Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2016:2115

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
13-04-2016
Datum publicatie
18-05-2016
Zaaknummer
4834547 \ UE VERZ 16-92
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

Ontbinding op e-grond wegens onvoldoende medewerking door werknemer aan re-integratie. Opzegverbod wegens ziekte is niet van toepassing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/1382
AR-Updates.nl 2016-0518
XpertHR.nl 2016-415764
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 4834547 UE VERZ 16-92 MS/1270

Beschikking van 13 april 2016

inzake

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Miele Nederland B.V.,

gevestigd te Utrecht,

verder ook te noemen Miele,

verzoekende partij,

gemachtigde: mr. L.E.J. Kiebert,

tegen:

[verweerster] ,

wonende te [woonplaats] ,

verder ook te noemen [verweerster] ,

verwerende partij,

procederend in persoon.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift

  • -

    het verweerschrift

  • -

    de pleitnota van Miele

  • -

    de mondelinge behandeling van 23 maart 2016, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt die in het dossier zijn gevoegd.

1.2.

Hierna is uitspraak bepaald.

2 De feiten

2.1.

[verweerster] , geboren op [1963] , is op 1 februari 2004 voor 20 uur per week in dienst getreden van Miele in de functie van medewerkster Crediteuren en Controlling. Het dienstverband geldt inmiddels voor onbepaalde tijd en het laatstgenoten brutoloon bedraagt € 1.098,-- per maand.

2.2.

[verweerster] is op 15 juli 2013 wegens ziekte uitgevallen.

2.3.

Miele heeft op 17 juli 2014 een deskundigenoordeel bij het UWV aangevraagd. Het deskundigenoordeel van het UWV van 14 augustus 2014 luidt dat de door Miele uitgevoerde re-integratie inspanningen tot begin juli 2014 voldoende zijn.

2.4.

[verweerster] heeft na bijna twee jaar ziekte bij het UWV een WIA-uitkering aangevraagd. Het UWV heeft deze aanvraag niet in behandeling genomen, omdat het zich op het standpunt stelt dat [verweerster] vanaf medio december 2014 weer arbeidsmogelijkheden had, maar deze niet adequaat zijn benut en de re-integratie inspanningen van Miele vanaf dat tijdstip onvoldoende zijn geweest. Het UWV heeft Miele om deze reden bij besluit van 8 juli 2015 een loonsanctie opgelegd en bepaald dat Miele het loon van [verweerster] tot 11 juli 2016 dient door te betalen. [verweerster] heeft tegen dit besluit bezwaar aangetekend.

2.5.

[verweerster] heeft op 6 augustus 2015 een gesprek gehad met de bedrijfsarts. De bedrijfsarts heeft op basis van dit gesprek het volgende advies uitgebracht:

“Betrokkene is instaat om 3 maal 3 uur per week sterk aangepaste werkzaamheden. Iom de werkgever kan dit vanaf 10-08-2015 worden uitgevoerd.

Rekening houdend met de eerder geduide beperkingen uit het actueel oordeel.

Afgebakende taken, beperkte werkdruk, computerwerkzaamheden max 15 min, prikkelarme werkomgeving, zowel auditief als visueel. Geen zware fysieke belasting etc etc.”

2.6.

[verweerster] heeft op 10 augustus 2015 ruim 2 uur aangepaste werkzaamheden verricht. Op 12 augustus 2015 heeft zij deze werkzaamheden één uur volgehouden, waarna zij het werk heeft gestaakt. Zij heeft zich op het standpunt gesteld dat zij niet in staat is de aangepaste werkzaamheden uit te voeren.

2.7.

Miele heeft [verweerster] vervolgens bij brief van 14 augustus 2015 meegedeeld dat zij niet voldoet aan de re-integratie inspanningen die van haar worden verwacht en dat daarom een loonsanctie wordt opgelegd, met dien verstande dat per 14 augustus 2015 geen loon meer zal worden doorbetaald.

2.8.

[verweerster] heeft op 28 augustus 2015 bij het UWV een deskundigenoordeel aangevraagd. Het deskundigenoordeel van het UWV van 30 september 2015 bepaalt dat de door Miele aangeboden arbeid passend is.

2.9.

Miele heeft [verweerster] naar aanleiding van dit besluit bij brief van 6 oktober 2015 meegedeeld dat zij zich genoodzaakt ziet de opgelegde loonsanctie te handhaven.

2.10.

Bij besluit van 13 november 2015 heeft het UWV het bezwaar van [verweerster] tegen het besluit van 8 juli 2015 ongegrond verklaard.

2.11.

Naar aanleiding van dit besluit heeft Miele [verweerster] bij brief van 25 november 2015 onder meer het volgende geschreven:

“Vandaag hebben wij gesproken over hervatting van de aangeboden sterk aangepaste werkzaamheden. U heeft opnieuw aangegeven de werkzaamheden heel graag te willen verrichten, maar dat u daar echt niet toe in staat bent. U bent zich ervan bewust dat u hierdoor niet voldoet aan de re-integratie inspanningen die van u verwacht worden en dat wij ons genoodzaakt zien de loonsanctie te handhaven.”

2.12.

Miele heeft het UWV op 25 november 2015 verzocht de opgelegde loondoorbetalingsverplichting op te heffen en de WIA-aanvraag van [verweerster] in behandeling te nemen. Zij heeft daarbij een overzicht gegeven van de door haar ondernomen re-integratie activiteiten en heeft zich op het standpunt gesteld dat het niet of onvoldoende werken, ondanks de opgelegde sanctiemaatregelen, volledig aan [verweerster] is te wijten.

2.13.

De arbeidsdeskundige van het UWV heeft Miele naar aanleiding van dit verzoek bij brief van 9 december 2015 onder meer het volgende meegedeeld:

“Wij kunnen dit verzoek niet honoreren om reden dat:

- Er niet wordt voldaan aan de voorwaarden voor een bevredigend re-integratieresultaat. Zie hiervoor mijn rapportage “Arbeidskundig Onderzoek” d.d. 8 juli 2015.

- Er nog niet volledig gebruik gemaakt is van de sanctiemogelijkheden om de werknemer alsnog te bewegen om mee te werken aan re-integratie. Naast de opgelegde loonstop, is er de mogelijkheid voor het indienen van een verzoek tot beëindiging van het dienstverband in verband met het niet voldoende meewerken aan re-integratie.

Wanneer aan deze voorwaarden is voldaan, kunt u een nieuw bekortingverzoek indienen.”

2.14.

Miele heeft vervolgens bij het UWV een ontslagaanvraag ingediend wegens het niet meewerken aan re-integratie door [verweerster] en heeft [verweerster] hiervan bij e-mailbericht van 29 december 2015 in kennis gesteld.

2.15.

Het UWV heeft Miele bij brief van 31 december 2015 meegedeeld dat het sinds 1 juli 2015 niet meer bevoegd is dergelijke aanvragen te behandelen en dat Miele zich hiervoor tot de kantonrechter dient te wenden.

2.16.

Miele heeft [verweerster] opgeroepen voor het spreekuur van de bedrijfsarts op 11 februari 2016. De bedrijfsarts heeft naar aanleiding van dit bezoek bij brief van 11 februari 2016 het volgende aan Miele teruggekoppeld:

“Betrokkene ervaart meer energetische beperkingen, maar verder dezelfde beperkingen als ons voorgaande contact.

Betrokkene wordt in staat geacht om 3 maal 3 uur per week sterk aangepaste werkzaamheden. (…)”

2.17.

Bij brief van 16 februari 2016 heeft Miele [verweerster] onder meer het volgende meegedeeld:

“Op 11 februari jl. heb je de bedrijfsarts bezocht en zij heeft opnieuw bevestigd dat je in staat wordt geacht de sterk aangepaste werkzaamheden voor 3 maal 3 uur per week te verrichten. In het gesprek dat jij aansluitend met [A] , Adviseur P&O hebt gevoerd, heb je aangegeven dat je het werk niet komt verrichten.

Wij hebben je meegedeeld dat Miele de loonstop zal handhaven en zich tot de kantonrechter zal wenden met het verzoek de arbeidsovereenkomst te ontbinden. (…)”

2.18.

Miele heeft op 17 februari 2016 bij de kantonrechter van deze rechtbank een verzoekschrift ingediend tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst.

2.19.

[verweerster] heeft Miele bij brief van 12 maart 2016 onder meer het volgende meegedeeld:

“Hierbij wil ik jullie laten weten dat ik me toch weer beschikbaar houdt voor het aangepaste werk van 3x3 uur per week.

Naar aanleiding van de gehele juridische procedure ben ik mij nu van doordrongen van het feit dat enkel mijn gevoel niet voldoende is en dat ik moet meewerken aan re-integratie.

Ik hoop dat het nu wel lukt, mede ook omdat het al lange tijd geleden is dat ik het geprobeerd heb. (…)”

3 Het verzoek en het verweer

3.1.

Miele verzoekt ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van artikel 7:669 lid 3 onder e BW. Zij voert daartoe aan dat [verweerster] op grond van artikel 7:660a BW verplicht is inspanningen te verrichten ten behoeve van haar re-integratie. Dit betekent onder meer dat zij passende arbeid in de zin van artikel 7:658a lid 4 BW dient te verrichten. Miele heeft [verweerster] passende arbeid aangeboden, maar [verweerster] heeft zonder deugdelijke grond herhaaldelijk geweigerd deze arbeid te verrichten. Er is een loonsanctie opgelegd, die evenmin het beoogde effect heeft gehad. Miele stelt dat er gelet hierop sprake is van verwijtbaar handelen aan de kant van [verweerster] , waardoor in redelijkheid niet van Miele kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Nu sprake is van verwijtbaar handelen, ligt herplaatsing niet in de rede. Miele stelt zich op het standpunt dat [verweerster] geen aanspraak kan maken op een transitievergoeding en dat op grond van artikel 7:671b lid 8 sub b BW een kortere ontbindingstermijn dient te worden gehanteerd, omdat van de kant van [verweerster] sprake is van ernstig verwijtbaar handelen.

3.2.

[verweerster] heeft gemotiveerd verweer gevoerd op de inhoud waarvan hierna - voor zover van belang - zal worden ingegaan. [verweerster] concludeert primair tot afwijzing van het verzoek en subsidiair tot toekenning van een transitievergoeding, waarbij de ontbinding niet eerder ingaat dan na het verstrijken van de voor Miele geldende opzegtermijn.

4 De beoordeling

4.1.

De kantonrechter kan de arbeidsovereenkomst op verzoek van de werkgever op grond van artikel 7:671b lid 1 BW ontbinden, indien daar een redelijke grond voor is als bedoeld in artikel 7:669 lid 3 BW. Gelet op artikel 7:671b lid 2 BW kan de kantonrechter dit verzoek slechts inwilligen indien er geen opzegverbod geldt.

4.2.

Nu [verweerster] ongeschikt is tot het verrichten van haar arbeid wegens ziekte en de door het UWV aan Miele opgelegde verlengde termijn van loondoorbetaling nog niet is verstreken, is er in beginsel sprake van een opzegverbod als bedoeld in artikel 7:670 lid 1 onderdeel a juncto lid 11 BW. Dit opzegverbod is gelet op artikel 7:670a lid 1 BW niet van toepassing als [verweerster] zonder deugdelijke grond haar re-integratieverplichtingen weigert na te komen en Miele haar schriftelijk heeft gemaand tot nakoming daarvan of om die reden de betaling van het loon heeft gestaakt.

4.3.

Naar het oordeel van de kantonrechter leveren de door Miele naar voren gebrachte feiten en omstandigheden een redelijke grond voor ontbinding op, zoals bedoeld in artikel 7:669 lid 3, onderdeel e BW. Daartoe wordt overwogen dat [verweerster] op grond van artikel 7:660a BW gehouden is mee te werken aan haar re-integratie. De bedrijfsarts heeft in haar advies van 6 augustus 2015 geconcludeerd dat [verweerster] in staat is om 3 x 3 uur per week sterk aangepaste werkzaamheden te verrichten. Miele heeft [verweerster] vervolgens arbeid aangeboden waarvan het UWV op 30 september 2015 heeft bevestigd dat deze voor [verweerster] passend is. [verweerster] heeft de door Miele aangeboden passende arbeid op 10 augustus 2015 gedurende ruim 2 uur verricht en op 12 augustus 2015 slechts gedurende 1 uur, waarna zij haar werkzaamheden heeft gestaakt en sindsdien - ondanks de ingestelde loonstop - niet meer heeft hervat.

4.4.

[verweerster] heeft zich naar aanleiding van het verzoek van Miele tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst bij brief van 12 maart 2016 weliswaar beschikbaar gesteld voor het aangepaste werk voor 3 x 3 uur per week, maar de kantonrechter acht dit geen reëel aanbod. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat [verweerster] zich tegenover Miele steeds op het standpunt heeft gesteld dat zij niet in staat is de door Miele aangeboden aangepaste werkzaamheden te verrichten en dit standpunt ook naar aanleiding van haar bezoek aan de bedrijfsarts op 11 februari 2016 nog heeft ingenomen. Zij schrijft in haar verweerschrift dat zij steeds heeft aangegeven dat zij dolgraag weer zou willen gaan werken, maar dat dit helaas niet meer voor haar is weggelegd. Zodra zij iets meer doet, wordt haar gevoeligheid voor prikkels alleen maar groter, waardoor zij alleen maar steeds minder kan doen. Zij schrijft verder dat zij, zoals het er nu naar uit ziet, de gevraagde werkzaamheden niet kan uitvoeren zonder dat haar klachten verergeren en zij mogelijk weer in het ziekenhuis terechtkomt met hartklachten. [verweerster] heeft ter zitting toegelicht dat zij zich thans beschikbaar houdt voor passende arbeid om haar goede wil te tonen en omdat een advocaat haar dit heeft geadviseerd. De kantonrechter overweegt dat [verweerster] ter zitting voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij van goede wil is en dat zij de aangepaste werkzaamheden graag zou verrichten als zij zich hiertoe in staat zou voelen. Uit de stellingen van [verweerster] valt echter ook af te leiden dat [verweerster] zich feitelijk niet in staat acht deze werkzaamheden te verrichten. Gelet hierop en gezien het feit dat [verweerster] zich eerst na het indienen van het ontbindingsverzoek beschikbaar heeft gesteld voor het aangepaste werk, acht de kantonrechter het niet aannemelijk dat [verweerster] in de nabije toekomst daadwerkelijk haar re-integratieverplichtingen zal nakomen en structureel 3 x 3 uur per week passende arbeid zal gaan verrichten. Het opzegverbod tijdens ziekte is daarom in dit geval niet van toepassing.

4.5.

Naar het oordeel van de kantonrechter kan [verweerster] van het niet nakomen van haar re-integratieverplichtingen een verwijt worden gemaakt. Gelet op de rapportages van de bedrijfsarts van 6 augustus 2015 en 11 februari 2016 en het deskundigenoordeel van het UWV van 30 september 2015 moet zij immers in staat worden geacht om 3 x 3 uur per week de door Miele aangeboden sterk aangepaste werkzaamheden te verrichten. Haar weigering om deze werkzaamheden te verrichten is daarom een ‘redelijke grond’ voor het beëindigen van de arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 7:669 lid 3 aanhef en onder e BW. Daarbij geldt dat, gezien het feit dat sprake is van verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer, herplaatsing in een andere passende functie als bedoeld in artikel 7:669 lid 1 BW niet aan de orde is. Dat betekent dat de kantonrechter de arbeidsovereenkomst zal ontbinden.

4.6.

Nu het verzoek tot ontbinding wordt ingewilligd dient het einde van de arbeidsovereenkomst te worden bepaald. De kantonrechter volgt Miele niet in haar standpunt dat van de kant van [verweerster] sprake is van ernstig verwijtbaar handelen en dat daarom op grond van artikel 7:671b lid 8 sub b BW een kortere ontbindingstermijn dient te worden gehanteerd. Zoals hierboven reeds is overwogen heeft [verweerster] naar het oordeel van de kantonrechter voldoende aannemelijk gemaakt dat zij van goede wil is en de aangepaste werkzaamheden graag zou verrichten als zij zich hiertoe in staat zou voelen. De kantonrechter zal dan ook op grond van het bepaalde in artikel 7:671b lid 8 BW het einde van de arbeidsovereenkomst bepalen op het tijdstip waarop de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging zou zijn geëindigd (tegen het einde van de maand, waarbij voor de werkgever een opzegtermijn geldt van drie maanden, zie artikel 7:672 lid 1 en lid 2 aanhef en onder c BW), waarbij de duur van de periode die aanvangt op de datum van ontvangst van het verzoek om ontbinding (18 februari 2016) en eindigt op de datum van dagtekening van de ontbindingsbeslissing (13 april 2016), in mindering wordt gebracht, met dien verstande dat een termijn van ten minste een maand resteert. Gelet op de minimaal vereiste termijn van een maand zal de arbeidsovereenkomst met ingang van 1 juni 2016 worden ontbonden.

4.7.

Nu van de kant van [verweerster] geen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten, is Miele op grond van artikel 7:673 BW een transitievergoeding verschuldigd.

4.8.

De proceskosten zullen gezien de aard van het geschil worden gecompenseerd.

5 De beslissing

De kantonrechter:

5.1.

ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 juni 2016;

5.2.

bepaalt dat Miele aan [verweerster] op grond van artikel 7:673 BW een transitievergoeding verschuldigd is;

5.3.

compenseert de proceskosten in die zin, dat partijen de eigen kosten dragen.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.P. Killian, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 13 april 2016.