasverzorging alsook voor het bereiden van de brood- en warme maaltijd en boodschappen doen, met een omvang van 15 uur per week, doorloopt tot en met 28 februari 2015.

Verder heeft verweerder aan eiseres op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) met ingang van 1 maart 2015 een algemene voorziening, bestaande uit gratis bemiddeling tussen hulpvrager en schoonmaakondersteuner ter zake van licht en zwaar huishoudelijk werk en wasverzorging, toegekend.

Bij besluit van 2 maart 2015 (het primaire besluit 2) heeft verweerder bepaald dat eiseres met ingang van 1 maart 2015 tot 28 februari 2018 in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening. Verweerder heeft 5 uur en 50 minuten per week toegekend voor het verzorgen van de brood- en warme maaltijd. Verweerder heeft het uurtarief bepaald op € 13,50 en een persoonsgebonden budget (PGB) toegekend van € 341,25 per maand.

Bij besluit van 28 mei 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van eiseres ongegrond verklaard. Verweerder heeft in dit besluit het primaire besluit 1 aangepast, in die zin dat hij eiseres heeft geïndiceerd voor i) hulp bij het huishouden ter zake van licht en zwaar huishoudelijk werk en wasverzorging, met een totale omvang 8 uur en 10 minuten per week, en voor ii) het bereiden van de brood- en warme maaltijd en boodschappen doen, met een totale omvang van 6 uur en 50 minuten. Verweerder heeft bij het bestreden besluit tevens het primaire besluit 2 aangepast in die zin dat het doen van boodschappen onder de maatwerkvoorziening valt en dat het aantal uren voor de maatwerkvoorziening 6 uur en 50 minuten per week bedraagt.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 januari 2016, tezamen met het onderzoek ter zitting in de zaken die zijn geregistreerd onder de zaaknummers 15/3000 en 15/3711. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.

1.1.

Eiseres is geboren in 1962. Eiseres heeft een stoornis in de functie van het bewegingssysteem en aan beweging verwante functies. Hierdoor moet zij al ruim 35 jaar alle activiteiten in het dagelijkse leven in liggende houding uitvoeren. Eiseres maakt gebruik van een speciale rolstoel waarin zij zich liggend kan verplaatsen. Eiseres heeft steeds meer problemen met de functie van haar handen. Ook is eiseres bekend met ernstige darmproblematiek.

1.2.

Eiseres beschikte op grond van de Wmo 2007 over een indicatie voor hulp bij het huishouden ter zake van licht en zwaar huishoudelijk werk en wasverzorging alsook voor het bereiden van de brood- en warme maaltijd en boodschappen doen, van in totaal 15 uur per week met een daarbij horend PGB.

1.3.

Bij brief van 20 januari 2015 heeft verweerder aan eiseres medegedeeld dat zij voor de kosten voor de algemene voorziening bijzondere bijstand kan aanvragen. Het tarief voor de financiële compensatie via de bijzondere bijstand heeft verweerder vastgesteld op € 12,50 per uur.

Op 11 maart 2015 heeft eiseres bijzondere bijstand aangevraagd op grond van de Participatiewet (Pw) voor de kosten van hulp bij het huishouden ter zake van licht- en zwaar huishoudelijk werk en wasverzorging.
Bij besluit van 19 maart 2015 heeft verweerder bijzondere bijstand toegekend voor hulp bij het huishouden over de periode van 1 maart 2015 tot en met 19 februari 2016. Eiseres ontvangt een bedrag van € 496,52 per maand.

Overgangsrecht - bevoegdheid

2. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat besluiten die zijn genomen op grond van de Wmo 2007 blijven gelden totdat er nieuwe besluiten worden genomen op grond van de Wmo 2015. In het kader van een beleidswijziging acht verweerder zich bevoegd om heronderzoek te doen en om een besluit geheel of gedeeltelijk in te trekken.

3. In beroep stelt eiseres dat voor beëindiging van hulp bij het huishouden op basis van de Wmo 2007 slechts aanleiding bestaat als er iets wijzigt in de omstandigheden van de belanghebbende. Dat is volgens eiseres niet het geval. De hulp bij het huishouden is daarom ten onrechte beëindigd, aldus eiseres.

4. De rechtbank is van oordeel dat verweerder bevoegd was om de lopende aanspraak op hulp bij het huishouden te beëindigen. Hiervoor is een wijziging in de omstandigheden nodig. De rechtbank is van oordeel dat de wijziging in de omstandigheden is gelegen in de beleidswijziging die is ingegeven door de per 1 januari 2015 doorgevoerde stelselwijziging in het kader van de Wmo 2015. De rechtbank vindt voor haar oordeel steun in de geschiedenis van de totstandkoming van de Wmo 2015. De rechtbank wijst op de Memorie van Toelichting bij de Wmo 2015 (Kamerstukken II, 2013/14, 33 841, nr. 3, p. 203). De rechtbank verwijst tevens naar artikel 15.4 van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Noordoostpolder 2015, waarin is bepaald dat besluiten in stand blijven totdat het college een nieuw besluit heeft genomen waarbij het toekenningsbesluit van de individuele voorziening wordt ingetrokken.

5. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit verder op het standpunt gesteld dat het primaire besluit weliswaar is genomen op het moment dat artikel 2.1.1 van de Wmo 2015 nog niet gold maar dat het bestreden besluit is genomen na 1 januari 2015. Het gebrek dat aan het primaire besluit kleeft, is daarom in het bestreden besluit hersteld.

6. In beroep stelt eiseres dat het primaire besluit 1 is genomen zonder dat hiervoor een wettelijke grondslag bestond. Ten tijde van het primaire besluit 1 was artikel 2.1.1 van de Wmo 2015 namelijk nog niet in werking getreden. Gelet op artikel 8.9, tweede lid, van de Wmo 2015 blijft het recht zoals dat gold voor het tijdstip van inwerkingtreding van enig artikel van deze wet, van toepassing ten aanzien van besluiten genomen op grond van de Wmo 2007.

7. De rechtbank stelt vast dat verweerder op 18 november 2014 een besluit heeft genomen dat is gebaseerd op een wettelijke bepaling die op dat moment nog niet gold, te weten artikel 2.1.1 van de Wmo 2015. Aan het primaire besluit 1 ontbreekt dus een wettelijke grondslag. Het bestreden besluit is echter genomen op een datum waarop artikel 2.1.1 van de Wmo 2015 wel gold. Tevens zijn de rechtsgevolgen van het bestreden besluit pas in werking getreden op het moment dat de Wmo 2015 van kracht was. Daarmee is het gebrek dat aan het primaire besluit 1 kleefde, geheeld.

8. Voorts stelt eiseres dat verweerder een langere overgangstermijn diende te hanteren. De rechtbank verwijst ter zake naar hetgeen onder rechtsoverweging 20 is overwogen.

Over de algemene voorziening

9. Tussen partijen is niet in geschil dat eiseres wegens haar beperkingen met ingang van 6 januari 2015 hulp bij het huishouden nodig heeft ter zake van lichte en zware huishoudelijke taken alsook wasverzorging met een omvang 8 uur en 10 minuten per week.

10. Verweerder heeft aan zijn besluitvorming ten grondslag gelegd dat eiseres wat betreft het licht- en zwaar huishoudelijk werk en de wasverzorging met ingang van 1 maart 2015 in aanmerking komt voor een algemene voorziening, bestaande uit gratis bemiddeling tussen hulpvrager en schoonmaakondersteuner ter zake van licht en zwaar huishoudelijk werk en wasverzorging. Indien eiseres de kosten van de geïndiceerde hulp bij het huishouden niet kan betalen kan zij een aanvraag indienen voor bijzondere bijstand op grond van de Participatiewet voor het aantal geïndiceerde uren hulp bij het huishouden.

11. Eiseres voert in beroep, kort samengevat, aan dat de algemene voorziening die door verweerder wordt geboden, in de vorm van het overhandigen van een lijst van ondernemingen of het verwijzen naar een bemiddelingsbureau niet volstaat. Verweerder dient zorg te dragen voor een passende voorziening. Deze wordt naar het oordeel van eiseres in haar geval niet geboden omdat verweerder onvoldoende oog heeft gehad voor het feit dat er in haar situatie sprake is van een complexe zorgsituatie waarbij er zorg wordt verleend op grond van de Zorgverzekeringswet en de Wmo. Omdat eiseres via de bijzondere bijstand € 12,50 per uur ontvangt, legt zij er gemiddeld € 2,50 per uur op toe hetgeen neerkomt op € 85,- per maand. Eiseres wijst er op dat de periodebijdrage die zij aan het CAK betaalt voor de maatwerkvoorziening € 19,40 bedraagt en dit is tevens haar maximale draagkracht. Omdat eiseres voor de algemene voorziening € 85,- betaalt, kan niet gezegd worden dat de algemene voorziening een passende oplossing vormt. Eiseres wijst er op dat verweerder een inkomensgrens hanteert hetgeen niet is toeglaten op grond van de Wmo 2015.

12. De rechtbank overweegt het volgende.

Op 1 januari 2015 is artikel 2.1.1 van de Wmo 2015 in werking getreden, waarmee verweerder de opdracht heeft gekregen zorg te dragen voor de maatschappelijke ondersteuning.

Artikel 1.1.1., eerste lid, van de Wmo 2015, voor zover van belang, bepaalt dat in deze wet en de daarop rustende bepalingen onder maatschappelijke ondersteuning wordt verstaan: het ondersteunen van de zelfredzaamheid en de participatie van personen met een beperking of met chronische psychische of psychosociale problemen zoveel mogelijk in de eigen leefomgeving. In dit artikel wordt eveneens vermeld dat onder zelfredzaamheid wordt verstaan: in staat zijn tot het uitvoeren van de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen en het voeren van een gestructureerd huishouden.

Artikel 2.1.1, eerste lid, van de Wmo 2015 bepaalt dat het gemeentebestuur zorg draagt voor de maatschappelijke ondersteuning.

13. De rechtbank stelt vast dat het begrip ‘hulp bij het huishouden’ niet wordt vermeld in de Wmo 2015. De rechtbank ziet zich daarom voor de vraag gesteld of onder maatschappelijke ondersteuning, als bedoeld in artikel 2.1.1, eerste lid, van de Wmo 2015, hulp bij het huishouden moet worden verstaan.

14. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend. Hiertoe overweegt de rechtbank dat één van de beoogde doelstellingen van de Wmo 2015, zoals blijkt uit artikel 2.1.2, derde lid van de Wmo 2015 en artikel 2.3.5, derde lid, van de Wmo 2015, het realiseren is van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie waardoor hij zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven. In het kader van de zelfredzaamheid dient de cliënt in staat te zijn tot het uitvoeren van de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen. De rechtbank is van oordeel dat het schoon houden van het huis als noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichting is aan te merken en daarmee valt onder maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in de Wmo 2015.

De rechtbank vindt voor haar oordeel steun in de geschiedenis van de totstandkoming van de Wmo 2015. De rechtbank wijst op de Memorie van Toelichting bij de Wmo 2015 (Kamerstukken II, 2013/14, 33 841, nr. 3). Op p. 84 en 85 staat: “Ook is er in de raming rekening gehouden met het effect van het beleid om mensen langer thuis te laten wonen, waardoor de vraag naar ondersteuning door gemeenten zal toenemen. Gemeenten beschikken al over budget voor de uitvoering van de Wmo. Dit budget blijft beschikbaar, behoudens een verlaging van het budget voor huishoudelijke verzorging (..).”. Op p. 5 onder ‘1.2 Uitbreiding van de gemeentelijke verantwoordelijkheid’ staat: “Van gemeenten wordt verwacht dat zij zorg dragen voor het beleid op het gebied van maatschappelijke ondersteuning en mensen die daarvoor in aanmerking komen, passende ondersteuning bieden ten behoeve van hun zelfredzaamheid en participatie en waar nodig voorzien in de behoefte aan beschermd wonen en opvang. Voor gemeenten betekent het voorliggende een uitbreiding van hun verantwoordelijkheden.”.

De rechtbank wijst tevens op de Nota naar aanleiding van het verslag (Kamerstukken II, 2013/14, 33 841, nr. 34). Op p. 45 staat: “De regering kiest er, ook bij deze grote nieuwe decentralisatie, voor in de wet een met aard, inhoud en strekking van de compensatieverplichting vergelijkbaar baken te handhaven als zekerheid voor de burger en de gemeente. Wel is in het wetsvoorstel Wmo 2015 gekozen voor een andere formulering van de gemeentelijke verplichting en is die verplichting ingebed in de verplichting voor het college om maatwerk te leveren.”.

De rechtbank wijst voorts op de Nota naar aanleiding van het nader verslag (Kamerstukken II, 2013/14, 33 841, nr. 64). Op p. 104 staat: “Deze uitgangspunten sluiten niet op voorhand uit dat de kosten voor de huishoudelijke verzorging anders worden verdeeld tussen overheid en burger. (..) Ten tweede geldt dat de regering ook geen aanleiding ziet om een dergelijk overzicht op te stellen omdat de regering verwacht dat gemeenten met de beleidsvrijheid die zij hebben binnen de kaders van het wetsvoorstel, de maatschappelijke ondersteuning, waaronder hulp bij het huishouden, anders zullen gaan organiseren.”.

Ten overvloede overweegt de rechtbank dat zij voor haar oordeel steun vindt in de brieven van de staatssecretaris van Volksgezondheid Welzijn en Sport van 20 november 2014 en van 22 juni 2015. Uit de brief van 20 november 2014 volgt dat de staatssecretaris vindt dat het niet zo kan zijn dat gemeenten huishoudelijke hulp niet meer aanbieden. Als huishoudelijke hulp voor een burger een passende ondersteuning is moet de gemeente dit aanbieden. Uit de brief van 22 juni 2015 blijkt welk budget voor huishoudelijke hulp beschikbaar is. Voorts verwijst de rechtbank naar de brief van de staatssecretaris van 1 december 2015 waarin onder meer wordt vermeld dat het strijdig is met de Wmo 2015 om in een gemeentelijke verordening of beleidsregels vooraf, categoraal bepaalde typen ondersteuning uit te sluiten als bijdrage aan iemands zelfredzaamheid, zoals hulp bij het huishouden zonder daarbij een zorgvuldig onderzoek te doen naar de ondersteuningsvraag en de manier waarop daarin op een voor de betreffende cliënt passende wijze kan worden voorzien.

15. Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat de hulp bij het huishouden deel uitmaakt van de maatschappelijke ondersteuning die de Wmo 2015 beoogt te bieden. De verwijzing ter zitting van verweerder naar een uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 7 januari 2016 (ECLI:NL:RBZWB:2016:10) leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel.

16. De rechtbank is van oordeel dat hulp bij het huishouden op grond van de Wmo 2015 aangeboden kan worden door het treffen van een algemene voorziening of een maatwerkvoorziening. Hierbij merkt de rechtbank op dat verweerder in elk individueel geval dient te onderzoeken of met de aangeboden voorziening voldoende maatschappelijke ondersteuning wordt geboden. Voor het oordeel dat verweerder hulp bij het huishouden kan aanbieden in de vorm van een algemene voorziening vindt de rechtbank steun in de geschiedenis van de totstandkoming van de Wmo 2015.

De rechtbank wijst op de Memorie van Toelichting bij de Wmo 2015 (Kamerstukken II, 2013/14, 33 841, nr. 3). Op p. 34 staat: “De gemeente is vrij in de keuze welke algemene voorzieningen zij treft. De regering kan zich bijvoorbeeld voorstellen dat gemeenten ervoor kiezen om in bepaalde situaties ondersteuning in het huishouden of sociaal vervoer in de vorm van een algemene voorziening aan te bieden. Door deze ondersteuning in de vorm van een algemene voorziening aan te bieden, kan de gemeente voorzien in een door de gemeente nader in te vullen niveau van ondersteuning als het gaat om bijvoorbeeld de kwaliteit, de beschikbaarheid en de voor de ingezeten daaraan verbonden kosten.”

De rechtbank wijst tevens op de Nota naar aanleiding van het verslag (Kamerstukken II, 2013/14, 33 841, nr. 34). Op p. 160 staat: “Gemeenten kunnen er voor kiezen om bijvoorbeeld huishoudelijke hulp in de vorm van een algemene voorziening te organiseren. Dit om het inschakelen van huishoudelijke hulp door cliënten te faciliteren. Het kan dan bijvoorbeeld gaan om het aan cliënten beschikbaar stellen van een overzicht van ondernemingen waarmee de gemeente afspraken heeft gemaakt over de voorwaarden waaronder zij huishoudelijke hulp aan ingezetenen van de gemeente leveren. Gemeenten kunnen er in dat kader ook voor kiezen om deze huishoudelijke hulp op enigerlei wijze te subsidiëren of om bijvoorbeeld een korting te geven aan cliënten die voldoen aan door de gemeente gestelde voorwaarden.”.

17. De rechtbank stelt vast dat de door verweerder getroffen algemene voorziening voor hulp bij het huishouden bestaat uit het bij elkaar brengen (bemiddeling) van cliënten en marktpartijen voor het verrichten van schoonmaakondersteuning. Verweerder heeft hiervoor samen met een aantal andere gemeenten het digitale platvorm HuisTipTop opgericht. HuisTipTop heeft een bestand met mensen die huishoudelijke hulp kunnen bieden. Cliënten en hulpaanbieders op het gebied van schoonmaakhulp moeten in onderling overleg (prijs)afspraken maken over de huishoudelijke ondersteuning en cliënten moeten zelf hun hulp bij het huishouden betalen. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder toegelicht dat aan cliënten wordt geadviseerd om niet meer te betalen dan € 12,50 per uur. Cliënten die de hulp bij het huishouden niet zelf kunnen bekostigen, kunnen een aanvraag om bijzondere bijstand doen. Voor vergoeding vanuit de bijzondere bijstand wordt in beginsel uitgegaan van een vergoeding van € 12,50 per uur.

18. De rechtbank is van oordeel dat verweerder met de getroffen algemene voorziening, die enkel bestaat uit bemiddeling, niet heeft voldaan aan het bieden van maatschappelijke ondersteuning, waarvan hulp bij het huishouden deel uitmaakt, als bedoeld in artikel 2.1.1 van de Wmo 2015. Met de bemiddeling heeft verweerder slechts georganiseerd dat hulpbehoevenden en aanbieders van hulp in de huishouding elkaar kunnen vinden. Uit de toelichting van verweerder is evenwel gebleken dat verweerder geen enkele betrokkenheid heeft bij de voorwaarden waaronder de hulp wordt geleverd. Hierdoor kan verweerder niet garanderen dat er door middel van de algemene voorziening daadwerkelijk hulp beschikbaar is en dat er met de geleverde hulp adequate compensatie wordt geboden, noch heeft verweerder enig inzicht in de financiële consequenties. Verweerder heeft evenmin onderzocht of in het individuele geval van eiseres het resultaat van de bemiddeling volstaat. Gelet hierop is het bestreden besluit genomen in strijd met de Wmo 2015. Het bestreden besluit komt derhalve voor vernietiging in aanmerking.

19. Gelet op het feit dat tussen partijen niet in geschil is dat eiseres met ingang van
1 maart 2015 8 uur en 10 minuten per week nodig heeft om in de benodigde hulp bij het huishouden te voorzien, zal de rechtbank bij einduitspraak zelf in de zaak voorzien en bepalen dat eiseres vanaf 1 maart 2015 recht heeft op 8 uur en 10 minuten per week aan huishoudelijke hulp op grond van de Wmo 2015.

20. Gelet op het voorgaande behoeven de overige beroepsgronden, voor zover die zien op de toegekende algemene voorziening alsmede op de door verweerder gehanteerde overgangstermijn, geen bespreking.

Over de maatwerkvoorziening

21. Verweerder heeft aan zijn besluitvorming ten grondslag gelegd dat eiseres wat betreft het verzorgen van de brood- en warme maaltijd en het doen van boodschappen is aangewezen op een maatwerkvoorziening. In het kader van de maatwerkvoorziening heeft verweerder de indicatie vastgesteld op 6 uur en 50 minuten. Verweerder is op grond van een telefonische mededeling van eiseres aan de consulente op 2 maart 2015, inhoudende dat er geen wijziging in de hulpverleners van eiseres heeft plaatsgevonden, ervan uitgegaan dat eiseres hulp heeft vanuit haar sociale netwerk. Op grond van artikel 3.7, tweede lid, van het Besluit maatschappelijk ondersteuning gemeente Noordoostpolder 2015 heeft verweerder het PGB voor de maatwerkvoorziening gebaseerd op € 13,50 per uur, zijnde 50% van het uurtarief waarvoor verweerder deze diensten inkoopt.

22. Eiseres voert in beroep aan dat de hoogte van het PGB ter zake van de toegekende maatwerkvoorziening onjuist is vastgesteld door het uurtarief op een bedrag van € 13,50 vast te stellen. Verweerder heeft, nu eiseres in bezwaar heeft betwist dat zij hulp heeft vanuit haar sociale netwerk, ten onrechte nagelaten dit aan te tonen en vervolgens 50% van het tarief gehanteerd. Volgens eiseres dient het uurtarief ingevolge de regeling van verweerder “Tarief voor compensatieregeling en voor maatwerkvoorziening per 1 maart 2015” te worden bepaald op € 20,25 per uur, omdat de zorg wordt geleverd door een aanbieder die niet in loondienst werkzaam is bij een organisatie maar wel als beroepskracht werkzaam is.

23. In artikel 1.1.1., eerste lid, van de Wmo 2015 wordt sociaal netwerk gedefinieerd als: “personen uit de huiselijke kring of andere personen met wie de cliënt een sociale relatie onderhoudt”.

Op grond van artikel 2.3.5., derde lid, van de Wmo 2015 wordt een maatwerkvoorziening verleend ter compensatie van beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen.

Ingevolge artikel 4.1., eerste lid, onder d van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Noordoostpolder 2015 (Verordening), komt een cliënt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening in verband met de door hem ondervonden beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie die de cliënt ondervindt, voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk kan verminderen of wegnemen.

Blijkens artikel 3.7, tweede lid, van het Besluit maatschappelijk ondersteuning gemeente Noordoostpolder 2015 (Besluit) bedraagt de hoogte van het persoonsgebonden budget voor diensten welke worden ingekocht bij een persoon uit het sociale netwerk van de cliënt in ieder geval niet meer dan 50% van het tarief waarvoor het college deze diensten heeft ingekocht.

24. De rechtbank stelt eerstens vast dat de eerst ter zitting ingenomen stelling van verweerder, inhoudende dat 50% van het tarief wordt gehanteerd omdat eiseres een netwerk heeft opgebouwd en dat dat geen mensen behoeven te zijn uit een sociaal netwerk, niet kan worden gevolgd omdat zowel in de Wmo 2015 als in de Verordening en het Besluit van verweerder enkel de term ‘sociaal netwerk’ wordt gehanteerd.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit onvoldoende heeft gemotiveerd dat mensen uit het sociale netwerk van eiseres voor haar de maatwerkvoorziening verzorgen. De rechtbank verwijst in dit verband naar de Memorie van Toelichting bij de Wmo 2015 (Kamerstukken II, 2013/14, 33841, nr. 3), waarin wordt vermeld dat tot het sociale netwerk de personen uit de huiselijke kring en andere personen worden gerekend met wie iemand een sociale relatie onderhoudt. Met dat laatste worden personen bedoeld met wie hij regelmatig contacten onderhoudt, zoals mantelzorgers, buren, (mede)leden van een vereniging etc. Uit de definitie als zodanig vloeit geen verplichting voort om iemand bij te staan. De vraag of er personen in het sociale netwerk zijn aan wie iemand hulp zou kunnen en mogen vragen, komt aan de orde bij het onderzoek dat de gemeente verricht wanneer iemand zich tot de gemeente wendt.

De enkele stelling van verweerder dat eiseres telefonisch heeft medegedeeld dat er geen wijziging in haar hulpverleners heeft plaatsgevonden kan - zonder nader onderzoek door verweerder - niet de conclusie dragen dat aldus sprake is van een sociaal netwerk zoals gedefinieerd in de Wmo 2015, de Verordening en het Besluit. De eerst ter zitting ingenomen, niet nader onderbouwde stelling van verweerder, dat uit de verantwoording van het PGB volgt dat is gebleken dat er geen sprake was van zzp’ers of mensen in loondienst, dat de hulpverleners van eiseres alle voorkomende werkzaamheden verrichten en dat een van de hulpverleners de zus van eiseres is, maakt dit niet anders.

25. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

26. De rechtbank stelt verweerder in de gelegenheid om op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb het gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak. Dat herstellen kan hetzij met een aanvullende motivering, hetzij met een nieuwe beslissing op bezwaar, na of tegelijkertijd met intrekking van het nu bestreden besluit. Verweerder dient in dit kader te onderzoeken en te motiveren of de aan eiseres toegekende maatwerkvoorziening wordt uitgevoerd door personen uit het sociale netwerk van eiseres zoals gedefinieerd en geformuleerd in de Wmo 2015, de Verordening en het Besluit. Verweerder dient dit onderzoek te richten op de afzonderlijke hulpverleners van eiseres. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen verweerder het gebrek kan herstellen op vier weken na verzending van deze tussenuitspraak.

27. Verweerder dient op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb èn om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, aan de rechtbank mede te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid om het gebrek te herstellen. Als verweerder gebruikmaakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiseres in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van verweerder. In beginsel, ook in de situatie dat verweerder de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.

28. Het geding zoals dat na deze tussenuitspraak wordt gevoerd, blijft in beginsel beperkt tot de beroepsgronden zoals die tot en met de zitting van 11 januari 2016 zijn aangevoerd, omdat het inbrengen van nieuwe geschilpunten over het algemeen in strijd met de goede procesorde wordt geacht.

29. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht alsook de gevorderde wettelijke rente nu nog geen beslissing neemt.

30. Ingeval beide partijen naar aanleiding van deze tussenuitspraak in onderling overleg willen treden om tot een minnelijke regeling te komen, staat het hen uiteraard vrij om dit te doen en de rechtbank hierover te berichten.

Beslissing

De rechtbank:

- draagt verweerder op binnen twee weken aan de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen;

-stelt verweerder in de gelegenheid om binnen vier weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;

-houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze uitspraak en tussenuitspraak is gedaan door mr. S.G.M. Buys, voorzitter, en mr. M. Ramsaroep en mr. M.E. Falkmann, leden, in aanwezigheid van
mr. M. van Ettikhoven, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
25 april 2016.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.