Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2016:2520

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
04-05-2016
Datum publicatie
04-05-2016
Zaaknummer
16/705104-16; 13/855088-12 (TUL) (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank oordeelt dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan tweemaal brandstichting aan een auto, brandstichting in een bouwcontainer en brandstichting in een kliko in 2015 in Soest. De rechtbank veroordeelt de man tot een gevangenisstraf van 18 maanden, waarvan 9 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaar. Aan het voorwaardelijke deel worden voorwaarden verbonden, zoals reclasseringstoezicht, een klinische behandeling en een gebiedsverbod.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2016-0127
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Utrecht

Parketnummer: 16/705104-16; 13/855088-12 (TUL) (P)

Vonnis van de meervoudige strafkamer van 4 mei 2016.

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1982] ,

ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres

[adres] [woonplaats] , thans gedetineerd in het Huis van Bewaring PI Flevoland – HvB Almere Binnen, Almere.

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 21 april 2016. De verdachte is in persoon verschenen en heeft zich ter terechtzitting laten bijstaan door mr. E.I. Robert, advocaat te Utrecht.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat verdachte en de raadsvrouw naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

De tenlastelegging is op de zitting gewijzigd.

De tenlastelegging is, met wijziging, als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1

op 8 januari 2016 te Soest opzettelijk brand heeft gesticht aan een personenauto dan wel de personenauto heeft vernield door deze in aanraking te brengen met vuur;

Feit 2

op 8 december 2015 te Soest opzettelijk brand heeft gesticht aan een personenauto dan wel de personenauto heeft vernield door deze in aanraking te brengen met vuur;

Feit 3

op 5 december 2015 te Soest opzettelijk bracht heeft gesticht in een afvalcontainer, dan wel de afvalcontainer en een personenauto heeft vernield door de afvalcontainer in aanraking te brengen met vuur;

Feit 4

in de periode van 25 november 2015 tot en met 26 november 2015 opzettelijk brand heeft gesticht in een afvalcontainer/klikobak dan wel de afvalcontainer/klikobak heeft vernield;

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat ten aanzien van alle vier de feiten het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder feit 1, 3 en 4 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.

Ten aanzien van feit 2 heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat dit feit niet wettig en overtuigend bewezen kan worden en dat verdachte om die reden dient te worden vrijgesproken van dit feit. De raadsvrouw heeft daartoe het volgende aangevoerd. In zijn tweede verklaring heeft verdachte verklaard dat hij sliep in het tuinhuisje achter de woning van getuige [getuige 1] , dat hij wakker is geworden van een knal, in ontbloot bovenlijf naar buiten is gegaan en de brand heeft gezien, zich heeft omgekleed en weer naar de plek van de brand toe is gegaan. Op de beschikbaar gestelde beelden maakt verdachte een slaperige indruk en later is te zien dat hij een trui aan heeft. Dit komt overeen met de tweede verklaring die verdachte heeft afgelegd. Het enkele feit dat verdachte gezien is tijdens en na de brand, maakt niet dat hij de brand heeft aangestoken. Er is onvoldoende bewijs in het dossier aanwezig om tot een bewezenverklaring te komen voor feit 2, aldus de raadsvrouw.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

Feiten en omstandigheden

Aangezien de verdachte het tenlastegelegde onder feit 1, feit 3 en feit 4 heeft bekend en de raadsvrouw geen vrijspraak heeft bepleit ten aanzien van deze feiten, volstaat de rechtbank, met toepassing van artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering, met een opsomming van de bewijsmiddelen onder feit 1, feit 3 en feit 4.

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.1

Feit 1

- De aangifte van [aangever 1] d.d. 8 januari 20162;

- De verklaring van getuige [getuige 2] d.d. 3 februari 20163;

- De bekennende verklaring van verdachte d.d. 1 februari 20164.

Feit 2

Aangeefster [benadeelde 1] heeft, met betrekking tot de autobrand op 8 december 2015, - zakelijk weergegeven – het volgende verklaard.

Op maandag 7 december 2015 te 17:45 uur heeft mijn man de zilvergrijze Chrysler, type PT Cruiser, geparkeerd op de [straat] . Hij heeft de auto geparkeerd voor de woning aan de [straat] , ook aan die zijde van de weg en met de voorkant van de auto in de richting van nummer [nummer] . Mijn man en ik zijn op dinsdag 8 december 2015, rond 00:10 uur, naar bed gegaan. Op een gegeven moment werden we wakker van een hele harde knal. Wij slapen in een slaapkamer die aan de straatzijde gesitueerd is. Mijn man ging zijn bed uit en deed het gordijn opzij om te kijken wat er aan de hand was. Hij zag toen hoge vlammen uit onze auto slaan.5 Onze auto is total loss verklaard.6

[getuige 2] , bevelvoerder bij de Brandweer en specialist brandpreventie, is als getuige gehoord en heeft, met betrekking tot de autobrand op 8 december 2015, – zakelijk weergegeven – het volgende verklaard.

Uw collega heeft aan mij gevraagd hoe de autobrand van 8 december 2015 op de [straat] is ontstaan. De auto had volgens de eigenaar al uren stil gestaan. Opvallend is dat de brand echt helemaal aan de voorzijde van de auto is ontstaan en dat is voor kortsluiting wel een rare plek. Ik kan het niet met zekerheid zeggen, maar deze brand neigt naar brandstichting, gezien de plaats waar de brand is ontstaan en gezien het feit dat de auto al uren stilstond.7

Verdachte is op 1 februari 2016 door de politie gehoord en heeft – zakelijk weergegeven – het volgende verklaard.

Ik heb ook een auto op de [straat] in de brand gestoken. Daar heb ik nog nachtmerries van.8 Het was in ieder geval een zilvergrijze.9 De auto was van mijn buurman op de [straat] . Van nummer [nummer] .10

Bewijsoverweging

Op 1 februari 2016 legt verdachte een bekennende verklaring af waarin hij specifieke details van die brand kan benoemen, namelijk dat het een zilvergrijze auto was en dat het de auto van de buren was. Vervolgens verklaart verdachte een dag later dat hij de brand helemaal niet gepleegd kan hebben, omdat hij bij een vriend, [getuige 1] , binnen in huis was. Die vriend is ook door de politie gehoord, maar hij verklaart juist dat hij verdachte aan ziet komen fietsen op het moment dat hij zelf naar de brand staat te kijken. Op zitting verklaart verdachte weer dat hij niet binnen in de woning van [getuige 1] was, maar dat hij lag te slapen in het tuinhuis dat zich bevindt achter de woning van [getuige 1] .

De rechtbank is echter van oordeel dat uit moet worden gegaan van de eerste – bekennende – verklaring van verdachte afgelegd bij de politie op 1 februari 2016. De rechtbank neemt in die beslissing mee dat de brand in dezelfde buurt heeft plaatsgevonden als waar de branden hebben plaatsgevonden waarvan verdachte heeft bekend dat hij deze heeft gesticht. Daarnaast kon de verdachte ook een aantal specifieke details noemen van deze brand, namelijk dat het de auto van de buren van nummer [nummer] was en dat het een zilvergrijze auto was.

Gelet op de bekennende verklaring van verdachte en de overige bewijsmiddelen komt de rechtbank tot een bewezenverklaring van het onder feit 2 primair tenlastegelegde.

Feit 3

- De aangifte van [aangever 2] namens [A] en [bedrijf 1] d.d. 3 februari 201611;

- De aangifte van [aangever 3] d.d. 5 december 201512;

- De verklaring van getuige [getuige 2] d.d. 3 februari 201613;

- De bekennende verklaring van verdachte d.d. 1 februari 201614.

Feit 4

- De aangifte van [aangever 4] namens [bedrijf 2] d.d. 11 februari 201615;

- De bekennende verklaring van verdachte d.d. 1 februari 201616.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4. genoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

Feit 1, primair

op 08 januari 2016 te Soest, opzettelijk brand heeft gesticht aan een personenauto merk

Fiat, type Punto Speedgear, immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk een brandend stuk papier in de richting van die personenauto gegooid, in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met die personenauto, ten gevolge waarvan die personenauto gedeeltelijk is verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor een nabij gelegen woning en een nabij geparkeerde personenauto, en levensgevaar voor de aanwezige personen in die in de directe nabijheid gelegen woning te duchten was;

Feit 2, primair

op 08 december 2015 te Soest, opzettelijk brand heeft gesticht aan een personenauto merk Chrysler, type PT Cruiser, immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk (open) vuur in de nabijheid van die personenauto gehouden en in aanraking gebracht met die personenauto, ten gevolge waarvan die personenauto gedeeltelijk is verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor die personenauto, in elk gevaar gemeen gevaar voor goederen te duchten was;

Feit 3, primair

op 05 december 2015 te Soest, opzettelijk brand heeft gesticht in een afvalcontainer,

immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met de inhoud van die afvalcontainer, ten gevolge waarvan de inhoud van voornoemde container en een nabij geparkeerde auto, Peugeot 807, gedeeltelijk zijn verbrand en gesmolten, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor de container en een nabij geparkeerde personenauto en vervolgens voor een nabij gelegen woning, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en of levensgevaar voor de aanwezige personen in die in de directe nabijheid gelegen woning, te duchten was;

Feit 4, primair

in de periode van 25 november 2015 tot en met 26 november 2015 te Soest, opzettelijk brand heeft gesticht aan de inhoud van een afvalcontainer/klikobak, immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk met de vlam van een aansteker een hoeveelheid uit die afvalcontainer/kliko bak afkomstig papier ter hand genomen en in brand gestoken, en vervolgens dat brandende papier in die afvalcontainer/klikobak gegooid, ten gevolge waarvan die afvalcontainer/klikobak, geheel is verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor die afvalcontainer/klikobak te duchten was;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar als

Ten aanzien van feit 1, primair en feit 3, primair:

Telkens: opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is;

Ten aanzien van feit 2, primair en feit 4, primair:

Telkens: opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is.

Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

De rechtbank heeft kennis genomen van de Pro Justitia rapportage betreffende verdachte van 31 maart 2016, opgemaakt door M. de Klerk, GZ-psycholoog. Het rapport vermeldt - kort samengevat - dat het misbruik van middelen in combinatie met de anti-sociale persoonlijkheidspathologie van verdachte een verband lijkt te hebben met het plegen van de brandstichting op 5 december 2015. Verdachte is iemand die zijn negatieve gevoelens en impulsen moeilijk kan reguleren en geneigd is te reageren met het opzoeken van risico’s en spanning om zich beter te voelen. Hij is gewend om dit te dempen met alcohol- en drugsgebruik, maar als de spanning en emoties te hoog oplopen, dan schiet ook deze coping te kort. Verdachte lijkt enerzijds de brandstichting te plegen vanuit emoties, anderzijds vanuit zijn behoefte aan spanning/impulsiviteit.

De rechtbank neemt de conclusie uit het rapport over en zal verdachte, met betrekking tot feit 3, enigszins verminderd toerekeningsvatbaar achten.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar onder 1 tot en met 4 primair bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren en met daarbij de volgende bijzondere voorwaarden:

- reclasseringstoezicht;

- verplichte klinische behandeling maximaal voor de duur van 1 jaar;

- een locatieverbod voor de gemeente Soest gedurende de hele proeftijd.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte een (deels) voorwaardelijke straf opgelegd zou moeten krijgen met daaraan gekoppeld een aantal bijzondere voorwaarden. De raadsvrouw heeft betoogd dat het van belang is dat verdachte zo snel mogelijk behandeld wordt voor zijn persoonlijkheidsproblematiek en alcoholproblematiek en dat verdachte ook gemotiveerd is om een behandeling te ondergaan. Er is een indicatiestelling afgegeven en verdachte kan terecht bij Roosenburg. De psycholoog heeft gerapporteerd dat verdachte met betrekking tot feit 3 verminderd toerekeningsvatbaar is, maar de raadsvrouw is van mening dat dit ook moet worden aangenomen voor de feiten feit 1 en 4.

Tot slot heeft de raadsvrouw betoogd dat er een zo kort mogelijk onvoorwaardelijk strafdeel zou moeten worden opgelegd, zodat verdachte zo snel mogelijk met een behandeling kan starten.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan tweemaal brandstichting aan een auto, brandstichting in een bouwcontainer en brandstichting in een kliko. Bij de brandstichting aan de twee auto’s en in de bouwcontainer was er overslaggevaar naar nabij gelegen woningen die op dat moment bewoond waren. Door het handelen van verdachte is aldus een zeer gevaarlijke situatie ontstaan. Ook hebben de door verdachte gepleegde feiten tot grote schade geleid. Brandstichting dient als een zeer ernstig strafbaar feit gekwalificeerd te worden. Het veroorzaakt maatschappelijke onrust en kan leiden tot psychische, emotionele en ook financiële schade bij de slachtoffers daarvan, hetgeen ook is gebleken uit de slachtofferverklaringen van de heer Dekker en de heer Van den Bremer.

De rechtbank heeft bij de strafoplegging gelet op het uittreksel uit de justitiële documentatie van verdachte van 22 februari 2016, waaruit blijkt dat verdachte in de afgelopen vijf jaar niet is veroordeeld voor een soortgelijk feit.

Daarnaast heeft de rechtbank kennis genomen van voornoemd Pro Justitia rapportage. Uit het rapport blijkt dat door de persoonlijkheidsstoornis van verdachte het hem ontbreekt aan spanningsregulerende vaardigheden en coping. In combinatie met zijn alcohol- en drugsgebruik leidt dit tot het impulsief en grensoverschrijdend handelen. Zijn gebrek aan dagbesteding, het omdraaien van zijn dag- en nachtritme en het niet hebben van een vaste verblijfplaats, leiden tot een verhoogd risico op recidive. De psycholoog heeft dan ook geadviseerd om verdachte tot een (deels) voorwaardelijke straf te veroordelen met de bijzondere voorwaarden zich te houden aan de aanwijzingen van de reclassering. Vanwege de ernst van de problematiek en de hoge mate van recidivegevaar wordt een klinische behandeling op een forensische psychiatrische afdeling gericht op zijn persoonlijkheidsproblematiek en alcoholverslaving geadviseerd.

Ten aanzien van feit 3 acht de psycholoog de verdachte enigszins verminderd toerekeningsvatbaar. De rechtbank heeft deze conclusie overgenomen.

De rechtbank acht, onder meer gelet op de risico’s en gevolgen die brandstichting met zich meebrengen en gezien het feit dat de branden zijn gesticht in een korte periode in dezelfde buurt, het opleggen van een vrijheidsbenemende straf voor de duur van 18 maanden waarvan 9 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar passend en geboden.

Aan het voorwaardelijk strafdeel verbindt de rechtbank de volgende bijzondere voorwaarden:
- dat de verdachte zich na zijn veroordeling binnen twee dagen meldt bij Tactus, afdeling Reclassering op het adres Randstad 22183 te Almere, of soortgelijke instelling. Vervolgens moet hij gedurende de proeftijd onder toezicht en leiding van Tactus, afdeling Reclassering blijven en zich naar de door of namens die instelling te geven aanwijzingen gedragen, zo vaak en zo lang als deze instelling dat, gedurende de proeftijd, nodig vindt;
- dat de verdachte zich klinisch laat behandelen in FPA Roosenburg of een soortgelijke intramurale instelling voor de duur van maximaal 1 jaar, waarbij veroordeelde zich moet houden aan de aanwijzingen die veroordeelde in het kader van die behandeling door of namens de (geneesheer-)directeur van die instelling zullen worden gegeven;
- dat de verdachte zich gedurende de proeftijd van drie jaren niet zal bevinden in het gebied liggende tussen de [straat] , [straat] , [straat] , [straat] , [straat] en [straat] te [woonplaats] , zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.

Gelet op het gevaar voor herhaling zal de rechtbank een proeftijd van 3 jaar verbinden aan het voorwaardelijk strafdeel.

De rechtbank heeft bij het bepalen van de duur van het onvoorwaardelijk deel van de vrijheidsbenemende straf tevens rekening gehouden met de opgelegde klinische behandeling voor de duur van maximaal een jaar.

9 Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

Feit 1

Benadeelde [benadeelde 2] heeft een vordering benadeelde partij ingediend ter hoogte van

€ 765,41, bestaande uit € 415,41 materiële schade en € 350,00 euro immateriële schade.

Benadeelde [aangever 1] heeft een vordering benadeelde partij ingediend ter hoogte van

€ 1874,39, bestaande uit € 1467,62 materiële schade, € 350,00 immateriële schade en

€ 56,77 aan proceskosten.

Feit 3

Benadeelde [A] heeft een vordering benadeelde partij ingediend ter hoogte van € 400,00 materiële schade.

Benadeelde [aangever 3] heeft een vordering benadeelde partij ingediend ter hoogte van € 368,14, bestaande uit € 93,14 materiële schade en € 275,00 immateriële schade.

9.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle vorderingen benadeelde partijen kunnen worden toegewezen, waarbij de officier van justitie heeft opgemerkt dat de vordering benadeelde partij van [A] kan worden toegewezen tot € 200,00 en allen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en de wettelijke rente.

9.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] (feit 1) op het volgende standpunt gesteld. Voor wat betreft de immateriële schade zal de raadsvrouw zich refereren aan het oordeel van de rechtbank. Voor wat betreft de gevorderde vergoeding voor de verlofuren heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat niet is komen vast te staan of alle genoemde verlofuren zijn genuttigd vanwege de afwikkeling van de schade aan de auto. Mocht de rechtbank van mening zijn dat de opgenomen verlofuren wel voor vergoeding in aanmerking komen, dan vraagt de raadsvrouw deze te matigen.

De verdediging heeft zich, met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij [aangever 1] (feit 1), primair op het standpunt gesteld dat deze te omvangrijk is om in deze strafzaak te behandelen en dat de vordering dus niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Mocht de rechtbank anders oordelen, dan heeft de raadsvrouw zich voor wat betreft de immateriële schade, de gevorderde schade voor het eigen risico, en de schade aan de tuin gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Ten aanzien van de gevorderde schadevergoeding voor de goederen die zich in de auto bevonden, heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat deze niet-ontvankelijk dient te worden verklaard nu niet is komen vast te staan dat alle goederen zich in de auto bevonden en wat de staat van die goederen op dat moment was. Ten aanzien van de gevorderde “overige schadeposten” heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat deze niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard, nu dit geen rechtstreekse schade betreft.

De verdediging heeft zich, met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij [A] (feit 3), op het standpunt gesteld dat deze niet-ontvankelijk dient te worden verklaard nu de vordering te summier onderbouwd is.

De verdediging heeft zich, met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij [aangever 3] (feit 3), gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

9.3

Het oordeel van de rechtbank

De vordering van [benadeelde 2]

De behandeling van de vordering van [benadeelde 2] , levert niet een onevenredige belasting van het strafgeding op.

Het is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor bewezen geachte feit (feit 1) rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze op

€ 350,- aan immateriële schade. De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen. Met betrekking tot de materiële schade merkt de rechtbank op dat zij vaststelt dat een deel van de vordering betrekking heeft op verletkosten, te weten ten aanzien van de opgenomen verlofuren op 14 april 2016, de datum van het slachtoffergesprek, en 21 april, de datum van de zitting. De op die data opgenomen 6 uren (vermenigvuldigd met € 6,81 per uur) zal de rechtbank als proceskosten toewijzen. De rechtbank verklaart de vordering voor het overige deel van de materiële schade niet-ontvankelijk. De reden hiervoor is dat een deel van die schade al als immateriële schade voor vergoeding in aanmerking is gekomen, en vooralsnog onvoldoende duidelijk is geworden of die schade als gevolg van het ten laste gelegde aan verdachte kan worden toegerekend. De benadeelde partij kan de vordering voor dat deel bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Voorts zal verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van de benadeelde partij voornoemd wordt als extra waarborg voor betaling de schadevergoedingsmaatregel (artikel 36f Sr) aan verdachte opgelegd.

De vordering van [aangever 1]

De behandeling van de vordering van [aangever 1] , levert niet een onevenredige belasting van het strafgeding op.

De rechtbank wijst de navolgende door [aangever 1] gevorderde posten toe:

  • -

    eigen risico autoschade € 250,-

  • -

    in de verbrande auto aanwezige goederen (totaal) € 394,12

  • -

    eigen risico tuinverzekering € 100,-

  • -

    telefoonkosten (gedeeltelijk) € 30,-

  • -

    immateriële schade € 350,-

TOTAAL: € 1.124,12

De posten cursusabonnement, usb-stick, Dr. Vogel vitaminen, beveiligingscamera’s en reiskosten zal de rechtbank niet-ontvankelijk verklaren, nu vooralsnog onvoldoende duidelijk is geworden of die schade als gevolg van het ten laste gelegde aan verdachte kan worden toegerekend. De post telefoonkosten wordt – gelet op het ontbreken van een voldoende onderbouwing – deels niet ontvankelijk verklaard. Het toegewezen deel van de telefoonkosten heeft de rechtbank geschat met toepassing van artikel 6:97 BW. De in bijlage 25 genoemde reiskosten die als proceskosten zijn vermeld, zal de rechtbank als zodanig toewijzen.

Het is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor bewezen geachte feit (feit 1) rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze op

€ 1.124,12 (zegge duizendhonderdvierentwintig euro en twaalf eurocent), te weten

€ 350,00 aan immateriële schade en € 774,12 aan materiële schade. De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen

De benadeelde partij kan de vordering voor zover deze niet-ontvankelijk is verklaard bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Voorts zal verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van de benadeelde partij voornoemd wordt als extra waarborg voor betaling de schadevergoedingsmaatregel (artikel 36f Sr) aan verdachte opgelegd.

De vordering van [A]

De behandeling van de vordering van [A] , levert niet een onevenredige belasting van het strafgeding op.

De rechtbank acht het aannemelijk dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor bewezen geachte feit (feit 3) rechtstreeks schade heeft geleden. Hoewel de schade door de benadeelde partij in de vordering niet nader wordt onderbouwd, waardeert de rechtbank deze op € 200,00 (zegge tweehonderd euro) aan materiële schade zijnde het bij de aangifte van het ten laste gelegde feit reeds genoemde bedrag. De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen. De rechtbank verklaart het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk. De benadeelde partij kan de vordering voor dat deel bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Voorts zal verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van de benadeelde partij voornoemd wordt als extra waarborg voor betaling de schadevergoedingsmaatregel (artikel 36f Sr) aan verdachte opgelegd.

De vordering van [aangever 3]

De behandeling van de vordering van [aangever 3] , levert niet een onevenredige belasting van het strafgeding op.

Het is als onweersproken komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor bewezen geachte feit (feit 3) rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze op € 368,14 (zegge driehonderdachtenzestig euro en veertien eurocent), te weten € 275,00 aan immateriële schade en € 93,14 aan materiële schade. De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen.

Voorts zal verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van de benadeelde partij voornoemd wordt als extra waarborg voor betaling de schadevergoedingsmaatregel (artikel 36f Sr) aan verdachte opgelegd.

10 Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling

Bij de stukken bevindt zich de op 12 februari 2016 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Utrecht in de zaak met parketnummer 13/855088-12, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis d.d. 29 april 2015 van de politierechter te Amsterdam, waarbij verdachte is veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 40 uur subsidiair 20 dagen hechtenis, met bevel dat van deze straf een gedeelte, groot 20 uur subsidiair 10 dagen hechtenis niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op 2 jaar bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

10.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de voorwaardelijk opgelegde taakstraf van 20 uur ten uitvoer wordt gelegd.

10.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht om, gelet op de verzochte straf en de daarbij horende bijzondere voorwaarden, de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf af te wijzen dan wel de proeftijd te verlengen.

10.3

Het oordeel van de rechtbank

Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis. De rechtbank ziet echter, gelet op de op te leggen straf en de daarbij horende bijzondere voorwaarden, aanleiding de vordering van de officier van justitie af te wijzen.

11 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 24c, 36f, 57, en 157 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

12 Beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Feit 1, primair en feit 3, primair

telkens: opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is;

Feit 2, primair en feit 4, primair

opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;

Strafbaarheid

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte daarvoor strafbaar.

Strafoplegging

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 18 maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Bepaalt dat een gedeelte, te weten 9 maanden, van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd van 3 (drie) jaren navolgende algemene en bijzondere voorwaarden niet is nagekomen:

Algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

  1. zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

  2. ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt; en

3. medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

4. zich na zijn veroordeling binnen twee dagen meldt bij Tactus, afdeling Reclassering op het adres Randstad 22183 te Almere, of soortgelijke instelling. Vervolgens moet hij gedurende de proeftijd onder toezicht en leiding van Tactus, afdeling Reclassering blijven en zich naar de door of namens die instelling te geven aanwijzingen gedragen, zo vaak en zo lang als deze instelling dat, gedurende de proeftijd, nodig vindt;

5. zich klinisch laat behandelen in FPA Roosenburg of een soortgelijke murale instelling voor de duur van maximaal 1 jaar, waarbij veroordeelde zich moet houden aan de aanwijzingen die veroordeelde in het kader van die behandeling door of namens de (geneesheer-)directeur van die instelling zullen worden gegeven;

6. zich gedurende de proeftijd van drie jaren niet zal bevinden in het gebied gelegen tussen de [straat] , [straat] , [straat] , [straat] , [straat] , en [straat] te [woonplaats] , zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.

Geeft opdracht aan Tactus, afdeling Reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

De vorderingen benadeelde partijen

Benadeelde [benadeelde 2]

Wijst de vordering van [benadeelde 2] toe tot het bedrag van € 350, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 januari 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verklaart de vordering voor het overige deel niet-ontvankelijk.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde 2] te [woonplaats] .

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op € 40,86.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde 2] aan de Staat € 350,= (zegge driehonderdvijftig euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 januari 2016 tot aan de dag der algehele voldoening en bij gebreke en verhaal te vervangen door 7 dagen hechtenis. De toepassing van die hechtenis heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Benadeelde [aangever 1]

Wijst de vordering van [aangever 1] toe tot het bedrag van € 1.124,12, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 januari 2016 tot aan de dag der algehele voldoening. Verklaart de vordering voor het overige deel niet-ontvankelijk.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [aangever 1] te [woonplaats] .

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op € 56,77.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [aangever 1] aan de Staat € 1124,12 (zegge duizendhonderdvierentwintig euro en twaalf eurocent) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 januari 2016 tot aan de dag der algehele voldoening en bij gebreke en verhaal te vervangen door 21 dagen hechtenis. De toepassing van die hechtenis heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Benadeelde [A]

Wijst de vordering van Bouwbedrijf [A] toe tot het bedrag van € 200,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 5 december 2015 tot aan de dag der algehele voldoening. Verklaart de vordering voor het overige deel niet-ontvankelijk.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [A] te [woonplaats] .

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [A] aan de Staat

€ 200,00 (zegge tweehonderd euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 5 december 2015 tot aan de dag der algehele voldoening en bij gebreke en verhaal te vervangen door 4 dagen hechtenis. De toepassing van die hechtenis heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Benadeelde [aangever 3]

Wijst de vordering van [aangever 3] toe tot het bedrag van € 368,14, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 5 december 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [aangever 3] te [woonplaats] .

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [aangever 3] aan de Staat

€ 368,14 (zegge driehonderdachtenzestig euro en veertien eurocent) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 5 december 2015 tot aan de dag der algehele voldoening en bij gebreke en verhaal te vervangen door 7 dagen hechtenis. De toepassing van die hechtenis heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

De vordering tenuitvoerlegging 13/855088-12

Wijst af de vordering tenuitvoerlegging d.d. 12 februari 2016.

Dit vonnis is gewezen door

mr. G. Perrick, voorzitter,

mrs. J.G. van Ommeren en M.S. Mehilal, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S. Passchier, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 4 mei 2016.

De griffier is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.

BIJLAGE : De tenlastelegging

Aan bovenbedoelde gedagvaarde persoon wordt tenlastegelegd dat

1.

Primair

hij op of omstreeks 08 januari 2016 te Soest, althans in het arrondissement

Midden-Nederland, opzettelijk brand heeft gesticht in/aan een (personen)auto (merk

Fiat, type Punto Speedgear), immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk een brandend stuk papier in de richting van die (personen)auto gegooid, in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met die (personen)auto, althans met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan die (personen)auto geheel of gedeeltelijk is verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor een nabij gelegen woning en/of een (nabij geparkeerde) (personen)auto, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en / of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de aanwezige perso(o)n(en) in die in de directe nabijheid gelegen woning(en), in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor

zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen, te duchten was;

art 157 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 157 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair

hij op of omstreeks 08 januari 2016 te Soest, althans in het arrondissement Midden-Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk een (personen)auto (merk Fiat, type Punto Speedgear), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en / of beschadigd en / of onbruikbaar gemaakt, door toen aldaar opzettelijk en wederrechtelijk (open) vuur in aanraking te brengen met die (personen)auto;

art 350 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

Primair

hij op of omstreeks 08 december 2015 te Soest, althans in het arrondissement Midden-Nederland, opzettelijk brand heeft gesticht in/aan een (personen)auto (merk Chrysler, type PT Cruiser), immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk (open) vuur in de nabijheid van

die personenauto gehouden en/of in aanraking gebracht met die (personen)auto, althans met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan die (personen)auto geheel of gedeeltelijk is / zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor die (personen)auto en/of in die auto aanwezige goederen, in elk gevaar gemeen gevaar voor (dat) goed(eren) te duchten was;

art 157 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair

hij op of omstreeks 08 december 2015 te Soest, althans in het arrondissement Midden-Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk een (personen)auto (merk Chrysler, type PT Cruiser), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en / of beschadigd en / of onbruikbaar gemaakt, door toen aldaar opzettelijk en wederrechtelijk (open) vuur in de nabijheid van die (personen)auto te houden en/of (open) vuur in aanraking te brengen met die (personen)auto;

art 350 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3.

Primair

hij op of omstreeks 05 december 2015 te Soest, althans in het arrondissement

Midden-Nederland, opzettelijk brand heeft gesticht in/aan een afvalcontainer,

immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met (de inhoud van) die afvalcontainer, althans met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan de (inhoud van) voornoemde container en/of een nabij geparkeerde auto (Peugeot 807) geheel of gedeeltelijk is / zijn verbrand en/of gesmolten, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar de container en/of (een) nabij geparkeerde (personen)auto('s) en/of (vervolgens) voor (een) nabij gelegen woning(en), in elk geval gemeen gevaar voor goederen en / of levensgevaar en/of zwaar lichamelijk letsel voor de aanwezige perso(o)n(en) in die in de directe nabijheid gelegen woning(en), in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen, te duchten was;

art 157 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 157 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair

hij op of omstreeks 05 december 2015 te Soest, althans in het arrondissement Midden-Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk een afvalcontainer en/of een (personen)auto (merk Peugeot 807), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [A] en/of [bedrijf 1] en/of [aangever 3] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en / of beschadigd en / of onbruikbaar gemaakt, door toen aldaar opzettelijk en wederrechtelijk (open) vuur in aanraking te brengen met de

(inhoud van die) afvalcontainer;

art 350 lid 1 Wetboek van Strafrecht

4.

Primair

hij in of omstreeks de periode van 25 november 2015 tot en met 26 november 2015 te Soest, althans in het arrondissement Midden-Nederland, opzettelijk brand heeft gesticht in/aan (de inhoud van) een afvalcontainer/klikobak, immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk met de vlam van een aansteker een hoeveelheid (uit die afvalcontainer/kliko bak afkomstig) papier ter hand ge en/of in brand gestoken, in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking

gebracht met (een) brandbare stof(fen), en/of (vervolgens) dat (brandende) papier in die (afval)container/klikobak) (terug)gegooid, ten gevolge waarvan dat papier en/of overig materiaal, althans die afvalcontainer/klikobak, geheel of gedeeltelijk is verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor die afvalcontainer/klikobak en/of in de directe nabijheid geplaatste andere afvalcontainer(s)/klikobak(ken), in elk geval gemeen gevaar voor goederen, te duchten was;

art 157 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair

hij in of omstreeks de periode van 25 november 2015 tot en met 26 november 2015 te Soest opzettelijk en wederrechtelijk een afvalcontainer/klikobak, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [bedrijf 2] en/of [aangever 4] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en / of beschadigd en / of onbruikbaar gemaakt, door toen aldaar opzettelijk en wederrechtelijk papier in die afvalcontainer/klikobak in brand te steken;

art 350 lid 1 Wetboek van Strafrecht

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier met nummer PL0900-2016036858 Z bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344.1.5° Wetboek van Strafvordering, worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.

2 Het proces-verbaal aangifte [aangever 1] , d.d. 8 januari 2016, p. 17 tot en met 21.

3 Het proces-verbaal verhoor getuige [getuige 2] , d.d. 3 februari 2016, p. 27 tot en met 29.

4 Het proces-verbaal verhoor verdachte, d.d. 1 februari 2016, p. 110 tot en met 121.

5 Het proces-verbaal aangifte [benadeelde 1] , d.d. 3 februari 2016, p. 72.

6 Het proces-verbaal aangifte [benadeelde 1] , d.d. 3 februari 2016, p. 73.

7 Het proces-verbaal verhoor getuige [getuige 2] , d.d. 3 februari 2016, pagina 28.

8 Het proces-verbaal verhoor verdachte, d.d. 1 februari 2016, pagina 112.

9 Het proces-verbaal verhoor verdachte, d.d. 1 februari 2016, pagina 113.

10 Het proces-verbaal verhoor verdachte, d.d. 1 februari 2016, pagina 114.

11 Het proces-verbaal aangifte [aangever 2] namens [A] en [bedrijf 1] , d.d. 3 februari 2016, p. 74 tot en met 76.

12 Het proces-verbaal aangifte [aangever 3] d.d. 5 december 2015, p. 77 en 78.

13 Het proces-verbaal verhoor getuige [getuige 2] , d.d. 3 februari 2016, p. 27 tot en met 29.

14 Het proces-verbaal verhoor verdachte, d.d. 1 februari 2016, p. 110 tot en met 121.

15 Het proces-verbaal aangifte [aangever 4] namens [bedrijf 2] , d.d. 11 februari 2016, p. 80 tot en met 83.

16 Het proces-verbaal verhoor verdachte, d.d. 1 februari 2016, p. 110 tot en met 121.