Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2016:1658

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
30-03-2016
Datum publicatie
06-04-2016
Zaaknummer
16/659858-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Man wordt veroordeeld voor poging tot doodslag in Lelystad in 2015 en bezit van een vuurwapen en munitie. De rechtbank oordeelt dat de man zes maal met een vuurwapen heeft geschoten op een auto waarin aangever zich bevond. De verdachte wordt vrijgesproken van moord omdat de rechtbank oordeelt dat niet vaststaat dat de verdachte voldoende tijd heeft gehad om zich te beraden op het te nemen of genomen besluit.

De rechtbank verwerpt het standpunt van de verdediging dat er sprake is van noodweer, omdat het op grond van het dossier niet aannemelijk is dat er sprake is van een noodweersituatie.

De rechtbank veroordeelt de man tot een gevangenisstraf van 5 jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Lelystad

Parketnummer: 16/659858-15

Vonnis van de meervoudige kamer van 30 maart 2016

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [1985] te Curaçao (Nederlandse Antillen),

wonende te [woonplaats] , [adres] ,

thans gedetineerd in de PI Overijssel – Huis van Bewaring Zwolle te Zwolle.

1 HET ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het onderzoek heeft plaatsgevonden ter openbare terechtzitting van 16 maart 2016, waarbij de verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. V.G. Kraal, advocaat te Amsterdam.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. N.T.R.M. Franken en van de standpunten door de raadsman van de verdachte naar voren gebracht.

2 DE TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 05 december 2015 te Lelystad, althans in het arrondissement Midden-Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, althans met dat opzet

- (na een eerder contact met die [slachtoffer] ) met de auto naar het woon- of verblijfadres van die [slachtoffer] is gereden en/of

- (vervolgens, nadat hij die [slachtoffer] aldaar aanwezig zag) een pistool, althans een vuurwapen, uit zijn jaszak heeft gepakt en/of

- (vervolgens) dat pistool, althans dat vuurwapen, (door) heeft geladen en/of

- (vervolgens) dat pistool, althans dat vuurwapen, heeft gericht op die (zich in die auto bevindende) [slachtoffer] en/of

- (vervolgens) met dat pistool, althans met een vuurwapen, zes schoten op het lichaam, althans in de richting van die (zich in die auto bevindende) [slachtoffer] heeft afgevuurd,

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

2.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 5 december 2015 tot en met 7 december 2015 te Lelystad, althans in het arrondissement Midden-Nederland, een wapen van categorie III, te weten een vuurwapen pistool, merk Beretta, model 70, kaliber 7.65mm, en/of munitie van categorie III, te weten vijf scherpe patronen, (drie patronen van kaliber 7.65, merk Geco en/of een patroon merk GFL en/of een patroon merk W-W, kaliber .32 auto

(7.65mm) (te gebruiken met voornoemd (vuur)wapen), voorhanden heeft gehad.

3 DE VOORVRAGEN

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in haar vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 DE BEWIJSMIDDELEN EN DE BEOORDELING DAARVAN

Inleiding 1

In deze zaak kan ten aanzien van feit 1 worden vastgesteld dat de verdachte op 5 december 2015 in Lelystad met een pistool zes kogels heeft afgeschoten in de richting van de auto waarin aangever [slachtoffer] zich bevond.2

Voorts kan ten aanzien van feit 2 worden vastgesteld dat de verdachte in de periode van 5 december 2015 tot en met 7 december 2015 in Lelystad een vuurwapen van categorie III, namelijk een pistool van het merk Beretta, model 70, kaliber 7.65 mm voorhanden heeft gehad, alsook munitie van categorie III, namelijk vijf scherpe patronen, waarvan drie patronen van het merk Geco, kaliber 7.65 mm, één patroon van het merk GFL, en één met de merkaanduiding W-W, kaliber .32 auto (7.65 mm).3

De rechtbank ziet zich ten eerste voor de vraag gesteld of het opzet van de verdachte gericht was op het doden van aangever en vervolgens of het handelen van de verdachte is te kwalificeren als een poging tot moord dan wel als een poging tot doodslag.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de impliciet primair ten laste gelegde poging tot moord wettig en overtuigend kan worden bewezen. Gelet op de schotbanen is er gericht op aangever geschoten en bestond er een aanmerkelijke kans dat aangever geraakt zou worden. Voorts ging de verdachte terug naar aangever, besprak hij blijkens het tapgesprek op pagina 10175 tussendoor nog wat er speelde en schoot hij vervolgens zes keer gericht op de auto van aangever, hetgeen wijst op een vooropgezet plan om aangever dood te schieten.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat de verdachte bewust niet op aangever heeft geschoten, hetgeen ook blijkt uit het gegeven dat er geen schade is geconstateerd aan de voorruit van de auto waarin aangever zat. Voorts bevat het dossier volgens de raadsman geen enkele aanwijzing voor de stelling van de officier van justitie dat de verdachte heeft gehandeld na kalm beraad en rustig overleg.

Het oordeel van de rechtbank

De feiten en omstandigheden

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Aangever heeft als volgt verklaard. Op 5 december 2015 kwam hij omstreeks 17.45 uur met zijn kinderen thuis op de [adres] te [woonplaats] . Hij stond samen met zijn twee kinderen buiten en zag een auto van het merk Opel, type Astra, met hoge snelheid door de straat rijden en verderop bij een woning stoppen. Ongeveer een minuut later kwam die auto weer vol gas terugrijden. Aangever maakte een handgebaar dat hij zachter moest rijden. De bestuurder stopte, waarop aangever de man aansprak en hem zei dat hij rustiger moest rijden in verband met zijn kinderen. Omdat de bestuurder hem aankeek en glimlachte, werd aangever boos en liep hij naar binnen om een ijzeren stang te pakken. Toen hij weer buiten kwam, zag hij dat de man wegreed in de richting van de Voorstraat. Zo’n vijf minuten later zag hij dat diezelfde man er weer aan kwam. Dit keer was hij lopend. Hij had zijn hand in zijn zak. Aangever kreeg een slecht gevoel en is in zijn auto gestapt. Hij heeft de motor gestart en hoorde en zag toen dat de man begon te schieten. De man stond op dat moment in de [adres] ter hoogte van nummer [nummer] bij een lantaarnpaal. Hij hoorde dat zijn auto meerdere keren geraakt werd. Hij denkt dat de man zo’n zes keer geschoten heeft. Aangever heeft van een foto de verdachte herkend als de persoon die op hem geschoten heeft.4

Getuige [getuige] , de toenmalige vriendin van aangever, heeft als volgt verklaard. De verdachte reed hard door de straat, en haar vriend [slachtoffer] heeft daar wat van gezegd. De verdachte lachte daarop en deed stoer, waarop haar vriend boos werd. Na ongeveer vijf minuten kwam de verdachte aanlopen. Toen de verdachte zag dat haar vriend in de auto was gaan zitten, haalde hij iets naar voren. [getuige] hoorde een knal en zag vuur. Zij heeft vijf of zes knallen gehoord. Zij hoorde dat de auto geraakt werd.5

De verdachte heeft als volgt verklaard. Hij reed door de [adres] omdat hij bij [A] , die verderop in die straat woont, de auto wilde wassen. Een man, waarvan hij weet dat hij [slachtoffer] wordt genoemd – de rechtbank begrijpt: aangever – werd kwaad op hem omdat hij volgens hem te hard reed. Toen hij nog een keer door de straat reed, begon [slachtoffer] te schreeuwen. De verdachte stopte de auto om te vragen waarom hij zo deed en heeft toen gelachen, zo van ‘kom maar’. Hij heeft zijn auto geparkeerd en is teruggelopen naar de [adres] . De man stapte in zijn auto en dook naar het dashboardkastje. De verdachte heeft zijn pistool uit zijn jaszak6 gepakt en doorgeladen.7 Hij is naar achteren gelopen en heeft tegelijk op de auto geschoten.8 Hij heeft zes keer geschoten.9 Hij zag dat hij de auto raakte, want hij zag vonken. Hij is gestopt met schieten toen het wapen leeg was.10

Uit het proces-verbaal van sporenonderzoek volgt dat schuin aan de overzijde van de [adres] , ongeveer ter hoogte van de woning aan de [adres] , zes hulzen, kaliber 7.65 mm, zijn aangetroffen.11 Door het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) is gerapporteerd dat het extreem veel waarschijnlijker is dat de zes aangetroffen hulzen zijn verschoten met het onder de verdachte aangetroffen en inbeslaggenomen pistool dan dat de hulzen zijn verschoten met één of meerdere andere vuurwapens van hetzelfde kaliber en met dezelfde systeemkenmerken als het pistool.12

Het proces-verbaal van sporenonderzoek naar de Opel Astra van aangever relateert dat zich op het linker voorscherm – direct naast de motorkap – en op het dak boven het bestuurdersportier twee schotsbeschadigingen bevonden. Ook was de rechterachterband lek. In deze achterband werd een kogelpunt, volmantel met loodvulling, aangetroffen.13

Naar aanleiding van de verklaring van aangever zijn afstandsmetingen verricht. Daaruit blijkt dat de verdachte op een afstand van 25 meter van de auto van aangever stond toen hij begon te schieten.14 Ook getuige [getuige] heeft de plaats aangewezen waar de verdachte stil bleef staan en de plaats waar aangever zich bevond. De afstand tussen die twee plaatsen bedraagt 22 meter.15

Het oordeel van de rechtbank

De verdachte heeft ontkend dat hij aangever wilde doden. De rechtbank overweegt dat uit de hierboven genoemde bewijsmiddelen volgt dat de verdachte over een afstand van ongeveer 25 meter heeft geschoten in de richting van de auto waarin aangever zich bevond en daarbij zes schoten heeft afgevuurd. Uit het onderzoek naar de inslagen van de schoten is gebleken dat de auto is geraakt op het linker voorscherm (naast de motorkap), op het dak boven het bestuurdersportier en in de rechterachterband. Ter terechtzitting heeft de verdachte gezegd dat hij min of meer lukraak geschoten heeft, terwijl hij in zijn verklaring bij de politie gezegd heeft dat hij op de motorkap van de auto van aangever gericht heeft om te voorkomen dat aangever verder kon rijden. Aan het voorgaande – de resultaten van het onderzoek naar de inslagen en de wisselende verklaring van de verdachte – verbindt de rechtbank de conclusie dat het niet aannemelijk is dat de verdachte zo gericht op een deel van de auto heeft geschoten dat de kans dat hij aangever zou treffen uitgesloten of zeer gering was. Integendeel, door de wijze waarop hij geschoten heeft, ontstond de aanmerkelijke kans dat hij aangever dodelijk zou treffen en door die handelwijze en door daarbij zesmaal te schieten heeft hij die aanmerkelijke kans ook bewust aanvaard.

Met betrekking tot de vraag of de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld, overweegt de rechtbank dat uit het dossier weliswaar volgt dat de verdachte na het mondelinge contact met aangever eerst de straat uit is gereden, zijn auto heeft geparkeerd en vervolgens terug is komen lopen waarna hij is gaan schieten, zodat daaruit zou kunnen worden afgeleid dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden, maar dat uit het dossier niet volgt wanneer de verdachte heeft besloten te gaan schieten of op welk moment hij daaromtrent enig plan heeft opgevat. De rechtbank deelt niet het standpunt van de officier van justitie dat uit het door haar aangehaalde tapgesprek – onder meer – de voorbedachte raad kan worden afgeleid, nu ten eerste niet is onderzocht of de verdachte degene is die aan dit telefoongesprek heeft deelgenomen en de aangehaalde tekst bovendien een verdergaande interpretatie vereist. De rechtbank is aldus van oordeel dat niet vaststaat dat de verdachte voldoende tijd heeft gehad om zich te beraden op het te nemen of genomen besluit, zodat de verdachte zal worden vrijgesproken van de impliciet primair ten laste gelegde poging tot moord. De impliciet subsidiair ten laste gelegde poging tot doodslag acht de rechtbank op grond van voornoemde bewijsmiddelen daarentegen wel wettig en overtuigend bewezen.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht ten aanzien van de verdachte wettig en overtuigend bewezen dat:

1.

hij op 05 december 2015 te Lelystad, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk, [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet

- nadat hij die [slachtoffer] aanwezig zag een pistool uit zijn jaszak heeft gepakt en

- vervolgens dat pistool door heeft geladen en

- vervolgens met dat pistool zes schoten in de richting van die zich in die auto bevindende [slachtoffer] heeft afgevuurd,

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

2.

hij op tijdstippen in de periode van 5 december 2015 tot en met 7 december 2015 te Lelystad, een wapen van categorie III, te weten een pistool, merk Beretta, model 70, kaliber 7.65mm, en munitie van categorie III, te weten vijf scherpe patronen, drie patronen van kaliber 7.65, merk Geco en een patroon merk GFL en een patroon merk W-W, kaliber .32 auto (7.65mm), voorhanden heeft gehad.

Van het meer of anders ten laste gelegde zal de verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

6 KWALIFICATIE

Het bewezene levert op:

Ten aanzien van feit 1 impliciet subsidiair:

poging tot doodslag.

Ten aanzien van feit 2:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

7 STRAFBAARHEID

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte uit noodweer dan wel (putatief) noodweerexces heeft gehandeld en daarom van alle rechtsvervolging dient te worden ontslagen. Daartoe is aangevoerd dat de verdachte allereerst door aangever verbaal is bedreigd met de in het Papiaments uitgesproken woorden “Ik heb allang iets voor jou”. Voorts is aangevoerd dat aangever op de verdachte wilde inrijden, en ten slotte heeft de verdachte verklaard dat aangever een pistool op hem heeft gericht, waardoor hij zich genoodzaakt zag zelf te schieten. In het kader van het beroep op noodweerexces is nog aangevoerd dat een heviger gemoedsbeweging dan de vrees voor eigen leven niet denkbaar is.

De rechtbank overweegt dat aangever heeft ontkend dat hij de verdachte in het Papiaments heeft bedreigd. Ook getuige [getuige] heeft verklaard dat zij aangever niet de bewuste woorden in het Papiaments heeft horen zeggen.

De rechtbank overweegt voorts dat aangever heeft verklaard dat hij in de auto is gestapt en de motor heeft gestart omdat hij op de verdachte wilde inrijden. Nadat hij de motor had gestart, begon de verdachte te schieten, en dook aangever weg. Getuige [getuige] heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat de motor pas werd gestart nadat de verdachte had geschoten. De rechtbank stelt vast dat uit het dossier niet volgt dat aangever richting de verdachte is gereden waarna de verdachte is gaan schieten, maar dat de verdachte reeds schoot voordat aangever is gaan rijden.

Ten slotte overweegt de rechtbank dat het dossier geen enkel aanknopingspunt biedt voor de stelling van de verdachte dat aangever een vuurwapen op hem gericht hield. Getuige [getuige] heeft verklaard dat zij aangever, met wie zij zeven jaar samen is geweest, nog nooit met een vuurwapen heeft gezien.

De rechtbank acht op grond van vorenstaande niet aannemelijk geworden dat voor de verdachte sprake is geweest van een noodweersituatie en verwerpt daarom het door de raadsman gedane beroep op noodweer. Nu de rechtbank heeft vastgesteld dat niet op enig moment sprake is geweest van een noodweersituatie, verwerpt de rechtbank ook het door de verdediging gedane beroep op (putatief) noodweerexces.

De feiten en de verdachte zijn strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden zijn gebleken die die strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten.

8 STRAFOPLEGGING

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte ter zake van de hem bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaren, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van een op te leggen straf geen verweer gevoerd.

Het oordeel van de rechtbank

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder de verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen beslissing passend.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een vuurwapen en van munitie. Het onbevoegd voorhanden hebben van een dergelijk wapen brengt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich. Dat risico heeft zich verwezenlijkt nu de verdachte met het vuurwapen zes schoten heeft afgevuurd op de auto waarin het slachtoffer zich bevond, en zich aldus heeft schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag. De (ex-)vriendin en het toen zevenjarige zoontje van het slachtoffer zijn hiervan getuige geweest. Het slachtoffer heeft gevreesd voor zijn leven en is, blijkens de schriftelijke slachtofferverklaring, nog steeds angstig, voelt zich onveilig, en is door zijn huisarts in verband met een vermoedelijke posttraumatische stressstoornis doorverwezen naar de psycholoog. De rechtbank rekent het de verdachte ook aan dat het incident plaatsvond in een woonwijk. Dergelijke gebeurtenissen veroorzaken grote gevoelens van onveiligheid in de maatschappij.

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister van 19 januari 2016 betreffende de verdachte. Daaruit volgt dat de verdachte eerder met justitie in aanraking is gekomen, echter niet ter zake van soortgelijke feiten.

Door de reclassering is in haar rapport van 18 februari 2016 gerapporteerd dat de verdachte vermoedelijk laag begaafd is. De verdachte is van mening dat het dragen van een wapen normaal is en hij lijkt niet in staat een normaal leven op te bouwen met werk, inkomsten en huisvesting. Er zijn aanwijzingen voor problemen in de persoonlijkheid. De verdachte is snel achterdochtig. De reclassering adviseert aan de verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Nu de verdachte niet heeft willen meewerken aan een psychologisch en psychiatrisch onderzoek, kan de rechtbank verder niet vaststellen of bij de verdachte sprake is van enige psychopathologie.

De rechtbank is, alles afwegende, van oordeel dat, gelet op de ernst van de feiten, een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden is.

Gelet op de op te leggen gevangenisstraf wijst de rechtbank het door de raadsman gedane verzoek om onmiddellijke invrijheidsstelling van de verdachte af.

9 DE BENADEELDE PARTIJ

Voor aanvang van de terechtzitting heeft [slachtoffer] – daartoe vertegenwoordigd door [B] van Slachtofferhulp Nederland – zich als benadeelde partij in dit geding gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van schade ten gevolge van het aan de verdachte onder 1 ten laste gelegde feit. De hoogte van die schade wordt door de benadeelde partij begroot op een bedrag van € 3.727,90.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich, gelet op het door hem bepleite ontslag van alle rechtsvervolging, op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij in zijn vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

Het oordeel van de rechtbank

Bij het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden ten gevolge van het onder 1 bewezen verklaarde feit. De hoogte van de materiële schade is genoegzaam komen vast te staan tot een bedrag van
€ 1.592,90 en van de immateriële schade tot een bedrag van € 1.750,-, totaal € 3.342,90, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 5 december 2015 tot aan de dag der algehele voldoening en met de kosten die – tot op heden – worden begroot op nihil.

De rechtbank zal de benadeelde partij in zijn vordering niet-ontvankelijk verklaren voor wat betreft het gevorderde bedrag aan eigen risico ad € 385,- in verband met een nog te ondergane psychologische behandeling, nu deze schade nog niet is geleden en onduidelijk is of deze schade zich – voor dat gehele bedrag – zal realiseren.

Als extra waarborg voor betaling aan de benadeelde partij zal de rechtbank overeenkomstig artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van bovengenoemde geldsom ten behoeve van de benadeelde partij.

10 TOEPASSELIJKHEID WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 10, 36f, 45, 57 en 287 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 26 van de Wet wapens en munitie, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

11 BESLISSING

De rechtbank:

Vrijspraak

- verklaart niet bewezen hetgeen onder 1 impliciet primair aan de verdachte is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

Bewezenverklaring

- verklaart het onder 1 impliciet subsidiair en 2 ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 6 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart de bewezen verklaarde feiten strafbaar;

- verklaart de verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren;

- bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

Benadeelde partij

- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] , wonende te Lelystad, van een bedrag van € 3.342,90 (zegge: drieduizend driehonderdtweeënveertig euro en negentig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente sinds de dag waarop het thans bewezen verklaarde feit jegens de benadeelde partij werd gepleegd, te weten 5 december 2015, tot die van de voldoening;

- veroordeelt de verdachte voorts in de kosten, door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

- legt op aan de verdachte de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot
€ 3.342,90 ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] voornoemd, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 43 dagen hechtenis;

- bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 5 december 2015 tot de dag van de voldoening;

- bepaalt dat, indien de verdachte (gedeeltelijk) heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat, daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de benadeelde partij (in zoverre) komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte (gedeeltelijk) heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de Staat (in zoverre) komt te vervallen;

- bepaalt dat de benadeelde partij voor wat het meer gevorderde betreft in zijn vordering
niet-ontvankelijk is en dat hij zijn vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Bos, voorzitter, mrs. C.A. de Beaufort en F.G. van Arem, rechters, in tegenwoordigheid van mr. T.M. van Zwet, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 maart 2016.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina’s betreft dit delen van ambtsedige processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij het dossier met het nummer 2015368195, doorgenummerd pagina 1 t/m 21, 1001 t/m 1040, 2001 t/m 2009, 10001 t/m 10196.

2 Proces-verbaal van verhoor aangever, p. 10001 t/m 10002; proces-verbaal van verhoor verdachte (toetsing inverzekeringstelling en inbewaringstelling) d.d. 10 december 2015 door de RC.

3 Proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming, p. 10049; proces-verbaal voor-categorisering, p. 10064; proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 1022.

4 Processen-verbaal van verhoor aangever, p. 10001 t/m 10002 en 10003 t/m 10007.

5 Proces-verbaal van verhoor getuige, p. 10009 t/m 10010.

6 Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 1021.

7 Proces-verbaal van verhoor verdachte (toetsing inverzekeringstelling en inbewaringstelling) d.d. 10 december 2015 door de RC.

8 Verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 16 maart 2016.

9 Verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 16 maart 2016.

10 Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 1027-1028.

11 Proces-verbaal sporenonderzoek, p. 10108.

12 Rapport Wapen- en munitieonderzoek naar aanleiding van een schietincident in Lelystad op 5 december 2015, van het NFI, door W. Kerkhoff, d.d. 15 januari 2016, p. 10165.

13 Proces-verbaal sporenonderzoek Opel Astra, kleur zwart, kenteken [kenteken] , p. 10134.

14 Proces-verbaal bevindingen fotografie PD met aangever, p. 10090.

15 Proces-verbaal van bevindingen, p. 10086.