Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2016:1857

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
06-04-2016
Datum publicatie
18-04-2016
Zaaknummer
3367620 \ UC EXPL 14-13677
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2018:10561
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Weigering overlijdensuitkering door verzekeraar omdat naar het oordeel van de Toetsingscommissie Gezondheidsgegevens het overlijden van de verzekerde bij het aangaan van de verzekering redelijkerwijs te verwachten was. Het oordeel van de Toetsingscommissie is aan te merken als een bindend advies en daarmee als een vaststellingsovereenkomst. Nu er voor eiseres, die als weduwe van de verzekerde aanspraak maakt op uitbetaling van de overlijdensuitkering, nog een mogelijkheid openstaat om tegen het oordeel van de Toetsingscommissie bezwaar aan te tekenen, kan reeds hierom niet worden gesteld dat de gebondenheid aan het huidige oordeel van de Toetsingscommissiet naar maatschaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is en dat het oordeel voor vernietiging in aanmerking dient te komen. De inhoudelijke en procedurele bezwaren van eiseres kunnen - indien gegrond - mogelijk nog tot herstel van de procedure en aanpassing van het oordeel van de Toetsingscommissiel leiden.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 925
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2016/80
NJF 2016/268
RAV 2016/79
JA 2016/115 met annotatie van mr. M.S.E. van Beurden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 3367620 UC EXPL 14-13677 MS/1270

Vonnis van 6 april 2016

inzake

[eiseres] , echtgenote van [A],

wonende te [woonplaats] ,

verder ook te noemen [eiseres] ,

eisende partij,

gemachtigde: mr. drs. P.A. Visser,

tegen:

de naamloze vennootschap

ASR Levensverzekering N.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te Utrecht,

verder ook te noemen ASR,

gedaagde partij,

gemachtigde: mr. M.W. Minnaard.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

Het verdere verloop van de procedure na het vonnis in incident van 27 augustus 2014 blijkt uit:

- het proces-verbaal van de comparitie na antwoord van 8 mei 2015

- de conclusie van repliek tevens nadere aanvulling van gronden eis

- de conclusie van dupliek

- de akte uitlaten producties van [eiseres]

- de akte uitlaten producties van ASR.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiseres] is gehuwd geweest met [A] (hierna: [A] ).

2.2.

[A] is per 23 mei 2011 in dienst getreden van JVR Consult International (hierna: JVR), die haar pensioenregeling bij De Amersfoortse (thans ASR) heeft ondergebracht. JVR heeft [A] op 6 september 2011 aangemeld als nieuwe deelnemer. ASR heeft vervolgens op 9 september 2011 een polis afgegeven. In deze polis wordt vermeld dat ASR met JVR een overeenkomst van levensverzekering heeft afgesloten voor [A] als verzekerde en dat de ingangsdatum van deze verzekering 1 mei 2011 is. De polis vermeldt onder de kop “Bijzondere bepalingen” dat op de verzekering - onder meer - clausule P_6 (ook wel genoemd: de Carenz-clausule) van toepassing is.

2.3.

In artikel 1 sub 2 van clausule P_6 wordt vermeld dat, in tegenstelling tot hetgeen in de polis en de vervolgbladen (indien afgegeven) is vermeld, geen uitkering plaatsvindt bij overlijden, indien verzekerde overlijdt binnen een jaar na het tot stand komen van zijn/haar overlijdensdekking.

In artikel 2 wordt - voor zover hier van belang - vermeld dat de bovengenoemde beperking bij overlijden in het eerste jaar na het tot stand komen van de overlijdensdekking geen toepassing vindt indien de (onafhankelijke) Toetsingscommissie Gezondheidsgegevens (hierna: de Toetsingscommissie) vaststelt dat het overlijden niet was te verwachten op het moment van het aangaan van de overlijdensdekking.

2.4.

[A] is op [2012] overleden. Aangezien de overlijdensdatum binnen een jaar ligt nadat de overlijdensdekking tot stand is gekomen, heeft ASR de Toetsingscommissie gevraagd een uitspraak te doen over de gezondheidstoestand van [A] bij aanvang van de dekking.

2.5.

De Toetsingscommissie heeft na onderzoek bij brief van 26 oktober 2012 het volgende aan ASR geschreven:

“Al in mei 2012 hebt u bij de Toetsingscommissie een verzoek ingediend om te onderzoeken of het overlijden van de heer [A] binnen een jaar na de totstandkoming van de verzekering op zijn leven, redelijkerwijs te verwachten was. De Toetsingscommissie heeft dit “redelijkerwijs te verwachten” nader gepreciseerd in die zin dat er sprake zou moeten zijn van een kans op overlijden van ten minste 70%. Kort samengevat was de situatie dat de ingangsdatum van de verzekering op zijn leven 1 mei 2011 was, en dat hij op 17 februari 2012 is overleden.

Met het gevraagde onderzoek is, zoals u weet, geruime tijd gemoeid geweest. De eerste vertraging ontstond al direct, doordat bleek dat de heer [A] feitelijk zijn huisarts zelden of nooit consulteerde, maar met klachten terstond naar een medisch specialist ging. Zodoende kon de huisarts van betrokkene geen voor de Toetsingscommissie bruikbare inlichtingen geven.

Die specialist bleek prof. dr. [B] te zijn, een internist/oncoloog, verbonden aan het LUMC. Deze antwoordde op ons verzoek om informatie dat het haar beter leek als de Toetsingscommissie zich zou wenden tot degene die de heer [A] eerder tijdens zijn ziekte had gezien, omdat betrokkene pas in een laat stadium naar het LUMC was verwezen.

De Toetsingscommissie heeft zich om die reden gewend tot dr. [C] , oncoloog en werkzaam bij het Reinier de Graaf Gasthuis in Delft.

Uit diens informatie blijkt allereerst de bevestiging dat de heer [A] is overleden aan de gevolgen van nierkanker met uitzaaiingen. Desondanks is betrokkene altijd zeer actief gebleven, ook in de periode april-mei 2011.

In april 2011 heeft hij een operatie aan een wervelmetastase ondergaan, waarvan hij goed herstelde. Niettemin was toen de prognose al zeer ongunstig.

Op basis van deze gegevens in samenhang met de door dokter [C] geleverde aanvullende expertise is de beslissing van de Toetsingscommissie dat ten tijde van de aanvangsdatum van het risico redelijkerwijs te verwachten was dat de heer [A] binnen een jaar nadien zou komen te overlijden (…)”

2.6.

ASR heeft [eiseres] naar aanleiding van dit standpunt van de Toetsingscommissie bij brief van 1 november 2012 meegedeeld dat zij geen overlijdensuitkering zal uitbetalen, omdat het overlijden van [A] bij het aangaan van de verzekering redelijkerwijs te verwachten was.

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert - na wijziging van eis - bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, het oordeel van de Toetsingscommissie te vernietigen en ASR te veroordelen tot betaling van een bedrag ad € 184.647,--, de buitengerechtelijke incassokosten ad € 2.621,47 en de kosten van deze procedure, eventuele nakosten daaronder begrepen.

3.2.

ASR voert verweer. Zij concludeert primair tot afwijzing van de vorderingen van [eiseres] en subsidiair tot toewijzing zonder het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, althans aan de uitvoerbaarverklaring bij voorraad de voorwaarde te verbinden dat [eiseres] zekerheid stelt. Zij verzoekt [eiseres] te veroordelen in de kosten van het geding en de nakosten, vermeerderd met wettelijke rente.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

[eiseres] stelt zich op het standpunt dat zij op grond van de overeenkomst van levensverzekering die ASR met JVR met betrekking tot [A] heeft gesloten, aanspraak heeft op uitbetaling van een overlijdensuitkering van € 184.647,--. Zij betoogt dat ASR ten onrechte uitbetaling van dit bedrag weigert met een beroep op de uitsluitingsclausule P_6 en dat de Toetsingscommissie ten onrechte heeft geoordeeld dat het overlijden van [A] binnen een jaar na het ingaan van de verzekering te verwachten was. Zij voert hiertoe aan dat bij [A] weliswaar een agressieve tumor was ontdekt, maar dat hij onverwacht is overleden aan een longontsteking, mogelijk door complicaties van een bacteriële infectie ten gevolge van longpuncties, in combinatie met acuut hartfalen. Dit overlijden kan daarom niet worden toegeschreven aan de ziekte waaraan hij leed. [eiseres] stelt dat bij de Toetsingscommissie de competentie ontbreekt om een goed oordeel te geven over de prognose van [A] , omdat er geen oncologen in de commissie zitten. [eiseres] heeft medische verklaringen van de oncoloog professor [D] d.d. 22 maart 2013, van de huisarts van [A] [E] d.d. 15 juli 2013 en van de internist-oncoloog prof. dr. [F] d.d. 2 juli 2013 in het geding gebracht. Uit de verklaringen van [D] en [F] volgt volgens [eiseres] dat zij het standpunt van de Toetsingscommissie dat het overlijden van [A] binnen een jaar na aanvang van de verzekering te verwachten was, niet delen. Uit de verklaring van [E] blijkt dat [A] is overleden door een acute longinfectie, die losstaat van de tumor. [eiseres] stelt voorts dat bij de beoordeling door de Toetsingscommissie het beginsel van hoor en wederhoor is geschonden.

4.2.

ASR stelt zich op het standpunt dat zij op grond van het zogenaamde Van Leeuwen Convenant gebonden is aan het oordeel van de Toetsingscommissie. Zij stelt dat het oordeel van de Toetsingscommissie is aan te merken als een bindend advies en daarmee een vaststellingsovereenkomst. ASR betwist het door [eiseres] gestelde gebrek aan competentie bij de Toetsingscommissie en dat het beginsel van hoor en wederhoor is geschonden. Zij heeft zich bij conclusie van antwoord op het standpunt gesteld dat de uitsluitingsclausule P_6 geen mogelijkheid biedt voor een second opinion of tegenbewijs en heeft ter comparitie verklaard dat er geen officiële bezwaarmogelijkheid bestaat. Bij conclusie van dupliek heeft ASR, onder overlegging van een e-mail d.d. 17 september 2015 van de secretaris van de Toetsingscommissie, echter gesteld dat het voor [eiseres] mogelijk is om alsnog tegen het oordeel van de Toetsingscommissie bezwaar aan te tekenen en dat eventuele gebreken in de beoordeling hierdoor kunnen worden gerepareerd.

4.3.

[eiseres] heeft in reactie hierop verklaard dat zij geen vertrouwen heeft in de Toetsingscommissie en dat zij daarom haar standpunt wenst voor te leggen aan de kantonrechter in plaats van bezwaar aan te tekenen tegen het oordeel van de Toetsingscommissie.

4.4.

Ter beoordeling staat of [eiseres] op grond van de overeenkomst van levensverzekering die ASR en JVR ten aanzien van [A] hebben afgesloten, jegens ASR aanspraak kan maken op uitbetaling van een overlijdensuitkering.

4.5.

ASR baseert haar weigering om een overlijdensuitkering uit te betalen op uitsluitingsclausule P_6. De kantonrechter overweegt dat deze uitsluitingsclausule in overeenstemming is met het eerdergenoemde Van Leeuwen Convenant, dat is gesloten door het Verbond van Verzekeraars, de Chronisch zieken- en Gehandicaptenraad en Stichting Welder. Dit convenant is per 1 januari 2010 in werking getreden. In dit convenant is - voor zover hier van belang - bepaald dat partijen overeenkomen dat verzekeraars bij verzekeringen die (mede) dekking bieden tegen het risico van overlijden een uitsluitingsclausule mogen hanteren, die inhoudt dat - als de gezondheidstoestand van de werknemer bij aanvang van de verzekering, het overlijden redelijkerwijs moest doen verwachten - de verzekeraar geen dekking biedt als de werknemer overlijdt binnen een jaar na aanvang van de verzekering. Partijen hebben voorts afgesproken dat de verzekeraar de Toetsingscommissie Gezondheidsgegevens inschakelt om te toetsen of er bij overlijden van de verzekerde sprake is van antiselectie of misbruik en dat de uitspraak van de Toetsingscommissie bindend is voor de verzekeraar.

4.6.

De kantonrechter deelt het standpunt van ASR dat het oordeel van de Toetsingscommissie is aan te merken als een bindend advies en daarmee een vaststellingsovereenkomst. Een dergelijke beslissing is op grond van artikel 7:904 BW vernietigbaar, indien gebondenheid hieraan in de gegeven omstandigheden, in verband met de inhoud of wijze van de totstandkoming, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Nu vaststaat dat voor [eiseres] nog een mogelijkheid openstaat om tegen het oordeel van de Toetsingscommissie bezwaar aan te tekenen, kan reeds hierom niet worden gesteld dat de gebondenheid aan het huidige oordeel van de Toetsingscommissie naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is en dat het oordeel voor vernietiging in aanmerking dient te komen. De inhoudelijke en procedurele bezwaren van [eiseres] tegen het advies van de Toetsingscommissie kunnen in deze bezwaarprocedure aan de orde komen en kunnen - indien gegrond - mogelijk nog tot herstel van de procedure en aanpassing van het oordeel leiden. [eiseres] heeft weliswaar verklaard dat zij geen vertrouwen heeft in de Toetsingscommissie, maar zij heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat het volgen van de bezwaarprocedure in de gegeven omstandigheden zinloos is en dat dit in redelijkheid niet van haar kan worden gevergd. De omstandigheid dat ASR zich bij conclusie van dupliek zelf op het standpunt heeft gesteld dat er geen reden is om aan te nemen dat, wanneer wel een bezwaarmogelijkheid zou zijn geboden of benut, de Toetsingscommissie tot een ander oordeel zou zijn gekomen, kan deze conclusie evenmin dragen. Gelet hierop zullen de vorderingen van [eiseres] worden afgewezen.

4.7.

De kantonrechter ziet in de omstandigheid dat ASR pas laat in de procedure het standpunt heeft ingenomen dat tegen het oordeel van de Toetsingscommissie nog bezwaar kan worden aangetekend, aanleiding om de proceskosten tussen partijen te compenseren, in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt.

5 De beslissing

De kantonrechter:

5.1.

wijst de vorderingen af;

5.2.

compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. Krepel, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 6 april 2016.