Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2016:2519

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
03-05-2016
Datum publicatie
03-05-2016
Zaaknummer
16/700158-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Man wordt veroordeeld voor poging tot doodslag in 2015 in Utrecht. De rechtbank acht bewezen dat de verdachte met een hamer zijn tandarts heeft aangevallen. De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 36 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar. De rechtbank verbindt diverse voorwaarden aan de voorwaardelijke straf waaronder een contactverbod met het slachtoffer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht
Zittingslocatie Utrecht

Parketnummer: 16/700158-15

Vonnis van de meervoudige strafkamer van 3 mei 2016

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1982] te [geboorteplaats]

thans gedetineerd in de PI Nieuwegein – Huis van Bewaring locatie Nieuwegein.

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 12 januari 2016, 29 maart 2016 en 19 april 2016. De verdachte is in persoon verschenen en heeft zich ter terechtzitting laten bijstaan door mr. A.T.G. van Wandelen, advocaat te Utrecht.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat verdachte en de raadsvrouw naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 27 juli 2015 te Utrecht heeft getracht [slachtoffer] van het leven te beroven door hem met een hamer tegen het hoofd te slaan (feit 1 primair). Subsidiair is dit feit ten laste gelegd als een poging tot toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.

Voorts wordt verdachte een overtreding van de Wet wapens en munitie verweten.

3 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 Vrijspraak

De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsvrouw van oordeel dat er onvoldoende bewijs is voor een veroordeling terzake het onder 2 ten laste gelegde verboden wapenbezit. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

5 Waardering van het bewijs

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde

5.1.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

Ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde acht de officier van justitie de impliciet subsidiair ten laste gelegde poging tot doodslag wettig en overtuigend bewezen. De officier van justitie verwijst daartoe naar de aangifte, de getuigenverklaringen, de letselverklaring en de desbetreffende processen-verbaal van bevindingen.

5.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit en daartoe aangevoerd dat de aangever [slachtoffer] weliswaar mishandeld is, maar dat niet vaststaat dat verdachte die mishandeling heeft gepleegd. Verdachte heeft vanaf het begin aangegeven dat hij op 27 juli 2015 in Marokko verbleef. Er is geen bewijs dat dat niet het geval zou zijn. De aangever heeft de aanvaller herkend als een patiënt. Pas nadat een assistente een foto van verdachte aan hem liet zien, herkende aangever verdachte op die foto als de dader. Dit levert geen objectieve en betrouwbare herkenning op, aldus de raadsvrouw. Daarnaast wordt deze herkenning op geen enkele wijze ondersteund. Verdachte dient dan ook zowel van het primair als het subsidiair ten laste gelegde te worden vrijgesproken.

Meer subsidiair wordt opgemerkt dat er geen bewijs is dat er dusdanig grof geweld is gebruikt dat er sprake is van opzet op de dood of de aanmerkelijke kans op de dood. Het enkele gegeven dat iemand wellicht zou kunnen komen te overlijden door de ten laste gelegde handeling levert immers nog geen aanmerkelijke kans op de dood op, aldus de raadsvrouw.

5.3.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.1

Op 27 juli 2015 heeft [slachtoffer] aangifte gedaan bij de politie. Aangever verklaarde dat hij werkzaam is als tandarts bij [tandartspraktijk] gevestigd te [vestigingsplaats] . Die dag rond 7.30 uur opende aangever de deur van de praktijk. Aangever stond in de hal van de praktijk en voelde dat iemand hem naar binnen duwde. Aangever zag een man die hij herkende als een patiënt van de praktijk. Aangever voelde bijna direct dat hij met een voorwerp aan de rechterzijkant van zijn hoofd werd geslagen. Aangever keek achterom en zag dat de man in zijn rechterhand een klauwhamer had. Aangever voelde direct veel pijn hierdoor. Aangever voelde dat hij ook op de rechterzijde van zijn kaak werd geslagen met deze hamer en vervolgens ook op de linkerzijde van zijn borst. Aangever zag druppels bloed van zijn hoofd afvallen.2 Aangever hoorde de man zeggen dat hij op zijn knieën moest gaan zitten. Aangever heeft de man met al zijn kracht aan de kant geduwd en is naar buiten gevlucht.

Een medewerkster van de praktijk vertelde aangever dat er anderhalve week geleden een agressieve patiënt in de praktijk was geweest die had geroepen dat hij terug zou komen op maandag, maar vorige week niet was geweest. Deze medewerkster heeft de gegevens van deze patiënt opgezocht in het systeem en vertelde dat zijn naam was: [verdachte] . De medewerkster heeft vervolgens een foto3 opgezocht van [verdachte] op Google of facebook. Aangever herkende de linker man op de foto als de dader.

Aangever verklaarde veel pijn te hebben aan vooral de rechterkant van zijn hoofd op de plek waar hij was geslagen. Dit was ongeveer ter hoogte van zijn slaap. Aangever werd door een ambulancemedewerker doorverwezen naar de spoedeisende hulp van het UMC ziekenhuis.4 Van dit letsel zijn foto’s gemaakt.5

In het ziekenhuis werd als uitwendig waargenomen letsel waargenomen: een schaafwond rechterzijde van het hoofd en diverse schaafwonden in het aangezicht. Onder overig van belang zijnde informatie werd opgenomen: CF hersenen: subduraal hematoom rechts (max. dikte 1.9 cm) met densiteit van deels vers bloed. De geschatte duur van de genezing werd geschat op enkele weken.6

Aangever heeft later, als getuige bij de rechter-commissaris, verklaard dat verdachte ongeveer zes keer in de praktijk is geweest en dat de behandelingen, zoals opgenomen in het tandartsdossier, door hem, aangever, zijn uitgevoerd. Dit waren behandelingen van ongeveer een uur of 5 kwartier. Toen aangever op 27 juli 2015 werd aangevallen heeft hij de persoon die hem aanviel goed kunnen zien. Aangever herkende de persoon die hem aanviel ook. Aangever verklaarde dat hij hem aan alles herkende; verdachte was iemand die indruk had achtergelaten en aangever voelde altijd wel spanning voor hem. Verdachte was een keer met pijnklachten gekomen en was toen ook opdringerig. Aangever herkende de aanvaller dus als een patiënt van hem. Toen hij in elkaar was geslagen kwam zijn assistente eraan en zij vroeg gelijk of het “die en die meneer” was. Zij heeft deze persoon toen op Google opgezocht. Op de vraag hoe de aangever wist dat die betreffende meneer hem had aangevallen, zegt aangever dat zij al veel over hem hadden gesproken; dat hij zijn rekeningen niet betaalde en dat ze het maar gewoon moesten laten vallen omdat ze het niet bij hem konden incasseren. Ook waren zij een beetje bang voor hem. Toen aangever de foto van facebook zag, herkende hij de man voor 100%.7

In het door deze tandartspraktijk bijgehouden tandartsdossier is vermeld dat verdachte in totaal 6 keer een bezoek heeft afgelegd aan en een behandeling heeft ondergaan in deze praktijk.8 Tevens is in deze administratie op 17 juli 2015 de volgende notitie opgenomen: “Patiënt boos aan de balie, heeft bedreigd..gat [slachtoffer] schuld voor pijn in zijn kies..komt maandag terug om zijn dossier op te halen”.9

Op 27 juli heeft de medewerkster van het [tandartspraktijk] als anonieme getuige een verklaring afgelegd. Zij verklaarde dat zich op 17 juli 2015 een incident had afgespeeld in het bedrijf. Een agressieve patiënt was het niet eens met het resultaat van zijn behandeling. Deze patiënt was [verdachte] , verder: verdachte. Op dat moment waren twee andere medewerkers van de praktijk aanwezig. De man riep toen dat hij wel terug zou komen op maandag en mensen zou gaan slaan. De maandag erna is de man niet gekomen. Deze maandag is hij dus wel gekomen.

De getuige verklaarde voorts van dat zij op internet een foto had opgezocht van verdachte en aan tandarts [slachtoffer] had laten zien. Zij hoorde tandarts [slachtoffer] zeggen dat de meest linker man op de foto de dader was.10

Deze anonieme getuige heeft op 12 april 2016 bij de rechter-commissaris verklaard dat op vrijdag 17 juli 2015 een jongen aan de balie was gekomen die zei dat hij last had van een kies en dat dat de schuld was van tandarts [slachtoffer] . Hij wilde geholpen worden. De anonieme getuige was op dat moment zelf niet in de praktijk aanwezig. De assistente die toen werkte zag dat hij zijn rekeningen niet had betaald en gaf aan dat zij hem daarom niet konden helpen. De jongen werd toen boos. In eerste instantie is hij weggegaan. Hij kwam daarna terug en wilde zijn dossier hebben. De assistente zei dat zij een invalster was en dat hij de volgende week op maandag terug moest komen omdat de vaste assistentes er dan zouden zijn. Die volgende maandag is de jongen niet teruggekomen. Op de ochtend dat het gebeurde kwam deze getuige om 7.45 uur aanrijden en trof de tandarts bloedend op straat aan. Hij zei dat hij in elkaar was geslagen door een patiënt. De getuige heeft toen opgebeld naar de assistente die eerder bedreigd was en vroeg haar de naam te geven van die persoon en heeft toen op internet gezocht. Er kwam een facebookplaatje tevoorschijn en die heeft zij aan [slachtoffer] laten zien. Hij gaf aan dat het die jongen was die hem had aangevallen.

Met betrekking tot de verrichte behandelingen verklaart zij dat, op de behandeling van 20 augustus 2015 na, alle behandeling door de tandarts [slachtoffer] zelf zijn uitgevoerd. 11

Nadere bewijsoverwegingen

De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsvrouw van oordeel dat uit de inhoud van het dossier niet is komen vast te staan dat verdachte heeft gehandeld met voorbedachten rade. De rechtbank zal verdachte van dit deel van de tenlastelegging vrijspreken.

De aangever kent verdachte als zijn patiënt en heeft hem als zodanig op 27 juli 2015 herkend. Dat hem een foto is getoond van (alleen) verdachte (en niet van andere patiënten), die tien dagen eerder volgens de medewerker boos in de praktijk was verschenen, maakt dit niet anders nu verdachte een bekende van de aangever is.

De verklaring van verdachte dat hij de dader niet kan zijn geweest omdat hij op 27 juli 2015 in Marokko verbleef, heeft verdachte van geen enkele betrouwbare onderbouwing voorzien en wordt door de rechtbank als ongeloofwaardig aangemerkt. De uitdraai van een hotelreservering in Marrakech staaft verdachtes verklaring niet dat hij op 27 juli 2015 in Tanger zou verblijven. De verklaring van verdachte wordt geheel weerlegd door de inhoud van de hierboven genoemde bewijsmiddelen.

De rechtbank is van oordeel dat uit de inhoud van deze bewijsmiddelen volgt dat verdachte de persoon is geweest die [slachtoffer] met een klauwhamer heeft aangevallen en verwond.

Naar algemeen ervaringsregels is de kans dat iemand zal overlijden aanmerkelijk wanneer hij met een klauwhamer op het hoofd - blijkens de verklaring van aangever en de letselfoto’s in het gebied van de slaap - wordt geslagen, aangezien dit een kwetsbaar deel van het hoofd betreft. De rechtbank acht de bewezen verklaarde gedraging naar zijn aard dan ook geschikt en geëigend om iemands dood te veroorzaken.

De rechtbank acht op grond van voornoemde feiten en omstandigheden wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan poging tot doodslag op [slachtoffer] .

6 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 5. vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte op 27 juli 2015 te Utrecht ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven die [slachtoffer] meermalen met een hamer tegen diens hoofd en lichaam heeft geslagen, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

7 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen verklaarde levert het navolgende strafbare feit op.

Ten aanzien van het onder 1 primair bewezen verklaarde:

Poging tot doodslag

Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

8 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

9 Motivering van de straffen en maatregelen

9.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar onder 1 bewezen geachte poging tot doodslag zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 36 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en als bijzondere voorwaarde een contactverbod met [slachtoffer] .

9.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht de voorlopige hechtenis bij vonnis op te heffen. Verdachte is firts offender wat betreft geweldsmisdrijven, artikel 63 Sr is van toepassing en het letsel is relatief gering.

9.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft getracht een ander van het leven te beroven door hem verschillende malen met een klauwhamer op zijn hoofd te slaan. Dit handelen van verdachte levert een zeer ernstig misdrijf op. Dat dit handelen van verdachte ook op het slachtoffer een grote impact heeft gehad blijkt wel uit hetgeen het slachtoffer bij de politie heeft verklaard: Dat hij echt doodsbang was dat hij doodgeslagen zou worden en nog nooit zoveel angst heeft gekend. Ook wilde het slachtoffer liever geen aangifte doen uit angst voor represailles.

Verdachte heeft, omdat hij ontevreden was over zijn tandheelkundige behandeling, op een absurde en volstrekt ontoelaatbare wijze zijn ongenoegen hierover geuit door zijn tandarts met een klauwhamer aan te vallen. Dit gedrag is, naast volstrekt onacceptabel, ook zeer zorgelijk. Zijn verklaringen over zijn (internationale) activiteiten wekken bevreemding. Door de weigering van verdachte om zijn medewerking te verlenen aan het psychologisch onderzoek pro justitia is er niet veel bekend over de persoon van verdachte. De rechtbank acht een deels voorwaardelijke straf noodzakelijk om verdachte te weerhouden nogmaals strafbare feiten te plegen en om te voorkomen dat hij contact legt of zoekt met aangever.

Door het handelen van verdachte is de rechtsorde dusdanig ernstig geschokt dat, uit het oogpunt van een juiste normhandhaving, slechts kan worden volstaan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te noemen duur.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 45, 63 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

11 Beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

Verklaart het onder 2 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bewezenverklaring

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Strafbaarheid

Het onder 1 primair bewezen verklaarde levert op:

Poging tot doodslag

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte daarvoor strafbaar.

Strafoplegging

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 36 (zesendertig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 6 (zes) maanden, van deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast, indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet aan de volgende voorwaarden houdt.

Stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt.

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

De tenuitvoerlegging kan ook worden gelast indien veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarden niet naleeft.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat:

- veroordeelde gedurende de proeftijd op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal zoeken of opnemen of hebben met [slachtoffer] .

Wijst af het verzoek om opheffing van de voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.P. Glerum, voorzitter, mrs. A.J.P. Schotman en P.J.M. Mol, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J. Gardenier, griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 3 mei 2016.

De voorzitter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE : De tenlastelegging

1.

Primair

hij op of omstreeks 27 juli 2015 te Utrecht, althans in het arrondissement Midden-Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, althans met dat opzet,

- die [slachtoffer] (meermalen) met een hamer, althans een hard voorwerp, op/tegen diens hoofd en/of lichaam heeft geslagen en/of

- een stroomstootwapen op de buik, althans het lichaam, van die [slachtoffer] heeft geplaatst en/of (vervolgens) dat stroomstootwapen in werking heeft gesteld en/of

- terwijl hij die hamer, althans dat harde voorwerp, in zijn hand hield (op dwingende en/of dreigende toon) tegen die [slachtoffer] heeft gezegd dat hij op zijn knieën moest gaan zitten, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

Subsidiair

hij op of omstreeks 27 juli 2015 te Utrecht, althans in het arrondissement Midden-Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachte rade, althans opzettelijk, aan [slachtoffer] , zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, althans met dat opzet,

- die [slachtoffer] (meermalen) met een hamer, althans een hard voorwerp, op/tegen diens hoofd en/of lichaam heeft geslagen en/of

- een stroomstootwapen op de buik, althans het lichaam, van die [slachtoffer] heeft geplaatst en/of (vervolgens) dat stroomstootwapen in werking heeft gesteld en/of terwijl hij die hamer, althans dat harde voorwerp in zijn hand hield (op dwingende en/of dreigende toon) tegen die [slachtoffer] heeft gezegd dat hij op zijn knieën moest gaan zitten, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid.

2.

hij op of omstreeks 27 juli 2015 te Utrecht (een) wapen(s) van categorie II onder 5°, te weten een voorwerp waarmee door een elektrische stroomstoot personen weerloos kunnen worden gemaakt of pijn kan worden toegebracht, niet zijnde een medisch hulpmiddel, voorhanden heeft gehad.

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Pag. 8 (proces-verbaal van aangifte [slachtoffer] van 29 juli 2015)

3 Pag. 31 (foto als bijlage bij het proces-verbaal van verhoor getuige 1079557)

4 Pag. 9 (proces-verbaal van aangifte [slachtoffer] van 29 juli 2015)

5 Pag. 11-15 (bijlage letselfoto’s)

6 Pag. 25 (een schriftelijk bescheid, inhoudende een geneeskundige verklaring van 27 juli 2015, ingevuld en ondertekend door een arts van de afdeling Neurologie van het UMC Utrecht)

7 Een proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer] op 12 april 2016 ten overstaan van de rechter-commissaris van deze rechtbank

8 Pag. 189 (schriftelijk bescheid, inhoudende een uitdraai historie administratie [verdachte] van praktijk [slachtoffer] )

9 Pag. 190 (schriftelijk bescheid, inhoudende een uitdraai historie administratie [verdachte] van praktijk [slachtoffer] )

10 Pag. 29 (proces-verbaal van verhoor getuige 1079557)

11 Een proces-verbaal van verhoor getuige 1079557 van 12 april 2016 ten overstaan van de rechter-commissaris van deze rechtbank