Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2016:1674

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
18-03-2016
Datum publicatie
18-04-2016
Zaaknummer
4780790
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

De vraag die voor ligt is of sprake is van een arbeidsovereenkomst dan wel een managementovereenkomst en of de rechtsverhouding tussen partijen rechtsgeldig is geeindigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/1136
AR-Updates.nl 2016-0426
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 4780790 UE VERZ 16-54 HH/1480

Beschikking van 18 maart 2016

inzake

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] (België),

verder ook te noemen [verzoeker] ,

verzoekende partij,

gemachtigde: mr. B.J. Bongaards,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[verweerster] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

verder ook te noemen [verweerster] ,

verwerende partij,

gemachtigde: mr. H. de Haij.

1 De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift met producties (11),

  • -

    het verweerschrift, tevens houdende een zelfstandig tegenverzoek tot ontbinding (voorwaardelijk), met producties (6),

  • -

    de producties 12a tot en met 19 van [verzoeker] ,

  • -

    de pleitnota van [verzoeker] ,

  • -

    de pleitnota van [verweerster] ,

  • -

    de mondelinge behandeling op 26 februari 2016.

Hierna is uitspraak bepaald.

2 De feiten

2.1.

[verweerster] is een leverancier op het gebied van producten voor bedrijfshulpverlening en spoedhulpdiensten. Bij [verweerster] zijn ongeveer 50 mensen werkzaam. [verweerster] is opgericht in september 2011 en gevestigd te [vestigingsplaats] .

2.2.

De enig aandeelhouder van [verweerster] is [bedrijf 1] B.V. De enig aandeelhouder van [bedrijf 1] B.V. is de in België gevestigde [bedrijf 2] N.V. De eveneens in België gevestigde [bedrijf 3] en [bedrijf 4] N.V. houden op hun beurt de aandelen in [bedrijf 2] N.V, aanvankelijk in de verhouding van 99,8% door een vennootschap van [A] en 0,2% door [bedrijf 3] , en met ingang van 2012 in de verhouding van 60% door [bedrijf 4] N.V. en 40% door [bedrijf 3] .

2.3.

[bedrijf 3] en [bedrijf 4] N.V. zijn tevens statutair bestuurders van [bedrijf 1] B.V. en [verweerster] .

2.4.

De heer [A] (hierna [A] ) is enig aandeelhouder en bestuurder van [bedrijf 4] N.V.

2.5.

[verzoeker] , geboren op [1963] , is voor 50% aandeelhouder van [bedrijf 3] . Zijn echtgenote is houdster van de overige 50% van de aandelen. [verzoeker] is bestuurder van [bedrijf 3] .

2.6.

Op 23 september 2011 is tussen [bedrijf 3] en [bedrijf 2] N.V. een managementovereenkomst tot stand gekomen. In de overeenkomst is opgenomen dat [bedrijf 3] [verzoeker] als vaste vertegenwoordiger aanduidt en dat [verzoeker] namens de [bedrijf 3] de managementactiviteiten bij [bedrijf 2] N.V. zal uitvoeren. Verder is bepaald dat de vaste all-in basisvergoeding van [bedrijf 2] N.V. op jaarbasis € 180.000,00 exclusief BTW bedraagt. Overeengekomen is dat de overeenkomst exclusief is onderworpen aan en zal worden geïnterpreteerd volgens het Belgische recht en dat de rechtbanken te Antwerpen exclusief bevoegd zijn om kennis te nemen van enig geschil met betrekking tot de overeenkomst.

2.7.

Partijen zijn vervolgens overeengekomen dat [verzoeker] op 1 januari 2012 tevens voor 16 uur per week in dienst van [verweerster] treedt, in de functie van directeur, en dat een deel van de managementvergoeding, een bedrag van € 30.000,00 bruto per jaar / € 2.500,00 bruto per maand, door [verweerster] als salaris wordt uitbetaald met inhouding van loonbelasting in Nederland. [verzoeker] , die woonachtig is in België, is voor de uitoefening van de werkzaamheden gedurende twee dagen in Nederland.

2.8.

In 2014 en 2015 heeft [bedrijf 3] naast de managementvergoeding en het salaris van [verweerster] een bedrag ontvangen van € 30.000,00.

2.9.

[verzoeker] is, voordat de managementovereenkomst tussen [bedrijf 3] en [bedrijf 2] N.V. tot stand kwam, als manager werkzaam geweest binnen de medische groep ‘Acertys’ te België. Acertys maakte voor 2007 deel uit van ‘ [verweerster] ’, onderdeel van het familiebedrijf van [A] te België. [A] was aandeelhouder van Acertys en lid van het bestuur. In 2011 heeft [A] één van de vennootschappen van Acertys overgenomen en een nieuwe structuur aangebracht. Daartoe zijn [bedrijf 2] N.V. (naar Belgische recht) en [bedrijf 1] B.V. (naar Nederlands recht) opgericht. [verzoeker] en [bedrijf 3] zijn in de gelegenheid gesteld te participeren.

2.10.

Op 28 september 2015 heeft [A] [verzoeker] een e-mailbericht gestuurd met de oproeping tot een buitengewone algemene vergadering van 15 oktober 2015 van [bedrijf 2] B.V. De bijgevoegde agenda luidt als volgt:

‘Op verzoek van een aandeelhouder nodigen wij u hierbij graag uit voor de buitengewone algemene vergadering van de [verweerster] B.V. met statutaire zetel te [vestigingsplaats] en kantooradres te [postcode] [vestigingsplaats] , [adres] en met vestigingsnummer [vestigingsnummer] , die zal plaatsvinden op 15 oktober 2015 om 17 uur te [postcode] [woonplaats] , [adres] , met de volgende agenda:

  1. Bespreking situatie;

  2. Te nemen maatregelen;

  3. Organisaties management en bestuur;

  4. Varia.’

2.11.

[verzoeker] heeft bij e-mailberichten van 10 en 13 oktober 2015 aan [A] gevraagd om een nadere toelichting op de bij de oproeping tot de buitengewone algemene vergadering van 15 oktober 2015 gevoegde agenda. [A] heeft daarop voorafgaand aan 15 oktober 2015 niet gereageerd.

2.12.

Op 15 oktober 2015 heeft [A] aan [verzoeker] gemeld dat de managementovereenkomst van [bedrijf 2] N.V. met [bedrijf 3] verbroken wordt. [verzoeker] heeft direct contact gezocht met zijn raadsman.

2.13.

Op 21 oktober 2015 heeft [verzoeker] zich bij [verweerster] ziek gemeld. Bij e-mailbericht van 22 oktober 2015 is namens [verweerster] aan [verzoeker] het volgende bericht:

“Ik heb van [voornaam A] doorgekregen, nadat ik de vraag heb gesteld, dat het salaris tot en met 15 oktober inclusief opgebouwde vakantiegeld wordt uitbetaald. Ik heb je vanaf die datum al uit dienst gemeld.”

2.14.

De raadsman van [verweerster] heeft [verzoeker] bij e-mailbericht van 4 november 2015 bericht dat op 15 november 2015 een aandeelhoudersbesluit is genomen waarbij [bedrijf 3] met onmiddellijke ingang is ontslagen als bestuurder van [verweerster] en dat dientengevolge ook de managementovereenkomst tussen [bedrijf 3] en [bedrijf 2] N.V. en de arbeidsovereenkomst tussen [verzoeker] en [verweerster] eindigen. Vermeld wordt dat de arbeidsovereenkomst zal eindigen op 1 december 2015.

2.15.

De advocaat van [verzoeker] heeft [verweerster] bij e-mail van 5 november 2015 bericht dat [verzoeker] geen opzegging van de arbeidsovereenkomst heeft ontvangen, noch enig ander bericht waaruit hij had moeten afleiden dat zijn arbeidsovereenkomst met [verweerster] zou eindigen. Namens [verzoeker] is verder aangegeven dat hij niet bekend is met een aandeelhoudersbesluit van [bedrijf 1] B.V. en dat als er al een aandeelhoudersbesluit is, dit besluit nietig of vernietigbaar is, maar dat daarover bij gebrek aan informatie geen nadere informatie gegeven kan worden.

2.16.

[verweerster] heeft [verzoeker] bij e-mailbericht van 9 november 2015 een bijlage gestuurd met de titel ‘Notulen, tevens houdende aandeelhoudersbesluit’. In de notulen wordt bepaald:

“(…) de vergadering heeft vastgesteld dat [bedrijf 3] een ernstige inbreuk heeft gepleegd op bepalingen van de managementovereenkomst van 23 september 2011, krachtens dewelke [bedrijf 3] ook prestaties heeft verricht voor de Vennootschap. De vergadering stelt vast dat deze een grove nalatigheid en zware fout uitmaken. (…) De organisatie van management en bestuur moet herbekeken worden. De positie van [bedrijf 3] binnen de Nederlandse tak van de [naam] Groep en de Vennootschap is onhoudbaar geworden.

(…)

De vergadering besluit na zorgvuldige beraadslaging om [bedrijf 3] ontslag te verlenen als directeur van de Vennootschap met ingang van heden. Het ontslag is unaniem goedgekeurd.

(…)”

2.17.

[bedrijf 3] heeft in België verschillende procedures aanhangig gemaakt:

  • -

    [bedrijf 3] heeft op 6 november 2015 [bedrijf 4] N.V. in kort geding gedagvaard met het oog op de aanstelling van een revisor voor de waardering van de aandelen in [bedrijf 2] N.V.,

  • -

    [bedrijf 3] heeft op 16 november 2015 [bedrijf 2] N.V. gedagvaard om in het kader van de beëindiging van de samenwerking een beëindigingsvergoeding te vorderen,

  • -

    De raadsman van [bedrijf 3] heeft op 1 december 2015 een brief verzonden aan het Instituut der Bedrijfsrevisoren (IBR) met de vraag om een deskundige aan te duiden ter waardering van de aandelen in [bedrijf 2] N.V.,

  • -

    [bedrijf 3] geeft op 17 december 2015 [bedrijf 4] N.V. gedagvaard tot gedwongen overname van zijn aandelen in [bedrijf 2] en heeft daarnaast wederom de aanstelling van een bedrijfsrevisor gevraagd. Het door [bedrijf 4] N.V. geboden bedrag van € 140.000,00 vindt [bedrijf 3] / [verzoeker] te laag.

2.18.

[bedrijf 3] is voornemens om bij deze rechtbank een procedure aanhangig te maken en vernietiging te vorderen van het vennootschapsrechtelijke besluit van 15 oktober 2015.

3 Het geschil

3.1.

[verzoeker] verzoekt om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  • -

    bij wijze van voorlopige voorziening voor de duur van het geding [verweerster] te veroordelen tot betaling aan [verzoeker] van het salaris van € 2.500,00 bruto per maand, te vermeerderen met vakantiebijslag en overige emolumenten, alsmede te vermeerderen met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW vanaf 1 december 2015 tot het moment waarop de arbeidsovereenkomst tussen partijen rechtsgeldig is geëindigd;

  • -

    bij wijze van voorlopige voorziening voor de duur van het geding [verweerster] te veroordelen [verzoeker] weder te werk te stellen vanaf het moment dat hij daartoe in medische zin ook in staat is, en hem toegang te geven tot zijn e-mail account en H-directory, onder verbeurte van een dwangsom van € 2.000,00 per dag dat [verweerster] in gebreke blijft,

primair:

  • -

    de opzeggingen van de arbeidsovereenkomst te vernietigen;

  • -

    [verweerster] te verplichten [verzoeker] binnen 24 uur na betekening van de te wijzen beschikking toe te laten tot de overeengekomen werkzaamheden, vanaf het moment dat [verzoeker] daar ook in medische zin toe in staat geacht kan worden, tot het moment dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen rechtsgeldig is geëindigd, onder verbeurte van een dwangsom van € 2.000,00 per dag dat [verweerster] in gebreke blijft;

  • -

    [verweerster] te veroordelen tot betaling van het salaris van [verzoeker] van € 2.500,00 bruto plus vakantiebijslag, te vermeerderen met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW vanaf 1 december 2015 tot het moment dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen rechtsgeldig is geëindigd, te vermeerderen met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW,

subsidiair:

- [verweerster] te veroordelen tot betaling van de transitievergoeding van € 3.150,00 bruto en een billijke vergoeding van € 100.000,00 bruto;

primair en subsidiair:

- [verweerster] te veroordelen in de kosten van de procedure.

3.2.

[verweerster] voert verweer.

3.3.

[verweerster] verzoekt bij voorwaardelijk ingesteld zelfstandig tegenverzoek, namelijk voor het geval mocht worden geoordeeld dat wel sprake is van een arbeidsovereenkomst tussen [verweerster] en [verzoeker] :

  • -

    de tussen [verweerster] en [verzoeker] bestaande arbeidsovereenkomst te ontbinden wegens de daarvoor aangevoerde redelijke grond,

  • -

    primair: bij het bepalen van de einddatum geen rekening te houden met de opzegtermijn en de arbeidsovereenkomst dadelijk te ontbinden, nu de ontbinding het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [verzoeker] ,

  • -

    subsidiair: bij het bepalen van de einddatum rekening te houden met de duur gelegen tussen de ontvangst van het verzoekschrift en de dagtekening van de ontbindingsbeschikking;

  • -

    te bepalen dat [verzoeker] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld of nagelaten en dientengevolge geen recht heeft op een transitievergoeding ten laste van [verweerster] , subsidiair aan [verzoeker] een transitievergoeding toe te kennen van € 3.150,00 bruto;

  • -

    [verzoeker] te veroordelen in de kosten van de procedure.

3.4.

[verzoeker] voert verweer.

3.5.

Op de stellingen van partijen wordt hierna voor zover van belang nader ingegaan.

4 De beoordeling

In de zaak van het verzoek

4.1.

De vraag die allereerst voor ligt is of de kantonrechter bevoegd is om van onderhavige vordering kennis te nemen. Daartoe dient te worden vastgesteld of de overeenkomst die is gesloten tussen [verzoeker] in privé en [verweerster] , naast de managementovereenkomst tussen [bedrijf 3] en [bedrijf 2] N.V., gekwalificeerd kan worden als een arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 7:610 Burgerlijk Wetboek (BW). Van een arbeidsovereenkomst volgens de definitie in dit artikel is sprake wanneer de ene partij, de werknemer, zich verbindt in dienst van een andere partij, de werkgever, tegen loon gedurende zekere tijd arbeid te verrichten. Volgens vaste rechtspraak zal aan de hand van alle omstandigheden van het geval, in onderling verband bezien, moeten worden beoordeeld of daarvan sprake is. Daarbij moet gekeken worden zowel naar de rechten en verplichtingen die partijen bij het sluiten van de overeenkomst voor ogen stonden, alsook naar de wijze waarop partijen uitvoering en inhoud hebben gegeven aan hun overeenkomst (zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Hoge Raad inzake [achternaam] /Schoevers, NJ 1998/149, [achternaam] / [achternaam] , NJ 2007/446, Thuiszorg/PGGM, NJ 2007/447 en Gouden Kooi, LJN:BP3887).

4.2.

Volgens [verzoeker] is het de bedoeling van partijen geweest om een arbeidsovereenkomst te sluiten. Zij hebben de arbeidsrechtelijke- en vennootschapsrechtelijke relaties in 2012 welbewust gesplitst, teneinde hem arbeidsrechtelijke bescherming te geven, aldus [verzoeker] . Partijen hebben hun relatie ook op de wijze van een arbeidsovereenkomst vorm gegeven. Aan de vereisten van persoonlijke arbeid, loon en een gezagsverhouding is volgens [verzoeker] voldaan. [verzoeker] verrichte arbeid en het loon werd naar hem in privé overgemaakt, terwijl de aansturing van [A] vanuit een hiërarchische verhouding was en hij een duidelijke sturende rol vervulde.

4.3.

[verweerster] baseert haar stelling dat de kantonrechter niet bevoegd is omdat geen sprake is van een arbeidsovereenkomst op het volgende. Volgens haar hebben partijen nimmer de intentie tot het aangaan van een arbeidsovereenkomst gehad, maar - op verzoek van [verzoeker] - louter om fiscale redenen een salary-split toegepast. Om te voorkomen dat het volledige bedrag van € 180.000,00 in België zou worden belast als bestuurdersinkomen uit een Belgische N.V. is overeengekomen dat een gedeelte van de beloning van € 180.000,00 (€ 15.000,00 per maand) via een Nederlandse vennootschap wordt uitbetaald (€ 30.000,00 per jaar, dus €2.500,00 per maand) met inhouding van loonbelasting, aldus [verweerster] . [verweerster] heeft daarnaast bestreden dat sprake is van een gezagsverhouding tussen [verweerster] en [verzoeker] .

4.4.

De kantonrechter overweegt het volgende. Het kan zo zijn dat de arbeidsovereenkomst alleen is ingegeven uit fiscale overwegingen, maar dit doet aan het bestaan van een arbeidsovereenkomst niet af. Er zijn voldoende aanknopingspunten gebleken die erop wijzen dat [verzoeker] en [verweerster] bij het sluiten van de overeenkomst de bedoeling hebben gehad om een arbeidsovereenkomst met elkaar aan te gaan. [verzoeker] werkte als persoon gedurende twee dagen in de week in Nieuwegein, voor [verweerster] , en hij kreeg voor deze werkzaamheden een vergoeding van € 30.000,00 per jaar. Dit bedrag was aanvankelijk besloten in de managementvergoeding, maar het enkele feit dat het daarna is afgesplitst en dat op dat moment geen schriftelijke arbeidsovereenkomst is opgesteld, is onvoldoende om aan te nemen dat de intentie bij partijen ontbrak om [verzoeker] werkzaam te laten zijn op basis van een arbeidsovereenkomst. Als partijen inderdaad niet de bedoeling hadden om een arbeidsovereenkomst aan te gaan, had naar het oordeel van de kantonrechter juist deze bedoeling uitdrukkelijk besproken en vastgelegd, moeten worden. Daarvan is niet gebleken. Verder wordt van belang geacht dat uit de vennootschapsstructuur valt op te maken dat een gezagsverhouding bestaat tussen [verzoeker] en [verweerster] , omdat [verzoeker] geen doorslaggevende stem heeft in [verweerster] en feitelijk werd aangestuurd door [A] die middellijk de meerderheid van de aandelen in [verweerster] houdt.

4.5.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat sprake is van een arbeidsovereenkomst tussen partijen en de kantonrechter bevoegd is om van de verzoeken van [verzoeker] kennis te nemen.

4.6.

Het verzoek van [verzoeker] strekt primair tot vernietiging van de opzegging van de arbeidsovereenkomst. Hierover wordt het volgende overwogen.

4.7.

Vooropgesteld dient te worden dat in verband met de beoordeling van het verzoek twee relaties moeten worden onderscheiden, namelijk de vennootschapsrechtelijke relatie van [bedrijf 3] als statutair bestuurder van (onder meer) [verweerster] en de contractuele relatie van [verzoeker] als werknemer in dienst van [verweerster] . Nu [verzoeker] in dienst is van een andere vennootschap dan waar hij (middels [bedrijf 3] ) bestuurder is, is dus sprake is van twee los van elkaar staande rechtsverhoudingen. De vraag rijst of de arbeidsovereenkomst van [verzoeker] met [verweerster] is geëindigd wanneer de [bedrijf 3] als manager is ontslagen en de managementovereenkomst is beëindigd.

4.8.

[verweerster] beroept zich op het besluit op de Buitengewone Vergadering Van Aandeelhouders (hierna BAVA) van [verweerster] van 15 oktober 2015. Volgens [verweerster] zijn met dit besluit alle banden tussen [A] en [verzoeker] / [bedrijf 3] doorgeknipt, nu [bedrijf 3] is ontslagen als statutair bestuurder van [verweerster] en per die datum tevens de managementovereenkomst is opgezegd. [verweerster] wijst er daarbij op dat [bedrijf 3] ook is ontslagen als statutair bestuurder van [bedrijf 1] B.V. en [bedrijf 2] N.V. Volgens [verweerster] zijn alle besluiten op juiste en rechtsgeldige wijze tot stand gekomen en heeft [bedrijf 3] het ontslag en de beëindiging van de managementovereenkomst in België bovendien aanvaard, zoals blijkt uit de door hem in België geëntameerde procedures over de gevolgen van de beëindiging van de managementovereenkomst en de waardering van de door [verzoeker] / [bedrijf 3] gehouden aandelen. [verweerster] beroept zich verder op analoge toepassing van de 15-april- arresten van de Hoge Raad (HR 15 april 2005, LJN AS 2713 en HR 15 april 2005, LJN AS 2030). Volgens haar dient vanwege de (feitelijke) verwevenheid van de vennootschapsrechtelijke en de arbeidsrechtelijke relatie te worden aangenomen dat het vennootschapsrechtelijke ontslag van [bedrijf 3] tevens de beëindiging van het arbeidsovereenkomst tussen [verzoeker] en [verweerster] betekent.

4.9.

[verzoeker] is van mening dat voormeld aandeelhoudersbesluit van 15 oktober 2015 in strijd is met artikel 2:8 BW en dus vernietigbaar. Het ontslag van [bedrijf 3] stond volgens [verzoeker] niet op de agenda en [bedrijf 3] heeft zich niet kunnen verweren en geen gebruik kunnen maken van haar adviserende stem. Bovendien liet [A] voorafgaand aan de vergadering weten dat hij het besluit al had genomen, aldus [verzoeker] . Volgens [verzoeker] geldt verder dat, voor zover op 15 oktober 2015 al een rechtsgeldig BAVA-besluit voor [verweerster] tot stand zou zijn gekomen, dit besluit niet ook de beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst tot gevolg heeft, omdat [verzoeker] wel werknemer, maar geen bestuurder was bij [verweerster] , zodat de 15-april arresten niet relevant zijn. Voor analoge toepassing van de 15-april arresten is volgens hem geen plaats.

4.10.

Het staat dus vast dat sprake is van twee verschillende rechtsverhoudingen die los van elkaar staan. Verder staat vast dat in het BAVA-besluit van 15 oktober 2015 van [verweerster] slechts verwezen wordt naar het ontslag van [bedrijf 3] in haar positie als bestuurder van [verweerster] . Over de beëindiging van de arbeidsovereenkomst tussen [verzoeker] en [verweerster] staat in het aandeelhoudersbesluit niets. Ook als kan worden aangenomen dat op 15 oktober 2015 een rechtsgeldig vennootschapsrechtelijk besluit is genomen tot ontslag van [bedrijf 3] dan treft dat [verzoeker] niet. Dit betekent dat de vraag of het vennootschapsrechtelijke besluit al dan niet vernietigbaar is buiten beschouwing kan blijven.

4.11.

[verweerster] heeft verschillende argumenten aangedragen op grond waarvan volgens haar aangenomen moet worden dat ingevolge de 15-april arresten verbreking van de vennootschapsrechtelijke relatie met [bedrijf 3] tevens een beëindiging betekent van de arbeidsrechtelijke relatie met [verzoeker] . Zij heeft er op gewezen dat een all-in managementvergoeding van € 180.000,00 per jaar is overeengekomen voor door [bedrijf 3] te verrichten managementwerkzaamheden in zowel België en Nederland en dat louter uit fiscale overwegingen een salary-split is toegepast. [verweerster] heeft verder aangevoerd dat partijen nimmer hebben beoogd dat een separate arbeidsovereenkomst zou ontstaan en dat ook geen schriftelijke overeenkomst is opgemaakt en op het salaris geen pensioenpremies werden ingehouden. Volgens [verweerster] is tenslotte van belang dat de werkzaamheden die [verzoeker] voor [verweerster] verrichtte op één lijn liggen en zijn te vereenzelvigen met de werkzaamheden die [bedrijf 3] als bestuurder van [verweerster] verrichtte en die werkzaamheden van [verzoeker] niet los van elkaar gezien kunnen worden.

4.12.

Deze stellingen falen. Voor zover [verweerster] met die stellingen heeft betwist dat er sprake is van een arbeidsovereenkomst, verwijst de kantonrechter naar 4.4 van deze beslissing waarin reeds geoordeeld is dat sprake is van een arbeidsovereenkomst tussen [verweerster] en [verzoeker] . Het feit dat de werkzaamheden van [verzoeker] voor [verweerster] mogelijk feitelijk samenvallen met de taak van [bedrijf 3] als bestuurder van [verweerster] , laat onverlet dat dat onvoldoende is om het ontslag van [bedrijf 3] ook juridisch samen te laten vallen met het ontslag van [verzoeker] als werknemer. Ook al is de arbeidsovereenkomst door het ontslag van [bedrijf 3] mogelijk een lege huls geworden, omdat de bedongen arbeid van [verzoeker] alleen bestaat uit het vervullen van de bestuurderstaak, dan nog geldt als uitgangspunt dat [verweerster] de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] had moeten beëindigen met inachtneming van de arbeidsrechtelijke regels. Nu niet gebleken is dat in het onderhavige geval sprake is van een rechtsgeldige opzegging, duurt de arbeidsovereenkomst voort.

4.13.

[verzoeker] heeft verzocht een voorlopige voorziening te treffen bestaande uit - kort weergegeven - het veroordelen van [verweerster] tot doorbetaling van loon en wedertewerkstelling van [verzoeker] . Nu wordt geoordeeld dat de arbeidsovereenkomst voortduurt heeft de gevraagde voorlopige voorziening geen zelfstandige betekenis. De gevraagde voorziening tot betaling van het loon vanaf 1 december 2015, te vermeerderen met de vakantiebijslag en de verschuldigde wettelijke verhoging, tot de datum waarop de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd, zal dan ook uit hoofde van de arbeidsovereenkomst worden toegewezen, op de wijze als in het dictum vermeld.

4.14.

Voor toewijzing van het verzoek om [verweerster] te veroordelen om [verzoeker] weder te werk te stellen vanaf het moment dat hij daartoe medisch weer in staat is, en hem toegang te geven tot zijn e-mailaccount en H-directory, is naar het oordeel van de kantonrechter geen plaats. Niet valt in te zien dat [verzoeker] thans nog een belang heeft bij wedertewerkstelling omdat de arbeidsovereenkomst op verzoek van [verweerster] wordt ontbonden. Vanwege deze beëindiging is evenmin gebleken wat het belang is van [verzoeker] bij toegang tot de digitale gegevens. Als hij specifieke stukken nodig heeft voor de procedures die [bedrijf 3] in België voert, dan ligt voor de hand dat hij daartoe in België een verzoek indient.

In de zaak van het tegenverzoek

4.15.

[verweerster] heeft bij voorwaardelijk zelfstandig tegenverzoek verzocht dat de arbeidsovereenkomst op de kortst mogelijke termijn wordt ontbonden, zonder toekenning van een transitievergoeding, en subsidiair met een vergoeding van ten hoogte € 3.150,00 bruto.

4.16.

Het meest verstrekkende verweer van [verzoeker] is dat de kantonrechter onbevoegd is om van het tegenverzoek kennis te nemen aangezien [verzoeker] woonachtig is in België. Volgens [verzoeker] leidt dit ertoe dat het zelfstandige tegenverzoek voor het gerecht in België gebracht moet worden. De kantonrechter verwerpt dit verweer en overweegt daartoe het volgende.

4.17.

De vraag of de kantonrechter bevoegd is om van het zelfstandige tegenverzoek kennis te nemen dient te worden beoordeeld aan de hand van de sinds 10 januari 2015 geldende EEX-Verordening II (Verordening EU nr. 1215/2012) die van toepassing is in burgerlijke en handelszaken en die onder andere de rechtelijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in andere EU lidstaten regelt. Evenals onder de voor de herziening geldende EEX-Verordening (Verordening EU nr. 44/2001) is uitgangspunt dat een ontbindingsverzoek van een werkgever ingediend moet worden bij de rechter van de woonplaats van de werknemer, indien deze werknemer in een ander EU-land zijn woonplaats heeft. Daarnaast geldt echter dat de rechter van de woonplaats van de werknemer niet exclusief bevoegd is als sprake is van een tegeneis in een reeds aanhangig geding. Nu in de EEX-Verordening II geen onderscheid wordt gemaakt tussen vorderingen en verzoeken en onder vordering mede een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst moet worden verstaan, brengt dit met zich dat een dergelijk verzoek, daaronder sinds 1 juli 2015 begrepen een zelfstandig tegenverzoek op grond van artikel 7:686a BW, dus in reconventie kan worden gedaan in een door de werknemer gestarte procedure bij de Nederlandse kantonrechter. Dit betekent dat de kantonrechter in het onderhavige geval bevoegd is om van het door [verweerster] ingediende zelfstandig tegenverzoek kennis te nemen.

4.18.

[verzoeker] heeft als verweer verder aangevoerd dat een redelijke grond als vereist in artikel 7:669 lid 1 BW ontbreekt. Hij concludeert tot afwijzing van het verzoek en subsidiair tot toekenning van de transitievergoeding van € 3.150,00 en een billijke vergoeding van in totaal € 100.000,00 bruto.

4.19.

De kantonrechter overweegt als volgt. Uit artikel 7:669 lid 1 BW volgt dat de arbeidsovereenkomst alleen kan worden ontbonden indien daar een redelijke grond voor is en, behoudens in geval van verwijtbaar handelen, herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt. In artikel 7:669 lid 3 BW is (limitatief) omschreven wat onder een redelijke grond moet worden verstaan. Bij regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 23 april 2015 (Stcrt. 2015/12685) zijn daarvoor nadere regels gesteld (Ontslagregeling). Vooropgesteld wordt dat in het huidige ontslagrecht, anders dan bij het ontslagrecht zoals dat voor 1 juli 2015 gold, verschillende ontslagredenen die elk op zich onvoldoende zijn voor ontslag, niet ‘bij elkaar kunnen worden opgeteld’ om een ontslag te kunnen dragen. Voor elke aangevoerde grond moet worden bekeken of die op zichzelf voldoende voldragen is om tot een ontbinding van de arbeidsovereenkomst te kunnen leiden. Beoordeeld moet dus worden of de door [verweerster] aangedragen gronden op zichzelf voldoende zijn om over te gaan tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst.

4.20.

[verweerster] heeft gesteld dat de redelijke grond voor ontbinding primair is gelegen in de omstandigheid dat [verzoeker] verwijtbaar heeft gehandeld (artikel 7:669 lid e BW). Ter nadere toelichting heeft [verweerster] gesteld dat gedurende de periode dat [A] door ziekte niet in staat was om de zaken bij [verweerster] te volgen tussen [verzoeker] en [A] onenigheid is ontstaan over de handelwijze van [verzoeker] . [verweerster] verwijt [verzoeker] dat hij zonder overleg en in strijd met de managementovereenkomst zichzelf (dan wel [bedrijf 3] ) extra bedragen heeft toegekend, waaronder bonussen ten bedrage van € 30.000,00 in 2014 en 2015, en dat hij onverantwoorde beslissingen heeft genomen met grote, voor [verweerster] nadelige, financiële gevolgen. [verweerster] heeft er op gewezen dat zij door het schuiven met gelden binnen het concern niet meer aan haar huurverplichtingen kon voldoen. Er moesten forse kostenbesparingen doorgevoerd worden en het leverancierskrediet moest worden afgebouwd. [verweerster] heeft verder gesteld dat aan het licht is gekomen dat [verzoeker] privé uitgaven heeft gedaan op kosten van de vennootschap, privélidmaatschappen liet betalen door de vennootschap, onterechte declaraties heeft ingediend als tankbeurten en een reis naar Venetië, privérekeningen door de vennootschap heeft laten betalen, zichzelf hogere rentevergoedingen op een aandeelhouderslening heeft toegekend, met [verweerster] concurrerende werkzaamheden heeft uitgevoerd, cijfers van de vennootschap heeft gemanipuleerd, verplichte aankopen heeft verhoogd met als resultaat onverkochte voorraden, bestellingen via een webshop heeft gedaan waarop geen betaling is ontvangen, en eenzijdig en zonder overleg of toestemming de managementvergoeding heeft verhoogd.

Volgens [verweerster] heeft [verzoeker] de indruk gewekt dat hij de werkelijke gang van zaken wilde verdoezelen, nu hij zich heeft verzet tegen de benoeming van [B] als onafhankelijk bestuurder, en heeft hij bovendien een voorstel gedaan om de aandelen [verweerster] N.V. over te nemen voor € 1,00, een bedrag dat, ook bij overname van de schulden, niet in verhouding staat tot de werkelijke waarde.

4.21.

[verzoeker] heeft zich er op beroepen dat de verwijten onterecht zijn. Ter nadere onderbouwing daarvan heeft hij als productie 17 een verklaring in het geding gebracht waarin de verschillende verwijten worden weerlegd. Het verweer strekt ertoe dat [verzoeker] zichzelf nooit ten onrechte bedragen heeft toegekend en dat van wanbeleid geen sprake is geweest. Het bedrag van € 30.000,00 is volgens hem in overleg met [A] als salaris verhoging aan hem betaald. Volgens [verzoeker] zijn ook de overige aangevoerde argumenten gezocht en gebaseerd op onderbuikgevoelens van [A] . [verzoeker] heeft er tevens op gewezen dat [verweerster] in het besluit van 15 oktober 2015 uitsluitend refereert aan gedragingen van [bedrijf 3] en dat deze vennootschap geen partij is in deze procedure.

4.22.

De kantonrechter overweegt dat verwijtbaar handelen ziet op daden of gedragingen van een werknemer waarbij sprake is van toerekenbaar verwijtbaar handelen in de zin van schuld aan dat handelen. Er dient sprake te zijn van wangedrag, onwil of moedwil aan de zijde van de werknemer. Als uitgegaan kan worden van de feiten en omstandigheden zoals door [verweerster] gesteld, is de conclusie dat sprake is van ontoelaatbaar gedrag gerechtvaardigd. De verschillende feiten en omstandigheden zijn echter niet komen vast te staan. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [verweerster] in het licht van de betwisting door [verzoeker] en vanuit arbeidsrechtelijk perspectief haar stellingen onvoldoende feitelijk onderbouwd. Er is in het kader van deze procedure dan ook geen aanleiding om [verweerster] tot bewijslevering toe te laten. De conclusie is dat niet is komen vast te staan dat [verzoeker] verwijtbaar heeft gehandeld en dat er een redelijke grond voor ontbinding is, zoals bedoeld in artikel 7:669 lid 3 lid e BW.

4.23.

[verweerster] heeft zich er subsidiair op beroepen dat sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding die zodanig is dat van haar niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren (artikel 7:669 lid 3 onder g BW). [verweerster] wijst op de procedures die [bedrijf 3] in België heeft aangespannen. Volgens [verweerster] heeft [verzoeker] bovendien in de Belgische procedures berust in de beëindiging van de managementovereenkomst en is het onwenselijk dat [verzoeker] in privé managementwerkzaamheden blijft verrichten voor [verweerster] , terwijl de managementwerkzaamheden bij de andere vennootschappen ( [bedrijf 1] B.V. en [bedrijf 2] N.V.) zijn beëindigd. [verzoeker] heeft bestreden dat sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding, maar de kantonrechter volgt hem daarin niet. Op basis van de stellingen van partijen is voldoende gebleken dat partijen zeer fundamenteel van mening verschillen over wat [verzoeker] ter uitvoering van de arbeidsovereenkomst heeft gedaan en van hem verwacht mocht worden. Uit het feit dat dit verschil van inzicht heeft geleid tot een aantal juridische procedures valt onmiskenbaar af te leiden dat er over en weer sprake is van een volledig gebrek aan vertrouwen in elkaar. Nu een ongestoorde vertrouwensverhouding vanwege de positie die [verzoeker] bekleedt van bijzonder belang is voor een effectief functioneren, komt de kantonrechter tot het oordeel dat voor een vruchtbare voortzetting van de arbeidsovereenkomst geen enkel draagvlak meer is. Dit betekent dat sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding die zodanig is dat van [verweerster] niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Terugkeer van [verzoeker] ligt niet in de rede. De arbeidsovereenkomst zal worden ontbonden wegens een ernstig verstoorde arbeidsrelatie tussen [verzoeker] en [verweerster] .

4.24.

Naar het oordeel van de kantonrechter staat de arbeidsongeschiktheid van [verzoeker] aan de ontbinding niet in de weg, nu het verzoek gebaseerd is op een verstoorde arbeidsverhouding en voldoende gebleken is dat hiervan sprake is. Van toepasselijkheid van een opzegverbod ingevolge art 7:670 BW, of enig ander opzegverbod, is niet gebleken.

4.25.

Het verzoek van [verweerster] zal worden toegewezen en de arbeidsovereenkomst zal met toepassing van artikel 7:671b lid 8, onderdeel a BW worden ontbonden met ingang van 15 april 2016. Dat is de datum waarop de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging zou zijn geëindigd, verminderd met de duur van deze procedure.

4.26.

De kantonrechter ziet geen aanleiding om [verzoeker] een billijke vergoeding toe te kennen. Voor toekenning van een dergelijke vergoeding is alleen plaats als de ontbinding het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van een werkgever zich slechts zal voordoen in uitzonderlijke gevallen, bijvoorbeeld als er als gevolg van laakbaar gedrag van de werkgever een verstoorde arbeidsrelatie is ontstaan en de rechter concludeert dat er geen andere optie is dan ontslag. Onvoldoende gebleken is dat een dergelijke situatie zich in het onderhavige geval voordoet. [verweerster] is aan [verzoeker] wel een transitievergoeding verschuldigd, nu de arbeidsovereenkomst langer dan 24 maanden heeft geduurd en de arbeidsovereenkomst op verzoek van [verweerster] wordt ontbonden. De vergoeding wordt vastgesteld op een bedrag van € 3.150,00 bruto.

4.27.

Nu aan de ontbinding een vergoeding wordt verbonden, zal [verweerster] gelet op het bepaalde in artikel 7:686a lid 6 BW in de gelegenheid worden gesteld om het verzoek in te trekken binnen de hierna genoemde termijn.

In de zaak van het verzoek en het tegenverzoek

4.28.

De kantonrechter ziet aanleiding om de kosten van deze procedure te compenseren.

5 De beslissing

De kantonrechter:

In de zaak van het verzoek

5.1.

veroordeelt [verweerster] tot betaling aan [verzoeker] van het salaris van € 2.500,00 bruto per maand, te vermeerderen met vakantiebijslag en overige emolumenten, vanaf 1 december 2015 tot het moment waarop de arbeidsovereenkomst tussen partijen rechtsgeldig is geëindigd;

5.2.

veroordeelt [verweerster] tot betaling aan [verzoeker] van de wettelijke verhoging van 50% ex artikel 7:625 BW;

5.3.

wijst af het meer of anders verzochte;

In de zaak van het tegenverzoek

5.4.

bepaalt dat de termijn, waarbinnen [verweerster] het verzoek kan intrekken zal lopen tot en met 1 april 2016;

voor het geval [verweerster] het verzoek niet binnen die termijn intrekt:

5.5.

ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen;

5.6.

bepaalt het einde van de arbeidsovereenkomst op 15 april 2016;

5.7.

veroordeelt [verweerster] om aan [verzoeker] te voldoen € 3.150,00 aan transitievergoeding;

In de zaak van het verzoek en het tegenverzoek

5.8.

verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

5.9.

compenseert de proceskosten in die zin, dat partijen de eigen kosten dragen.

Deze beschikking is gegeven door mr. H.M.M. Steenberghe, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2016.