Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2016:1695

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
30-03-2016
Datum publicatie
31-03-2016
Zaaknummer
C/16/394919 / 15-548 HSt
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Civiel recht. Eiser vordert primair een verbod tot verkoop van een kerkkavel. De rechtbank wijst alle vorderingen af, dit betekent eiser ten onrechte conservatoir beslag op het kerkgebouw heeft gelegd. De vordering van het Kerkgenootschap GIM tot veroordeling van eiser tot opheffing van het gelegde beslag zal worden toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Civiel recht en bestuursrecht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/394919 / 15-548 HSt

Vonnis van 30 maart 2016

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

advocaat mr. C.A. Gobbens,

tegen

het kerkgenootschap

GEREDJA INDJILI MALUKU,

gevestigd en kantoorhoudend te Houten,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. M.K.W. van den Berg.

Partijen zullen hierna [eiser] en GIM genoemd worden.

1 De procedure

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit :

- het vonnis in het bevoegdheidsincident en in de hoofdzaak van 21 oktober 2015;

  • -

    de brief van 26 januari 2016 van GIM;

  • -

    de brief van 4 februari 2016 van [eiser] ;

  • -

    de conclusie van antwoord in reconventie tevens akte overlegging producties in conventie van [eiser] ;

  • -

    het proces verbaal van de comparitie van partijen.

Vervolgens is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

GIM is een kerkgenootschap met rechtspersoonlijkheid. Het bestuur van GIM berust bij de Generale Synode. Uitvoerend lichaam van de Synode is het Synodebestuur. De plaatselijke gemeenten hebben geen rechtspersoonlijkheid. Zij worden bestuurd door een kerkenraad, die wordt gekozen uit leden van die gemeente.

GIM is (onder meer) eigenaar van de Rehobothkerk te Tilburg. De eigendom van (onder meer) dat kerkgebouw is door de Staat der Nederlanden bij akte van 15 december 1988 om niet overgedragen aan GIM. Tevens heeft de Staat der Nederlanden [rekeningnummer] aan GIM betaald ter afkoop van het onderhoud van de aan GIM overgedragen kerkgebouwen, waaronder de Rehobothkerk.

2.2.

GIM heeft de Rehobothkerk om niet in bruikleen gegeven aan Jemaat GIM Tilburg. De leden van de Jemaat GIM Tilburg betalen een bijdrage van EUR 10,00 per maand. Voor de inning daarvan is de Kerkenraad verantwoordelijk. Het grootste deel van de bijdrage wordt aangewend voor de betaling van het traktement van de voorganger.

2.3.

Sedert januari 1996 is Jemaat GIM Tilburg, met wisselende intensiteit en in overleg met het College van B & W van de gemeente Tilburg, op zoek naar een lokatie voor een nieuw te bouwen kerk. Aan dat overleg lag een, in overleg met Jemaat GIM Tilburg genomen, besluit ten grondslag van het Synodebestuur om de Rehobothkerk te verkopen. Bij besluit van 22 juni 2006 heeft het Synodebestuur de Kerkenraad van Jemaat GIM Tilburg gemachtigd om namens het Moderamen de bestaande kerkkavel te verkopen en de opbrengst daarvan aan te wenden voor de realisatie van een Dienstencentrum waarin tevens onderdak geboden kan worden aan Jemaat GIM Tilburg. Ter uitvoering van dat besluit heeft de Kerkenraad besprekingen gevoerd met Doevendans Triborgh Bouwontwikkeling B.V., verder Doevendans. Die besprekingen voorzagen in de verkoop en levering van de Rehobothkerk aan Doevendans, de bouw van een gezondheidscentrum op de kerkkavel en de verbouwing van het bestaande wijkcentrum Pohon Sagu tot een Dienstencentrum. Omdat het gezondheidscentrum zich terugtrok kon dit plan geen doorgang vinden en heeft het Synodebestuur besloten om de verkoop van de kerkkavel en bouw van het Dienstencentrum tot oktober 2013 uit te stellen en, in het geval dat de financiële situatie ongewijzigd blijft, stop te zetten. In de brief van 29 mei 2013, waarin het Syndebestuur de Kerkenraad Jemaat GIM Tilburg over dit besluit informeert, geeft zij tevens aan dat als verkoop en bouw wordt stopgezet, met de Kerkenraad besproken zal worden “op welke wijze de onderhoudssituatie van het kerkgebouw kan worden verbeterd en het gebruik kan worden gegarandeerd.” Bij brief van 16 oktober 2013 heeft het Synodebestuur de Kerkenraad op de hoogte gesteld van het besluit om de samenwerking met Doevendans te stoppen. Als een van de gevolgen van dat besluit wordt in de brief genoemd dat met de Kerkenraad besproken zal worden op welke wijze het achterstallig onderhoud kan worden aangepakt en het gebruik van de kerk kan worden gegarandeerd. Het Synodebestuur doet in de brief voorts een beroep op (onder meer) de Kerkenraad om zorg te dragen voor de exploitatie en het onderhoud van het kerkgebouw.

2.4.

In 2015 heeft het Synodebestuur gesprekken gevoerd met KPA Project B.V. over de verkoop van de Rehobothkerk. Daarbij was het plan om met de verkoopopbrengst een kerkwaardig gebouw te realiseren aan de Azuurweg te Tilburg. Op die locatie is het trefcentrum Poho Sagu gevestigd. Nadat het Synodebestuur de leden van Jemaat GIM Tilburg geïnformeerd had over de ontwikkelingen met betrekking tot KPA Project B.V. heeft de Kerkenraad een brief van 5 mei 2015 gestuurd aan het Synodebestuur met daarin een vijftal scenario’s en de daarop gebaseerde conclusie dat de Rehobothkerk behouden kan blijven bij verkoop van het trefcentrum Pohon Sagu. In die brief verzoekt de Kerkenraad het Synodebestuur om het verkoopbesluit te heroverwegen.

2.5.

Vervolgens heeft telefonisch overleg plaats gevonden tussen [eiser] en de heer [X] van het Synodebestuur. Kort daarna heeft mr. Gobbens namens Jemaat GIM Tilburg het Synodebestuur gesommeerd om niet over te gaan tot verkoop van de Rehobothkerk. Bij brief van 18 mei 2015 aan de Kerkenraad heeft het Synodebestuur gereageerd op de scenario’s en medegedeeld dat het blijft bij het besluit om de Rehobothkerk te verkopen.

2.6.

Op 21 mei 2015 heeft een overleg plaats gevonden tussen het Synodebestuur en de Kerkenraad. Daarin is de mogelijkheid geopperd dat de kerk behouden zou kunnen blijven indien EUR 100.000,00 beschikbaar zou kunnen komen ter aflossing van de schuld waarvoor Doevendans onder GIM beslag had gelegd. Dat bedrag diende gefinancierd te worden en is niet beschikbaar gekomen. Het Synodebestuur is onverminderd voornemens om tot verkoop van de Rehobothkerk over te gaan, voert in dat kader besprekingen maar is nog niet tot het sluiten van een overeenkomst overgegaan.

2.7.

[eiser] heeft na verkregen verlof op 22 mei 2015 conservatoir beslag laten leggen op de kerkkavel tot zekerheid van (primair) een vordering tot levering van het kerkgebouw aan de leden en (subsidiair) een vordering tot betaling van schadevergoeding welke door de voorzieningenrechter is begroot op EUR 520.000,00, althans EUR 65.000,00.

3 De vorderingen in conventie en in reconventie

3.1.

[eiser] vordert dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,

I.1. een verbod tot verkoop van de kerkkavel op straffe van een dwangsom van EUR 1.000.000,00 bij overtreding van dit verbod;

I.2. (subsidiair) een gebod om de kerkkavel binnen een jaar na betekening van dit vonnis over te dragen aan hem, althans Jemaat GIM Tilburg;

I.3. (meer subsidiair) een gebod om met Jemaat GIM Tilburg of een door [eiser] aan te wijzen rechtspersoon, in onderhandeling te treden over de aankoop van de kerkkavel door [eiser] , althans Jemaat GIM Tilburg, althans een door [eiser] aan te wijzen derde, al dan niet onder de voorwaarde dat door [eiser] , althans Jemaat GIM Tilburg, EUR 100.000,00 wordt betaald aan GIM, althans een gebod om met Jemaat GIM Tilburg of een door [eiser] aan te wijzen rechtspersoon, in onderhandeling te treden over het behoud van de kerkkavel en een verbod van tussentijdse verkoop;

I.4. (uiterst subsidiair) GIM te gebieden om de Rehobothkerk te behouden voor gebruik door de leden van Jemaat GIM Tilburg op straffe van een dwangsom van EUR 1.000.000,00 bij overtreding van dit gebod.

II. GIM te veroordelen om binnen twee dagen na betekening van het vonnis aan [eiser] af te geven:

  • -

    afschriften van alle notulen van vergaderingen van GIM vanaf 1971 voor zover daarin de Rehobothkerk en kerkgebouwen in het algemeen worden besproken;

  • -

    een overzicht van de afspraken die door de Staat der Nederlanden en GIM zijn gemaakt in het kader van de overdracht van 15 december 1988 en het daarbij ter beschikking gestelde bedrag;

  • -

    een afschrift van de jaarrekeningen van GIM vanaf 1989;

  • -

    een overzicht van personen die een bestuursfunctie binnen GIM hebben vervuld met opgave van de functies en begin- en einddatum van de bestuursperiode;

  • -

    afschriften van de processtukken in de procedure tussen Doevendans en GIM;

alles op straffe van een dwangsom van EUR 500,00 per (gedeelte van een) dag met een maximum van EUR 500.000,00;

III. GIM te veroordelen om over te gaan tot het herstel van het achterstallig onderhoud van, en gebreken aan, de Rehobothkerk op straffe van een dwangsom van EUR 500,00 per (gedeelte van een) dag met een maximum van EUR 500.000,00, althans, subsidiair, [eiser] te machtigen om zelf datgene te bewerkstellingen waartoe nakoming door GIM zou hebben geleid met de veroordeling van GIM om aan [eiser] bij wege van voorschot op de uit hoofde van die machtiging te maken kosten EUR 183.865,00 te betalen;

IV. GIM te veroordelen om aan [eiser] te betalen: de kosten van beslaglegging EUR 823,87 en

V. de buitengerechtelijke kosten EUR 904,00;

met veroordeling van GIM in de kosten waaronder de nakosten begrepen.

3.2.

In reconventie vordert GIM, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, de opheffing van het conservatoire beslag op de kerkkavel binnen 1 dag na betekening van dit vonnis op straffe van een dwangsom van EUR 10.000,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan, met een maximum van EUR 250.000,00 met veroordeling van [eiser] in de proceskosten waaronder de nakosten begrepen.

3.3.

GIM heeft in conventie gemotiveerd verweer gevoerd. [eiser] heeft in reconventie gemotiveerd verweer gevoerd. Bij de beoordeling in conventie en reconventie zal op dat verweer, voor zover relevant, worden ingegaan.

4 De beoordeling in conventie

4.1.

[eiser] stelt in de eerste paragraaf van de dagvaarding dat hij in deze procedure optreedt “als daartoe aangewezen vertegenwoordiger” van Jemaat GIM Tilburg. Ter onderbouwing van die stelling legt hij een handtekeningenlijst over van individuele leden van Jemaat GIM Tilburg. Op die lijst staat: “De ondergetekende leden van Jemaat GIM Tilburg laten zich vertegenwoordigen door ing. [eiser] en zijn akkoord”. De lijsten tellen in totaal 86 handtekeningen.

4.2.

De hoedanigheid waarvan [eiser] zich bediend wordt door GIM betwist. GIM stelt dat Jemaat GIM Tilburg uitsluitend vertegenwoordigd kan worden door de Kerkenraad, en dat [eiser] geen lid is van de Kerkenraad en evenmin over een procesvolmacht of soortgelijke opdracht van de Kerkenraad beschikt. Voorts heeft GIM er op gewezen dat [eiser] die hoedanigheid niet kan ontlenen aan de ondersteuning die hij van 86 leden krijgt. Dat aantal klopt bovendien volgens GIM niet en vertegenwoordigt slechts een derde van het totale aantal leden van Jemaat GIM Tilburg. De handtekeningenlijst is niet op te vatten als een procesvolmacht van de ondertekenaars aan [eiser] .

4.3.

Het verweer van GIM slaagt. Uit het Algemeen Reglement GIM volgt dat elke gemeente, en zo ook Jemaat GIM Tilburg, wordt bestuurd door een kerkenraad. Voor zover de Jemaat GIM Tilburg een zelfstandige entiteit is met procesbevoegdheid, dan kan zij in de uitoefening van die bevoegdheid slechts vertegenwoordigd worden door de Kerkenraad. Omdat [eiser] niet bevoegd is om namens de Kerkenraad in rechte op te treden, kan hij reeds om die reden Jemaat GIM Tilburg niet vertegenwoordigen. Dit betekent dat [eiser] niet ontvankelijk is in alle vorderingen I.2, I.3 en 1.4 die betrekking hebben op gepretendeerde rechten van Jemaat GIM Tilburg en haar leden in het algemeen. Nakoming van die door [eiser] gepretendeerde rechten van Jemaat GIM Tilburg kan slechts door de Jemaat GIM Tilburg, vertegenwoordigd door de Kerkenraad, gevorderd worden.

4.4.

[eiser] heeft gesteld dat hij gesteund wordt door 86 leden van de Jemaat GIM Tilburg. Of dit aantal precies klopt, heeft voor de hoedanigheid van [eiser] als procespartij geen zelfstandige betekenis. De leden die hun handtekening op de lijst hebben geplaatst zijn daardoor namelijk geen procespartij geworden. [eiser] treedt dan ook niet mede namens hen als procespartij op.
Dat hij in zijn actie gesteund wordt, betekent niet dat daarmee het belang van 86 leden van Jemaat GIM Tilburg in deze procedure aan de orde is. Als [eiser] voor dat collectieve belang in rechte had willen optreden, dan had hij met dat doel een stichting of vereniging moeten oprichten met als statutair doel het behoud van de Rehobothkerk.

Dit betekent dat [eiser] in deze procedure geen andere hoedanigheid heeft dan als individueel lid van de Jemaat GIM Tilburg.

4.5.

Het belang waarvoor [eiser] opkomt is dus zijn belang bij het behoud van de Rehobothkerk voor de eredienst die hij als lid van de Jemaat GIM Tilburg bezoekt. Hij stelt dat hij in dat belang geschaad wordt door het voornemen van het Synodebestuur van GIM om de Rehobothkerk te verkopen.

GIM heeft dat belang als rechtens te beschermen belang betwist omdat de mogelijke verkoop van de Rehobothkerk geen afbreuk zal doen aan de mogelijkheid van [eiser] om de eredienst van Jemaat GIM Tilburg te bezoeken. Bij eventuele verkoop zal GIM zorgdragen voor het realiseren van een voor de eredienst geschikt gebouw. Daarmee is het belang van [eiser] volgens GIM uitsluitend emotioneel van aard en mist het de mogelijkheid van juridische bescherming.

4.6.

Dit verweer van GIM gaat niet op. Het belang van [eiser] is niet zuiver een emotioneel belang. [eiser] bezoekt als lid van Jemaat GIM Tilburg de Rehobothkerk waarvan het gebruik door GIM aan Jemaat GIM Tilburg is verleend op basis van een bruikleenovereenkomst. Als lid van GIM en bezoeker van de kerk heeft [eiser] een feitelijk belang bij het behoud van de kerk voor de eredienst waarvoor hij in rechte op kan komen. Dit betekent dat zijn vorderingen niet reeds afgewezen zullen worden bij gebrek aan belang.

4.7.

[eiser] legt aan zijn vordering de bruikleenovereenkomst ten grondslag. Hij stelt dat verkoop van het kerkgebouw onherroepelijk leidt tot opzegging van de bruikleenovereenkomst en dat voor opzegging, mede gelet op de afspraken met de Staat der Nederlanden, onvoldoende grond aanwezig is.

GIM heeft hiertegen in gebracht dat GIM als eigenaar gerechtigd is tot verkoop, dat de Jemaat GIM Tilburg de bruikleennemer is en dat de financiële situatie een voldoende zwaarwegende grond voor de opzegging is.

4.8.

Voorop gesteld moet worden dat GIM en Jemaat GIM Tilburg partijen bij de bruikleenovereenkomst zijn, voor zover het al mogelijk is Jemaat GIM Tilburg als zelfstandige entiteit ten opzichte van GIM is te beschouwen. Dit betekent dat [eiser] in ieder geval geen partij bij de bruikleenovereenkomst is en mitsdien daaraan ook geen aanspraken ten opzichte van GIM kan ontlenen. In zoverre beroept hij zich ten onrechte op de bruikleenovereenkomst als grondslag van zijn vorderingen.

Het feit dat [eiser] als feitelijk gebruiker door de eventuele verkoop verstoken zal zijn van de mogelijkheid om in de Rehobothkerk de eredienst te bezoeken, heeft niet reeds tot gevolg dat GIM niet gerechtigd is om tot verkoop over te gaan. GIM is immers als eigenaar van de Rehobothkerk bevoegd om te dien aanzien beschikkingshandelingen te plegen. [eiser] beroept zich in dit kader ten onrechte op een verplichting tot behoud van de kerk die GIM bij de overdracht van de kerk tegenover de Staat der Nederlanden zou zijn aangegaan, omdat uit de overdrachtsakte niet blijkt dat de Staat der Nederlanden GIM ter zake van de verkoop enige beperking heeft opgelegd, laat staan een beperking waarop Fretes zich zou kunnen beroepen.

[eiser] kan GIM in beginsel geen beperkingen in de uitoefening van haar beschikkingsbevoegdheid opleggen tenzij GIM in de rechtsverhouding tussen haar als Kerkgenootschap, en [eiser] als lid van dat kerkgenootschap, in redelijkheid niet tot haar besluit tot verkoop heeft kunnen komen. Daarvan zal onder meer sprake kunnen zijn indien GIM geen enkel redelijk belang bij verkoop heeft en [eiser] op grond van zijn lidmaatschap aanspraak kan maken op het houden van de eredienst in de Rehobothkerk.

4.9.

GIM heeft voldoende aangetoond dat zij reeds lange tijd voornemens is de kerkkavel te verkopen vanwege financiële motieven, achterstallig onderhoud en vandalisme in de buurt van de kerk. Deze beweegredenen zijn valide. Voorts is van belang dat GIM heeft aangetoond dat in geval van verkoop van de kerkkavel, het bezoek aan de eredienst niet belemmerd zal worden door enerzijds het hanteren van een ruime opzeg- en levertermijn en anderzijds het zorgdragen voor het tijdig beschikbaar komen van een kerkwaardig alternatief. GIM heeft dus een te respecteren belang bij de voorgenomen verkoop.

Van een recht van [eiser] op het bezoeken van de eredienst in de Rehobothkerk is geen sprake.

Op grond van deze omstandigheden is niet gebleken dat GIM in de rechtsverhouding met [eiser] niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten om tot verkoop van de kerkkavel over te gaan.

4.10.

[eiser] heeft voorts nog een aantal omstandigheden aangevoerd waaraan hij een aanspraak jegens GIM ontleent om GIM van verkoop te weerhouden althans GIM te verplichten de kerkkavel aan hem en degenen die hem ondersteunen, over te dragen. Deze omstandigheden hebben geen van alle het (rechts)gevolg dat het GIM niet vrijstaat om de kerkkavel te verkopen en evenmin dat GIM gehouden is de kerkkavel aan [eiser] te verkopen.

4.10.1.

Als eerste omstandigheid heeft [eiser] er op gewezen dat de gemeente Tilburg een proces in gang gezet heeft om het kerkgebouw als monument geplaatst te krijgen op een daartoe bestemde lijst met als gevolg dat de mogelijkheid bestaat dat de kerk in stand gehouden moet worden.
Dat mogelijk monumentale karakter van de kerkkavel ontneemt GIM niet het in 4.9 vastgestelde recht om tot verkoop over te gaan.

4.10.2.

Als tweede omstandigheid heeft [eiser] gewezen op de besluiten van het Synodebestuur van 29 mei en 16 oktober 2013. De voorgenomen verkoop zou in strijd met die besluiten zijn.
Zowel het besluit van 29 mei 2013 als het besluit van 16 oktober 2013 richt zich tot de Jemaat GIM Tilburg. Reeds hieruit vloeit voort dat [eiser] als individueel lid aan beide besluiten geen aanspraak ontlenen kan. Bovendien, als dat wel het geval zou zijn, dan blijkt uit beide besluiten niet dat het GIM niet meer vrij zou staan om reglementair tot verkoop te besluiten. Integendeel. In het besluit van 16 oktober 2013 wordt een dringend beroep op Jemaat GIM Tilburg gedaan om betrokkenheid en medeverantwoordelijkheid te stimuleren opdat (onder meer) de Rehobothkerk behouden kan blijven. Daaruit kan niet anders afgeleid worden dan dat van een door GIM gegarandeerd voortgezet gebruik van het kerkgebouw geen sprake is. Dat GIM recentelijk onderhoud aan het kerkgebouw heeft gepleegd maakt dat niet anders.

4.10.3.

Als derde omstandigheid stelt [eiser] dat de voorgenomen verkoop in strijd is met het Algemeen Reglement.

[eiser] heeft deze stelling echter niet van enige steekhoudende argumentatie voorzien zodat die reeds om die reden faalt.

4.10.4.

Als vierde omstandigheid heeft [eiser] gewezen op het door GIM gewekte vertrouwen dat met een bedrag van EUR 100.000,00 de Rehobothkerk gered zou zijn. Het is door GIM niet betwist dat in het kader van het overleg dat [eiser] , in samenwerking met de Kerkenraad, met het Synodebestuur heeft gevoerd, op enig moment concreet de mogelijkheid geopperd is dat de Rehobothkerk behouden zou kunnen blijven met een financiële ondersteuning van Jemaat GIM Tilburg van EUR 100.000,00. Omdat [eiser] er in samenwerking met de Kerkenraad niet in is geslaagd dit bedrag te financieren, kan bij hem redelijkerwijs geen vertrouwen zijn opgewekt dat desondanks GIM zal afzien van de voorgenomen verkoop. Dat de aldus geopperde, maar inmiddels niet haalbaar gebleken, mogelijkheid tot behoud van de Rehobothkerk aangemerkt dient te worden als een overeenkomst waarbij GIM zich heeft verplicht tot verkoop van de kerkkavel aan [eiser] of door hem nader aan te wijzen derde, blijkt in geen enkel opzicht uit de feitelijke stellingen van [eiser] .

4.10.5.

Als vijfde omstandigheid heeft [eiser] gesteld dat redelijkerwijs niet van hem gevergd kan worden dat hij de eredienst bijwoont in een gebouw dat door andersgelovigen wordt gebruikt voor feesten en partijen. Deze stelling ziet niet op de mogelijke verkoop van de kerkkavel maar op de mate waarin het door GIM gerealiseerde alternatief ‘kerkwaardig’ is. Deze beoordeling is thans niet aan de orde en bovendien evenmin aan de burgerlijke rechter.

4.11.

Op grond van bovenstaande overwegingen komt de rechtbank tot het oordeel dat het door [eiser] primair gevorderde verbod om over te gaan tot verkoop van de Rehobothkerk niet toewijsbaar is.

Dit betekent dat de rechtbank toekomt aan de subsidiaire vorderingen van [eiser] .

4.12.

De eerste subsidiaire vordering betreft een gebod om de Rehobothkerk binnen een jaar na betekening van het vonnis over te dragen aan [eiser] of een door [eiser] aan te wijzen (rechts)persoon. Aan die vordering heeft [eiser] ten grondslag gelegd dat GIM bij monde van haar voorzitter, de heer [A] , tijdens een spoedberaad op 21 mei 2015 medegedeeld heeft dat de Rehobothkerk “aan de leden zou kunnen worden overgedragen althans in ieder geval voor de leden behouden zou kunnen blijven indien door de leden c.q Jemaat GIM Tilburg een bedrag van EUR 100.000,- zou worden ingebracht”.

GIM heeft deze feitelijke grondslag betwist. Zij heeft ontkend dat zij een aanbod tot verkoop aan [eiser] heeft gedaan. Zij heeft betwist dat de eigendom van de kerk bij [eiser] kan berusten. Volgens de Kerkorde berust de eigendom van de kerkgebouwen bij GIM.

Uit de feitelijke stellingen van [eiser] volgt niet dat GIM de Rehobothkerk op 21 mei 2015 aan [eiser] , althans een door hem aan te wijzen (rechts)persoon, te koop heeft aangeboden voor een bedrag van EUR 100.000,00. Bij gebrek aan een steekhoudende feitelijke onderbouwing, zal [eiser] ook niet toegelaten worden tot het leveren van bewijs van zijn stelling dat van een door hem gestelde koopovereenkomst sprake is. Dit betekent dat de eerste subsidiaire vordering zal worden afgewezen.

4.13.

De meer subsidiaire vordering betreft het gebod om met [eiser] , althans een door hem aan te wijzen (rechts)persoon, in onderhandeling te treden over de aankoop dan wel het behoud van de Rehobothkerk. Aan deze vordering heeft [eiser] de in 4.10 behandelde omstandigheid ten grondslag gelegd dat GIM het vertrouwen heeft gewekt dat met een bedrag van EUR 100.000,00 de Rehobothkerk gered zou zijn. Deze vordering stuit reeds af op de overweging in 4.10.4 over genoemde omstandigheid dat van een gerechtvaardigd vertrouwen bij [eiser] op het behoud van de Rehobothkerk geen sprake is. Bij gebreke van een dergelijk door GIM bij [eiser] opgewekt vertrouwen, kan van enige verplichting van GIM om met [eiser] te onderhandelen geen sprake zijn.

4.14.

Uiterst subsidiair heeft [eiser] gevorderd GIM te gebieden de Rehobothkerk voor de leden van Jemaat GIM Tilburg te behouden. Die vordering betreft de leden van Jemaat GIM Tilburg in het algemeen en zal om die reden worden afgewezen op grond van hetgeen de rechtbank overwogen heeft in 4.3.

4.15.

[eiser] vordert GIM te veroordelen om binnen twee dagen na betekening van het vonnis aan hem allerlei stukken af te geven. Die stukken zijn:

  • -

    afschriften van alle notulen van vergaderingen van GIM vanaf 1971 voor zover daarin de Rehobothkerk en kerkgebouwen in het algemeen worden besproken;

  • -

    een overzicht van de afspraken die door de Staat der Nederlanden en GIM zijn gemaakt in het kader van de overdracht van 15 december 1988 en het daarbij ter beschikking gestelde bedrag;

  • -

    een afschrift van de jaarrekeningen van GIM vanaf 1989;

  • -

    een overzicht van personen die een bestuursfunctie binnen GIM hebben vervuld met opgave van de functies en begin- en einddatum van de bestuursperiode en

  • -

    afschriften van de processtukken in de procedure tussen Doevendans en GIM.

Begrijpt de rechtbank het goed, dan legt [eiser] aan deze vordering feitelijk ten grondslag dat er sprake is van onbehoorlijk bestuur, in het bijzonder door ds. [H] . Dat onbehoorlijk bestuur zou er uit hebben bestaan dat het door de Nederlandse Staat ter beschikking gestelde bedrag van EUIR 27.800.000,00 niet voor het onderhoud van (onder meer) de Rehobothkerk is aangewend, dat door wanbeheer dat geld niet meer beschikbaar is en dat inmiddels sprake is van achterstallig onderhoud.

GIM heeft deze vordering gemotiveerd weersproken. Zij heeft aangevoerd dat [eiser] geen enkel belang bij afgifte van (afschriften van) genoemde stukken heeft.

4.16.

Het wettelijk kader waarin deze vordering van [eiser] beoordeeld moet worden is artikel 843a Rv.

Daarin is bepaald dat hij die daarbij een rechtmatig belang heeft op zijn kosten afschriften kan vorderen van bepaalde stukken aangaande een rechtsbetrekking waarin hij partij is, van degene die die stukken onder zich heeft. Om van een rechtmatig belang te kunnen spreken dient het te gaan om stukken die van belang zijn voor iemands rechtspositie. Het ligt daarbij op de weg van [eiser] om voldoende concrete feiten te stellen waaruit dat belang blijkt.
heeft geen concrete feiten gesteld waaruit zijn belang bij afgifte van de door hem genoemde stukken blijkt. [eiser] heeft niet meer gedaan dan het geven van een mening over het handelen van de bestuurders van GIM, in het bijzonder van [H] . Een dergelijke mening verschaft hem nog geen belang bij afgifte van de door hem genoemde afschriften. Reeds hier op stuit de vordering van [eiser] af.
Voor zover [eiser] zich heeft beroepen op het (zijns inziens) rechtmatige belang van Jemaat GIM Tilburg bij afgifte van de door hem genoemde stukken, verliest [eiser] uit het oog dat het niet aan hem is om op te komen voor het belang van Jemaat GIM Tilburg maar aan de Kerkenraad.

4.17.

[eiser] vordert GIM te veroordelen om over te gaan tot het plegen van achterstallig onderhoud en (subsidiair) hem te machtigen dat onderhoud op kosten van GIM te kunnen plegen.

Ook deze vorderingen stuiten af op het feit dat [eiser] niet gelijkgesteld kan worden met Jemaat GIM Tilburg. Zoals reeds overwogen komt het gebruiksrecht van de Rehobodkerk aan Jemaat GIM Tilburg toe. Het onderhoud van de kerk is de verantwoordelijkheid van Jemaat GIM Tilburg en GIM en daarmee onderwerp van hun onderlinge rechtsverhouding. Daaraan kan [eiser] geen vordering tot nakoming ontlenen tenzij de onderhoudssituatie van de kerk jegens hem als zodanig gevaarlijk is te beschouwen dat het ongewijzigd voortbestaan daarvan een aansprakelijkheid van GIM oplevert in haar hoedanigheid van eigenaar. Een dergelijke situatie is door [eiser] niet gesteld.

4.18.

Het vorenoverwogene heeft tot gevolg dat alle vorderingen van [eiser] in conventie worden afgewezen en hij in de proceskosten veroordeeld zal worden van GIM in conventie.

4.19.

De afwijzing van alle vorderingen in conventie betekent dat [eiser] ten onrechte conservatoir beslag op het kerkgebouw gelegd heeft. Dit betekent dat de vordering van GIM tot veroordeling van [eiser] tot opheffing van het gelegde beslag zal worden toegewezen met veroordeling van [eiser] in de proceskosten van GIM in reconventie.

De beslissing

De rechtbank:

In conventie

wijst de vorderingen in conventie af;

veroordeelt [eiser] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van GIM, tot de uitspraak van dit vonnis begroot op EUR 2.813,00 (waarvan EUR 904,00 aan salaris gemachtigde en EUR 1.909,00 aan griffierecht);

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

In reconventie

veroordeelt [eiser] in reconventie om binnen 1 werkdag na de dag van betekening van dit vonnis over te gaan tot het (doen) opheffen en doorhalen van het conservatoir beslag tot levering en tot verhaal op het registergoed, kadastraal bekend Gemeente Tilburg, sectie AC, nummer 1864 op straffe van een dwangsom van EUR 10.000,00 per dag of een gedeelte van een dag dat hij daarmee in gebreke blijft met een maximum van EUR 250.000,00;

veroordeelt [eiser] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van GIM, tot de uitspraak van dit vonnis begroot op EUR 452,00 aan salaris gemachtigde, en tot betaling van de nakosten van EUR 131,00 voor zover betaling van de proceskosten zonder betekening plaats vindt, althans van EUR 191,00 voor zover betaling van de proceskosten uitblijft nadat veertien dagen verstreken zijn vanaf aanschrijving en betekening van dit vonnis;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.M.M. Steenberghe, rechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 30 maart 2016.