Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2016:2518

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
02-05-2016
Datum publicatie
03-05-2016
Zaaknummer
UTR 16/2002 en UTR 16/1999
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een nieuw besluit op bezwaar. Eiseres heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

De rechtbank stelt vast dat eiseres verweerder op 1 april 2016 in gebreke heeft gesteld en dat sindsdien twee weken zijn verstreken. De rechtbank is van oordeel dat de datering van deze ingebrekestelling niet onredelijk is, nu verweerder hiermee na de hoorzitting nog 5 weken de gelegenheid heeft gehad om op het bezwaar van eiseres te beslissen. De rechtbank ziet aanleiding in dit geval te bepalen dat verweerder binnen tien dagen na de verzending van de uitspraak alsnog een besluit op het bezwaar van eiseres bekend maakt, vanwege de omstandigheid dat het bezwaar van eiseres al dateert van 2014 en verweerder niet voortvarend heeft gehandeld naar aanleiding van de gemaakte afspraken over de beslissing na de hoorzitting.

De rechtbank ziet – gelet op de gebleken onvoldoende voortvarende houding van verweerder – aanleiding met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb en in overeenstemming met het landelijke beleid (www.rechtspraak.nl) te bepalen dat verweerder een dwangsom van € 250, - verbeurt voor elke dag waarmee de hiervoor genoemde termijn wordt overschreden, met een maximum van € 37.500,-. Gegeven de beslissing in de hoofdzaak is er geen grond meer voor het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening, zodat het verzoek wordt afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummers: UTR 16/2002 en UTR 16/1999

uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter van 2 mei 2016 in de zaak tussen

Freya Exploitatie B.V., als bestuurder van [straat] Exploitatie, te Amsterdam, eiseres

(gemachtigde: mr. B.E.J.M. Tomlow),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, verweerder

Procesverloop

Bij besluit van 27 juni 2014 heeft verweerder geweigerd om aan eiseres een exploitatievergunning te verlenen voor een seksinrichting die gevestigd is in 17 werkruimtes aan de [straat] te Utrecht. Eiseres heeft tegen de weigering bezwaar gemaakt en bij besluit van 25 november 2014 is dit bezwaar ongegrond verklaard. Nadat eiseres beroep tegen laatstgenoemd besluit heeft ingesteld, zijn ter zitting van 2 juni 2015 afspraken gemaakt, welke zijn vastgelegd in het verkort proces-verbaal van deze rechtbank (zaaknummer UTR 15/289). Blijkens dit proces-verbaal heeft verweerder ter zitting het besluit van 25 november 2014 ingetrokken en heeft de rechtbank verweerder opgedragen opnieuw op het bezwaar van eiseres te beslissen, nadat alle in het proces-verbaal genoemde onderzoeken zijn afgerond en een gehoor heeft plaatsgevonden.

Eiseres heeft thans beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een nieuw besluit op bezwaar.

Eiseres heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Overwegingen

  1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.

  2. Tegen het niet tijdig beslissen op een aanvraag of bezwaar kan beroep worden ingesteld bij de rechtbank (artikel 6:2, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb). Het beroepschrift kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen (artikel 6:12, tweede lid, van de Awb).

  3. Het bestuursorgaan beslist op het bezwaar binnen zes weken of als er een adviescommissie is ingesteld binnen twaalf weken, gerekend vanaf de dag na die waarop de bezwaartermijn is verstreken (artikelen 7:10, eerste lid, en 7:13 van de Awb). Toen verweerder het oorspronkelijk bestreden besluit van 25 november 2014 introk, was de oorspronkelijk voor dat besluit geldende beslistermijn al verstreken.

  4. Op 25 februari 2016 heeft een hoorzitting plaatsgevonden inzake de aanvraag om exploitatievergunning voor een seksinrichting op de adressen [adres] , [adres] , [adres] , [adres] , [adres] , [adres] , [adres] , [adres] te [woonplaats] . Tijdens de hoorzitting heeft verweerder toegezegd voor 1 april 2016 te beslissen, althans dat eiseres voor 1 april 2016 nader zou worden geïnformeerd, waarbij het streven was om dan een beslissing te hebben genomen. Op 31 maart 2016 heeft verweerder eiser geïnformeerd dat, gelet op de achtergrond, complexiteit en omvang van deze zaak, alsmede het gegeven dat de benodigde informatie nog niet compleet is, er meer tijd nodig is om een zorgvuldig besluit te nemen. Verweerder heeft daarbij te kennen gegeven dat het streven nu is om in de tweede week van mei een beslissing op de aanvraag te nemen.

  5. De rechtbank gaat ervan uit dat de in het verkort proces-verbaal genoemde onderzoeken waren afgerond ten tijde van de hoorzitting van 25 februari 2016, nu deze hoorzitting, gelet op de gemaakte afspraken, zou plaatsvinden na afronding van de onderzoeken en verweerder op de hoorzitting te kennen heeft gegeven de verwachting te hebben voor 1 april 2016 een beslissing te nemen. Op grond van artikel 7:10, vierde lid, van de Awb is verder uitstel voor de beslissing mogelijk voor zover alle belanghebbenden daarmee instemmen (a), de indiener van het bezwaarschrift daarmee instemt en andere belanghebbenden daardoor niet in hun belangen kunnen worden geschaad (b), of dit nodig is in verband met de naleving van wettelijke procedurevoorschriften (c). De rechtbank overweegt dat van een situatie als bedoeld in artikel 7:10, vierde lid, aanhef en onder a, b of c, van de Awb niet is gebleken.

  6. Gelet op de gemaakte afspraken ter zitting van 2 juni 2015, is de rechtbank van oordeel dat verweerder na de hoorzitting van 25 februari 2016 nog enige tijd mocht worden gegund om te beslissen op het bezwaar van eiseres. De rechtbank stelt vast dat eiseres verweerder op 1 april 2016 in gebreke heeft gesteld en dat sindsdien twee weken zijn verstreken. De rechtbank is van oordeel dat de datering van deze ingebrekestelling niet onredelijk is, nu verweerder hiermee na de hoorzitting nog 5 weken de gelegenheid heeft gehad om op het bezwaar van eiseres te beslissen.

  7. Het beroep is kennelijk gegrond.

  8. In artikel 4:17 van de Awb is bepaald dat als een beschikking niet op tijd wordt genomen, het bestuursorgaan een dwangsom verschuldigd is voor elke dag dat het in gebreke is voor ten hoogste 42 dagen. De dwangsom bedraagt de eerste veertien dagen € 20,- per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 30,- per dag en de overige dagen € 40,- per dag. Het bestuursorgaan stelt de dwangsom vast binnen twee weken na de laatste dag waarover de dwangsom verschuldigd was (artikel 4:18, eerste lid, van de Awb).

  9. Verweerder heeft de hoogte van de dwangsom niet vastgesteld. De rechtbank doet dit met toepassing van artikel 8:55c van de Awb alsnog. De dwangsom is in dit geval verschuldigd vanaf 16 april 2016 tot heden en bedraagt € 370,-.

  10. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb bepaalt de rechtbank, als het beroep gegrond is en nog geen besluit is bekendgemaakt, dat het bestuursorgaan binnen twee weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden alsnog een besluit bekendmaakt. In bijzondere gevallen kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn stellen. De rechtbank ziet gelet op artikel 8:55d, eerste en derde lid, van de Awb en in aanmerking nemend de sluiting van overheidsinstellingen op 5 mei 2016, aanleiding in dit geval te bepalen dat verweerder binnen tien dagen na de verzending van de uitspraak alsnog een besluit op het bezwaar van eiseres bekend maakt, vanwege de omstandigheid dat het bezwaar van eiseres al dateert van 2014 en verweerder niet voortvarend heeft gehandeld naar aanleiding van de gemaakte afspraken over de beslissing na de hoorzitting.

  11. De rechtbank ziet – gelet op de gebleken onvoldoende voortvarende houding van verweerder – aanleiding met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb en in overeenstemming met het landelijke beleid (www.rechtspraak.nl) te bepalen dat verweerder een dwangsom van € 250, - verbeurt voor elke dag waarmee de hiervoor genoemde termijn wordt overschreden, met een maximum van € 37.500,-.

  12. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

  13. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 248,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 496,- en een wegingsfactor 0,5). De rechtbank is van oordeel dat deze zaak van licht gewicht is, omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden en of er een dwangsom verschuldigd is.

  14. Gegeven de beslissing in de hoofdzaak is er geen grond meer voor het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening, zodat het verzoek wordt afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;

- stelt de door verweerder verbeurde dwangsom vast op € 370,-;

- draagt verweerder op binnen tien dagen na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit op het bezwaar bekend te maken;

- bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 250,- verbeurt voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 37.500,-;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 334,- aan eiseres te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 248,-.

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. Bouter-Rijksen, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van S. Brussaard, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 mei 2016.

de griffier de (voorzieningen)rechter

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan, voor zover het beroep betreft, binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden ingesteld bij deze rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.