Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2016:2202

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
20-04-2016
Datum publicatie
20-04-2016
Zaaknummer
C/16/398565 / HA ZA 15-705
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Midden-Nederland veroordeelt de NOS tot rectificatie van twee berichten die in mei 2015 zijn gepubliceerd op de NOS-website. In die publicaties wordt een verband gelegd tussen de heer Baybaşin en een verdachte van een liquidatie in Turkije in 2014.

Baybaşin zit sinds 2002 een levenslange gevangenisstraf uit. Hij stelt dat hij op basis van gefabriceerd bewijs onschuldig is veroordeeld, waarin hij door een groep medestanders wordt gesteund. In 2011 heeft Baybaşin een herzieningsverzoek ingediend bij de Hoge Raad om zijn zaak opnieuw te laten behandelen. Daarop moet nog worden beslist.

De publicaties zijn gebaseerd op één niet-gezaghebbende bron die niet door een andere bron is bevestigd. Die bron is bovendien anoniem opgevoerd in de publicaties en de NOS heeft geen wederhoor gepleegd bij Baybaşin. Ook kent de rechtbank gewicht toe aan de onvrijwillige bekendheid van Baybaşin, de aard van de berichten en de mogelijkheid dat die berichten afdoen aan de steun voor zijn herzieningsverzoek. De rechtbank oordeelt daarom dat de bescherming van de eer en goede naam van Baybaşin hier zwaarder weegt dan het recht van de NOS om de genoemde berichten te publiceren.

De rechtbank Midden-Nederland veroordeelt de NOS tot het verwijderen van de gehele publicatie van 12 mei 2015 en deels de publicatie van 14 mei 2015. Daarnaast veroordeelt de rechtbank de NOS tot het plaatsen van een rectificatietekst voor twee weken in een pop-up venster op de website.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
IR 2016/80, UDH:IR/13315 met annotatie van Onder redactie van mr. M. van der Linden – Smit en mr. C.C.M. Kroeks – de Raaij
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/398565 / HA ZA 15-705

Vonnis van 20 april 2016

in de zaak van

[eiser] ,

verblijvende in de penitentiaire inrichting [naam] te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. M.Ch. Kaaks te Amsterdam,

tegen

de stichting

NEDERLANDSE OMROEP STICHTING (NOS),

gevestigd te Hilversum,

gedaagde,

advocaat mr. A. Knigge te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [eiser] en de NOS genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • de dagvaarding

  • de akte houdende overlegging producties van [eiser]

  • de conclusie van antwoord

  • de conclusie van repliek

  • de conclusie van dupliek

  • de akte aanvullende productie, tevens houdende bewijsaanbod, gedateerd 3 februari 2016

  • de brief van de raadsman van [eiser] van 23 februari 2016, strekkende tot wijziging van de datum van laatstgenoemde akte in 3 maart 2016

  • de pleidooien.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [eiser] is een Turkse Koerd. Hij is op 28 maart 1998 in Nederland gearresteerd.

Bij arrest van 30 juli 2002 heeft het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch [eiser] veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf wegens, zakelijk weergegeven, (1) het medeplegen van moord, (2 en 5 telkens) poging tot uitlokking van het medeplegen van moord, meermalen gepleegd, (3) het medeplegen van gijzeling, (4) betrokkenheid bij drugshandel en (6) het als bestuurder deelnemen aan een criminele organisatie. Bij arrest van 21 oktober 2003 (ECLI:HR:2003:AH9922) heeft de Hoge Raad het tegen deze uitspraak door [eiser] ingestelde cassatieberoep verworpen.

2.2. In 2009 is in het Turkse [naam] een artikel gepubliceerd dat - vertaald uit het Turks - luidt, voor zover relevant, als volgt:

“DRUGSCONFLICT

Volgens de informatie die we bij de politieautoriteiten hebben ingewonnen, zijn de

ontvoerings- en afpersingsincidenten ontstaan vanwege een conflict tussen twee families die vermoedelijk drugs smokkelden. Het conflict vond plaats tussen twee families, waarvan de eerste bekend was onder de naam ‘ [eiser] ’ die later de naam ‘ [familie 1] ’ heeft aangenomen en een andere familie die de naam ‘ [familie 2] ’ draagt.

We hebben vernomen dat de misdaadorganisatie, geleid door [A] - een

neefje van [eiser] die wegens drugssmokkel in Nederland vastzit en ook een neefje van [B] die wegens hetzelfde misdrijf in Engeland in de gevangenis zit - tezamen met [C] , die zichzelf als ‘Turkse Escobar’ voorstelt, [D] - de broer van [E] , die de schoonzoon is van [F] , de ex-afgevaardigde van de provincie Van- en [G] - de zoon van [D] - hebben ontvoerd. [D] wordt gezocht vanwege drugssmokkel en is tevens één van de 8 meest gezochte drugssmokkelaars in de VS.

Er werd bekendgemaakt dat de misdaadorganisatie, die tevens zou zijn bijgestaan door de bij de Politie Hogeschool te [vestigingsplaats] werkzame inspecteur U.Ö. bij het verrichten van technische observatie en het volgen van de te ontvoeren persoon, de personen die zij heeft ontvoerd, in een illegaal gebouwde woning in [woonplaats] heeft aangehouden, aldaar deze heeft mishandeld en gemarteld en na afronding van de omtrent het losgeld ondernomen onderhandelingen en het ontvangen ervan, de slachtoffers heeft vrijgelaten.

Wij merkten tevens op dat [H] , [I] en [J]

leidinggevende posities bekleedden binnen de misdaadorganisatie, terwijl de teams die de ontvoerings- en afpersingzaken verrichtten, door [K] . en [L] . werden geleid en dat door het ontbinden van de misdaadorganisatie, ontvoering en afpersing van nog 3 personen werd voorkomen.”

2.3. Op 18 april 2011 heeft [eiser] bij de Hoge Raad een verzoek ingediend tot herziening van het onder 2.1 bedoelde arrest van het gerechtshof.

2.4. De NOS is een stichting die tot taak heeft om het media-aanbod voor de landelijke publieke mediadienst te verzorgen op het gebied van nieuws, sport en evenementen dat zich bij uitstek leent voor gezamenlijke verzorging. Zij beheert in dat kader onder meer de website www.nos.nl.

2.5. Op 12 mei 2015 heeft de NOS op haar website een nieuwsbericht geplaatst met de titel “Aanhoudingen in Turkije voor afrekening Turkse A‘dammer” (hierna ook te noemen: de eerste publicatie) dat luidt als volgt:

“In Istanbul zijn negen mensen opgepakt voor mogelijke betrokkenheid bij de moord op de Nederlands-Turkse [M] . Dat melden Turkse media [link].

Bronnen zeggen tegen de NOS dat een van de opgepakte mannen een voormalige compagnon is van de tot levenslang veroordeelde drugsbaron [eiser] .

De Koerd werd in 2002 in Nederland veroordeeld voor moord, gijzeling, drugshandel en het leiden van een criminele organisatie.

De negen verdachten die in Istanbul zijn opgepakt werden een tijd in de gaten gehouden door de politie. Agenten deden vandaag op meerdere plekken invallen. Afgelopen januari werden al zes mensen opgepakt van wie er twee werden vrijgelaten.

[M] werd afgelopen december doodgeschoten ([link]) in zijn auto in Istanbul. Hij was een van de hoofdverdachten in het Amsterdamse liquidatieproces.”

2.6. Op 14 mei 2015 is op de website van de NOS een nieuwsbericht verschenen met de titel “Drugsbaron ontkent banden met verdachten in liquidatiezaak” met de volgende inhoud (hierna ook te noemen: de tweede publicatie):

“De tot levenslang veroordeelde Turkse Koerd [eiser] zegt dat hij de mannen die deze week in Turkije zijn opgepakt voor de moord op de Turkse Nederlander [M] , niet kent. Hij laat dat weten vanuit de gevangenis, waar hij een levenslange gevangenisstraf uitzit.

[M] werd de dag voor Kerst in Istanbul in zijn auto geliquideerd. Hij was een van de belangrijkste verdachten in het grote Amsterdamse liquidatieproces. Een van de opgepakte verdachten in Turkije is [J] . Volgens bronnen bij de Turkse justitie en berichten in Turkse media maakte hij ooit deel uit van de groep van [eiser] . [J] en zijn handlangers zouden zich momenteel bezighouden met afpersing.

Mail

[eiser] ontkent in een mail vanuit de gevangenis echter dat hij [J] of de andere opgepakte mannen kent. “Ik ken geen van de namen van degenen die bij deze verschrikkelijke misdaad betrokken zijn “, schrijft hij. [eiser] werd in 1984 in Engeland veroordeeld voor drugshandel. In 2002 kreeg hij in Nederland levenslang voor onder meer drugshandel en het uitlokken van twee liquidaties.

Hij strijdt tegen deze veroordeling omdat het vonnis volgens hem gebaseerd is op

gemanipuleerde afgeluisterde telefoongesprekken. Dat zou de Nederlandse justitie hebben gedaan op verzoek van de Turkse justitie. Momenteel loopt er een herzieningsverzoek bij de Hoge Raad.”

2.7. Op 16 mei 2015 is in de Turkse krant Habertürk een artikel verschenen met de titel “De naam van [eiser] komt voor bij de moord op [M] in Istinye” dat vertaald uit het Turks het volgende inhoudt:

“Tussen de verdachten die tijdens de tweede operatie in de zaak van [M] die in zijn luxe auto in Istinye/Istanbul, werd geliquideerd zitten personen die werken voor de [eiser] familie en die bekend staan binnen de drugswereld.

Tijdens twee operaties in de zaak van [M] , die op 24 december vorig jaar werd geliquideerd, terwijl hij in zijn auto wachtte bij de stoplichten in Sariyer Istinye in Istanbul, zijn 8 verdachten gearresteerd. Na het verhoor zijn drie verdachten heengezonden. [K] , [J] ., [N] , [O] en [P] zijn gisterenochtend ter voorgeleiding overgebracht, naar de Caglayan Rechtbank in Istanbul. Tijdens het onderzoek onder leiding van de Nationale Veiligheidseenheid is gebleken dat twee van de vijf verdachten, namelijk [K] en [J] . werken voor [A] . Dit is de neef van drugshandelaar [eiser] die hem hielp bij het organiseren van zijn zaken. [K] die ter gevangenhouding is overgebracht naar de rechtbank zou beweerdelijk de opdrachtgever zijn. [P] wordt ervan verdacht geheim te houden wie de moorden daadwerkelijk heeft uitgevoerd.

Schutter van de bende

Het tweetal zou zes jaar geleden in Istanbul zijn gearresteerd bij een operatie tegen de neef van [eiser] , [A] en zijn drugsbende. Toen bleek dat [K] de schutter binnen de bende was. Ook is gebleken dat het tweetal [K] en [P] de schutter in de [M] zaak, [Q] en de chauffeur [L] . welke beiden bij een eerste operatie in de [M] zaak werden gearresteerd, hebben geholpen en hen onderdak hebben geboden. Bij de drugsafrekeningen in de Istinye-Nederland en Panama driehoek zijn in totaal 15 personen geliquideerd waarvan 12 van Turkse afkomst. Na de liquidaties zijn de namen [A] en [R] (die momenteel in Erbil verblijft) opgedoken en onderzocht. De neef van [eiser] , [A] heeft zijn achternaam van [eiser] naar [familie 1] laten wijzigen in verband met de bekendheid van de naam [eiser] .”

2.8. Bij brief van 10 juni 2015 heeft [eiser] de NOS verzocht om de eerste en tweede publicatie te rectificeren.

2.9. Bij brief van 17 juni 2015 heeft de NOS aan [eiser] meegedeeld niet tot rectificatie van de publicaties over te gaan.

3. Het geschil

3.1. [eiser] vordert ‑ samengevat - dat de rechtbank:

  1. voor recht verklaart dat de eerste en tweede publicatie onrechtmatig zijn jegens hem, althans specifieke passages daaruit,

  2. primair: de NOS veroordeelt om de eerste en tweede publicatie offline te halen, zodat deze niet meer via internet openbaar worden gemaakt en niet langer opvraagbaar zijn,

subsidiair: de NOS veroordeelt het ertoe te leiden dat de eerste en tweede publicatie onvindbaar zijn via zoekmachine Google, althans deze publicaties te anonimiseren,

meer subsidiair: de NOS beveelt het ertoe te leiden dat de eerste en tweede publicatie niet langer in de zoekresultaten van Google worden getoond bij de zoekterm “ [eiser] ”,

  1. de NOS veroordeelt op haar website een rectificatie te plaatsen met de in de dagvaarding vermelde inhoud,

  2. de NOS veroordeelt tot vergoeding van materiële en immateriële schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet,

  3. de NOS veroordeelt tot betaling van een voorschot op de door [eiser] geleden en nog te lijden schade ten bedrage van € 10.000,--,

  4. de NOS veroordeelt tot verbeurte van een dwangsom van € 25.000,-- voor elke dag dat de NOS verzuimt het onder II of III bepaalde geheel of gedeeltelijk na te komen,

  5. de NOS veroordeelt in de kosten van het geding.

3.2. De NOS voert verweer.

3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Toewijzing van de vorderingen van [eiser] zou neerkomen op een beperking van het in artikel 10 lid 1 EVRM neergelegde recht van de NOS op vrijheid van meningsuiting. Een dergelijk recht kan slechts worden beperkt indien dit bij de wet is voorzien en noodzakelijk is in een democratische samenleving, bijvoorbeeld ter bescherming van de goede naam en de rechten van anderen (artikel 10 lid 2 EVRM). Van een beperking die bij de wet is voorzien is sprake wanneer de onderhavige publicaties van de NOS op haar website een zodanige inbreuk maken op de eer en goede naam van [eiser] dat die als onrechtmatig kunnen worden aangemerkt in de zin van artikel 6:162 BW.

Voor het antwoord op de vraag welk recht - het recht op vrije meningsuiting of het recht op bescherming van de eer en goede naam - in het concrete geval zwaarder weegt, moeten de wederzijdse belangen worden afgewogen. Welk van deze belangen, die in beginsel gelijkwaardig zijn, de doorslag behoort te geven hangt af van de concrete omstandigheden van het geval, waaronder de omstandigheden die zijn genoemd in de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens en de Hoge Raad, zoals:

- de aard van de gepubliceerde uitlatingen en de ernst van de te verwachten gevolgen voor degene op wie die uitlatingen betrekking hebben,

- de ernst, bezien vanuit het algemeen belang, van de misstand die aan de kaak wordt gesteld,

- de mate waarin de uitlatingen steun vinden in het beschikbare feitenmateriaal,

- de totstandkoming en inkleding van de uitlatingen,

- het gezag dat het medium waarop de uitlatingen zijn gepubliceerd geniet,

- de maatschappelijke positie van de betrokken persoon.

Genoemde omstandigheden wegen niet allen even zwaar. Welke omstandigheden van toepassing zijn en welk gewicht daaraan moet worden gehecht, hangt af van het concrete geval.

Voldoende steun in de feiten?

4.2. De NOS stelt dat de mededelingen die in de publicaties over [eiser] zijn gedaan, berusten op onderzoek door de bij haar in dienst zijnde journalist [journalist] (hierna: [journalist] ), en dat die journalist zich heeft gebaseerd op de volgende bronnen:

  1. informatie van een anonieme bron, werkzaam bij de Turkse justitie, die [journalist] kent en betrouwbaar acht op basis van eerdere ervaringen,

  2. eigen wetenschap van [journalist] op basis van strafdossiers die hij in het verleden heeft ingezien,

  3. mondelinge en schriftelijk bevestigde informatie van [S] , een bekende bron die [journalist] al jaren kent en waarvan hij eerder betrouwbare informatie heeft gekregen,

  4. informatie van een anonieme bron, werkzaam bij de Nederlandse politie, die [journalist] al jaren kent en betrouwbaar acht op basis van eerdere ervaringen,

  5. berichten in Turkse media.

4.3. Ter gelegenheid van het pleidooi heeft [journalist] - zakelijk weergegeven - verklaard dat hij op de navolgende wijze de informatie heeft vergaard voor de publicatie van 12 mei 2015:

  1. In de ochtend van 12 mei 2015 heeft hij een tip ontvangen van de hiervoor onder A bedoelde anonieme bron, die hem vertelde over de arrestatie van onder meer [J] . als verdachte van de liquidatie van [M] in december 2014.

  2. Vervolgens ging bij hem - naar aanleiding van een Turks dossier uit 2007 van [J] . dat [S] hem in het verleden deels heeft laten lezen (in digitale vorm) - een lichtje branden dat er mogelijk een verband was tussen [J] . en [eiser] . Hij dacht dat hij de naam [eiser] in dat dossier had gelezen, maar wist niet meer op welke manier [eiser] in dat dossier voorkwam.

  3. Dezelfde dag heeft hij de onder 1 bedoelde tip telefonisch gecheckt bij [S] en hem gevraagd of hij had gehoord van de arrestatie van [J] ., wie die [J] . was en of er een band is geweest met [eiser] . [S] heeft de arrestatie van [J] . daarop bevestigd en gezegd dat deze persoon deel uitmaakte van de organisatie die na de veroordeling van [eiser] door diens achterneven is voortgezet. [S] moet hem tijdens dit gesprek gezegd hebben dat [J] . ook daarvóór lid was van die organisatie, want anders zou [journalist] niet in de eerste publicatie “voormalig compagnon” hebben vermeld.

  4. Later op die dag heeft [journalist] een persoonlijke ontmoeting gehad met [S] waarin deze vertelde dat hij de link tussen [J] . en [eiser] bij de Turkse justitie had geverifieerd en ook in de strafdossiers van [J] . en [H] uit 2007 had gelezen dat [eiser] daarin wordt genoemd.

  5. Nog later die dag heeft hij de conceptversie van het bericht, zoals uiteindelijk op die dag op de website van de NOS is gepubliceerd, laten lezen aan de onder D) bedoelde anonieme bron. Die gaf een soort bevestiging dat het bericht juist was, want anders zou deze bron gesuggereerd hebben dat het zou moeten worden aangepast.

Ad bronnen A) en B)

4.4. Uit de verklaring van [journalist] moet worden afgeleid dat de door de NOS onder A) bedoelde bron niet met de mogelijke link tussen [J] . en [eiser] kwam, maar dat dat een eigen ingeving was van [journalist] . [journalist] heeft niet verklaard dat hij deze mogelijke link bij deze Turkse bron heeft geverifieerd, zodat deze anonieme bron niet kan dienen als onderbouwing van het gestelde bestaan van een rechtstreeks verband tussen [J] . en [eiser] . De herinnering van [journalist] dat [eiser] zou zijn genoemd in een strafdossier van [J] . uit 2007 kan hier evenmin aan bijdragen, omdat het strafdossier zelf niet is overgelegd en [journalist] zich niet kan herinneren in welk verband [eiser] in dat dossier is genoemd.

4.5. De rechtbank constateert verder dat de NOS in haar pleitnotitie (par. 2.3) wel stelt dat de betreffende Turkse justitiebron aan [journalist] zou hebben verteld dat [J] . ooit deel zou hebben uitgemaakt van de groep van [eiser] , maar dat wordt dus door de verklaring van [journalist] tegengesproken. In de conclusie van dupliek (par. 2.4) heeft de NOS voorts gesteld dat [journalist] van deze bron zou hebben vernomen dat [eiser] in de strafdossiers van [J] . en [H] uit 2007 zou zijn genoemd, maar ook dat wordt tegengesproken door de verklaring van [journalist] .

4.6. Overigens heeft de NOS in haar conclusie van antwoord nog gesteld dat [journalist] de naam [J] . herkende uit het dossier van [eiser] , en dat dat de directe aanleiding was voor de publicatie over het bestaan van een connectie tussen hen (4.18). In haar conclusie van dupliek is zij daarop kennelijk teruggekomen, en heeft zij gesteld dat de informatie afkomstig is van de strafdossiers van [J] . en [H] (2.4). Een en ander werpt vragen op over de zorgvuldigheid waarmee de NOS de rechtbank (en de wederpartij) over de feitelijke totstandkoming van de publicaties heeft voorgelicht.

Ad bron C)

4.7. De rechtbank stelt vast dat [journalist] verklaart dat [S] het bestaan van een link tussen [J] . en de organisatie van [eiser] heeft bevestigd, maar zich niet meer kan herinneren op welke wijze [S] dat precies heeft gedaan. Op basis van de verklaring van [journalist] kan de mogelijkheid derhalve niet worden uitgesloten dat [S] alleen heeft bevestigd dat er een link bestaat tussen [J] . en de organisatie die door de achterneven van [eiser] wordt geleid (zoals in het onder 2.2 weergegeven krantenbericht uit 2009 is vermeld). [S] stelt evenwel in zijn verklaring (overgelegd als productie 11 door de NOS) met zoveel woorden dat hij aan [journalist] heeft bevestigd dat [J] . een “voormalige compagnon” was van [eiser] . Nog afgezien van de vraag van de betrouwbaarheid van deze bron, kan [S] dus wel als bron voor de publicatie van 12 mei 2015 worden aangemerkt.

4.8. De NOS stelt in haar conclusie van dupliek (2.3) dat [S] [journalist] toen ook heeft gewezen op het hiervoor bedoelde krantenbericht uit 2009, maar dat wordt noch door de verklaring van [journalist] , noch door die van [S] bevestigd. Echter, ook indien dat wel is gebeurd, kan dat krantenbericht niet als “schriftelijke bevestiging” van de informatie van [S] worden aangemerkt, omdat in het bewuste krantenbericht alleen een link wordt gelegd tussen [J] . en de achterneven van [eiser] en niet met [eiser] zelf.

Ad bron D)

4.9. Uit de verklaring van [journalist] blijkt dat hij aan zijn bron bij de Nederlandse politie alleen het concept-nieuwsbericht heeft getoond, en dat hij uit het uitblijven van een negatieve reactie heeft opgemaakt dat het klopte. In dat concept-bericht (dat kennelijk nadien niet is gewijzigd) was alleen vermeld dat bronnen tegen de NOS hadden gezegd dat “een van de opgepakte mannen” een voormalige compagnon was van [eiser] . Aan deze bron werd dus niet concreet gevraagd om te bevestigen dat [J] . een voormalig compagnon was van [eiser] . Dat is te vaag om deze bron als bevestiging te gebruiken voor het door [S] gestelde ‘voormalig compagnonschap’ tussen [J] . en [eiser] .

Ad bron E)

4.10. Bij conclusie van antwoord heeft de NOS zich nog beroepen op andere berichten van Turkse media over het bestaan van een connectie tussen [J] . en [eiser] . Voor zover de NOS daarbij doelt op het onder 2.7 weergegeven artikel, geldt dat dat artikel pas na de eerste en tweede publicatie van de NOS is verschenen, en dat daarin geen relatie wordt gelegd tussen [J] . en [eiser] , maar alleen tussen [J] . en de (achter-)neven van [eiser] . Ook deze artikelen kunnen dus niet als bron voor de publicaties worden aangemerkt.

Conclusie

4.11. Uit het voorgaande volgt dat de zinsnede in het nieuwsbericht van 12 mei 2015 dat “een van de opgepakte mannen een voormalige compagnon is van … [eiser] ” alleen is gebaseerd op informatie die afkomstig is van [S] . Wat er ook zij van de betrouwbaarheid van deze bron, er is dus maar sprake van één niet-gezaghebbende bron die in het bericht anoniem wordt opgevoerd en die niet door een andere bron is bevestigd. Daarmee vindt deze zinsnede niet voldoende steun in het destijds bij de NOS beschikbare feitenmateriaal.

Voor zover in de publicatie een beroep wordt gedaan op meerdere “bronnen”, is dat onjuist, omdat er dus maar sprake is van één bron voor de bewering dat [J] . en [eiser] voormalige compagnons zijn.

4.12. In de tweede publicatie (op 14 mei 2015) bericht de NOS dat [eiser] de banden met de verdachten in de liquidatiezaak ontkent. In dit bericht wordt [J] . voor het eerst specifiek genoemd. Daaraan voegt de NOS toe: “Volgens bronnen bij de Turkse justitie en berichten in Turkse media maakte hij [ [J] .; toevoeging rechtbank] ooit deel uit van de groep van [eiser] ”. Ook deze mededeling vindt onvoldoende steun in het feitenmateriaal. Voor de bewering dat [J] . ooit deel uitmaakte van de groep van [eiser] bestaat alleen de verklaring van [S] als bron, en dat is - zoals hiervoor reeds is overwogen - onvoldoende. Daarenboven wordt nog specifiek een beroep gedaan op “bronnen bij de Turkse justitie” en “berichten in Turkse media”, terwijl uit de verklaring van [journalist] blijkt dat de Turkse justitiebron over die link tegenover de NOS niets heeft gezegd, en in Turkse media alleen wordt bericht over een band tussen [J] . en de (achter-)neven van [eiser] .

4.13. De conclusie van het voorgaande is dat beide publicaties onvoldoende steun vinden in het feitenmateriaal. Dat is een zwaarwegende factor bij het vaststellen of de NOS onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld, maar is niet zonder meer beslissend. Dat is afhankelijk van alle omstandigheden van het geval. De rechtbank zal in het navolgende de in deze zaak spelende overige relevante omstandigheden behandelen.

Aard van de publicaties

4.14. In het onderhavige geval was sprake van publicaties met een feitelijke strekking, waardoor de gemiddelde lezer van de juistheid daarvan zal uitgaan. Van het aan de kaak stellen van een misstand was geen sprake: het was een feitelijk bericht over arrestaties die hadden plaatsgevonden in verband met een in 2014 gepleegde liquidatie. [eiser] werd in het bericht niet genoemd vanwege diens mogelijke directe of indirecte betrokkenheid bij die liquidatie, maar voor het schetsen van de achtergrond van één van de aangehouden verdachten. Het staat de NOS weliswaar vrij om de verbanden te leggen die haar goeddunken, maar dan moeten die verbanden wel gebaseerd zijn op voldoende feitenmateriaal.

Ernst van de gevolgen

4.15. Volgens [eiser] liggen in de eerste en tweede publicatie de volgende suggesties besloten:

- [eiser] leidde een organisatie waarvan de leden, zoals oud-kompaan [J] ., ook vandaag de dag nog zware misdrijven (lijken te) plegen,

- [eiser] kan over één kam geschoren worden met criminelen zoals zijn voormalig compagnon [J] . die anno 2015 verdacht wordt van een schokkende liquidatie in Istanbul,

- gezien de relatie tussen moordverdachte [J] . en de veroordeelde [eiser] (ze waren kennelijk in het verleden “brothers in crime”) kan niet worden uitgesloten dat [eiser] op enigerlei wijze is betrokken bij de liquidatie op 24 december 2014.

4.16. Naar het oordeel van de rechtbank zal een gemiddelde lezer aan de in de publicaties gelegde link tussen één van de verdachten van de liquidatie en [eiser] niet de betekenis toekennen dat [eiser] op enige wijze bij de betreffende liquidatie betrokken is geweest. Door het gebruik van de woorden “voormalige” (eerste publicatie), “ooit” (tweede publicatie) en de verwijzing naar het uitzitten van een gevangenisstraf sinds 2002, is er zodanige afstand tussen [eiser] en de liquidatie in 2014 gecreëerd dat de lezer de betreffende passages zal zien als achtergrondinformatie met betrekking tot de verdachten van die liquidatie en niet als suggestie van enige betrokkenheid van [eiser] bij de liquidatie zelf.

4.17. Wel zal het in de publicaties gelegde verband in de ogen van (in ieder geval een deel van) de lezers de geloofwaardigheid aantasten van [eiser] standpunt dat hij in 2002 is veroordeeld op basis van gefabriceerd bewijs, en dus onschuldig is. Immers, door deze mededeling wordt [eiser] alsnog door meerdere bronnen gelinkt aan een persoon waarmee hij in het verleden zakelijke banden zou hebben gehad en die verdacht wordt van een actueel ernstig misdrijf. Gelet op de context zal de lezer bij het woord “compagnon” niet denken aan een zakelijke relatie in de bovenwereld, maar aan een compagnon bij het verrichten van criminele activiteiten. De gemiddelde lezer, en zeker de familie van [eiser] en de lezers die door diverse andere publicaties zijn gaan geloven in de onschuld van [eiser] , zal zich door de betreffende zinsnede afvragen hoeveel geloof er moet worden gehecht aan [eiser] standpunt dat hij onschuldig is aan de misdrijven waarvoor hij veroordeeld is. Door het leggen van de link tussen [eiser] en [J] . wordt derhalve de reputatie van [eiser] geschaad. Het gevolg hiervan kan - gelet op het grote bereik van de website van de NOS (35% van de Nederlandse internetters) - zijn dat de steun bij een deel van het publiek voor het herzieningsverzoek van [eiser] afneemt. Beeldvorming in de media kan doordringen tot een aanhangige procedure en in die procedure een rol gaan spelen (Hof Amsterdam 18 juli 2003, ECLI:NL:GHAMS:2003:AI0123), zodat ook gevolgen van de publicaties voor de herzieningsprocedure niet bij voorbaat uitgesloten zijn. In zoverre kan [eiser] derhalve schade lijden ten gevolge van de publicaties van de NOS.

Totstandkoming/inkleding/bekendheid

4.18. Vaststaat dat de NOS in het onderhavige geval geen wederhoor heeft gepleegd bij [eiser] . Naar het oordeel van de rechtbank had dat in het onderhavige geval wel van de NOS mogen worden gevergd, omdat zij zich baseerde op bronnen die zij in haar publicaties anoniem wilde houden. In een dergelijk geval ontbreekt de preventieve werking die uitgaat van het noemen van de naam van de bron zelf, alsmede ontbreekt de mogelijkheid voor de lezer om zelf een oordeel over de betrouwbaarheid van de bron te vormen, en daarmee over de juistheid van het nieuwsbericht.

4.19. Ook volgens de regels voor journalistiek (artikel B3 van de Leidraad van de Raad voor de Journalistiek 2015), welke regels volgens het Europees Hof voor de Rechten van de Mens relevant kunnen zijn voor de onderhavige belangenafweging (“in accordance with the ethics of journalism” EHRM 2 juni 2015 (Hlynsdottir/IJsland) nr. 54145/10, r.o. 64), passen journalisten wederhoor toe “bij personen die door een publicatie worden gediskwalificeerd, ook wanneer die personen hierin slechts zijdelings een rol spelen”. De NOS kende de advocaat van [eiser] , en had dus op eenvoudige wijze een reactie kunnen vragen op de wijze waarop zij [eiser] in het nieuwsbericht wilde vermelden. In dat geval zou een stellige ontkenning van enige bekendheid van [eiser] met [J] . hebben kunnen leiden tot aanpassing van het concept-nieuwsbericht in die zin dat daarin alleen de link zou worden gelegd die wel eerder (in 2009) in Turkse media was gemaakt tussen [J] . en de achterneven van [eiser] . In zoverre had wederhoor derhalve de kwaliteit van de berichtgeving van de NOS ten goede kunnen komen.

4.20. Naar het oordeel van de rechtbank kan de NOS zich er niet achter verschuilen dat zij afstand heeft genomen tot de betreffende informatie, omdat in de publicaties wordt gesproken over “Bronnen zeggen tegen de NOS” en “Volgens bronnen bij de Turkse justitie en berichten in Turkse media”. De NOS heeft als nieuwsmedium de verantwoordelijkheid om de juistheid van de door deze “bronnen” gedane feitelijke mededelingen voor zover mogelijk te verifiëren (EHRM Hlynsdottir tegen IJsland r.o. 63). Doordat deze bronnen in de eerste publicatie anoniem worden gepresenteerd, en in de tweede publicatie slechts in algemene zin, moet de lezer afgaan en af kunnen gaan op toetsing van de juistheid van de door deze bronnen overgebrachte informatie door de NOS.

4.21. De omstandigheid dat de NOS na de eerste publicatie een ontkenning van [eiser] heeft opgenomen in de tweede publicatie, baat haar niet, omdat dit niet kan worden aangemerkt als een rectificatie van het eerdere bericht. De NOS neemt in de tweede publicatie geen enkele afstand van de inhoud van de eerste publicatie, maar herhaalt de mededeling dat [J] . en [eiser] voormalig compagnons zijn en geeft [eiser] alleen de gelegenheid om de juistheid daarvan te ontkennen. Bovendien wordt in de tweede publicatie ook nog (ten onrechte) een beroep gedaan op het gezag van de bronnen waarop zij zich eerder heeft gebaseerd. Waar de lezer in de eerste publicatie nog in het ongewisse wordt gelaten over de betrouwbaarheid van de bronnen, wordt hij in de tweede publicatie geleid naar bronnen bij de “Turkse justitie”. Dit, terwijl uit het voorgaande blijkt dat deze bronnen geen bevestiging kunnen vormen van het voorheen bestaan van een compagnonschap tussen [eiser] en [J] .

4.22. Evenmin kan geoordeeld worden dat [eiser] , door zijn bekendheid dan wel eigen handelwijze, berichtvorming over zijn persoon over zichzelf heeft afgeroepen. Vooropgesteld wordt dat het maar de vraag is of [eiser] kan worden aangemerkt als een bekend persoon zoals gedefinieerd door het Europese Hof voor de Rechten van de Mens. Daarvoor is vereist dat de betreffende persoon zich vrijwillig blootgesteld heeft aan publieke belangstelling (EHRM 4 oktober 2010, Petrenco tegen Moldavië, 20928/05, r.o. 55). Daarvan is in het onderhavige geval geen sprake: [eiser] is op onvrijwillige wijze, door diens veroordeling voor ernstige criminele activiteiten in 2002, in de publieke belangstelling komen te staan. Dat [eiser] na die veroordeling in 2002 soms de publiciteit heeft gezocht, betekent niet dat hij min of meer heeft aanvaard dat hij nog jaren later wordt genoemd in een bericht dat gaat over een misdrijf waarin hij zelf geen verdachte is, en waarin een verband met de verdachte wordt gelegd dat meer dan 17 jaar geleden, vóór de arrestatie van [eiser] in 1998, zou hebben bestaan.

Conclusie

4.23. Op basis van de hiervoor genoemde omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de NOS in strijd heeft gehandeld met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, door in haar publicaties [eiser] aan te wijzen als voormalig compagnon van een verdachte van een liquidatie in Turkije in 2014, en daarmee schade toe te brengen aan de reputatie van [eiser] . Dit betekent dat in het onderhavige geval het recht op bescherming van de eer en goede naam van [eiser] zwaarder weegt dan het recht van de NOS op vrijheid van meningsuiting, en dat beperking van die laatste vrijheid gerechtvaardigd is.

De vorderingen

Verklaring voor recht

4.24. [eiser] heeft gevorderd dat de rechtbank voor recht verklaart dat de publicaties onrechtmatig zijn, althans specifieke passages daarvan. Nu van de eerste publicatie alleen de zinsnede over het verband tussen een arrestant en [eiser] als onrechtmatig wordt aangemerkt, zal de verklaring voor recht alleen in zoverre worden toegewezen. Voor de vergelijkbare zinsnede in de tweede publicatie (“Volgens bronnen … [eiser] .”) geldt hetzelfde.

Publicaties offline halen

4.25. Voorts heeft [eiser] gevorderd om de NOS te veroordelen om (primair) de betreffende publicaties offline te halen. De NOS heeft tegen de inhoud en strekking van deze vordering geen verweer gevoerd, zodat de rechtbank deze vordering zal toewijzen. Wel zal de vordering ten aanzien van de eerste publicatie worden beperkt tot de onder 4.24 bedoelde passage. [eiser] heeft wel belang bij het offline halen van de gehele tweede publicatie, omdat:

- die publicatie haar bestaansrecht uitsluitend ontleent aan de onrechtmatig geoordeelde passage in de eerste publicatie, en niet meer inhoudt dan een reactie van [eiser] op die passage, en

- handhaving van het resterende deel van de tweede publicatie het publiek alleen maar zal attenderen op de onrechtmatige uitlatingen die de NOS in de beide publicaties heeft gedaan over het (in het verleden) bestaan van een verband tussen [eiser] en een verdachte van een liquidatie in Turkije in 2014.

Rectificatie

4.26. De NOS heeft als verweer tegen de inhoud van de in de dagvaarding voorgestelde rectificatie aangevoerd dat plaatsing daarvan op de homepage van de website van de NOS disproportioneel is, omdat de berichten destijds zijn verschenen in de rubriek Nieuws subrubriek Binnenland, zodat een eventuele rectificatie uitsluitend in die subrubriek, of op de rectificatiepagina van de NOS op zijn plaats is. Voorts moet de rectificatietekst volgens haar worden aangepast in die zin dat daarin niet wordt vermeld dat de NOS [eiser] in verband heeft gebracht met de liquidatie van een hoofdverdachte in het Passageproces, omdat de NOS dat niet heeft gedaan.

4.27. Bij conclusie van repliek heeft [eiser] betwist dat de publicaties alleen in de subrubriek Binnenland op de website van de NOS zijn geplaatst, en uitdrukkelijk gesteld dat deze destijds op de homepage hebben gestaan. De NOS is daarop in haar conclusie van dupliek niet ingegaan, noch ter gelegenheid van het pleidooi. De rechtbank gaat er in het licht hiervan vanuit dat de publicaties destijds wel (mede) op de homepage van de NOS hebben gestaan, zodat rectificatie op die plaats aangewezen is.

4.28. Het bezwaar van de NOS tegen de rectificatietekst is evenwel terecht. Zoals hiervoor reeds is overwogen, is het niet zo dat in de publicaties [eiser] in verband wordt gebracht met de liquidatie zelf. De rechtbank zal de gevorderde rectificatie dan ook in die zin gewijzigd toewijzen dat de zin “Ten onrechte is de naam van de heer [eiser] hiermee in verband gebracht.” uit de voorgestelde tekst wordt verwijderd.

Dwangsom

4.29. De NOS heeft zich tegen de gevorderde dwangsom verweerd met de stelling dat zij zal voldoen aan een eventuele veroordeling, zodat er geen noodzaak is om een dwangsom op te leggen, en dat het gevorderde bedrag van € 25.000,-- per dag buitensporig hoog is.

4.30. De enkele omstandigheid dat de NOS belooft aan een eventuele veroordeling te voldoen, is onvoldoende grond om geen dwangsom op te leggen. Indien de NOS inderdaad haar toezegging gestand doet, heeft zij van een dwangsom ook geen last. Wel acht de rechtbank de hoogte van de dwangsom buitensporig gelet op het feit dat nog onvoldoende zicht is op het bestaan en de omvang van de door [eiser] te lijden schade. De gevorderde dwangsom zal dan ook worden beperkt op de wijze als in het dictum is vermeld.

Voorschot op schadevergoeding

4.31. Ter onderbouwing van zijn vordering tot het betalen van een voorschot op een te betalen schadevergoeding heeft [eiser] aangevoerd dat indien de verdachtmaking in de publicaties van de NOS doorwerkt in de beoordeling van het herzieningsverzoek, de materiële en immateriële schade voor [eiser] zeer omvangrijk kan zijn.

Op dit moment is op het herzieningsverzoek nog niet beslist, zodat niet beoordeeld kan worden of, en zo ja hoeveel schade [eiser] ten gevolge van de publicaties zal lijden. Nu niet uitgesloten is dat [eiser] schade zal lijden, is de gevorderde verwijzing naar de schadestaatprocedure voor toewijzing vatbaar, maar het gevorderde voorschot niet.

Uitvoerbaarheid bij voorraad

4.32. De rechtbank begrijpt dat het verweer van de NOS tegen de gevorderde uitvoerbaar bij voorraadverklaring ziet op de situatie dat het gevorderde voorschot zou worden toegewezen. Nu die situatie zich niet voordoet, gaat de rechtbank aan dit verweer voorbij.

Proceskosten

4.33. De NOS zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

- dagvaarding € 94,19

- griffierecht 876,00

- salaris advocaat 1.808,00 (4,0 punten × tarief € 452,00)

Totaal € 2.778,19

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. verklaart voor recht dat de volgende passages uit de publicaties van 12 en 14 mei 2015 op de website van de NOS onrechtmatig zijn jegens [eiser] :

12 mei 2015:

“Bronnen zeggen tegen de NOS dat een van de opgepakte mannen een voormalige compagnon is van de tot levenslang veroordeelde drugsbaron [eiser] .

De Koerd werd in 2002 in Nederland veroordeeld voor moord, gijzeling, drugshandel en het leiden van een criminele organisatie.”,

14 mei 2015:

“Volgens bronnen bij de Turkse justitie en berichten in Turkse media maakte hij ooit deel uit van de groep van [eiser] .”

5.2. veroordeelt de NOS om binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis de publicatie van 12 mei 2015 offline te halen voor zover het de onder 5.1 weergegeven passage betreft, en de gehele publicatie van 14 mei 2015 offline te halen, een ander in die zin dat deze niet meer via internet openbaar worden gemaakt en niet meer digitaal opvraagbaar zijn,

5.3. veroordeelt de NOS om binnen drie dagen na betekening van dit vonnis op de homepage van de website www.nos.nl de hierna volgende rectificatietekst te plaatsen (in het op de website gebruikelijke lettertype, duidelijk leesbaar, zonder wijziging, toevoeging of commentaar) en dat deze rectificatie bij ieder bezoek aan de website in een pop-up venster zal worden getoond gedurende een termijn van twee weken:

RECTIFICATIE

inzake [eiser]

NOS publicaties inzake [eiser] onrechtmatig geoordeeld

In de publicatie getiteld “Aanhoudingen in Turkije voor afrekening Turkse

A’dammer” d.d. 12 mei 2015 en de publicatie “Drugsbaron ontkent banden met

verdachten in liquidatiezaak” d.d. 14 mei 2015 heeft de NOS een relatie gelegd tussen één van de aangehouden verdachten en de Koerd [eiser] die in Nederland in 2002 tot een levenslange gevangenisstraf is veroordeeld. De publicaties hadden betrekking op een liquidatie van een hoofdverdachte in het Amsterdamse Passageproces in december 2014. De bewering dat [eiser] in het verleden met één van de verdachten heeft samengewerkt vindt onvoldoende steun in de feiten. De publicaties van de NOS zijn daarom onrechtmatig jegens [eiser] .

De rechtbank Midden-Nederland heeft dit bepaald bij vonnis van 20 april 2016 en de NOS bevolen deze rectificatie te publiceren.

De NOS

5.4. veroordeelt de NOS tot vergoeding aan [eiser] van eventuele door hem als gevolg van deze onrechtmatige publicaties geleden of te lijden materiële en immateriële schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet,

5.5. veroordeelt de NOS om aan [eiser] een dwangsom te betalen van € 1.000,-- voor iedere dag dat zij niet aan de in 5.2 of 5.3 uitgesproken veroordelingen voldoet, tot een maximum van € 10.000,-- is bereikt,

5.6. veroordeelt de NOS in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 2.778,19,

5.7. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.8. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.A. Steenbergen, mr. L.M.G. de Weerd en mr. S.C. Hagedoorn, bijgestaan door mr. W.A. Visser als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 20 april 2016.