Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2016:2476

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
04-03-2016
Datum publicatie
12-05-2016
Zaaknummer
AWB 15 /4182
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Eiseres is in 1997 opgericht in het kader van een onderwijskundig experiment, waarbinnen het onderwijs aan leerlingen met een handicap of stoornis, als gevolg van het ontbreken van speciaal onderwijs en voortgezet speciaal onderwijs in Almere, op experimentele wijze is vormgegeven. Daartoe is een convenant gesloten tussen eiseres en verweerder, waarin onder andere afspraken zijn neergelegd met betrekking tot de bekostiging van eiseres. Het bestreden besluit gaat over de bekostiging van 14 geïndiceerde leerlingen, waarvan niet in geschil is dat eiseres de begeleiding heeft verzorgd. Tussen partijen is in geschil of de registratie van een andere begeleidende instantie in het BRON, de bekostiging aan eiseres in de weg staat. De rechtbank stelt vast dat in het convenant dat tussen partijen is gesloten niet is bepaald dat bekostiging van eiseres plaatsvindt op eigen opgave onder de voorwaarde dat geen andere begeleidende instelling in het BRON is gemeld noch dat de registratie in het BRON leidend is. Het feit dat ten tijde van belang in de wet was neergelegd dat de reguliere school in het BRON registreert bij welke school of instelling het leerlinggebonden budget wordt besteed en er conform deze wettelijke systematiek dan ook vanuit gegaan mag worden dat die school of instelling de ambulante begeleiding daadwerkelijk verzorgt, is in dit geval niet doorslaggevend. Juist omdat sprake was van een experiment, waarin de wettelijke bepalingen niet integraal toepasbaar waren. Eiseres beschikte immers niet over een BRIN-nummer en kon dus niet geregistreerd worden als begeleidende instelling. Als oplossing hiervoor is gekozen voor een van de wettelijke systematiek afwijkend systeem waarin de reguliere scholen de geïndiceerde leerlingen als regulier dienden te registreren en geen verwijzing naar eiseres als ambulant begeleider dienden op te nemen. De rechtbank stelt vast dat uit het systeem van de gekozen wijze van registreren voortvloeit dat eiseres voor haar bekostiging afhankelijk was van de juistheid van de registratie, of beter gezegd, het niet registreren van een ambulante begeleider door de reguliere scholen. Verweerder legt het risico van fouten door de reguliere scholen in de registratie bij eiseres. De rechtbank is van oordeel dat dit niet redelijk is. Eiseres heeft onbestreden gedaan wat zij kon om de reguliere scholen te informeren en had het verder niet in haar macht om tot een juiste registratie te komen. Daar komt nog bij dat verweerder degene was die zowel beschikte over de registratiegegevens in het BRON als de gegevens die eiseres aanleverde. Het lag dan ook op de weg van verweerder om een controle uit te voeren alvorens tot betaling aan de (onjuist geregistreerde) begeleidende instelling of school over te gaan. Dat verweerder dit niet heeft gedaan, komt voor zijn risico. Daarbij acht de rechtbank nog van belang dat verweerder degene is die kan overgaan tot terugvordering van ten onrechte uitbetaalde leerlinggebonden budgetten aan deze instellingen en niet eiseres. De beroepsgrond slaagt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Onderwijs Totaal 2017/656
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 15/4182

uitspraak van de meervoudige kamer van 4 maart 2016 in de zaak tussen

Stichting Gewoon Anders, te Almere, eiseres

(gemachtigde: mr. R.P.J. Hendrikx),

en

de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, verweerder

(gemachtigde: mr. R. Kurvink).

Procesverloop

Bij besluit van 13 februari 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder de eindafrekening opgesteld voor de bekostiging van de door eiseres verleende ambulante begeleiding voor de leerjaren 2011-2012, 2012-2013, 2013-2014.

Bij besluit van 8 juli 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres gedeeltelijk gegrond verklaard en voor 46 mbo-leerlingen alsnog bekostiging toegekend. Voor het overige is het bezwaar ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 december 2015. Namens eiseres zijn verschenen [A] en [B] , bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat bij de beoordeling van het beroep uit van de volgende feiten. Eiseres is in 1997 opgericht in het kader van een onderwijskundig experiment, waarbinnen het onderwijs aan leerlingen met een handicap of stoornis, als gevolg van het ontbreken van speciaal onderwijs en voortgezet speciaal onderwijs in Almere, op experimentele wijze is vormgegeven. Daartoe is op 16 mei 1997 een convenant gesloten tussen eiseres en verweerder. Op 8 oktober 2008 werd het laatste convenant gesloten met een looptijd tot 1 augustus 2013, verlengd tot 1 augustus 2014. In het convenant zijn onder andere afspraken neergelegd met betrekking tot de bekostiging van eiseres.
Sinds 2011 gaat de registratie van geïndiceerde leerlingen digitaal in het Basisregister Onderwijs (BRON). De normale gang van zaken is dat de reguliere school in het BRON vermeldt wanneer het om een leerling met een indicatie gaat en door welke instelling de begeleiding wordt geboden door vermelding van het BRIN-nummer (Basisregister Instellingen) van die instelling. Omdat eiseres niet beschikte over een BRIN-nummer zijn afwijkende registratievoorschriften vastgesteld als de begeleiding door eiseres werd verzorgd. Afgesproken werd dat de reguliere school de geïndiceerde leerlingen als regulier zou registreren in het BRON en slechts de reguliere bekostiging zou ontvangen. Eiseres zou dan het volledige leerlinggebonden budget voor deze leerlingen ontvangen op basis van een eigen opgave.

2. Het bestreden besluit gaat over de bekostiging van 14 geïndiceerde leerlingen.

3. De rechtbank stelt voorop dat tussen partijen niet (langer) in geschil is dat eiseres de ambulante begeleiding voor deze leerlingen heeft verzorgd. Verweerder erkent dit ter zitting.

4. Eiseres heeft aangevoerd dat verweerder ten onrechte de registratie in het BRON als uitgangspunt neemt en stelt dat aan de bekostiging de voorwaarde was verbonden dat er geen andere begeleidende school of instelling in het BRON was geregistreerd. Verweerder verwijst ten onrechte naar de “normale” bekostigingsstromen en handelt hiermee in strijd met het met eiseres gesloten convenant. Dit is in strijd met het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel. Verder had verweerder de door eiseres aangeleverde overzichten moeten vergelijken met de gegevens in het BRON. Hij had dan een overlap geconstateerd en naar aanleiding daarvan nader onderzoek moeten doen. Eiseres kon deze vergelijking niet maken. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiseres geen recht heeft op het leerlinggebonden budget voor de 14 eerdergenoemde leerlingen, omdat voor deze leerlingen in het BRON een andere begeleidende school of instelling is geregistreerd. De bekostiging aan eiseres vond plaats op basis van eigen opgave op voorwaarde dat er geen andere begeleidende instelling in het BRON geregistreerd stond. De wettelijke bepalingen rondom de leerlinggebonden financiering zijn onverkort van toepassing.

5. De rechtbank stelt vast dat in het convenant dat tussen partijen is gesloten niet is bepaald dat bekostiging van eiseres plaatsvindt op eigen opgave onder de voorwaarde dat geen andere begeleidende instelling in het BRON is gemeld noch dat de registratie in het BRON leidend is. Het convenant bevat slechts bepalingen over de verdeling van het leerlinggebonden budget tussen de reguliere school en eiseres en de berekening van de hoogte van het leerlinggebonden budget. Het feit dat ten tijde van belang in de Wet op het primair onderwijs en de Wet op het voortgezet onderwijs was neergelegd dat de reguliere school in het BRON registreert bij welke school of instelling het leerlinggebonden budget wordt besteed en er conform deze wettelijke systematiek dan ook vanuit gegaan mag worden dat die school of instelling de ambulante begeleiding daadwerkelijk verzorgt, is in dit geval niet doorslaggevend. Juist omdat sprake was van een experiment, waarin de wettelijke bepalingen niet integraal toepasbaar waren. Eiseres beschikte immers niet over een BRIN-nummer en kon dus niet geregistreerd worden als begeleidende instelling. Als oplossing hiervoor is gekozen voor een van de wettelijke systematiek afwijkend systeem waarin de reguliere scholen de geïndiceerde leerlingen als regulier dienden te registreren en geen verwijzing naar eiseres als ambulant begeleider dienden op te nemen. Een en ander blijkt uit een emailbericht van 20 november 2012 van DUO aan eiseres. Uit dit emailbericht blijkt ook dat verweerder de verantwoordelijkheid om hierover de communiceren naar de desbetreffende scholen bij eiseres heeft neergelegd. Eiseres heeft deze verantwoordelijkheid genomen en hierover ook gepubliceerd op haar website. Ter zitting is gebleken dat verweerder een voorgenomen informatief emailbericht aan de desbetreffende scholen nooit heeft verzonden. De rechtbank stelt vast dat uit het systeem van de gekozen wijze van registreren voortvloeit dat eiseres voor haar bekostiging afhankelijk was van de juistheid van de registratie, of beter gezegd, het niet registreren van een ambulante begeleider door de reguliere scholen. Verweerder legt het risico van fouten door de reguliere scholen in de registratie bij eiseres. De rechtbank is van oordeel dat dit niet redelijk is. Eiseres heeft onbestreden gedaan wat zij kon om de reguliere scholen te informeren en had het verder niet in haar macht om tot een juiste registratie te komen. Daar komt nog bij dat verweerder degene was die zowel beschikte over de registratiegegevens in het BRON als de gegevens die eiseres aanleverde. Het lag dan ook op de weg van verweerder om een controle uit te voeren alvorens tot betaling aan de (onjuist geregistreerde) begeleidende instelling of school over te gaan. Dat verweerder dit niet heeft gedaan, komt voor zijn risico. Daarbij acht de rechtbank nog van belang dat verweerder degene is die kan overgaan tot terugvordering van ten onrechte uitbetaalde leerlinggebonden budgetten aan deze instellingen en niet eiseres. De beroepsgrond slaagt.

6. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover daarbij geen bekostiging is toegekend voor de 14 geïndiceerde leerlingen waarvan niet in geschil is dat eiseres de ambulante begeleiding daarvan heeft verzorgd. Dit betekent dat verweerder alsnog de door eiseres verleende ambulante begeleiding van deze leerlingen dient te bekostigen.

7. De rechtbank heeft ter zitting de mogelijkheden tot finale geschilbeslechting verkend. Omdat verweerder enerzijds de begeleiding in de genoemde 14 gevallen door eiseres niet betwist, maar zich ook op het standpunt blijft stellen dat eiseres zich tot de reguliere scholen moet melden, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het doen van een tussenuitspraak. Omdat de rechtbank niet in staat is de berekening van de kosten van de door eiseres verleende ambulante begeleiding te maken, ziet zij geen aanleiding zelf in de zaak te voorzien. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.

8. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

9. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.984,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 496,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit, voor zover daarbij geen bekostiging is toegekend voor 14 geïndiceerde leerlingen;

- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 1.984,- aan eiseres te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 331,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Pavićević, voorzitter, mr. Z.J. Oosting en mr. M.C. Stoové , leden, in aanwezigheid van mr. M.L. Bressers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2016.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.