Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2016:1970

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
17-02-2016
Datum publicatie
11-04-2016
Zaaknummer
C/16/396109 / HA RK 15-170 MAR
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Deelgeschil. Aanvullend voorschot afgewezen omdat causaal verband niet kan worden vastgesteld (enkel) op basis van medische informatie uit de behandelend sector.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2016-0103 met annotatie van J.G. Keizer
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rekestnummer: C/16/396109 / HA RK 15-170 MAR

Beschikking van 17 februari 2016

in de zaak van

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker,

advocaat mr. B.M.E. Drykoningen,

tegen

1. naamloze vennootschap

ALLIANZ BENELUX N.V., handelend onder de naam Allianz Nederland Schadeverzekering,

statutair gevestigd te Brussel, België,

kantoorhoudende te Rotterdam,

2. naamloze vennootschap

ACHMEA SCHADEVERZEKERINGEN N.V., handelend onder de naam Interpolis,

gevestigd te Apeldoorn,

verweersters,

advocaat mr. N.C. Haase.

Partijen worden hierna als volgt aangeduid. Verzoeker wordt [verzoeker] genoemd en verweersters worden gezamenlijk aangeduid als Allianz. Voor zover nodig zullen verweersters ieder afzonderlijk Allianz Nederland en Interpolis genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift ex artikel 1019w Rv, ter griffie ingekomen op 10 juli 2015;

  • -

    het verweerschrift ex artikel 1019w Rv, ter griffie ingekomen op 30 december 2015;

  • -

    de brief van 30 december 2015 met aanvullende producties van [verzoeker] ;

  • -

    het faxbericht van 4 januari 2016 met één aanvullende productie van [verzoeker] ;

  • -

    de mondelinge behandeling op 5 januari 2016, waarvan aantekening is gehouden.

1.2.

Na een aanhouding van drie weken voor onderling overleg tussen partijen is vervolgens uitspraak bepaald.

2 De feiten

2.1.

[verzoeker] is op 10 mei 2012 en 13 november 2012 als automobilist betrokken geraakt bij een verkeersongeval, waarbij [verzoeker] in beide gevallen van achteren is aangereden.

2.2.

Allianz Nederland heeft aansprakelijkheid erkend voor het ongeval van 10 mei 2012. Interpolis heeft aansprakelijkheid erkend voor het ongeval van 13 november 2012. Allianz Nederland treedt op als regelend assuradeur.

2.3.

[verzoeker] is als docent werkzaam op een school voor VMBO. [verzoeker] werkte ten tijde van het ongeval vier dagen per week en studeerde één dag per week.

2.4.

Allianz heeft € 13.500,00 aan voorschotten betaald, waarvan € 1.500,00 smartengeldvergoeding. Daarnaast heeft Allianz € 2.739,27 vergoed voor autoschade, eigen bijdrage, reiskosten en therapiekosten, terwijl zij € 8.047,50 aan buitengerechtelijke kosten inclusief medische verschotten heeft vergoed.

2.5.

Bij brief van 29 april 2015 heeft ITEB B.V. namens Allianz onder meer het volgende aan [verzoeker] meegedeeld:

“Bijgaand zend ik u het op 20 april jl. gedateerde advies van onze medisch adviseur. (…)

Nog steeds beschikt onze medisch adviseur niet over de informatie van het OCA, zodat het advies is gegeven op grond van de thans beschikbare informatie.

In het advies lees ik dat uw cliënt reeds voor het ongeval al klachten had van zijn rug en nek vanwege veel druk vanuit de studie en werk. Ook gaf hij aan in het ADL niet echt beperkingen te hebben.

Daarnaast lees ik ook dat zijn klachten aanzienlijk verminderen dan wel helemaal verdwenen zijn. Uw cliënt geeft zelf aan dat de studie als de oorzaak van het functioneringsprobleem gezien kan worden.

Ook zonder informatie van het OCA is duidelijk dat het ongeval een tijdelijke verergering van klachten heeft meegebracht. Echter, het steeds terugkeren, dan wel toename van klachten na een drukke werkdag/studie ligt met name in de hoge druk van de studie. Er zijn geen beperkingen in het dagelijks functioneren.

Tot op heden heeft mijn opdrachtgever € 13.500,00 aan voorschotten betaald, waarvan € 1.500,00 aan smartengeld. Gezien het medisch advies, is mijn opdrachtgever van mening dat uw cliënt hiermee schadeloos gesteld is.”

2.6.

Bij brief van 3 juni 2015 heeft de raadsman van [verzoeker] onder meer het volgende voorstel aan Allianz gedaan:

“(…)

Ik ben van oordeel dat uw opdrachtgevers in het kader van een redelijke schaderegeling gehouden zijn om zowel mee te werken aan een medische expertise en – gelet op het lange uitblijven van het medisch advies – hangende de uitkomst van de expertise een aanvullend voorschot te betalen. In mijn e-mail d.d. 4 januari 2015 heb ik toegelicht dat het tekort op de schadestaat per juni 2015 E 8.391 zou bedragen. Gelet op uw brief d.d. 29 april 2015 begrijp ik dat u uw opdrachtgevers niet zult kunnen bewegen tot betaling van dat bedrag, maar de (niet aan cliënt of zijn belangenbehartiger aan te rekenen) omstandigheden van het geval maken dat een aanvullend voorschot van helft van het verzochte bedrag, afgerond naar E 4.000 niet onredelijk zou zijn.

Mochten uw opdrachtgevers dit weigeren, dan zal ik genoodzaakt zijn om juridische procedures in gang te moeten zetten. Het zou me verbazen indien de kosten daarvan het verzochte voorschot niet ruim zouden overstijgen. Vandaar: een aanvullend voorschot en overleg over een gezamenlijk aan te vragen neurologische expertise.

(…)”

3 Het deelgeschil

3.1.

[verzoeker] verzoekt de rechtbank, bij beschikking voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat Allianz aan [verzoeker] een aanvullend voorschot van € 8.391,00 dan wel een door de rechtbank vast te stellen bedrag, moet betalen, alsmede de kosten van rechtsbijstand voor het opstellen van dit verzoekschrift en de mondelinge behandeling.

3.2.

Aan dit verzoek legt [verzoeker] het volgende ten grondslag. Aan de ongevallen heeft [verzoeker] blijvende klachten overgehouden. De pijn in de rug is de meest persisterende en beperkende klacht. Ten tijde van het tweede ongeval waren de klachten van het eerste ongeval in hevigheid afgenomen tot ongeveer 75%. Als gevolg van het tweede ongeval zijn de klachten weer in hevigheid toegenomen. [verzoeker] heeft met behulp van ergonomische aanpassingen en door minder te werken waardoor hij meer tijd heeft om te bewegen, een evenwicht gevonden waarbij hij het maximale uit zijn werk en studie kan halen zonder dat de pijnklachten hem uitputten en beperken. Het is voor [verzoeker] , na het afronden van zijn opleiding in augustus 2015, niet (meer) mogelijk om vijf dagen per week te werken. Zijn grens ligt bij vier dagen per week werken. [verzoeker] lijdt hierdoor schade.

Het laatste voorschot is in november 2014 betaald. Allianz vergoedde tot dan toe de schade conform de schadestaat van [verzoeker] zonder vragen bij de schadeposten, de klachten of het causaal verband tussen de klachten en de schadeposten. Zeven maanden later ontkent Allianz plotseling het causaal verband tussen de twee ongevallen en de klachten van [verzoeker] . [verzoeker] is van mening dat Allianz eerder een medisch adviseur had moeten inschakelen en/of eerder een (medisch) standpunt over het causaal verband had moeten innemen. Het verzoek van [verzoeker] is gericht op hoe Allianz zich bij het regelen van de schade dient te gedragen. Het gat dat nu zit tussen betaling van het laatste voorschot (november 2014) en het innemen van een standpunt over de causaliteit (april 2015), moet volgens [verzoeker] voor rekening van Allianz komen, in die zin dat het tot gevolg moet hebben dat Allianz een nader voorschot moet voldoen in afwachting van de uitkomst van de, bij voorkeur gezamenlijk overeen te komen, medische expertise. Betaling van het verzochte voorschot is op die manier dus dienstbaar aan de buitengerechtelijke schaderegeling, aldus [verzoeker] .

3.3.

Allianz voert gemotiveerd verweer.

3.4.

De rechtbank zal hierna indien en voor zover nodig nader ingaan op de standpunten van partijen.

4 De beoordeling

4.1.

Een deelgeschil volgens artikel 1019w Rv is een geschil waarbij een persoon een ander aansprakelijk houdt voor de schade die hij of zij lijdt door dood of letsel, omtrent of in verband met een deel van hetgeen tussen hen rechtens geldt en waarvan de beëindiging kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst over de vordering. De deelgeschilprocedure is dus bedoeld voor de situatie waarin partijen in het buitengerechtelijke onderhandelingstraject stuiten op geschilpunten die de algehele buitengerechtelijke afwikkeling belemmeren. Partijen vragen in een deelgeschilprocedure de rechter om op die geschilpunten te beslissen, zodat zij vervolgens verder kunnen met de buitengerechtelijke onderhandelingen met als doel het sluiten van een vaststellingsovereenkomst. Gelet daarop dient de rechtbank te beoordelen of de bijdrage van de verzochte beslissing aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst zodanig is dat dit opweegt tegen de kosten en het tijdsverloop van de procedure dan wel, indien dat niet het geval is, of het verzoek moet worden afgewezen.

4.2.

Allianz is van mening dat het door [verzoeker] voorgelegde verzoek tot betaling van een aanvullend voorschot zich niet leent voor behandeling in een deelgeschilprocedure. Volgens Allianz is geen sprake van een situatie waarvoor de deelgeschilprocedure is bedoeld. Het enkel beslissen over een nader voorschot zonder dat er daarnaast op bepaalde punten wordt beslist over de uitgangspunten van de schadevaststelling, kan volgens Allianz onvoldoende bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst omdat een dergelijke beslissing geen einde maakt aan een tussen partijen bestaand geschilpunt.

4.3.

De rechtbank overweegt als volgt. Uit de Parlementaire Geschiedenis van de Wet deelgeschilprocedure voor letsel- en overlijdensschade (Kamerstukken II, 2007-2008, 31 518, nr. 3, p. 14 en 19 alsmede Kamerstukken II, 2008-2009, 31 518, nr. 8, p. 2) volgt dat het verzoek kan zien op vaststellingen over de materiële rechtsverhouding tussen partijen, terwijl het ook gericht kan zijn op het verkrijgen van een rechterlijk oordeel over de wijze waarop partijen zich bij het regelen van de schade dienen te gedragen. Onder deze laatste categorie, aspecten van het schaderegelingsproces, valt een beslissing over de toekenning van een (aanvullend) voorschot.
De rechtbank is van oordeel dat door het feit dat Allianz geen (nader) voorschot wil uitbetalen aan [verzoeker] , door zich op het standpunt te stellen dat het causaal verband tussen de door [verzoeker] gestelde klachten en beperkingen en de hem overkomen ongevallen niet aannemelijk is, de zaak is vastgelopen c.q. niet verder komt. In zoverre is de rechtbank van oordeel dat een dergelijk verschil van inzicht beschouwd moet worden als een impasse en dat in dit verband niet te zware eisen moeten worden gesteld aan de voorwaarde dat de verzochte beslissing een bijdrage kan leveren aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst.

4.4.

Daarmee komt de rechtbank toe aan een inhoudelijke beoordeling van het verzoek tot bevoorschotting van [verzoeker] . De rechtbank stelt daarbij voorop dat de aard van de deelgeschilprocedure met zich brengt dat de deelgeschilrechter zoveel mogelijk uitdrukkelijk en zonder voorbehoud oordeelt. Dit stelt dus andere eisen aan de beoordeling van een verzoek over een (aanvullend) voorschot dan indien een voorschot in kort geding of provisionele eis in een bodemprocedure zou worden gevorderd (waarin alsdan voorlopige oordelen worden geformuleerd). Dit betekent dat op basis van de thans in het geding gebrachte stukken vastgesteld moet kunnen worden dat [verzoeker] een aanspraak heeft op schadevergoeding die de reeds door Allianz betaalde voorschotten (significant) overstijgt. Voor (nadere) bewijslevering is in een deelgeschilprocedure immers in beginsel geen plaats, terwijl het in voorkomend geval ook niet zou gaan om een overzichtelijke, eenvoudige bewijskwestie op grond waarvan de rechtbank aanleiding zou zien op dat uitgangspunt een uitzondering te maken.

4.5.

Tussen partijen is niet in geschil dat Allianz als aansprakelijke partij (regelend assuradeur) gehouden is de schade die [verzoeker] als gevolg van de ongevallen leidt, dient te vergoeden. Tussen partijen is in geschil de omvang van de schade, waarbij Allianz zich op het standpunt stelt dat zij met de reeds door haar betaalde voorschotten finaal gekweten is. Daarnaast betwist Allianz kort gezegd het causaal verband tussen de klachten en de gestelde schade. Op die grond meent Allianz niet gehouden te zijn tot nadere bevoorschotting. De vraag die thans derhalve eerst beantwoord moet worden is of het causaal verband tussen klachten en beperkingen enerzijds en het ongeval anderzijds op dit moment kan worden vastgesteld.

De rechtbank is van oordeel dat op basis van de thans beschikbare medische informatie niet kan worden geconcludeerd dat sprake is van causaal verband tussen het ongeval en de gestelde klachten van [verzoeker] . De medische informatie in het dossier betreft immers (alleen) medische gegevens uit de behandelend sector. Verder ontbreekt een neurologische expertise. Tot op heden is (in ieder geval) de neuroloog vooralsnog de meest aangewezen specialist om de vraag naar het (medisch) oorzakelijk verband tussen klachten en de ongevallen als [verzoeker] is overkomen te beantwoorden. Onder deze omstandigheden kan de rechtbank bij de huidige stand van zaken niet vaststellen dat de klachten van [verzoeker] in causaal verband staan tot het ongeval. [verzoeker] heeft onvoldoende onderbouwd gesteld, de nu voorhanden zijnde gegevens zijn daarvoor in ieder geval niet toereikend, dat het vereiste causaal verband tussen haar klachten en het haar overkomen ongeval bestaat. Er is eerst nader onderzoek naar de medische causaliteit nodig voordat de (juridische) causaliteit kan worden beoordeeld. Er zal dus onderzoek verricht moeten worden, te beginnen met medisch onderzoek. Daarna kan een verzekeringsgeneeskundige aan de hand van de uitkomsten van het onderzoek een belastbaarheids- en beperkingenprofiel opstellen, waarna vervolgens een arbeidsdeskundige geraadpleegd kan worden over - kort gezegd - de verdiencapaciteit van [verzoeker] . Op dit moment is derhalve nog geenszins het stadium bereikt dat duidelijkheid bestaat over de klachten en beperkingen die kunnen worden toegeschreven aan de [verzoeker] overkomen ongevallen, terwijl, zoals de rechtbank ook onder 4.4. heeft overwogen, binnen de deelgeschilprocedure geen ruimte bestaat voor (uitgebreide) bewijslevering. Nu het causaal verband niet kan worden vastgesteld bestaat ook te weinig duidelijkheid over de omvang van de aan de ongevallen toe te rekenen schade, nog daargelaten dat Allianz de door [verzoeker] gestelde schadeomvang betwist. Het voorgaande betekent dat de rechtbank in dit deelgeschil thans niet kan vaststellen dat [verzoeker] een vorderingsrecht heeft dat het totaal van de reeds verstrekte voorschotten overstijgt. Het verzoek wordt afgewezen.

4.6.

De rechtbank dient op grond van artikel 1019aa lid 1 Rv de kosten van de procedure te begroten en daarbij de redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW in aanmerking te nemen, ook indien een verzoek niet wordt toegewezen. Bij de begroting van de kosten dient de rechtbank de dubbele redelijkheidstoets te hanteren; zowel het inroepen van de rechtsbijstand als de daarvoor gemaakte kosten moeten redelijk zijn. Dit betekent dat indien een deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld, de kosten daarvan niet voor vergoeding in aanmerking komen.

[verzoeker] maakt aanspraak op een bedrag van € 4.950,00 (22 uur tegen een uurtarief van € 225,00 exclusief btw en kantoorkosten).

Anders dan Allianz is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van een volstrekt onnodig of onterecht ingediend verzoek. Voor het oordeel dat de gemaakte kosten niet voor begroting in aanmerking komen moet sprake zijn van misbruik van het processuele middel van een verzoekschrift ex artikel 1019w Rv. Een dergelijk misbruik acht de rechtbank niet aanwezig.

Allianz voert aan dat er te veel uren aan dit deelgeschil zijn besteed en dat de opslag voor kantoorkosten onredelijk is. Allianz heeft voor het overige geen (afzonderlijk) verweer gevoerd tegen het uurtarief.

De onderhavige zaak betreft naar het oordeel van de rechtbank een voor wat betreft de omvang en complexiteit ervan beperkt en overzichtelijk deelgeschil. Het aan het deelgeschil bestede en opgegeven aantal uren is daarmee naar het oordeel van de rechtbank niet in overeenstemming. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen, zoals (de raadsman van) [verzoeker] ook zelf al in het verzoekschrift heeft opgemerkt, dat uit de jurisprudentie kenbaar is dat indien verzocht wordt om een aanvullend voorschot de rechter wenst te beschikken over medische informatie die niet alleen afkomstig is uit de behandelend sector. De met de opstelling van het verzoekschrift en de verdere behandeling van de zaak gemoeide, redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW zullen door de rechtbank dan ook worden begroot op 15 uren x € 225,00 exclusief btw en kantoorkosten, derhalve op € 3.375,00 exclusief btw en kantoorkosten, te vermeerderen met het door [verzoeker] betaalde griffierecht van € 876,00. Allianz zal tot betaling daarvan aan [verzoeker] worden veroordeeld.

4.7.

Omdat tegen de beschikking op een verzoek inzake een deelgeschil op grond van artikel 1019bb Rv geen hogere voorziening open staat, zal de rechtbank de gevorderde uitvoerbaar bij voorraadverklaring afwijzen.

5 De beslissing

De rechtbank:

5.1.

wijst het verzochte af;

5.2.

begroot de kosten van dit deelgeschil op € 3.375,00 exclusief btw en kantoorkosten, te vermeerderen met het griffierecht van € 876,00, en veroordeelt Allianz tot betaling daarvan aan [verzoeker] .

Deze beschikking is gegeven door mr. J.P. Killian en in het openbaar uitgesproken op 17 februari 2016.1

1 type: MAR coll: JK