Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2016:1706

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
31-03-2016
Datum publicatie
31-03-2016
Zaaknummer
16/661874-15 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Strafzaak. Man wordt veroordeeld voor het met voorbedachte rade toebrengen van zwaar lichamelijk letsel in Amersfoort in 2015. De verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 15 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk en een proeftijd van 3 jaar. De rechtbank legt bijzondere voorwaarden op, zoals het ondergaan van een klinische behandeling en begeleid wonen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Utrecht

Parketnummer: 16/661874-15 (P)

Vonnis van de meervoudige strafkamer van 31 maart 2016

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Ethiopië) op [1980] ,

ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres

[adres] , thans gedetineerd in het PPC Vught te Vught.

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 17 maart 2016. De verdachte is in persoon verschenen en heeft zich ter terechtzitting laten bijstaan door mr. G. van den Brink, advocaat te Utrecht.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Primair

op 7 december 2015 te Amersfoort heeft geprobeerd om opzettelijk, al dan niet met voorbedachten rade, [aangever] van het leven te beroven, door met een mes in de rug, linkerzij en in de rechterwang van [aangever] te steken,

Subsidiair

op 7 december 2015 te Amersfoort [aangever] opzettelijk, al dan niet met voorbedachten rade, zwaar heeft mishandeld door met een mes in de rug, linkerzij en rechterwang van [aangever] te steken;

Meer subsidiair

op 7 december 2015 te Amersfoort heeft geprobeerd om aan [aangever] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, door met een mes in de rug, zij en wang van [aangever] te steken.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. De verdachte heeft zich gedurende enige tijd kunnen beraden op het te nemen of genomen besluit en heeft dus ook de gelegenheid gehad om stil te staan bij de betekenis van zijn voorgenomen daad. Tevens zijn er geen contra-indicaties aanwezig die voorbedachte rade kunnen uitsluiten.

De officier van justitie stelt vast dat het slachtoffer snijletsels had in het gelaat en op de rug. Verdachte is naar buiten gekomen met in zijn hand een aardappelschilmes en lemmet van 12 centimeter. Met zulke voorwerpen is het makkelijk om op vitale delen van het lichaam van het slachtoffer letsel toe te brengen. Daaruit leidt de officier van justitie af dat verdachte voorwaardelijk opzet had om het slachtoffer van het leven te beroven.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken.

De verdediging is van mening dat het bestanddeel “met voorbedachte raad” niet bewezen kan worden verklaard. Verdachte heeft verklaard dat hij de messen heeft meegenomen om zich te verdedigen. Hij had de messen niet meegenomen met het vooropgezette plan om aangever te steken of zelfs te doden. De verdediging is dan ook van mening dat de periode waarin verdachte het huis van aangever verliet, naar zijn eigen huis ging en uiteindelijk met de messen op zak terugliep naar de woning van aangever niet aan te merken is als enige tijd waarin verdachte zich heeft kunnen beraden op een voorgenomen besluit.

Verdachte was boos op aangever, maar wilde hem niets aandoen wat hem permanente schade zou kunnen berokkenen of de dood ten gevolge zou kunnen hebben. Van een voorgenomen besluit om aangever neer te steken of te snijden was derhalve geen sprake.

Buiten is aangever opnieuw dreigend op verdachte afgekomen en heeft aangever verdachte opnieuw onterecht van inbraak beschuldigd. Dit heeft bij verdachte geleid tot een hevige gemoedsopwelling waarin hij, onder invloed van alcohol, drugs en een verstoring van zijn geestvermogen, geen gelegenheid heeft gehad om na te denken over de betekenis van zijn handelen richting aangever en de gevolgen van het steken of snijden van aangever. Dit wordt onderstreept door de rapportages pro justitia, waarin beide deskundigen tot verminderde toerekeningsvatbaarheid komen.

De verdediging is tevens van mening dat er geen opzet op de dood was, ook niet in voorwaardelijke zin. Er is sprake van zeer oppervlakkige snijwonden die zich niet bij vitale delen bevinden. Verdachte heeft gestoken met een klein aardappelschilmesje. Gelet op de verwondingen van aangever en het wapen, acht de verdediging de kans dat dit daadwerkelijk zou hebben geleid tot de dood van aangever zodanig klein dat niet kan worden gesproken van een aanmerkelijke kans. Als er al sprake zou zijn van een aanmerkelijke kans, dan is verdachte zich op geen enkel moment bewust geweest van enige kans dat aangever ten gevolge van het handelen van cliënt zou kunnen komen te overlijden, evenmin heeft hij deze kans voor lief willen nemen. De ondergrens van voorwaardelijke opzet ten aanzien van de dood van aangever wordt daarom niet gehaald.

Ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat van opzet geen sprake is, nu verdachte heeft aangegeven dat hij het slachtoffer niet wilde steken of snijden waardoor aangever zou worden mishandeld of blijvend letsel zou oplopen. Daarbij bevindt zich in het dossier onvoldoende bewijs dat sprake is van blijvend lichamelijk letsel nu aan de hand van de foto’s in het dossier niet kan worden vastgesteld of en in hoeverre sprake is van verminking of blijvend letsel.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1.

Vrijspraak

De rechtbank is van oordeel dat het primair tenlastegelegde niet bewezen kan worden verklaard en zal verdachte daarvan vrijspreken. De rechtbank overweegt daartoe dat op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden vastgesteld dat verdachte, door het steken met het mes, de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het slachtoffer zou komen te overlijden. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat verdachte gestoken heeft met een aardappelschilmesje waarbij hij het slachtoffer niet geraakt heeft in de buurt van vitale delen van het lichaam.

4.3.2.

Feiten en omstandigheden

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.1

[aangever] heeft op 7 december 2015 aangifte gedaan en – zakelijk weergegeven – het volgende verklaard:

Op maandag 7 december 2015 ben ik samen met [getuige 1] omstreeks 18:00 uur afgezet op het adres [adres] .2 Er ontstond een woordenwisseling tussen mij en [verdachte] zei toen dat [verdachte] de woning moest verlaten. Vervolgens werd ik gebeld door [verdachte] . [verdachte] zei: “Ik ga je afslachten, ik maak je kapot, je zal het merken”. Vervolgens liep ik de woning uit en toen belde [verdachte] weer. Ik hoorde dat hij riep: “Je gaat het zien, wat ik ga doen. Kom maar naar buiten”. Ik liep vervolgens naar beneden.

Ik zag dat [verdachte] meteen uithaalde met zijn rechter tot vuist gebalde hand en mijn linker boven schouder. Ik voelde en zag dat hij nogmaals met kracht met zijn rechterarm en vuist uithaalde en mij precies, toen ik schuin voor hem stond, raakte op mijn linkerzij dan wel linkerzijde van mijn bovenrug. Ik voelde een heftige pijnsteek. Ik zag dat hij meteen daarop nogmaals uithaalde met zijn arm en vuist. Ik had mijn lichaam, vanwege de pijn die ik voelde gedraaid naar links. Hierdoor zag en voelde ik dat hij mij met zijn rechtervuist raakte in mijn gezicht en wel op mijn rechterwang en ten tijde van de klap zijn vuist/hand draaide. Ik voelde een erg heftige pijn. Ik voelde ook meteen dat de wond heet aanvoelde en dat er bloed uit liep. Ik zag dat [verdachte] wild met zijn handen bezig was. Ik zag ineens dat [verdachte] iets wits in zijn hand vasthield. Ik zag dat dit een wit heft had en zag meteen dat dit een soort aardappelschilmesje was. Ik ben meteen naar het ziekenhuis gebracht en daar bleek dat ik gestoken was op de linkerzijde van mijn rug, mijn rechterwang en mijn rechterarm.3

De verdachte heeft – zakelijk weergegeven – het volgende verklaard:

Ik ben lopend naar de [adres] gegaan. Omdat daar ruzie ontstond tussen mij en [aangever] (de rechtbank begrijpt: [aangever]), zei de bewoner dat ik de woning moest verlaten. Ik ben de woning uitgelopen en weggegaan. Thuisgekomen werd ik boos en heb ik een mes gepakt. Ik belde [aangever] op zijn GSM. Ik kreeg hem aan de telefoon en zei: “Kom beneden.” Ik ben vanuit mijn woning naar de [adres] gelopen. Ik belde, daar aangekomen, die [aangever] nogmaals en riep: “Kom beneden.” Ik had het mes bij mij. Het was een keukenmes, een aardappelmes. Ik zag dat hij de flat uitliep en mij zag. Ik was boos op hem, heel erg boos. Ik had het mes in mijn rechterhand. Ik haalde uit naar zijn lichaam en gezicht met het mes. Ik weet zeker dat ik hem in het gezicht geraakt heb met het mes. Het kan best zijn dat ik hem meerdere malen gestoken heb.4

Overwegingen

Bruikbaarheid verklaring verdachte bij de politie

Door de verdediging is aangevoerd dat verdachte zowel bij de politie als bij de rechter-commissaris gehoord is zonder bijstand van een tolk, dat is gebleken dat het communiceren met verdachte zonder tolk erg moeilijk is en dat verdachte daarom slechts gehouden kan worden aan de verklaring zoals hij deze ter zitting, met bijstand van een tolk, heeft afgelegd.

De rechtbank overweegt dat verdachte tijdens zijn verhoor bij de politie heeft verklaard dat hij de Nederlandse taal begrijpt en verstaat. De politie heeft ook niet geconstateerd dat dat niet zo is en heeft het verhoor afgenomen. De rechtbank ziet in het proces-verbaal geen aanknopingspunten dat het verhoor met verdachte in zoverre niet goed zou zijn verlopen. Daarbij is de rechtbank ter zitting gebleken dat verdachte zich in de Nederlandse taal goed verstaanbaar kan maken en dat met hem in de Nederlandse taal goed te communiceren is voor zover het niet-juridisch taalgebruik betreft. Om die reden zal de rechtbank uitgaan van de verklaring zoals de verdachte deze bij de politie heeft afgelegd, te meer nu deze verklaring kort na het feit is afgelegd en wordt ondersteund door de verklaringen van aangever en de getuigen.

Voorbedachte raad

Voor bewezenverklaring van het bestanddeel voorbedachte raad moet komen vast te staan dat verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

De rechtbank overweegt dat uit de verklaring van verdachte, zoals afgelegd bij de politie, blijkt dat verdachte uit de woning is weggestuurd, hij naar zijn eigen woning is toegelopen, boos is thuis gekomen, twee messen heeft gepakt en vervolgens twee keer heeft gebeld naar het slachtoffer met de vraag om naar buiten te komen. Verdachte heeft dus zelf de confrontatie met het slachtoffer opgezocht. In de periode dat hij naar zijn eigen woning is gelopen, de messen heeft gepakt, gebeld heeft met het slachtoffer en vervolgens weer naar de [adres] is teruggelopen, heeft verdachte ruim de tijd gehad om zich te beraden op zijn voorgenomen besluit en na te denken over de gevolgen die zijn handelen zouden kunnen hebben. Niettemin is verdachte toch met een mes in zijn hand naar de woning gegaan waar het slachtoffer zich bevond en heeft het slachtoffer nogmaals gevraagd om naar buiten te komen. Gelet op al het voorgaande, is de rechtbank van oordeel dat verdachte enige tijd heeft gehad om zich te beraden op het door hem voorgenomen besluit om aangever te steken. Er zijn geen contra-indicaties die tot de conclusie zouden moeten leiden dat hij heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat de rechtbank ervan uitgaat dat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte met voorbedachten rade heeft gehandeld.

Opzet

Anders dan de verdediging is de rechtbank van oordeel dat uit de verklaring van verdachte blijkt dat hij opzet heeft gehad om het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Verdachte heeft immers bij de politie verklaard dat hij boos was, een mes heeft gepakt, het slachtoffer heeft gevraagd naar buiten te komen om hem vervolgens buiten voor de woning aan de [adres] op te wachten. Vervolgens heeft hij met het mes meermalen uitgehaald naar het gezicht en lichaam van het slachtoffer. Door het slachtoffer met dit mes op meerdere plaatsen van zijn lichaam te steken, heeft verdachte zich willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat aangever hierdoor zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Verdachte heeft deze kans met zijn handelen ook welbewust aanvaard en op de koop toegenomen.

Zwaar lichamelijk letsel

Uit het dossier is gebleken dat het slachtoffer letsel heeft opgelopen in zijn gezicht en zijn rug. Op grond van het dossier kan het toegebrachte letsel als zwaar lichamelijk letsel worden gekwalificeerd. Gelet op de lengte, de diepte en vorm van de sneeën, is het aannemelijk dat het slachtoffer hier zichtbare littekens aan over zal houden. Uit het dossier blijkt dat de wonden zijn gehecht. De rechtbank acht daarbij van belang dat het litteken in het gezicht zich op een duidelijk zichtbare plek bevindt.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4. genoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

Subsidiair

op 7 december 2015 te Amersfoort aan [aangever] opzettelijk en met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel, te weten blijvende schade aan het aangezicht en de rug heeft toegebracht door met opzet en na kalm beraad en rustig overleg, meermalen met een mes in de rug en de rechterwang van voornoemde [aangever] te steken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar als

zware mishandeling gepleegd met voorbedachten rade.

Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door hem onder primair bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 30 maanden, met aftrek van voorarrest. Een eventuele behandeling kan in het kader van de voorwaardelijke invrijheidstelling als bijzondere voorwaarde worden opgenomen.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest zou moeten worden opgelegd en daarbij een voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarde dat verdachte een klinische behandeling zal ondergaan bij Phoenix of een soortgelijke instelling voor de duur van maximaal één jaar of zoveel korter als de instelling dan wel de reclassering toelaatbaar acht. Gelet op de gezondheid van verdachte werkt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf langer dan de duur van het voorarrest alleen maar destructief. Verdachte is niet eerder voor een soortgelijk incident met justitie in aanraking gekomen. Uit zowel het psychologisch als psychiatrisch rapport komt naar voren dat het tenlastegelegde verminderd toe te rekenen is aan verdachte. Beide rapporteurs hebben geadviseerd verdachte klinisch te laten behandelen, bij voorkeur bij Phoenix, een afdeling voor transculturele psychiatrie te Wolfheze, voor de duur van een jaar zodat hij binnen een jaar zou kunnen uitstromen naar een beschermde woonvorm. Verdachte heeft zich aangesloten bij de conclusies van de rapporteurs.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft een zeer ernstig feit gepleegd, namelijk het met voorbedachten rade toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij het slachtoffer. Verdachte heeft verklaard dat hij boos was. Vervolgens heeft verdachte ervoor gekozen om thuis twee messen te pakken en opnieuw de confrontatie op te zoeken met het slachtoffer. De rechtbank rekent dit de verdachte aan.

Het handelen van verdachte heeft voor een grote schok bij het slachtoffer gezorgd. Daarbij heeft het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel opgelopen, met name het letsel in het gezicht van het slachtoffer dat blijvend te zien zal zijn.

De rechtbank heeft bij de strafoplegging gelet op het uittreksel uit de justitiële documentatie van verdachte van 29 januari 2016, waaruit blijkt dat verdachte in de afgelopen vijf jaar niet is veroordeeld voor een soortgelijk feit.

Uit de psychiatrische rapportage van 2 februari 2016, opgemaakt door Dr. L.H.W.M. Kaiser, volgt dat verdachte ten tijde van het tenlastegelegde feit voldoende inzicht had in de wederrechtelijkheid van het begane feit. Wel was er bij verdachte ten tijde van het begaan van de tenlastegelegde feiten sprake van een ziekelijke stoornis in de vorm van een psychotische stoornis NAO, qatgebruik en PTSS, zodat verdachte zijn wil verminderd kon bepalen. De psychiater concludeert dat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar is.

Uit de psychologische rapportage van 15 februari 2016, opgemaakt door A.G.M. Weenink, GZ-psycholoog, volgt dat verdachte in staat moet worden geacht om de wederrechtelijkheid van het tenlastegelegde in te kunnen zien, maar hij kan als gevolg van de geconstateerde psychische problematiek niet goed in staat worden geacht om zijn wil geheel overeenkomstig bovengenoemd inzicht in vrijheid te bepalen. De rechtbank wordt dan ook geadviseerd om betrokkene het tenlastegelegde – indien bewezen – verminderd toe te rekenen.

De rechtbank neemt de conclusie van de psycholoog en psychiater met betrekking tot de verminderde toerekeningsvatbaarheid over.

Uit zowel de psychologische en psychiatrische rapportage alsmede de reclasseringsrapportage van 7 maart 2016 volgt het advies om verdachte klinisch te laten behandelen in een instelling met ook expertise op het gebied van transculturele diagnostiek. Geadviseerd wordt om verdachte op te laten nemen in kliniek Phoenix te Wolfheze, een afdeling waar asielzoekers en vluchtelingen worden behandeld met ernstige psychiatrische aandoeningen.

Gelet op deze adviezen, acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf alsmede een voorwaardelijke gevangenisstraf met de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden passend en geboden. De rechtbank legt aan verdachte een lagere straf op dan door de officier van justitie gevorderd is. Hierbij speelt een rol dat de rechtbank verdachte vrijspreekt van het primair tenlastegelegde feit en veroordeelt voor het subsidiair tenlastegelegde feit en dat de rechtbank het daarnaast van belang acht dat verdachte wel in het kader van een voorwaardelijk strafdeel wordt behandeld.

9 Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

[aangever] heeft een vordering benadeelde partij ingediend ter hoogte van 3.544,67 euro, bestaande uit 44,67 euro materiële schade en 3.500,00 euro immateriële schade.

9.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering benadeelde partij integraal kan worden toegewezen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en de wettelijke rente.

9.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich, ten aanzien van de materiële schade, gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Ten aanzien van de immateriële schade heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde niet-ontvankelijk moet worden verklaard, aangezien het strafproces door deze vordering onevenredig wordt belast.

Mocht de rechtbank van oordeel zijn dat de benadeelde partij wel ontvankelijk is in de vordering, dan heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de immateriële schade dient te worden gematigd. Door de aangever zijn, ter onderbouwing van de gevorderde vergoeding voor de immateriële schade, twee uitspraken aangehaald. De verdediging is van mening dat deze uitspraken niet vergelijkbaar zijn en dus moet de immateriële schade worden gematigd.

Met betrekking tot de schadevergoedingsmaatregel is de verdediging van mening dat deze niet zou moeten worden opgelegd.

9.3.

Het oordeel van de rechtbank

De behandeling van de vordering van [aangever] , levert niet een onevenredige belasting van het strafgeding op.

Het is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor bewezen geachte feit rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze op € 1.544,67 (zegge duizendvijfhonderdvierenveertig euro en zevenenzestig eurocent), te weten

€ 1.500,00 aan immateriële schade en € 44,67 aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 december 2015 tot aan de dag der algehele voldoening. De rechtbank is van oordeel dat de aangehaalde uitspraken ter onderbouwing van de vordering van de benadeelde partij niet geheel overeen komen met de onderhavige zaak. De rechtbank ziet daarin reden om het bedrag aan immateriële schade te matigen.

De vordering zal dan ook tot dat bedrag worden toegewezen. Voor het overige deel van de vordering is de benadeelde partij niet-ontvankelijk. De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij zich voor dit overige deel van de vordering kan wenden tot de burgerlijke rechter.

Voorts zal verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van de benadeelde partij voornoemd wordt als extra waarborg voor betaling de schadevergoedingsmaatregel (artikel 36f Sr) aan verdachte opgelegd. De stelling van de verdediging dat verdachte nu en ook in de toekomst niet in staat zal zijn de vordering te voldoen en detentie nadelig voor hem zal zijn, is naar het oordeel van de rechtbank niet toereikend om af te zien van het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 24c, 36f, 303 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

11 Beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

Verklaart het primair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bewezenverklaring

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

zware mishandeling gepleegd met voorbedachten rade.

Strafbaarheid

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte daarvoor strafbaar.

Strafoplegging

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 15 maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Bepaalt dat een gedeelte, te weten 5 maanden, van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd van 3 (drie) jaren navolgende bijzondere voorwaarden niet is nagekomen:

Algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

  1. zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

  2. ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt; en

  3. medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

4. zich gedurende maximaal 1 (één) jaar, of zoveel korter als de behandelaar van de kliniek in overleg met de reclassering noodzakelijk acht, klinisch zal laten behandelen bij de kliniek Phoenix te Wolfheze of een vergelijkbare instelling, ter beoordeling van de reclassering, waarbij de veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die door of namens de leiding van de kliniek zullen worden gegeven;

5. aansluitend aan zijn klinische opname zal verblijven in een instelling voor begeleid wonen en zich zal houden aan het (dag-)programma dat deze voorziening in overleg met de reclassering heeft opgesteld, zolang als de reclassering dat nodig acht.

Geeft opdracht aan Reclassering Nederland om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

De vordering benadeelde partij

Wijst de vordering van [aangever] toe tot € 1.544,67 (zegge duizendvijfhonderdvierenveertig euro en zevenenzestig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 december 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering is en bepaalt dat dit gedeelte kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [aangever] aan de Staat €1.544,67 (zegge duizendvijfhonderdvierenveertig euro en zevenenzestig eurocent) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 december 2015 tot aan de dag der algehele voldoening en bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 30 dagen. De toepassing van die hechtenis heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. S.B. Smit-Colenbrander, voorzitter,

mrs. A.J.P. Schotman en V. van Dam, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S. Passchier, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 31 maart 2016.

BIJLAGE : De tenlastelegging

Aan bovenbedoelde gedagvaarde persoon wordt tenlastegelegd dat

Primair

hij op of omstreeks 07 december 2015 te Amersfoort, althans in het arrondissement Midden-Nederland,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk (en met voorbedachten rade) [aangever] van het leven te beroven,

met dat opzet (en na kalm beraad en rustig overleg), één of meermalen met een mes, althans scherp en/of puntig voorwerp, in de (boven)rug en/of (linker)zij, althans in het bovenlichaam en/of in de (rechter)wang, althans in het hoofd van voornoemde [aangever] heeft gestoken,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

artikel 289 Wetboek van Strafrecht

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair

hij op of omstreeks 07 december 2015 te Amersfoort, althans in het arrondissement Midden-Nederland,

aan [aangever] opzettelijk (en met voorbedachten rade) zwaar lichamelijk letsel, te weten verminking / (blijvende) schade op/aan het (aan)gezicht en/of blijvende schade op/aan de (boven)rug en/of (linker)zij, heeft toegebracht door met dat opzet (en na kalm beraad en rustig overleg), één of meermalen met een mes, althans scherp en/of puntig voorwerp, in de (boven)rug en/of (linker)zij en/of (rechter)wang, althans het lichaam, van voornoemde [aangever] te steken;

art 303 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Meer subsidiair

Hij op of omstreeks 07 december 2015 te Amersfoort, althans in het arrondissement Midden-Nederland,

Ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [aangever] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet één of meermalen met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de (boven)rug en/of (linker)zij en/of (rechter)wang, althans het lichaam, in de (boven)rug en/of (linker)zij en/of (rechter)wang, althans het lichaam, van voornoemde [aangever] heeft gestoken,

zijnde de uitvoering van de voorgenomen misdrijf niet voltooid;

art. 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art. 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier (PL0900-2015370276) bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344.1.5° Wetboek van Strafvordering, worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.

2 Het proces-verbaal van aangifte door [aangever] , d.d. 7 december 2015, p. 25.

3 Het proces-verbaal van aangifte door [aangever] , d.d. 7 december 2015, p. 26.

4 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte, d.d. 8 december 2015, p. 46.