Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2016:2233

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
22-04-2016
Datum publicatie
26-04-2016
Zaaknummer
4699120 UV EXPL 15-518 mc/936
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Geen grond voor opschorting van de loondoorbetalingsverplichting. Niet kan worden geconcludeerd dat werknemer niet heeft voldaan aan haar re-integratieverplichtingen. Zie ook beschikking 4704159 UE VERZ 15-624 van 22 april 2016 ECLI:NL:RBMNE:2016:2238

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/1216
AR-Updates.nl 2016-0458
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 4699120 UV EXPL 15-518 mc/936

Kort geding vonnis van 22 april 2016

inzake

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats] ,

verder ook te noemen [eiseres] ,

eisende partij,

gemachtigde: mr. drs. M.R.A. Rutten,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

verder ook te noemen [gedaagde] ,

gedaagde partij,

gemachtigde: mr. W.A.L.D.I. van Slagmaat.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met 15 producties

  • -

    de aanvullende producties 16 tot en met 25

  • -

    de aanvullende producties 19 tot en met 26 van [gedaagde]

  • -

    het proces-verbaal van aanhouding van 14 januari 2016

  • -

    het verweerschrift van [gedaagde] met de producties 26 tot en met 30

  • -

    de aanvullende producties 22 tot en met 25 van [eiseres]

  • -

    de brief van 29 maart 2016 van [gedaagde] met productie 31

  • -

    de aantekeningen van het verhandelde ter zitting van 31 maart 2016.

1.2.

Hierna is uitspraak bepaald.

1.3.

Bij beschikking van heden (hierna ook de beschikking) doet de kantonrechter tevens uitspraak ter zake het op 22 december 2015 door [gedaagde] jegens [eiseres] ingediende verzoek-schrift met zaaknummer 4704159 UE VERZ 15-624, waarin [gedaagde] heeft verzocht om de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst te ontbinden op grond van artikel 7:669 lid 3 sub e BW. De beschikking is aan dit vonnis gehecht en de inhoud daarvan wordt geacht hier te zijn ingelast.

2. De feiten

2.1.

Wat betreft de tussen partijen vaststaande feiten verwijst de kantonrechter naar de beschikking.

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert veroordeling van [gedaagde] bij wege van voorlopige voorziening om bij voorschot aan [eiseres] te betalen tegen deugdelijke specificatie:

a. het achterstallig salaris ten bedrage van € 2.404,08 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van opeisbaarheid tot dit bedrag geheel zal zijn voldaan;

b. het salaris vanaf januari 2016 tot de datum dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal zijn geëindigd;

c. de wettelijke verhoging als bedoeld in artikel 7:625 BW over voormelde bedragen.

Verder vordert [eiseres] bij wijze van ordemaatregel om [gedaagde] te verbieden het bedrag van € 250,00 te verrekenen met het loon, totdat over de verschuldigdheid van dit bedrag in een bodemprocedure is beslist. Ten slotte vordert [eiseres] veroordeling van [gedaagde] in de proces-kosten en in de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.2.

Ter onderbouwing van haar vordering stelt [eiseres] dat [gedaagde] ten onrechte de sala-risbetaling heeft gestaakt, aangezien daartoe geen aanleiding bestond. [eiseres] heeft er in dit verband op gewezen dat zij sinds 3 augustus 2015 arbeidsongeschikt is en niet in staat was om te reizen. “Al met al heeft [eiseres] (voldoende) meegewerkt om zich te laten controleren. Onbegrijpelijk is de opstelling van [gedaagde] in deze dat [eiseres] eerst maar moet reizen naar de bedrijfsarts om te laten vaststellen of zij kan reizen.”, aldus [eiseres] .

3.3.

[gedaagde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Zij heeft aan de opschorting van de loondoorbetaling van [eiseres] ten grondslag gelegd dat [eiseres] niet voldoet aan haar re-integra-tieverplichtingen, nu zij niet is verschenen op het op 28 augustus 2015 geplande gesprek bij ‘Verzuimfocus’ en zij ook geen gehoor heeft gegeven aan oproepen om bij de bedrijfsarts te verschijnen.

3.4.

Op de inhoud daarvan zal hierna - voor zover van belang - worden ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Vooropgesteld wordt dat voor toewijzing van een voorziening zoals door [eiseres] wordt gevorderd, het in hoge mate waarschijnlijk moet zijn dat een gelijkluidende vordering in een te voeren bodemprocedure zal worden toegewezen. Beoordeeld dient dus te worden of al dan niet aannemelijk is dat de bodemrechter tot het oordeel zal komen dat [eiseres] recht heeft op doorbetaling van haar loon.

4.2.

Onder verwijzing naar het in de beschikking gegeven oordeel, wordt in de onderha-vige procedure geoordeeld dat [gedaagde] ten onrechte heeft besloten om met ingang van 28 augustus 2015 de salarisdoorbetaling aan [eiseres] op te schorten. Daartoe wordt overwogen dat in voldoende mate is gebleken dat [eiseres] vanaf 3 augustus 2015 arbeidsongeschikt is en voorts dat zij voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij niet in staat was om te reizen. Zoals in de beschikking is overwogen, wordt niet ingezien waarom niet is overgegaan tot een huisbezoek, gelet op de door [eiseres] aangegeven klachten en beperkingen. Op grond van het vorenstaande kan derhalve niet geconcludeerd worden dat [eiseres] niet heeft voldaan aan haar re-integratieverplichtingen, zodat daarmee de grondslag voor de opschorting van de loon-doorbetaling is komen te vervallen. Gelet hierop is het aannemelijk dat de bodemrechter tot het oordeel zal komen dat [eiseres] recht heeft op doorbetaling van haar loon.

4.3.

Nu verder gesteld noch gebleken is dat [gedaagde] op enig moment tussen 28 augustus 2015 en heden aan [eiseres] salaris heeft betaald, komt de vordering wat betreft de loondoorbe-taling voor toewijzing in aanmerking. In dit kader wijst de kantonrechter er nog op dat [eiseres] niet heeft aangegeven op welke periode het door haar gevorderde bedrag van € 2.404,08 be-trekking heeft. Nu het gevorderde onder b. evenwel ziet op de periode ‘vanaf januari 2016’, zal er vanuit gegaan worden dat dit bedrag ziet op de periode tot en met december 2015.

4.4.

Nu vast staat dat [gedaagde] het gevorderde bedrag aan salaris (€ 2.404,08 bruto) niet tijdig heeft betaald aan [eiseres] , zal de hierover gevorderde rente ook worden toegewezen.

4.5.

[gedaagde] heeft geen (tegen)vordering tot betaling van een bedrag van € 250,00 van-wege het niet verschijnen bij de bedrijfsarts ingesteld. Ook kan [gedaagde] geen beroep doen op verrekening als bedoeld in artikel 7:632 BW. Daartoe wordt overwogen dat de arbeids-overeenkomst weliswaar voortduurt, maar dat er geen sprake is van een door [eiseres] aan [gedaagde] verschuldigde schadevergoeding. [eiseres] is immers rechtmatig niet verschenen bij de bedrijfsarts.

4.6.

De gevorderde wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW wordt bij wege van mati-ging gesteld op een percentage van 25% van bovengenoemde achterstallige loonbedragen, nu dit percentage de kantonrechter op grond van de omstandigheden van het geval billijk voorkomt.

4.7.

[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroor-deeld. De kosten aan de zijde van [eiseres] worden begroot op:

- dagvaarding € 99,87

- griffierecht € 78,00

- salaris gemachtigde € 400,00 (1 punt x tarief € 400,00)

Totaal € 577,87

De nakosten, waarvan [eiseres] betaling vordert, zullen op de in het dictum weergegeven wijze worden begroot. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten en de nakosten zal als volgt worden toegewezen.

5 De beslissing

De kantonrechter:

geeft de volgende onmiddellijke voorziening:

5.1.

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] tegen bewijs van kwijting te betalen:

- € 2.404,08 bruto ter zake het loon over de periode tot en met december 2015, te vermeer-deren met de wettelijke rente vanaf de data van respectievelijke opeisbaarheid van de be-treffende bedragen tot de dag der voldoening;

- € 601,02 bruto per vier weken ter zake het loon vanaf januari 2016 tot aan de dag dat de arbeidsovereenkomst rechtmatig zal zijn geëindigd;

- de wettelijke verhoging volgens de maatstaf van artikel 7:625 BW, met een maximum van 25% over de te laat betaalde bruto loonbedragen;

5.2.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [eiseres] tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 577,87, waarin begrepen € 400,00 aan salaris gemach-tigde, te voldoen binnen 14 dagen na de datum van dit vonnis, bij gebreke waarvan voormeld bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

5.3.

veroordeelt [gedaagde] , onder de voorwaarde dat zij niet binnen 14 dagen na aan-schrijving door [eiseres] volledig aan dit vonnis voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:

- € 100,00 aan salaris gemachtigde, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na aanschrijving,

- te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de exploot-kosten van betekening van het vonnis, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na betekening;

5.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.5.

wijst af het anders of meer gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.C. Heuveling van Beek, kantonrechter, en is in aanwezig-heid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 22 april 2016.