Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2016:1708

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
18-03-2016
Datum publicatie
04-04-2016
Zaaknummer
UTR 15/3530
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De activiteiten van B4B zijn naar hun aard en strekking niet aan te merken als begeleiding als bedoeld in artikel 6 van het Bza.

De rechtbank stelt daarbij voorop dat de indicatie voor de functie begeleiding is afgegeven ten behoeve van begeleiding van de verzekerde en niet van haar ouders. In het licht hiervan is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de door B4B verrichtte activiteiten geen begeleiding als bedoeld in artikel 6 van het Bza betreffen reeds omdat zij niet gericht zijn op het bevorderen van zelfredzaamheid van de verzekerde, maar op ondersteuning van en hulp aan haar ouders.

Los van het voorgaande zijn de activiteiten zoals die door B4B worden verricht, die in de kern zijn terug te voeren op het verlenen van hulp aan de ouders bij het voeren van de pgb-administratie, bovendien niet aan te merken als begeleiding in de zin van artikel 6 van het Bza. Zoals in de nota van toelichting is vermeld valt begeleiding in de vorm van hulp bij de administratie immers niet (langer) onder de functie begeleiding. Verder is niet gebleken dat de begeleiding door B4B bevordering van de zelfredzaamheid tot doel heeft, hetgeen blijkens de nota van toelichting uitsluitend de bedoeling is van de nieuwe functie begeleiding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 15/3530

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 maart 2016 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: H. Botzen),

en

Achmea Zorgkantoor N.V., verweerder

(gemachtigde: mr. M.R.A. Raghoebarsingh).

Procesverloop

Bij besluit van 22 november 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder de verantwoording over de periode 1 juli 2013 tot en met 31 december 2013 van het aan eiseres toegekende persoonsgebonden budget (pgb) afgekeurd voor zover het budget was besteed bij Bewust4Beter Gooi en Eemland VOF (verder: B4B). Het betreft een bedrag van € 599,40.

Bij besluit van 1 juni 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 februari 2016. Eiseres en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.

Eiseres is geboren op [1990] . Zij heeft een zware verstandelijke en lichamelijke beperking. Haar ouders zijn haar zorgverleners en haar bewindvoerder. Aan eiseres is over de periode van 1 januari 2013 tot en met 31 december 2013 een pgb toegekend van (netto)
€ 48.659,19 voor de functies begeleiding individueel (klasse 4), persoonlijke verzorging (klasse 7) en kort verblijf (klasse 1).

2. Verweerder heeft aan de afwijzing van de verantwoording ten grondslag gelegd dat de activiteiten van B4B niet zijn aan te merken als begeleiding in de zin van artikel 6 van het Besluit zorgaanspraken AWBZ (Bza).

3. Eiseres heeft allereerst aangevoerd dat wordt getwijfeld aan de juistheid en volledigheid van het verslag van de hoorzitting.

4. Voor zover eiseres hiermee heeft bedoeld te stellen dat het verslag van de hoorzitting onzorgvuldig is opgesteld, treft dit betoog geen doel. De rechtbank overweegt dat niet is vereist dat de schriftelijke verslaglegging van de hoorzitting aan eiseres moet worden voorgelegd en dat zij zeggenschap moet hebben over de formulering van de verslaglegging.

5. Tussen partijen is in geschil of de door B4B aan eiseres verleende zorg valt onder de functie begeleiding als bedoeld in artikel 6 van het Bza.

6. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiseres, tevens directeur van B4B, aan de hand van het logboek als volgt toegelicht welke activiteiten hij heeft uitgevoerd voor eiseres.

De kolom BU bevat de begeleiding in uren, die B4B bij eiseres heeft gefactureerd onder de noemer “Begeleiding volgens logboek”. Deze uren heeft eiseres bij verweerder verantwoord onder de functie begeleiding. Onder de uren die in de kolom BU staan vermeld vallen de ambulante begeleiding en begeleiding financiële regievoering. Dit houdt in dat B4B met de cliënt maandelijks poststukken uitwisselt, zodat beiden een volledig dossier hebben. Omdat de ouders van eiseres de taal niet machtig zijn, legt B4B alles uit. Voorts maakt B4B een financiële balans op met behulp van een model in Excel, waarin het pgb en de facturen kunnen worden ingevoerd en duidelijk wordt hoeveel budget er nog over is om te besteden. Ook wordt met cliënten besproken of het voordeliger kan zijn om de zorg in natura te laten uitvoeren. De begeleiding financiële regievoering is een onderdeel van de ambulante begeleiding, aldus de gemachtigde van eiseres. De kolom PGB Admi bevat de administratieve werkzaamheden die B4B heeft verricht. Deze uren zijn gefactureerd onder de noemer “PGB Administratie”. Deze uren heeft eiseres niet verantwoord onder de functie begeleiding. Zij zijn uit het verantwoordingsvrije bedrag betaald.

De door B4B verrichte activiteiten vallen volgens eiseres onder het ondersteunen bij of het oefenen met het aanbrengen van structuur of het voeren van regie, als bedoeld in artikel 6, derde lid, onder b, van het Bza.

7. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat eiseres de uren, zoals vermeld in de kolom PGB Admi van het logboek, niet als AWBZ-zorg heeft verantwoord. De afwijzing van de verantwoording ziet dan ook niet op die uren.

Anders dan verweerder in het bestreden besluit veronderstelt, constateert de rechtbank verder dat in 2013 geen sprake is geweest van het werven van zorgverleners en het opstellen van een zorgplan/overeenkomst door B4B, nu uit het logboek noch uit de overige stukken en de toelichting van de gemachtigde blijkt dat hiervan sprake was.

8. Ten tijde in geding luidde artikel 6 van het Bza als volgt:

1. Begeleiding omvat door een instelling te verlenen activiteiten aan verzekerden met een somatische, psychogeriatrische of psychiatrische aandoening of beperking, of een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke handicap die matige of zware beperkingen hebben op het terrein van:

a. de sociale redzaamheid,

b. het bewegen en verplaatsen,

c. het psychisch functioneren,

d. het geheugen en de oriëntatie, of

e. die matig of zwaar probleemgedrag vertonen.

2. De activiteiten, bedoeld in het eerste lid, zijn gericht op bevordering, behoud of compensatie van de zelfredzaamheid en strekken tot voorkoming van opname in een instelling of verwaarlozing van de verzekerde.

3. De activiteiten, bedoeld in het eerste lid, bestaan uit:

a. het ondersteunen bij of het oefenen met vaardigheden of handelingen,

b. het ondersteunen bij of het oefenen met het aanbrengen van structuur of het voeren van regie, of

c. het overnemen van toezicht op de verzekerde.

9. Uit de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB, zie bijvoorbeeld de uitspraak van 16 december 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:4578), volgt dat de bestuursrechter de uitleg die verweerder aan artikel 6 van het Bza geeft, vol dient te toetsen en zo nodig zijn uitleg in de plaats dient te stellen van die van verweerder. De rechtbank dient daarom vol te toetsen of de door B4B verrichtte activiteiten begeleiding in de zin van artikel 6 van het Bza betreffen.

10. In de nota van toelichting bij het op 1 december 2008 gewijzigde Bza (Stb. 2008, 533, voor zover hier van belang in werking getreden op 1 januari 2009) staat vermeld dat de tot
1 januari 2009 in het Bza geregelde functies ondersteunende begeleiding en activerende begeleiding te ruim waren gedefinieerd. Hierdoor ontbrak het indicatiestellers aan criteria om hulpvragen af te wijzen en in omvang te begrenzen. Veel activiteiten die onder deze functies vielen sloten nauw aan bij dagelijkse handelingen en door een bijna oneindige vraag naar deze functies is sprake geweest van een onbeheersbaar gebruik ervan. Activiteiten als hulp bij de administratie, bij het boodschappen doen, bij lezen, rekenen en schrijven, begeleiding bij bioscoopbezoek, bij huiswerk, oppassen, samen wandelen, tot samen meubels kopen, iemand begeleiden naar een instantie, bank, postkantoor, in het openbaar vervoer, etc. zijn daardoor onbedoeld in de AWBZ terecht gekomen. De nieuwe functie begeleiding wordt uitsluitend gericht op het bevorderen van de zelfredzaamheid en is bestemd voor mensen met matige/zware beperkingen om te voorkomen dat zij in een instelling moeten worden opgenomen of dat zij zich verwaarlozen.

11. De CRvB heeft uit de hiervoor vermelde nota van toelichting afgeleid dat het de bedoeling van de wetgever is geweest om het aantal indicaties voor de functie begeleiding als bedoeld in artikel 6 van het Bza terug te dringen. Dit brengt met zich dat voor een ruime opvatting over de activiteiten die kunnen worden verricht in het kader van artikel 6 van het Bza geen plaats is. De rechtbank wijst op de uitspraak van de CRvB van 13 augustus 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:2741).

12. Gelet op de voorhanden zijnde gegevens over de activiteiten van B4B en tegen de achtergrond van hetgeen in de overwegingen 10 en 11 is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat de activiteiten van B4B naar hun aard en strekking niet zijn aan te merken als begeleiding in de zin van artikel 6 van het Bza.

13. De rechtbank stelt daarbij voorop dat de indicatie voor de functie begeleiding is afgegeven ten behoeve van begeleiding van eiseres en niet ten behoeve van haar ouders. Gelet op het bepaalde in artikel 6 van het Bza dienen de activiteiten die in het kader van begeleiding worden geboden gericht te zijn op bevordering, behoud of compensatie van de zelfredzaamheid van de verzekerde, in dit geval eiseres. In het licht hiervan is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de door B4B verrichtte activiteiten geen begeleiding als bedoeld in artikel 6 van het Bza betreffen reeds omdat zij gericht zijn op ondersteuning van de ouders van eiseres. De ouders zijn immers als wettelijke vertegenwoordigers/bewindvoerder verantwoordelijk voor de besteding van het pgb-budget en de financiële afwikkeling daarvan. De activiteiten van B4B zijn dan ook niet gericht op begeleiding van eiseres.

14. Los van het voorgaande zijn de activiteiten van B4B, zoals deze onder 6 zijn weergegeven, in de kern terug te voeren op het verlenen van hulp bij het voeren van de pgb-administratie. Dit is niet aan te merken als begeleiding in de zin van artikel 6 van het Bza. Zoals in de nota van toelichting is vermeld valt begeleiding in de vorm van hulp bij de administratie immers niet (langer) onder de nieuwe functie begeleiding.

Dat de door B4B geboden activiteiten voor de ouders van eiseres zorgen wegnemen is begrijpelijk, maar betekent naar het oordeel van de rechtbank niet dat de geboden hulp om die reden valt onder artikel 6 van het Bza. Wel kunnen de kosten voor de hulp bij het op orde houden van de pgb-administratie en voor de hulp bij het oplossen van problemen rond het pgb uit het verantwoordingsvrije bedrag worden voldaan, zoals ook volgt uit de vergoedingenlijst 2013. De beroepsgrond dat verweerder de activiteiten van B4B ten onrechte niet heeft aangemerkt als begeleiding slaagt niet.

15. Eiseres heeft voorts aangevoerd dat de activiteiten die zijn verricht door B4B in de voorgaande jaren altijd zijn goedgekeurd door verweerder en dat het nu afkeuren van de verantwoording van de kosten van B4B rechtsonzekerheid voor haar met zich brengt.

16. De rechtbank is van oordeel dat de omstandigheid dat in voorgaande jaren op basis van globale controles en dus op grond van een minder diepgaande beoordeling, de zorg wel is goedgekeurd, niet betekent dat eiseres erop mocht vertrouwen dat de verantwoording over 2013 tot dezelfde uitkomst zou leiden bij een intensieve controle in 2013. Als geen intensieve controle plaatsvindt wordt de zorg immers niet inhoudelijk beoordeeld en gaat verweerder er van uit dat de verantwoording klopt. De rechtbank wijst in dit verband op de uitspraak van de CRvB van 15 oktober 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:3464). Bovendien had eiseres gezien de inhoud van de vergoedingenlijst er van op de hoogte kunnen zijn dat de pgb-administratie en het beheer van het pgb niet uit het pgb betaald mogen worden.

17. Eiseres heeft ten slotte aangevoerd dat zij in de financiële problemen komt omdat de kosten voor B4B zijn afgewezen en zij een aanzienlijk bedrag terug dient te betalen.

18. De rechtbank overweegt dat verweerder volgens vaste rechtspraak van de CRvB (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 21 januari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:187) de discretionaire bevoegdheid om een pgb lager vast te stellen dient uit te oefenen met inachtneming van het geschreven en het ongeschreven recht, daaronder begrepen de in artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht neergelegde verplichting tot evenredige belangenafweging.

19. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in redelijkheid tot zijn belangenafweging heeft kunnen komen. Dat eiseres door het bestreden besluit in financiële problemen komt omdat zij een aanzienlijk bedrag moet terugbetalen, is een omstandigheid die niet kan afdoen aan verweerders bevoegdheid om het pgb lager vast te stellen. Feiten en omstandigheden die de financiële situatie van eiseres betreffen zal eiseres in het kader van een besluit tot terugvordering dan wel invordering van het pgb naar voren dienen te brengen.

20. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.E. Falkmann, rechter, in aanwezigheid van

mr. L.Y. Wong, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2016.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.