Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2016:2480

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
28-04-2016
Datum publicatie
29-04-2016
Zaaknummer
UTR 16/1708
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

De rechtbank Midden-Nederland oordeelt dat de pilot van gemeenteproject Stop & Drop per direct gestaakt moet worden omdat de veiligheidsrisico’s onvoldoende in kaart zijn gebracht. Op de Neude in Utrecht zijn sinds 29 maart 2016 drie parkeervakken aangelegd waar de koelwagens van horecagroothandels met behulp van elektriciteit kunnen laden en lossen en dus niet meer stationair hoeven te draaien. Een naastgelegen ABN AMRO vindt de parkeerplaatsen onveilig.

Veiligheidsrisico’s

Volgens ABN AMRO is er sprake van een veiligheidsrisico omdat geldtransportwagens door hinder van de koelwagens niet tegen de gevel van de bank kunnen parkeren. Dat betekent dat geldlopers met koffers van en naar de bank moeten lopen om de geldautomaten bij te vullen. Ook kunnen er risico’s zijn voor de gebruikers van de bank omdat de koelwagens het vrije zicht op de geldautomaten ontnemen.

Maatschappelijk belang

De bestuursrechter oordeelt in een voorlopige voorziening dat veiligheid een zwaarwegend maatschappelijk belang is. Uit de besluiten en dat wat de gemeente verder heeft aangevoerd blijkt niet dat het veiligheidsbelang voldoende in kaart is gebracht. Hiermee heeft de gemeente in strijd gehandeld met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. De pilot moet direct gestaakt worden totdat de rechtbank op het beroep van de bank heeft beslist. De behandeling staat gepland op 19 mei 2016.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 16/1708

uitspraak van de voorzieningenrechter van 28 april 2016 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

ABN AMRO Bank N.V. te Amsterdam, verzoekster

(gemachtigde: mr. K. Dankers),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, verweerder

(gemachtigden: M. Akkersdijk en D. Hoffmans).

Procesverloop

Bij besluit van 9 september 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder met ingang van 12 september 2015 op de Neude te Utrecht tussen de aansluiting met de Lange Jansstraat en perceelnummer 2 drie parkeervakken voor vergunninghouders gerealiseerd (bord E9) met het onderbord: ‘Stop en Drop van ma t/m za 07.00 uur - 11.30 uur; overige tijden fietsparkeren - 3x.’

Verzoekster heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Het bezwaar is bij besluit van 13 januari 2016 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard. Hiertegen heeft verzoekster beroep ingesteld. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 april 2016. Namens verzoekster is verschenen [A] , commercieel vastgoedbeheerder, bijgestaan door de gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

2. Over het spoedeisend belang heeft verzoekster aangevoerd dat de ingebruikname van de laad- en losplaatsen per 29 maart 2016 voor de ingang van het bankfiliaal van verzoekster aan de Neude onaanvaardbare veiligheidsrisico’s oplevert voor de gebruikers van de daar aanwezige pinautomaten. Verder is een gesloten overdracht van het geld van en naar de bank niet meer mogelijk, wat ook een groot veiligheidsrisico vormt. Dit brengt de bedrijfsvoering van verzoekster per direct in gevaar.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat er geen situatie is dat elk spoedeisend belang ontbreekt. Daarom zal zij het verzoek beoordelen aan de hand van een voorlopig rechtmatigheidsoordeel en een belangenafweging en bezien of een voorlopige voorziening moet worden getroffen.

3. Het project ‘Stop&Drop’ is een maatregel van verweerder om de overlast en de emissie van voertuigen die goederen in de binnenstad van Utrecht bezorgen bij horeca, retail en consumenten te verminderen. Bevoorrading van de horeca vormt namelijk een groot deel van de logistiek in de binnenstad. Deze bevoorrading wordt ten dele gedaan door de horecagroothandels. Zij rijden met koelwagens langs verschillende klanten om bestellingen af te leveren. Dit geeft overlast en ongewenste emissie van fijnstof. De overlast wordt niet alleen veroorzaakt door het rondrijden van de koelwagens door de stad, maar ook door het laden en lossen waarbij de motor stationair blijft draaien om de koeling koel te houden. Het project ‘Stop&Drop’ maakt het mogelijk om op maandag tot en met zaterdag tussen 07.00 uur - 11.30 uur op speciaal daarvoor ingerichte parkeerplekken op de Neude het gebied grofweg tussen de Neude en de Oudegracht lopend te bevoorraden. De koelwagens kunnen gebruik maken van elektriciteit bij de parkeerplekken, zodat de motoren uit kunnen. Er kunnen drie koelwagens op de aangewezen plekken staan. Na 11.30 uur worden de vakken gebruikt als parkeervakken voor fietsen.
Per 29 maart 2016 is de pilot ‘Stop&Drop’ feitelijk van start gegaan, in die zin dat er vergunningen zijn uitgegeven om deel te nemen aan de pilotfase. De bevoorrading van de horeca wordt nu dus deels gedaan door vergunninghouders die op de aangewezen plekken parkeren. Verweerder heeft toegelicht dat in de drukke zomermaanden gemonitord gaat worden wat het project oplevert, welke problemen er mogelijk nog zijn en wat er beter kan.

4. Op grond van artikel 2, eerste lid, van de Wegenverkeerswet (Wvw) kunnen de krachtens deze wet vastgestelde regels strekken tot:

a. het verzekeren van de veiligheid op de weg;

b. het beschermen van weggebruikers en passagiers;

c. het in stand houden van de weg en het waarborgen van de bruikbaarheid daarvan;

d. het zoveel mogelijk waarborgen van de vrijheid van het verkeer.

Op grond van het tweede lid, aanhef en onder a, van de Wvw kunnen de krachtens deze wet vastgestelde regels voorts strekken tot het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte overlast, hinder of schade alsmede gevolgen voor het milieu, bedoeld in de Wet milieubeheer.

Op grond van artikel 21 van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer (Babw) vermeldt de motivering van het verkeersbesluit in ieder geval welke doelstelling of doelstellingen met het verkeersbesluit worden beoogd. Daarbij wordt aangegeven welke van de in artikel 2, eerste en tweede lid, van de wet genoemde belangen ten grondslag liggen aan het verkeersbesluit. Indien tevens andere van de in artikel 2, eerste en tweede lid, van de wet genoemde belangen in het geding zijn, wordt voorts aangegeven op welke wijze de belangen tegen elkaar zijn afgewogen.

5. Volgens vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 3 oktober 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BX8933) komt aan verweerder bij het nemen van een verkeersbesluit beleidsvrijheid en beoordelingsruimte toe bij de uitleg van de begrippen als 'veiligheid op de weg', 'bruikbaarheid (van de weg)' en 'vrijheid van het verkeer'. Verder is het aan verweerder om de verschillende belangen die betrokken moeten worden bij het nemen van een dergelijk besluit tegen elkaar af te wegen en om te beoordelen wanneer de in artikel 2, eerste lid en tweede lid, van de Wvw vermelde belangen het nemen van welke verkeersmaatregel vergen. De rechter dient zich bij de toetsing van een dergelijk besluit terughoudend op te stellen en te toetsen of de uitleg die het bestuursorgaan aan voormelde begrippen heeft gegeven, de grenzen van redelijke wetsuitleg te buiten gaat, of het besluit niet anderszins in strijd is met wettelijke voorschriften alsmede of de afweging van de betrokken belangen zodanig onevenwichtig is dat verweerder niet in redelijkheid tot dat besluit heeft kunnen komen. Verweerder behoeft niet de absolute noodzaak van een verkeersbesluit aan te tonen. Voldoende is dat met het verkeersbesluit de eraan ten grondslag gelegde belangen, bedoeld in artikel 2, eerste en tweede lid, van de Wvw worden gediend en dat inzichtelijk is gemaakt op welke wijze alle betrokken belangen tegen elkaar zijn afgewogen.

6. De voorzieningenrechter stelt vast dat het verkeersbesluit is genomen op grond van artikel 2, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wvw en dat het strekt tot het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte overlast, hinder of schade alsmede gevolgen voor het milieu, bedoeld in de Wet milieubeheer. De voorzieningenrechter moet beoordelen of verweerder een evenwichtige belangenafweging heeft gemaakt.

7. Verzoekster heeft zich op het standpunt gesteld dat haar belangen onvoldoende zijn betrokken bij de besluitvorming. Verzoekster is vooraf niet in de gelegenheid geweest om een zienswijze te geven en verweerder te wijzen op de consequenties die het verkeersbesluit heeft voor de bereikbaarheid van het bankfiliaal van verzoekster op de Neude. De toegang tot de bank wordt belemmerd door de geparkeerde koelwagens. Dit levert gevaarlijke situaties op voor voetgangers op de stoep. Ook de gestalde fietsen - die parkeren op de tijdstippen dat de koelwagens er niet staan - leveren een beperking op voor de ingang. De fietsers plaatsen hun fiets namelijk niet in de afgetekende vakken en verweerder treedt daartegen niet handhavend op. Verzoekster heeft er verder op gewezen dat door de aanwezigheid van de koelwagens het zicht op de pinautomaten wordt ontnomen. Dit levert volgens verzoekster onaanvaardbare risico’s op voor de gebruikers. Tot slot heeft verzoekster betoogd dat het parkeren van de koelwagens een risico oplevert voor de geldtransporten van en naar de bank. De meest veilige vorm van geldoverdracht is de gesloten overdracht, waarbij een geldwagen parkeert tegen de gevel van de bank. Deze vorm van overdracht voorkomt dat medewerkers van de geldtransportbedrijven met geldkoffers moeten lopen. Ter zitting heeft verzoekster gewezen op de algemene vrijstellingsbevoegdheid die in 2008 op grond van artikel 147, tweede lid, van de Wvw aan geld- en waardetransportbedrijven is verleend voor het bepaalde in lagere verkeersregelgeving (Kamerstukken II 2007/08, 31 340, nr. 3.) Hieruit blijkt het belang van de gesloten geldoverdracht voor de veiligheid. Dit belang had verweerder bij zijn besluitvorming moeten betrekken.

8. Ter zitting heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat het belang bij een gesloten overdracht van het geld, geen belang is van verzoekster. Het gaat volgens verweerder om de veiligheid van de medewerkers van geldtransportbedrijven. Deze medewerkers zijn dus niet in dienst bij verzoekster en daarom kan zij dit belang niet naar voren brengen in deze procedure, zo stelt verweerder.

9. De voorzieningenrechter onderschrijft dit standpunt van verweerder echter niet. Verzoekster heeft haar belang bij een gesloten overdracht van haar geld ter zitting onderbouwd onder verwijzing naar de parlementaire geschiedenis. Zij heeft er belang bij dat haar geld op de meest veilige manier wordt vervoerd. Als de veiligheid van de medewerkers van geldtransporten verder niet gewaarborgd is, is de aan- en afvoer van geld naar de bank evenmin gewaarborgd en wordt verzoekster getroffen in haar primaire bedrijfsvoering. Dit maakt dat verzoekster het belang van de gesloten overdracht in deze procedure mag inbrengen.

10. De vraag die voorligt is of verweerder deze belangen van verzoekster in voldoende mate bij zijn beoordeling heeft betrokken. Vast staat dat verweerder geen inspraakronde voorafgaand aan het verkeersbesluit heeft gehouden om belanghebbenden te betrekken bij zijn besluitvorming. Verzoekster is dan ook niet in de gelegenheid geweest haar belangen op een eerder tijdstip vooraf aan verweerder uiteen te zetten. Bij lezing van het primaire besluit ziet de voorzieningenrechter ook geen specifieke afweging van de belangen van verzoekster. Tijdens de hoorzitting in bezwaar heeft verweerder erkend dat de hiervoor door verzoekster genoemde belangen geen rol hebben gespeeld bij zijn besluitvorming. Op pagina 2 van het verslag van de hoorzitting staat hierover:
“Er is volgens mevrouw Hoffmans niet gecommuniceerd van tevoren omdat er vanuit is gegaan dat deze plaats geen bezwaren zou opleveren nu er maar tot 11.30 uur gebruik van zou worden gemaakt. Een niet geheel juiste inschatting blijkt nu.”

11. Verweerder heeft in het bestreden besluit over de toegankelijkheid van de achterliggende panden, waaronder het bankfiliaal van verzoekster, betoogd dat deze is verbeterd ten opzichte van de oude situatie. De loopruimte is ongewijzigd gebleven. Voorheen was sprake van een aaneengesloten fietsenrek. Nu zijn er fietsvakken met twee openingen ter plaatse van de toegang tot de bank en het zich daar binnenkort boven het bankfiliaal te vestigen hotel. De hinder van voetgangers is erkend, maar daar staat tegenover dat in een centrum van een stad wordt verwacht dat verkeersdeelnemers hun handelen afstemmen op situaties die ontstaan door laden en lossen. Daarbij, zo heeft verweerder in het verweerschrift nog aangevuld, gaat het ook om overlast voor beperkte duur en bestaat maar een kleine overlap met de openingstijden van de bank. De te verwachten hinder weegt volgens verweerder niet op tegen het belang dat is gediend met het ‘Stop&Drop’ project.

12. Gezien het vorenstaande heeft verweerder in zijn beslissing op bezwaar naar het oordeel van de voorzieningenrechter alsnog een motivering gegeven over het door verzoekster gestelde belang betreffende de bereikbaarheid van het pand en de veiligheid van voetgangers. Verweerder heeft, zoals hiervoor ook is overwogen, veel vrijheid bij zijn beoordeling van de belangen. De gegeven belangenafweging in de beslissing op bezwaar is niet zodanig onevenwichtig dat verweerder niet in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen. De beroepsgrond heeft in zoverre dan ook geen redelijke kans van slagen.

13. Over het veiligheidsrisico dat volgens verzoekster is ontstaan, omdat het zicht op de bank is ontnomen en er geen mogelijkheid meer is om een gesloten geldoverdracht te realiseren, heeft verweerder betoogd dat de koelwagens maar een deel van de dag geparkeerd staan voor het bankfiliaal. Er is verder sprake van een gedeeltelijke onttrekking van het zicht op de bank; tussen de koelwagens door blijft men zicht houden op de gevel van de bank en vanuit de Schoutenstraat en de Lange Jansstraat is er ook altijd nog zicht op het filiaal. Dat er een onaanvaardbaar risico zou ontstaan voor gebruikers van de geldautomaat en voor de geldlopers is onvoldoende onderbouwd, aldus verweerder. In een stedelijke omgeving zal het vaker voorkomen dat er geen 100 procent zicht op een bankfiliaal is. Alles overziend is volgens verweerder niet aannemelijk gemaakt dat sprake zou zijn van een onaanvaardbaar extra risico.

In het verweerschrift en ter zitting heeft verweerder daaraan toegevoegd dat zij betwist dat verzoekster vóór dit verkeersbesluit wel gebruik kon maken van een gesloten overdracht. Volgens verweerder zouden de fietsenrekken die er aanvankelijk stonden het ook onmogelijk hebben gemaakt om tegen de gevel aan te parkeren. Verzoekster heeft haar belang bij een gesloten geldoverdracht niet op objectieve wijze met bijvoorbeeld rapporten of protocollen onderbouwd. De gesloten geldoverdracht zal vaker onmogelijk zijn. In Hoog Catharijne bijvoorbeeld zal ook geen gesloten geldoverdracht kunnen plaatsvinden, aldus verweerder. De wetsgeschiedenis van de Regeling vrijstelling geld- en waardetransportbedrijven, waarnaar verzoekster heeft verwezen, ziet op het verlenen van ontheffingen voor voetgangersgebieden en niet op het specifiek bewerkstelligen van een gesloten overdracht. Verweerder benadrukt dat het parkeren van de koelwagens in duur beperkt is en dat er slechts een korte tijd overlap is met de openingstijden van de bank. Er is verweerder veel aan gelegen om de pilot door te zetten en zo te kunnen monitoren waar de knelpunten eventueel nog zitten. Verbetering van de leefbaarheid van de stad is een hoge prioriteit voor verweerder. Het gebruik van de binnenstad verandert en aanpassingen zijn noodzakelijk. Geen verbeteringen betekent: minder bezoekers, leegstand van winkels en een neergaande negatieve spiraal, aldus verweerder. Op korte termijn wil verweerder ervaring op doen met projecten zoals deze.

14.
De voorzieningenrechter oordeelt dat verzoekster voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat haar belang bij een gesloten overdracht van het geld groot is. Zij heeft verwezen naar de hiervoor genoemde Kamerstukken II 2007/08, 31 340, nr. 3 en daaruit het volgende geciteerd.

“Als reden voor de bijzondere status die thans wordt toegekend aan geld- en waardetransporten geldt de openbare veiligheid en het publieke belang van dit vervoer. Wanneer geld- en waardevervoerders zich aan de venstertijden moeten houden, betekent dit een grotere voorspelbaarheid en daarmee een hoger overvalrisico. (…) In gevallen waarin gemeenten niet middels venstertijden in uitzonderingen op de toegangsverboden voorzien, zijn zogenoemde geldlopers kwetsbaarder omdat ze onbeschermd grotere afstanden moeten lopen. (…) Door nu, landelijk, de voertuigen waarmee geld- en waardetransporten worden verzorgd uit te zonderen van beperkingen op tijd en plaats wordt de onvoorspelbaarheid van het transport vergroot, waardoor het risico op overvallen afneemt en zo een bijdrage wordt geleverd aan de openbare veiligheid. Door het invoeren van een vrijstelling krijgen de geld- en waardetransporteurs een titel in handen om de gemeenten te dwingen voor hen ook eventuele fysieke belemmeringen (paaltjes, slagbomen en dergelijke) weg te nemen. (…)

Het publieke belang en de openbare veiligheid gelden landelijk voor geld- en waardetransporten en overstijgen daarmee de lokale omstandigheden die stedelijke distributie vorm geven. Dit nationale karakter vormt aanleiding deze materie op één plaats te regelen.”

Verzoekster heeft geen wettelijke bepaling en/of andere regelingen of protocollen kunnen aanwijzen waaruit volgt dat zo’n gesloten overdracht verplicht zou zijn, maar zij heeft wel voldoende aannemelijk gemaakt dat zo’n gesloten overdracht vanuit het perspectief van haarzelf, de waardetransportbedrijven en de politie de meest veilige manier van geldoverdracht is en dat deze te verkiezen is boven andere vormen van geldtransport, die risico’s met zich meebrengen op overvallen. Dit treft de veiligheid van de geldlopers, maar heeft ook tot gevolg dat verzoekster het risico loopt haar geld kwijt te raken. Het geciteerde deel uit de kamerstukken gaat inderdaad niet over dezelfde situatie als hier aan de orde, maar raakt deze situatie wel. De beperkingen die het verkeersbesluit aan het waardetransport oplegt (tussen 07:00 uur en 11:30 uur zal in elk geval geen gesloten overdracht kunnen plaatsvinden) leidt ertoe dat in die tijdspanne de overdracht van het geld minder veilig is. Verzoekster heeft verder toegelicht dat ook op andere plekken wordt gestreefd naar een gesloten overdracht. Zo vindt bij Hoog Catharijne een gesloten geldoverdracht plaats vanuit een geldlift, zodat wordt voorkomen dat medewerkers van geldtransporten door publiek gebied moeten lopen met geldkoffers. Het belang bij een veilig geldtransport is een niet weg te strepen maatschappelijk belang dat verweerder naar het oordeel van de voorzieningenrechter bij zijn besluitvorming had moeten betrekken.

15.
Uit het primaire besluit, noch het bestreden besluit, noch dat wat verweerder in de beroepsfase en ter zitting heeft betoogd blijkt dat hij dit belang van verzoekster heeft onderzocht en heeft meegewogen bij zijn besluitvorming. De in dat kader relevante vragen heeft verweerder niet kunnen beantwoorden. Niet is door verweerder uitgezocht of een gesloten overdracht - vanwege de fietsenrekken en het naburige terras van Wijncafé Lefebvre - voorheen wel kon op deze plek. Of sprake is van een veranderde veiligheidssituatie op dat punt, is hem dus feitelijk niet bekend. Verweerder heeft verder geen kennis vergaard hoe vaak de geldwagens de bank bevoorraden en geld ophalen. Niet is daarmee helder in hoeverre zij daadwerkelijk hinder zullen hebben van de koelwagens die een gesloten overdracht op de aangegeven tijden onmogelijk maken. Ook weet verweerder niet hoe veel, hoe vaak en hoe lang er geparkeerd gaat worden. Of er iedere dag door drie koelwagens gebruik zal worden gemaakt van de parkeervakken voor het filiaal van de bank en hoe lang de bank dus dagelijks hinder heeft van de koelwagens, is niet bekend. Verweerder stelt dat het op de weg van verzoekster ligt om aannemelijk te maken dat tijdens de ochtenduren sprake is van een onaanvaardbaar veiligheidsrisico, maar daarmee gaat zij voorbij aan het hiervoor geschetste wettelijk kader en de op haar rustende verplichtingen op grond van artikel 3:2 en 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Op grond van artikel 3:2 van de Awb is verweerder gehouden om bij de voorbereiding van een besluit de nodige kennis over de relevante feiten en de af te wegen belangen te vergaren. Verweerder heeft het belang van verzoekster bij een gesloten geldoverdracht niet voldoende onderzocht en niet gewogen.

16. Ditzelfde geldt voor het veiligheidsrisico dat gebruikers van de pinautomaten lopen. Ook dit risico, dat de voorzieningenrechter niet onaannemelijk vindt, heeft verweerder onvoldoende in kaart gebracht. Ter zitting heeft verweerder gesteld dat er tussen de koelwagens door zicht zou zijn op de geldautomaten, maar zij heeft niet toegelicht of dit zicht daadwerkelijk gewaarborgd is. Op de weg staan namelijk wel de parkeervakken voor fietsers afgetekend, maar dit zijn niet dezelfde vakken die gelden voor de koelwagens. De koelwagens kunnen dan ook het zicht op de geldautomaat geheel ontnemen, zoals ook blijkt uit de door verzoekster bijgeleverde foto’s. Bij de vraag of dit een onaanvaardbaar veiligheidsrisico oplevert, had verweerder meer kennis moeten hebben over de precieze plaatsing van de koelwagens en de tijd die de vrachtwagens geparkeerd staan. Deze informatie ontbreekt.

17. Het voorlopig rechtmatigheidsoordeel valt daarom niet positief uit voor verweerder in die zin dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 21 van het Babw en de artikelen 3:2 en 3:4 van de Awb. De vraag die vervolgens voorligt is of de belangenafweging moet leiden tot schorsing van het besluit. Aan de kant van verzoekster staat de veiligheid van de gebruikers van de pinautomaten en het belang bij een gesloten overdracht van het geld. Het belang van verweerder is gelegen in het laten continueren van de pilot ‘Stop&Drop’. Verweerder heeft gesteld dat alle relevante aspecten tijdens de pilot gemonitord kunnen worden en dat er achteraf aanpassingen kunnen worden gemaakt. Verweerder wil tijdens de drukke zomermaanden ervaringen opdoen met een project als dit, dat bij positief resultaat elders in de stad en in het land navolging zal vinden. Een tijdelijke beëindiging van het project levert al gauw een jaar vertraging op. Alhoewel dit belang begrijpelijk is, gaat het belang van de veiligheid voor. Het belang van de veiligheid is namelijk een zwaarwegend maatschappelijk belang en dat kan niet pas achteraf in kaart worden gebracht maar zal vooraf onderzocht moeten worden en gewogen moeten zijn.

18. De voorzieningenrechter komt tot de conclusie dat het bestreden besluit geschorst moet worden, in die zin dat de pilot die op 29 maart 2016 is gestart per direct wordt gestaakt en er geen koelwagens meer op de aangewezen plekken mogen parkeren, totdat de rechtbank op het beroep heeft beslist. De behandeling van het beroep staat gepland op 19 mei 2016.

19. De verwijdering van de fietsenrekken is een feitelijke handeling die geen onderdeel uitmaakt van het bestreden besluit. Wel is bepaald dat de fietsen in de vakken mogen parkeren. Indien dit gebeurt, raakt deze situatie niet aan de veiligheid van personen die geld pinnen en niet aan het belang van de gesloten geldoverdracht. In die situatie is er immers voldoende ruimte tussen de vakken voor de geldtransportwagens. Dat verzoekster last heeft van verkeerd geplaatste fietsen, is geen gevolg van het bestreden besluit maar een kwestie van handhaving van het besluit. De voorzieningenrechter treft dan ook niet de voorziening dat de fietsen niet meer in de vakken gezet mogen worden.

20.
De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 992,- (1 punt voor het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1, waarde per punt € 496,-).

21. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, bepaalt zij dat verweerder het aan verzoekster betaalde griffierecht ter hoogte van € 334,- vergoedt.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe;

- bepaalt dat verweerder per direct de pilot ‘Stop&Drop’ staakt, in die zin dat de koelwagens niet meer op de aangewezen plekken mogen parkeren;

- bepaalt dat deze maatregel duurt totdat op het beroep van verzoekster is beslist;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster ter hoogte van € 992,-;

- bepaalt dat verweerder het griffierecht aan verzoekster vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J. Praamstra, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.E.C. Bakker, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 april 2016.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.