Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2016:1609

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
29-03-2016
Datum publicatie
29-03-2016
Zaaknummer
16/659740-14 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een man is door de rechtbank Midden-Nederland veroordeeld tot vier jaar gevangenisstraf voor het veroorzaken van een dodelijk bootongeluk op de Vinkeveense Plassen in 2014. De rechtbank acht dood door schuld bewezen. Naast de vier jaar gevangenisstraf legt de rechtbank een ontzegging van de vaarbevoegdheid op van vijf jaar. Bij het ongeluk kwamen twee van de vier inzittenden om het leven.

De bestuurder was volgens de rechtbank onder invloed van alcohol, had in het donker te hard gevaren en geen verlichting op zijn speedboot. De rechtbank oordeelt dat de verdachte schuld heeft aan het ongeluk, maar dat er geen sprake is van doodslag.

Uit het dossier komt het beeld naar voren dat het op het einde van de bewuste avond rustig was op het water. De rechtbank oordeelt daarom dat er wel een kans was op een aanvaring, maar niet zo'n grote kans dat er in juridische zin sprake is van opzet. De rechtbank legt daarom, anders dan de door de officier van justitie geëiste acht jaar gevangenisstraf, vier jaar gevangenisstraf voor dood door schuld op. De rechtbank hield bij het opleggen van de straf rekening met het feit dat de verdachte na de aanvaring de slachtoffers van het ongeval in zeer hulpbehoevende toestand heeft achtergelaten.

De rechtbank oordeelt dat de verdachte door zijn schuld groot leed heeft veroorzaakt bij de twee slachtoffers en de nabestaanden. Dit bleek ook uit de afgelegde verklaringen tijdens de zitting. De twee slachtoffers en zes nabestaanden hebben vorderingen voor schadevergoedingen ingediend. De rechtbank stelt vast dat alle benadeelde partijen schade hebben geleden en wijst een groot deel van de vorderingen toe. De verdachte moet in totaal ruim €300.000,- betalen aan de slachtoffers en nabestaanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2016-0096
NJFS 2016/140
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Utrecht

Parketnummer: 16/659740-14 (P)

Vonnis van de meervoudige strafkamer van 29 maart 2016

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [1964] te [geboorteplaats] ,

zonder bekende woon- of verblijfsplaats,

postadres bij raadsman: [adres] , [woonplaats] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek ter terechtzitting heeft eerst plaatsgevonden op 2 juni 2015 en 17 november 2015. De zaak is inhoudelijk behandeld op 14 en 15 maart 2016. De verdachte is in persoon verschenen en heeft zich ter terechtzitting laten bijstaan door mr. B.T. Nooitgedagt en mr. C.M. Brugman, beide advocaat te Amsterdam.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat verdachte en de raadslieden naar voren hebben gebracht. Omdat mr. Nooitgedagt hoofdzakelijk het woord heeft gevoerd, zal in het vonnis worden gesproken over “de raadsman”, waarmee mr. Nooitgedagt wordt bedoeld.

De rechtbank heeft voorts kennisgenomen van de vorderingen en spreekrechtverklaringen van de slachtoffers/nabestaanden, te weten de familie [familie] , de heer [slachtoffer 4] en de heer [slachtoffer 1] , bijgestaan door mr. R.A. Korver, de dochter van wijlen de heer [slachtoffer 2] (op haar verzoek niet met haar (volledige) naam aangeduid), bijgestaan door mr. E. Huls, en mevrouw [benadeelde 1] , alsmede (allen) bijgestaan door Slachtofferhulp Nederland.

2 Tenlastelegging

De tenlastelegging is op de zitting van 14 maart 2016 gewijzigd.

De tenlastelegging is, met wijziging, als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 2 augustus 2014 op de Vinkeveense Plassen te Vinkeveen:

Feit 1 primair: als bestuurder van een motorboot opzettelijk [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] , als opvarenden van een sloep waarmee die motorboot in aanvaring is gekomen, van het leven heeft beroofd;

Feit 1 subsidiair: als bestuurder van een motorboot roekeloos, in elke geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, heeft gevaren ten gevolge waarvan die motorboot in aanvaring is gekomen met een sloep waardoor het aan de schuld van verdachte is te wijten dat [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] zijn overleden.

Feit 2 primair: als bestuurder van een motorboot opzettelijk heeft geprobeerd [slachtoffer 4] en [slachtoffer 1] , als opvarenden van een sloep waarmee die motorboot in aanvaring is gekomen, van het leven te beroven;

Feit 2 subsidiair: als bestuurder van een motorboot hoogst, althans aanmerkelijk, onachtzaam en/of onoplettend heeft gevaren waardoor het aan zijn schuld te wijten is dat een sloep onbruikbaar en/of beschadigd werd, omdat hij in aanvaring is gekomen met de sloep waarbij levensgevaar voor [slachtoffer 4] en [slachtoffer 1] is ontstaan;

Feit 2 meer subsidiair: als schipper van een motorboot niet alle geboden voorzorgsmaatregelen heeft genomen teneinde te voorkomen dat het leven van personen in gevaar werd gebracht en/of schade werd veroorzaakt aan andere schepen, ten gevolge waarvan hij in aanvaring is gekomen met een sloep en/of waarbij levensgevaar voor [slachtoffer 4] en [slachtoffer 1] is ontstaan.

Feit 3 primair: als schipper van een motorboot opzettelijk de op hem rustende verplichting tot hulpverlening niet is nagekomen door na in aanvaring te zijn gekomen met een sloep met vier opvarenden te zijn doorgevaren.

Feit 3 subsidiair: als schipper van een motorboot opzettelijk de op hem rustende verplichting tot inlichtingenverstrekking niet is nagekomen na in aanvaring te zijn gekomen met een sloep met vier opvarenden.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gevorderd de onder primair ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen te verklaren. Hij heeft zich hierbij met name gebaseerd op de aangiftes van slachtoffers [slachtoffer 4] en [slachtoffer 1] , de vele getuigenverklaringen en het geverbaliseerde met betrekking tot de aanvaring en de afwikkeling daarvan. De officier van justitie is hierbij van oordeel dat sprake is geweest van voorwaardelijk opzet bij verdachte, te weten dat hij welbewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het gevolg zou intreden.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat op basis van het dossier niet alle ten laste gelegde feitelijke handelingen bewezen kunnen worden en ook niet dat sprake was van aanwezigheid van enige mate van opzet of schuld bij verdachte. De raadsman heeft verzocht verdachte vrij te spreken van de ten laste gelegde feiten.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.1

Gebezigde bewijsmiddelen ten aanzien van feit 1 en feit 2

De aanvaring
Op zaterdag 2 augustus 2014 omstreeks 22:43 uur komt bij de politie een melding binnen van een aanvaring tussen twee boten op de Vinkeveense Plassen te Vinkeveen. Ter plaatse wordt een beschadigde sloep aangetroffen met hierin twee overleden personen.2 Door de andere twee opvarenden, [slachtoffer 1] en [slachtoffer 4] , is aangifte gedaan.

[slachtoffer 1] heeft als volgt verklaard:

Wij waren op 2 augustus 2014 omstreeks 22.30 uur met zijn vieren aan het varen op de Vinkeveense Plassen, in de buurt van eiland 8. Ikzelf, [slachtoffer 4] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] . [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] zaten achter het stuur. [slachtoffer 4] zat vlakbij de punt en ik zat halverwege. Op een gegeven moment hoorde ik [slachtoffer 3] roepen: “kijk uit”. Ik zag een soort paniek in zijn ogen. Ik keek achterom en ik zag een boot op ons afkomen. De boot kwam heel hard aanvaren. Ik dook weg en ik merkte dat de boot over onze boot heen kwam.3 Ik voelde een klap tegen mijn slaap en werd tegen het dek van de boot

geslagen. Ik voel de enorme druk van de boot over me heen gaan. Vervolgens hoor ik even niets en dan gelijk het gegil/geroep van [slachtoffer 4] om hulp. Ik zie dat het een ravage is in de boot.4 Ik zag dat [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] niet veel leven vertoonden.5

[slachtoffer 4] heeft als volgt verklaard:

Op 2 augustus 2014 omstreeks 22.15 uur gingen wij nog een stukje varen op de Vinkeveense Plassen. [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en ik. Ter hoogte van eiland 8 ging het mis. Ik zat samen met [slachtoffer 1] voorin de boot. [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] zaten achterin bij het stuur. Op een gegeven moment riep [slachtoffer 3] “kijk uit!”. Ik keek naar voren en zag dat een boot met hoge snelheid recht op ons afvoer.6 Ik keek bijna tegen de onderkant van de boot aan, het grootste gedeelte was uit het water. In een reflex dook ik weg en ik voelde de druk van de boot op mijn schouder en daarna een enorme knal.7 De boot voer recht over ons heen. Na de aanvaring was het een ravage. Ik zag [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] liggen. Ik heb toen direct om hulp geschreeuwd.8

[slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] zijn beiden overleden in de sloep als gevolg van uitwendig mechanisch geweld op het lichaam. Blijkens de schouw miste [slachtoffer 3] zijn rechteronderarm, had hij een brede gapende wond in zijn voorhoofd en was zijn kaak gebroken.9 De letsels die bij de schouw gevonden zijn passen bij letsel veroorzaakt door uitwendig inwerkend mechanisch geweld, zoals bijvoorbeeld de schroef van een boot.10

Ten aanzien van [slachtoffer 2] is een sectie verricht. Bij inwendig onderzoek is veel letsel aangetroffen als gevolg van bij het leven opgelopen zeer heftig botsend en comprimerend geweld op de romp. Onder meer ribfracturen beiderzijds, borstwervelfracturen, gescheurde longwortels en longkneuzingen, een gescheurde maag en een gescheurde mild. De letsels passen goed bij hoog energetische trauma’s opgelopen bij de botsing met de speedboot.11

Op zondag 3 augustus 2014 om 05:10 uur is door de politie een boot aangetroffen, aangemeerd bij een woonark aan de [adres] te [woonplaats] , gemeente De Ronde Venen, met verse schade aan de voorzijde die voldeed aan het opgegeven signalement van de bij de aanvaring betrokken speedboot.12 Omstreeks 06:05 uur is verdachte aangehouden.13 Hij heeft verklaard op 2 augustus 2014 de bestuurder te zijn geweest van zijn speedboot.14 De boot weegt meer dan 3.000 kilogram15 en heeft 380 pk.16 Verdachte was die avond met zijn twee opvarenden bij restaurant [restaurant] geweest. Daarna zijn zij naar zijn woonark gevaren, op de Vinkeveense Plassen langs eiland 8.17 Het was donker. Hij zag de eilanden opdoemen.18 Op een gegeven moment heeft verdachte een klap gehoord. Hij heeft het gas even teruggenomen, de boot heeft eerst even stil gelegen en vervolgens zijn ze doorgevaren.1920 Hij heeft een klap onder zijn boot gevoeld.21 Voor de aanvaring heeft verdachte niks gezien. Hij dacht dat de doorgang tussen eiland 7 en 8 vrij was om door te varen.22 Verdachte bevestigt dat de door de politie aangetroffen boot zijn motorboot is en dat zijn motorboot in aanvaring is gekomen met de sloep.23

De aanvaring vond plaats op de Vinkeveense Plassen nabij de doorvaart tussen eiland 7 en 8 op 2 augustus 2014 omstreeks 22:43 uur. Het was op dat moment donker. De maximum toegestane snelheid betrof daar op dat moment 6 km/u.24

Uit onderzoek naar de betrokken vaartuigen en interpretatie van de schade blijkt dat beide vaartuigen tegengestelde koersen hadden tijdens de afwikkeling van het ongeval.25 Vermoedelijk is de voorsteven van de speedboot in aanraking gekomen met de scheepshuid aan de stuurboordzijde van de motorsloep. De geconstateerde schade aan de sloep komt overeen met de schroeven van de speedboot. De schade in de sloep is veroorzaakt door de stuurboord heckdrive.26 De voorsteven van de motorboot is bij de botsing de romp van de sloep binnengetreden, is in contact geweest met de binnenkuip van de sloep en heeft de binnenkuip vervolgens verlaten.27 De sloep is dermate beschadigd dat deze niet meer bruikbaar is.28

Na voorafgaand gebruik van alcoholhoudende drank
De verdachte heeft verklaard voorafgaand aan de aanvaring alcoholhoudende drank te hebben gedronken.29 [getuige 1] , medeopvarende van de motorboot van verdachte, heeft verklaard dat zij verdachte bij restaurant [restaurant] alcoholhoudende drank heeft zien drinken.3031

Op zondag 3 augustus 2014 omstreeks 08:54 uur is bij verdachte een ademanalyse afgenomen. Het resultaat hiervan bedroeg 60 µg/l.32 Door het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) is over de eliminatiesnelheid van alcohol in bloed onder meer het volgende gerelateerd:

Door het lichaam wordt de opgenomen alcohol omgezet en daarnaast voor een gering deel uitgescheiden. Deze omzetting en uitscheiding vindt plaats met een snelheid, die individueel verschillend is en in verreweg de meeste gevallen gelegen is tussen de grenzen 0,10 en 0,25 mg alcohol per ml bloed per uur.33

De rechtbank overweegt in dit verband het volgende.

Verdachte heeft bekend voorafgaand aan de aanvaring alcoholhoudende drank te hebben genuttigd en de rechtbank acht dit onderdeel dan ook wettig en overtuigend bewezen. Hij heeft verklaard ’s middags twee alcoholhoudende consumpties te hebben gedronken en later ’s avonds bij restaurant [restaurant] heeft hij nog twee biertjes gedronken. Na de aanvaring heeft hij geen alcohol meer gedronken, aldus verdachte.

Evident is echter dat hij voorafgaand aan de aanvaring aanzienlijk meer moet hebben gedronken dan hij zelf stelt, gelet op de afbraaksnelheid van alcohol. Rond 08:54 uur was het resultaat van zijn ademanalyse 60 µg/l, hetgeen overeenkomst met ongeveer 0,14 promille. Gezien het tijdsverloop tussen het nuttigen van de twee alcoholische consumpties ‘s middags - zoals gesteld door verdachte - en het moment van het afnemen van de ademanalyse de volgende ochtend, kunnen deze alcoholische consumpties ’s middags niet meer van invloed zijn geweest op het resultaat van de ademanalyse, gelet op de door het NFI gerelateerde afbraaksnelheid. Voorts bieden de gestelde twee biertjes ’s avonds geen (afdoende) verklaring voor de gemeten hoeveelheid microgram alcohol per liter lucht vele uren later. Uitgaande van dit gemeten resultaat kan het dan ook niet anders dan dat verdachte aanzienlijk meer heeft gedronken dan hij zelf stelt - in ieder geval een hoeveelheid ver boven de wettelijke toegestane hoeveelheid - voorafgaand aan het optreden als bestuurder van de motorboot en de aanvaring. De rechtbank neemt voorts in aanmerking dat ook uit de verklaringen van [getuige 1] kan worden afgeleid dat verdachte meer heeft gedronken dan door hem is verklaard.

Nu de daadwerkelijke herberekening van het ademalcoholgehalte van het NFI niet gebezigd wordt voor het bewijs, komt de rechtbank niet toe aan de beoordeling van het hieromtrent gedane voorwaardelijk verzoek van de raadsman.

Terwijl hij geen verlichting voerde
Door een groot aantal van de gehoorde getuigen is verklaard dat de bij de aanvaring betrokken speedboot geen verlichting voerde.

Getuige [getuige 2] heeft verklaard:

Ik zag op het water een sloep varen welke verlichting voerde. Ik zag dat er een boot zonder verlichting met een enorme snelheid aan kwam varen. Ik hoorde hierna een enorme klap op het water en zag dat de boot zonder verlichting over de sloep met verlichting heen knalde. De boot klapte over de sloep en kwam daarna in het water stil te liggen.34 Ik heb echt zien gebeuren dat hij met hoge snelheid, hard aan kwam varen, zonder verlichting. De persoon die getroffen werd had wel verlichting aan, een wit, rond achterlicht. Uit het bootje dat geraakt was hoorde ik iemand om hulp roepen.35

Getuige [getuige 3] heeft verklaard:

Op een gegeven moment zag ik een speedboot aan komen varen en toen zei ik nog ‘wat vaart hij hard’ en geen verlichting. Er was ook nog een sloep en op een gegeven moment hoorde ik geschreeuw van ‘he kijk uit’ en toen boem een grote klap. Er was een hoop geschreeuw. Ik hoorde de klap en toen keek ik die kant op en zag ik de speedboot neerkomen. De boot ging best wel hard, harder dan normaal is. Ik zag dat de sloep een lampje had. Naar mijn inschatting zat het een beetje hoog, ik denk dat het een soort stok was. Na de klap was iedereen bezig met de reddingsoperatie. Iedereen ging met bootjes daarheen.36

Getuige [getuige 4] heeft verklaard:

Ik heb een zwart varend vaartuig over het water zien schieten, wat heel snel ging. Rechts zagen wij ook een bootje varen. Het was een keiharde klap waarna daar de volledige paniek was uitgebroken. Toen was het qua motoren even helemaal stil. De zwarte schim over het water voerde geen verlichting. De andere boot had verlichting.37

Getuige [getuige 10] heeft verklaard:

Ik zag dat de speedboot geen verlichting voerde. Plotseling zag ik dat voor de boeg van de speedboot een sloepje voer. Ik zag dat dit sloepje licht voerde. Ik zag dat de speedboot met hoge snelheid op dit sloepje invoer.38 Toen de speedboot aan kwam met hoge snelheid, zeiden we nog wat onverantwoord zo hard zonder verlichting.39

De motorboot van verdachte is na de aanvaring onderzocht. Bij aanvang van het onderzoek brandde de navigatieverlichting niet na het omzetten van de schakelaars op het bedieningspaneel onder het stuurwiel. Op de 12 volt verdeelunit, geplaatst onder het dashboard en bereikbaar via de roef, bleek dat onder andere de navigatieverlichting was uitgeschakeld.40

De rechtbank overweegt in dit verband het volgende.

Gelet op voornoemde bewijsmiddelen wordt wettig en overtuigend bewezen geacht dat de speedboot van verdachte geen verlichting voerde. Het standpunt van verdachte - dat hij de verlichting aan moet hebben gezet nu dit wat betreft de schakelaars onder het stuur een standaardhandeling is en de schakelaar onder de roef altijd aan staat - wordt gepasseerd. Voornoemde getuigenverklaringen zijn duidelijk en worden ondersteund, zowel door de omstandigheid dat de boot is aangetroffen met uitgeschakelde verlichting als door getuigen die de boot hebben zien aankomen bij de woonark na de aanvaring eveneens zonder verlichting (zie getuigen [getuige 5] , [getuige 6] en [getuige 7] , opgenomen in het aanvullende proces-verbaal van 16 oktober 2015). Verdachte heeft voorts het standpunt ingenomen dat hij wel verlichting moet hebben gevoerd, omdat een aantal getuigen [getuige 3] en/of rood licht heeft waargenomen, terwijl zijn speedboot navigatieverlichting in die kleuren heeft en de sloep niet. De rechtbank overweegt op dit punt dat een deel van de getuigen (o.a. getuige [getuige 8] bij de rechter-commissaris) een boot met rood-groene verlichting heeft zien wegvaren. Dit betekent echter niet noodzakelijkerwijs dat dit de boot van verdachte is geweest, nu er kort na het ongeval vele bootjes richting de plaats van het ongeval voeren en er tevens vrij spoedig een zoektocht naar de boot van verdachte werd opgezet (aldus getuigen, waaronder [getuige 2] bij de rechter-commissaris).

Met een (zeer) hoge snelheid (waardoor de motorboot in plané kwam)
De verdachte heeft verklaard voorafgaand aan en ten tijde van de aanvaring harder te hebben gevaren dan de toegestane maximum snelheid van 6 km/u. Hij was zich ook bewust van deze wettelijke snelheidsbeperking. Hij zegt tegen plané aan te hebben gevaren, de punt van de boot stond ver omhoog. Vanaf het moment van vertrek heeft hij dezelfde snelheid gevaren. Hij heeft geen snelheid geminderd in de buurt van de recreatie-eilanden.41

Getuige [getuige 9] heeft hierover verklaard:

We hoorden een boot aankomen, zonder licht en hard varend. Hij kwam hard langs eiland 8. Ik zei tegen mijn vader ‘dat gaat straks fout’.42 De golven sloegen rijkelijk over de kant heen. Ze zijn zeker in plané gegaan. Je hoorde de boot klotsen. Als hij in plané gaat hoor je de golven tegen de onderkant van de boot aan. Je hoort het water tegen de onderkant klappen (klèklets kèklets) en dat hoorden wij op dat moment ook. Hij kwam met een noodgang voorbij.43

Getuige [getuige 10] heeft hierover verklaard:

Op het moment dat ik de boot zag naderen zag ik dat de boot in plané voer. Plané betekent voor mij dat de boot door de snelheid uit het water komt. Ik zag dat de boot schuin uit het water kwam. Ik noem dat eigenlijk een soort half glijder. Ik heb zelf een rubberboot en die gaat ongeveer 47 km/u. De snelheid van deze boot lag beduidend hoger.44

Planeren wordt door de waterpolitie omschreven als het (gedeeltelijk) over in plaats van door het water varen. Een planerend vaartuig komt gedeeltelijk uit het water. Bij het in plané komen van een vaartuig tot het in plané varen, komt het voorschip omhoog waardoor het uitzicht beperkt wordt. Planeren begint vanaf een snelheid van ongeveer 20 km/u.45

Verbalisant [verbalisant] heeft over planeren verklaard dat als de snelheid van een waterverplaatsend vaartuig wordt opgevoerd het achterschip naar beneden toe gaat. Als dan vermogen wordt toegevoegd is het schip in staat om over zijn eigen boeggolf heen te varen waardoor hij voor een deel uit het water komt en minder weerstand ondervindt van het water. Dat begint met het voorste deel.46 Bij het in plané komen tot het in plané varen komt het voorschip omhoog.47

De rechtbank overweegt in dit verband het volgende.
De precieze snelheid van de motorboot ten tijde van de aanvaring is niet vast te stellen. Door meerdere getuigen wordt het woord “in plané” gebruikt zonder uit te leggen wat daarmee bedoeld wordt en terwijl zij hieraan verschillende betekenissen lijken te geven.

De rechtbank gaat ervan uit dat met planeren bedoeld wordt dat een boot met een zodanig hoge snelheid vaart dat de voorkant hiervan zo nu en dan los komt van het water en het vaartuig zodoende minder weerstand ondervindt, aansluitend bij voornoemde omschrijvingen van verbalisanten en de taalkundige betekenis van het woord. Dit komt ook overeen met de waarneming van getuigen [getuige 9] en [getuige 10] . De rechtbank acht dan ook bewezen dat verdachte in plané heeft gevaren en daarmee in ieder geval met een snelheid van minimaal 20 km/u. Uit getuigenverklaringen kan evenwel worden afgeleid dat hij vermoedelijk nog veel harder heeft gevaren.

De (verlichting voerende) sloep met vier opvarenden
Door een groot aantal, ook hiervoor aangehaalde, getuigen is verklaard dat de bij de aanvaring betrokken sloep verlichting voerde.

Aangever [slachtoffer 1] heeft hierover verklaard:

Onze boot was verlicht. Als ik naar achteren keek, had ik daar last van. Het was een felle, witte lamp.48 Achter [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] stond op de sloep zo’n paaltje met verlichting erop. Het verbaasde me dat zo’n klein lichtpuntje zoveel licht veroorzaakte. Ik hoorde [slachtoffer 3] zeggen dat hij er geen last van had. De verlichting kwam boven [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] uit.49

Aangever [slachtoffer 4] heeft hierover verklaard:

We hebben het ook nog over de felle verlichting op de sloep gehad, maar omdat de bestuurder eronder zit heeft die er geen last van, zei [slachtoffer 3] .50 De verlichting stond op de linkerzijde van de sloep aan de achterzijde. Het licht kwam boven het hoofd van [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] uit. Ik kon het licht zien. Het stokje stond dus achter de bestuurder.51

De rechtbank overweegt dat uit de verklaringen van de opvarenden van de sloep en de reeds aangehaalde getuigenverklaringen hieromtrent volgt dat de sloep ten tijde van de aanvaring verlichting voerde.

Concluderend acht de rechtbank voornoemde feitelijkheden, opgenomen op de tenlastelegging onder feit 1 en feit 2, wettig en overtuigend bewezen, zoals nader uitgewerkt bij de bewezenverklaring onder 5.

Juridische kwalificatie van feit 1 en feit 2

Voorwaardelijk opzet

De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat geen sprake is geweest van boos opzet bij verdachte. Met andere woorden, hij is niet moedwillig in aanvaring gekomen met de sloep en de opvarenden daarvan.

De officier van justitie is evenwel van oordeel dat sprake is geweest van voorwaardelijk opzet bij verdachte, te weten dat hij welbewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het gevolg zou intreden.

De rechtbank stelt voorop dat het levensgevaarlijke karakter van het handelen van verdachte evident is. Dit blijkt ook uit de gerealiseerde gevolgen hiervan. De dramatische gevolgen wegen echter niet mee bij de beoordeling van de mate van de juridische verwijtbaarheid van het handelen van verdachte. Voor het aannemen van voorwaardelijk opzet is allereerst nodig om vast te stellen dat een aanmerkelijke kans bestond dat een aanvaring zou plaatsvinden.

Dat betekent dat sprake moet zijn geweest van méér dan een mogelijkheid op een aanvaring en zelfs méér dan een (reële) kans daarop, vooraf gezien. Hierbij gaat het dus om de waarschijnlijkheid van een aanvaring, een aanvaring moet (zeer) waarschijnlijk zijn.

De officier van justitie heeft in dit verband - naast het benoemen van de hoge snelheid en het alcoholgebruik – een algemeen beeld geschetst van de situatie ter plaatse als zijnde een druk recreëergebied, waar een aanmerkelijke kans op een dodelijke aanvaring bestond.

Uit het dossier komt echter veeleer het beeld naar voren van een rustige avond. De aanvaring heeft plaatsgevonden rond 22:45 uur. Alle gehoorde getuigen waren op dat moment op de eilanden, niemand van hen was aan het varen. Er hebben zich ook geen andere mensen bij de politie gemeld die wel aan het varen waren. De gehoorde getuigen verklaren ook dat het rustig was op de plas en dat hun kinderen lagen te slapen. Het standpunt van de officier van justitie dat - kort gezegd - op dat moment veel verkeer te verwachten was op het water, vindt dan ook geen verankering in het dossier. De feitelijke onderbouwing van de officier van justitie kan met betrekking tot die avond niet gevolgd worden. Op basis van de inhoud van het dossier kan ook niet worden vastgesteld dat op deze avond sprake zou zijn geweest van een uitzondering en dat het normaal gesproken op dezelfde plaats en hetzelfde tijdstip veel drukker was op de plas. De rechtbank stelt dan ook vast dat sprake is geweest van een kans dat het gevolg zou intreden, maar dat deze kans juridisch gezien niet gekwalificeerd kan worden als een aanmerkelijke kans.

De rechtbank acht om die reden niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op de dood van de opvarenden van de sloep zoals ten laste gelegd onder feit 1 primair en feit 2 primair en zal hem hiervan vrijspreken.

Roekeloosheid
Ingevolge bestendige jurisprudentie komt het bij de beoordeling van de schuldvraag inclusief de schuldvorm “roekeloosheid” aan op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Bij “roekeloosheid” in juridische zin gaat het in het algemeen om gevallen waarin sprake is van zeer onvoorzichtig gedrag waarbij onaanvaardbare risico's zijn genomen. Roekeloosheid vereist een zeer ernstig gebrek aan zorgvuldigheid.

De rechtbank acht de wijze waarop verdachte over de Vinkeveense Plassen heeft gevaren, namelijk met aanmerkelijke overschrijding van de maximale toegestane snelheid, na te hebben gedronken, in het donker en nabij recreatie-eilanden, op zichzelf reeds zeer onvoorzichtig. Hij voer daarbij met een snelheid van minimaal 20 km/u, zijnde meer dan drie keer de toegestane snelheid, en tevens na voorafgaand gebruik van alcoholhoudende drank in een grotere hoeveelheid dan toegestaan is op grond van de Scheepvaartverkeerswet. Het is een feit van algemene bekendheid dat voorafgaande alcoholconsumptie het vermogen tot het besturen van vaartuigen negatief beïnvloedt.

Anders dan bij de schuldvorm “roekeloosheid” in het kader van de Wegenverkeerswet (vgl. o.a. HR 22 mei 2012, LJN BU2016) neemt de rechtbank in dit geval de snelheidsovertreding en het alcoholgebruik van verdachte wel mee bij de beoordeling van de vraag of sprake is geweest van roekeloosheid, nu deze omstandigheden - anders dan in artikel 175, derde lid Wegenverkeerswet - niet al in de wet als aparte strafverzwarende omstandigheden worden genoemd in het kader van de artikelen 307 en 169 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr).

Daarnaast stelt de rechtbank vast dat sprake was van een forse dode hoek. Uitgaande van de verklaring van verdachte dat hij de boot half staand, leunend tegen de opgeklapte stoelleuning, bestuurde besloeg deze dode hoek tenminste 14 meter en ten hoogste 51 meter (zie het proces-verbaal reconstructie vaarongeval, pagina 1442). Deze afstand voor het vaartuig heeft verdachte niet kunnen overzien tijdens het varen. Bovendien werd deze dode hoek groter door het omhoog staan van de voorkant van de boot tijdens het in plané komen en (zij het in beperktere mate) tijdens het in plané varen. Verdachte was zich zowel bewust van het bestaan van de dode hoek als van de omstandigheid dat deze vergroot werd door zijn manier van varen. Desalniettemin heeft hij, terwijl het donker was en het zicht derhalve sowieso beperkt was, geen vaart geminderd toen hij de eilanden naderde. Daar komt bij dat als gevolg van de begroeiing op de eilanden de waarneming van schepen met een donkere rompkleur tegen de achtergrond van de begroeiing in ernstige mate wordt belemmerd (zie het proces-verbaal van bevindingen scheepvaartongeval, pagina 7). Hij heeft zich enkel gefocust op de nauwe doorgang tussen eiland 7 en 8 en is met flinke snelheid doorgevaren waarbij hij de in de nabijheid aanwezige verlichte sloep niet heeft gezien.

Voorts weegt de rechtbank mee dat bij ongevallen die zich voordoen op de openbare weg, de interactiviteit tussen verschillende verkeersdeelnemers ertoe leidt dat minder snel sprake is van roekeloos rijgedrag. Kort gezegd is verkeersgedrag minder snel roekeloos, omdat van medeverkeersdeelnemers mag worden verwacht dat zij hun gedrag aanpassen aan het geconstateerde onvoorzichtige gedrag van een andere verkeersdeelnemer (zie o.a. HR 15 oktober 2013, NJ 2014/25, Azewijns verkeersongeval). Deze mogelijkheid tot gedragsaanpassing is op het water voor bestuurders van een relatief traag vaartuig als een sloep - of voor de inzittenden daarvan - veel beperkter dan de mogelijkheid tot aanpassing die een automobilist heeft op de openbare weg. Dit maakt dat een gevaarlijke vaarwijze op het water eerder leidt tot roekeloosheid dan gevaarlijk rijden op een autoweg.

Bovendien vergde ook de grote omvang van de motorboot van verdachte juist extra voorzichtigheid. Dat hij zich hiervan bewust is volgt uit de omstandigheid dat hij de boot (deels) zelf heeft gebouwd. Hij omschrijft het gewicht en het vermogen van zijn boot zelf ook als behoorlijk (pagina 607). Ook deze omstandigheid meegenomen geeft verdachtes handelen blijk van een zeer ernstig gebrek aan zorgvuldigheid.

Gelet op alle voornoemde omstandigheden stelt de rechtbank vast dat in dit geval sprake is geweest van zeer gevaarzettend gedrag waarbij door verdachte welbewust en met ernstige gevolgen onaanvaardbare risico’s zijn genomen. Het vaargedrag van verdachte wordt dan ook aangemerkt als roekeloos. Wat betreft het onder feit 2 ten laste gelegde kwalificeert de rechtbank het handelen van verdachte als hoogst onachtzaam en onoplettend.

De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging inhoudende dat niet ten laste gelegde omstandigheden niet meegenomen kunnen worden in deze beoordeling, omdat hiermee de grondslag van de tenlastelegging zou worden verlaten. In het kader van de voorvragen is reeds vastgesteld dat voldaan is aan het wettelijke vereiste dat de tenlastelegging voldoende feitelijke betekenis heeft. In een dergelijke geval is het niet noodzakelijk dat alle gebezigde omstandigheden in de tenlastelegging zijn opgenomen (zie: Hoge Raad 4 december 2012, LJN BY2823).

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het hem onder feit 1 subsidiair en feit 2 subsidiair ten laste gelegde, - kort gezegd - :

  • -

    dood door schuld zijnde roekeloosheid ten aanzien van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] , en

  • -

    culpoos levensgevaar veroorzaken ten aanzien van [slachtoffer 4] en [slachtoffer 1] .

Door de verdediging is een beroep gedaan op de geldende regels ingevolge het Binnenvaartpolitiereglement (hierna: BPR). De rechtbank overweegt dat de onverlichte speedboot van verdachte met een zodanige snelheid plots op de sloep afkwam, dat de schipper van de sloep geen tijd heeft gehad om te denken aan het toepassen van de vaarregels als bedoeld in hoofdstuk 6 van het BPR. Zelfs al zou het zo zijn dat de sloep voorrang had moeten verlenen (hetgeen volgens de rechtbank niet vaststaat) of enige andere omstandigheid op de sloep zou kunnen leiden tot enige “medeschuld” van de sloep aan het ongeval, dan volgt uit bestendige jurisprudentie - die ook geldt in deze specifieke situatie - dat dit geenszins afdoet aan de handelingen van verdachte en diens mate van schuld.

Bewezenverklaring ten aanzien van feit 3 primair

Medeopvarende [getuige 1] heeft over de situatie tijdens en (vlak) na de aanvaring onder meer het volgende verklaard:

De klap was echt hard. Door de klap sprong de boot even over het water.52 We hebben een hele harde klap gemaakt. Ik werd echt een soort van gelanceerd. De boot kwam uit het water en klapte weer op het water.53 Ik weet dat we, na de klap, eerst stil lagen en wat lagen te dobberen.54 Ik weet dat [getuige 11] en [verdachte] (de rechtbank begrijpt: [getuige 11] en [verdachte] ) allebei achterom hebben gekeken.55 Ze keken in de richting van de achterkant van de boot.56 [verdachte] zei: “ik zie allemaal boten naar elkaar toe varen”. Toen zijn we naar huis gevaren. Ik weet dat [verdachte] meerdere keren achterom heeft gekeken. In het ziekenhuis heb ik gezegd dat ik bij de Gay Parade ben geweest.57 Toen we op het punt stonden om naar de eerste hulp te gaan, zei [verdachte] : “zeg niet dat we in Vinkeveen zijn geweest”. Daarom heb ik toen bij de eerste hulp gezegd dat we bij de gayparade zijn geweest.58

Vele getuigen hebben verklaard dat - na de klap te hebben gehoord - een grote hoeveelheid boten onmiddellijk naar de plaats van aanvaring toe is gegaan.

Getuige [getuige 12] heeft verklaard:

Omstreeks 22:45 uur hoorden wij een enorme klap. Een paar seconden later hoorde ik “help” geluiden. Ik hoorde meteen dat het niet goed zat.59 Wij zijn richting de plek gevaren waar het hulpgeroep vandaan kwam. Ik ben vrij hard richting het geroep gevaren. Tussen eiland 7 en 8 zag ik een boot liggen. Ik zag dat de boot geen verlichting voerde.60 Iedereen ging naar die plek toe, je zag allerlei stukken van de boot (de rechtbank begrijpt: de sloep), rubber, polyester en brokstukken. Vanaf die boot die ik tegen kwam kon ik de sloep en de brokstukken al zien. Er was verlichting van de bootjes om de sloep heen.61

Getuige [getuige 10] heeft verklaard:

Ik hoorde een doffe klap, toename van motorgeluid alsof de schroeven van de motoren uit het water kwamen en daarna werd het doodstil. Wel hoorde ik mensen gillen. Direct na de klap ben ik in actie gekomen. Ik ben direct naar de sloep toe gevaren. Ook [voornaam] is in zijn eigen rubberboot naar de sloep gevaren. Terwijl ik tussen eiland 7 en 8 doorvoer zag ik daar de speedboot liggen.62 Op de plaats waar de speedboot lag kon ik de sloep zien.63

De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.

De verklaring van verdachte - kort gezegd - dat hij dacht iets anders (dan een ander (bemand) schip) te hebben geraakt past niet bij zijn opmerkingen gemaakt ten overstaan van [getuige 1] . Deze verklaring wordt niet geloofwaardig geacht mede in aanmerking genomen de ernst van de klap - zowel blijkend uit de hier genoemde als uit de eerder aangehaalde getuigenverklaringen - en de omstandigheid dat de schroef van zijn boot door de zijkant en de kuip van de sloep is gegaan. De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte tenminste voorwaardelijk opzet heeft gehad op het niet voldoen aan zijn hulpverleningsverplichting bij een aanvaring. Door weg te varen na een dergelijke aanvaring heeft hij bewust de aanmerkelijke kans hierop aanvaard.

De rechtbank begrijpt het verweer van de verdediging inhoudende - kort gezegd - dat verdachte geen hulpverleningsverplichting had gelet op het non-incriminatiebeginsel, aldus dat dit verweer doelt op de situatie dat tot een bewezenverklaring ten aanzien van het ten laste gelegde onder feit 1 en feit 2 primair (de opzetvariant) zou worden gekomen. Nu dat niet het geval is, laat de rechtbank dit verweer verder onbesproken.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het hem onder feit 3 primair ten laste gelegde, - kort gezegd - opzettelijk zijn hulpverleningsverplichting niet nakomen.

De hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden worden slechts gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop deze blijkens de inhoud kennelijk betrekking hebben.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4.3 genoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

Feit 1 subsidiair:

op 2 augustus 2014 op de Vinkeveense Plassen te Vinkeveen, gemeente De Ronde Venen, door roekeloos, als bestuurder van een motorboot, na voorafgaand gebruik van alcoholhoudende drank en terwijl hij geen verlichting voerde terwijl het donker was en terwijl hij een aantal dicht op elkaar liggende recreatie-eilandjes naderde, met een zeer hoge snelheid waardoor de motorboot in plané kwam over de Vinkeveense Plassen heeft gevaren, waardoor verdachte een eveneens op die Vinkeveense Plassen aanwezige verlichting voerende sloep met vier opvarenden waaronder [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] niet heeft gezien, ten gevolge waarvan verdachte met die motorboot in aanvaring is gekomen met die sloep en twee van de opvarenden van die sloep, waardoor het aan de schuld van verdachte te wijten is geweest dat [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] zijn geraakt door de (schroef van de) motorboot en zodanig letsel hebben bekomen dat zij aan de gevolgen daarvan zijn overleden.

Feit 2 subsidiair:
op 2 augustus 2014 op de Vinkeveense Plassen te Vinkeveen, gemeente De Ronde Venen, als bestuurder van een motorboot, daarmede hoogst onachtzaam en hoogst onoplettend heeft gevaren, waardoor het aan zijn schuld te wijten is dat een eveneens op die Vinkeveense Plassen aanwezige sloep met daarop vier personen onbruikbaar werd, immers voer hij, verdachte, na voorafgaand gebruik van alcoholhoudende drank en terwijl hij geen verlichting voerde terwijl het donker was en terwijl hij een aantal dicht op elkaar liggende recreatie-eilandjes naderde met een zeer hoge snelheid waardoor de motorboot in plané kwam over de Vinkeveense Plassen, waardoor verdachte een eveneens op die Vinkeveense Plassen aanwezig verlichting voerende sloep met vier opvarenden waaronder [slachtoffer 4] en [slachtoffer 1] niet heeft gezien, ten gevolge waarvan verdachte met die motorboot in aanvaring is gekomen met die sloep en waarbij er levensgevaar voor [slachtoffer 4] en [slachtoffer 1] is ontstaan.

Feit 3 primair:
op 2 augustus 2014 op de Vinkeveense Plassen te Vinkeveen, gemeente De Ronde Venen, als schipper van een motorboot opzettelijk, de op hem rustende verplichtingen krachtens artikel 785 Wetboek van Koophandel niet is nagekomen, immers is hij, verdachte, nadat hij in aan-/overvaring met de sloep met vier opvarenden was gekomen, met die motorboot doorgevaren en heeft hij niet zo spoedig mogelijk naar de plek van de aan-/overvaring teruggevaren teneinde de hulp te verlenen aan de die sloep en de personen aan boord van die sloep, waartoe hij bij machte was.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar als:

Feit 1 subsidiair: Aan zijn schuld de dood van een ander te wijten zijn, meermalen gepleegd.

Feit 2 subsidiair: Aan zijn schuld te wijten zijn dat een vaartuig onbruikbaar wordt gemaakt, terwijl daardoor levensgevaar voor een ander ontstaat.

Feit 3 primair: Als schipper de op hem rustende verplichting tot hulpverlening van artikel 785 van het Wetboek van Koophandel opzettelijk niet nakomen.

Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door hem onder primair bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht jaar, met aftrek van voorarrest, en tevens de gevangenneming van verdachte bij uitspraak. Daarnaast is gevorderd een ontzegging van de vaarbevoegdheid voor de maximale duur van vijf jaar, met aftrek van de reeds ingevorderde en ingehouden tijd.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft een aantal omstandigheden genoemd en de rechtbank verzocht - indien tot enige bewezenverklaring wordt gekomen - hiermee rekening te houden bij het bepalen van de strafmaat. De verdediging vraagt onder meer aandacht voor de zeer negatieve en uitvoerige berichtgeving in de media, de eenzijdigheid van het onderzoek dat er toe heeft geleid dat sprake is van een schending van de redelijke termijn en de gevolgen van het ongeval voor verdachte zelf.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Op 2 augustus 2014 heeft een afschuwelijk ongeval plaatsgevonden met fatale afloop. Verdachte heeft op roekeloze wijze onder aanzienlijke invloed van alcohol en met ernstige overtreding van de maximaal toegestane snelheid diens speedboot bestuurd op een recreatieplas, waardoor de speedboot in aanvaring is gekomen met een sloep en de opvarenden daarvan. Twee opvarenden van de sloep zijn als gevolg hiervan om het leven gekomen. Verdachte heeft door zijn schuld groot leed veroorzaakt voor de andere twee slachtoffers, de nabestaanden van de overledenen, hun familie en vrienden. Dat zowel de psychische schade als de financiële schade groot is, blijkt ook uit de ter terechtzitting afgelegde spreekrechtverklaringen. Strafverzwarend is hierbij dat verdachte na de aanvaring de plaats van het ongeval heeft verlaten en de slachtoffers daardoor in een zeer hulpbehoevende toestand heeft achtergelaten. Dit heeft er eveneens voor gezorgd dat de hoogte van het alcoholpercentage in zijn adem/bloed niet meer precies te achterhalen is, waarmee hij ook het opsporingsonderzoek heeft gefrustreerd.

Wat betreft de persoon van verdachte heeft de rechtbank gelet op de inhoud van een verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 10 maart 2016, waaruit blijkt dat hij meerdere malen eerder is veroordeeld, waaronder langer geleden voor rijden onder invloed. De rechtbank ziet geen aanleiding om (in het voordeel van verdachte) rekening te houden met enige mediaberichtgeving over deze zaak. Van een overschrijding van de redelijke termijn is geen sprake.

Gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde kan niet worden volstaan met een andere strafmodaliteit dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Op basis van het verschil in bewezenverklaring - schuld in plaats van opzet - komt de rechtbank tot een andere strafoplegging dan gevorderd door de officier van justitie. Bij de bepaling van de duur van de op te leggen straf is aansluiting gezocht bij de LOVS oriëntatiepunten voor straftoemeting in zaken betreffende dood door schuld in het verkeer (artikel 6 WVW). Dit ligt ook voor de hand gelet op de Memorie van Toelichting bij het tweede lid van artikel 307 Sr (invoering van een apart strafmaximum voor roekeloosheid), waaruit blijkt dat daarbij consistentie is gezocht door aan te sluiten bij de culpose delicten van de Wegenverkeerswet. Alles overziend en met name gelet ook op het groot aantal slachtoffers komt de rechtbank tot oplegging van een gevangenisstraf van vier jaar, met aftrek van de duur die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Deze straf is passend en geboden.

Om te voorkomen dat verdachte zich opnieuw aan soortgelijke feiten schuldig kan maken, zal de rechtbank verdachte overeenkomstig artikel 35b van de Scheepvaartverkeerswet zijn vaarbevoegdheid ontzeggen voor de duur van vijf jaar.

De rechtbank ziet geen aanleiding om af te wijken van het beginsel dat de verdachte zijn straf en de onherroepelijkheid van het vonnis in vrijheid mag afwachten. De rechtbank zal dus niet op grond van artikel 65, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) de gevangenneming bevelen. De vordering zal worden afgewezen.

9 Het beslag

9.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting medegedeeld dat thans beslag rust op de twee bij de aanvaring betrokken vaartuigen. De sloep en speedboot kunnen beide geretourneerd worden aan de rechthebbenden. Ten aanzien van de sloep is de rechthebbende onbekend, wat betreft de speedboot dient Regent Park Holding B.V. als rechthebbende te worden aangemerkt.

9.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft opgemerkt dat Regent Park Holding B.V. niet de rechthebbende is op de speedboot, doch verdachte. Voor het overige heeft de verdediging geen verweer gevoerd met betrekking tot het beslag.

9.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt vast dat de sloep [sloep] geretourneerd kan worden aan de rechthebbende. Nu niet vaststaat wie als rechthebbende kan worden aangemerkt wordt de bewaring van het voorwerp ten behoeve van de rechthebbende gelast.

De rechtbank stelt vast dat de speedboot onder verdachte in beslag is genomen. Verdachte heeft zowel tijdens het voorbereidend onderzoek als ter zitting verklaard dat de boot zijn eigendom is. Daaraan doet niet af dat deze mogelijk op naam van een rechtspersoon is geregistreerd (vgl. HR 28 september 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1571). Nu de speedboot een voorwerp betreft met behulp van welke de bewezenverklaarde feiten zijn begaan, zal de rechtbank de speedboot verbeurd verklaren.

10 Ten aanzien van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel

Voor aanvang van de terechtzitting hebben de slachtoffers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 4] en de nabestaanden van [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] zich als benadeelde partijen in het geding gevoegd en vorderingen ingediend tot vergoeding van schade ten gevolge van de aan verdachte ten laste gelegde feiten. Zij zijn hiertoe vertegenwoordigd en bijgestaan door mr. R.A. Korver respectievelijk mr. E. Huls, en door Slachtofferhulp Nederland.

10.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gerequireerd tot toewijzing van de ingediende vorderingen met toepassing van de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit met uitzondering van de door de nabestaanden gevorderde affectieschade. Gelet op recente jurisprudentie (zie o.a. Rechtbank Midden-Nederland, ECLI:NL:RBMNE:2015:8972) is dit juridisch gezien (nog) geen mogelijkheid. Ook de door de dochter van [slachtoffer 2] gevorderde kosten betreffende de woning komen niet voor toewijzing in aanmerking.

10.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van twee posten opmerkingen gemaakt. Met betrekking tot de door de nabestaanden gevorderde vergoeding wegens gederfd levensonderhoud, heeft de raadsman aangevoerd dat de beoordeling van deze post een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, omdat hiervoor specifieke kennis is vereist en dit allerlei vragen oproept. Voor vergoeding van affectieschade gevorderd door de nabestaanden biedt de huidige wettelijke regeling, ook gelet op recente jurisprudentie, geen ruimte.

Voor het overige heeft de verdediging de vorderingen niet betwist.

10.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt vast dat behandeling van de ingediende vorderingen geen onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Het is vast komen te staan dat alle benadeelde partijen als gevolg van de hiervoor bewezenverklaarde feiten rechtstreeks schade hebben geleden. De waardering van dit schadebedrag wordt per vordering besproken.

De vordering van [slachtoffer 4]
De hoogte van de door hem geleden schade wordt door [slachtoffer 4] begroot op:

  1. Beschadigde kleding € 239,85

  2. Medische kosten € 787,-

  3. Gederfde inkomsten € 996,74

  4. Reis- en parkeerkosten € 602,07

  5. Rouwstuk en –advertentie € 196,27

  6. Shockschade en immateriële schade € 45.000,-

  7. Kosten rechtsbijstand € 3.630,- +

Totaal € 51.451,93

De rechtbank stelt vast dat de posten betreffende de beschadigde kleding, medische kosten en gederfde inkomsten voldoende zijn onderbouwd en niet door de verdediging zijn betwist. Deze bedragen komen de rechtbank ook anderszins niet onrechtmatig of ongegrond voor en worden toegewezen.

Hetzelfde geldt voor de gevorderde reis- en parkeerkosten, niet betreffende hoger beroep. Deze kosten worden uitgesplitst in materiële kosten (bezoek politie en behandelaars) en proceskosten (bezoek rechtbank en advocaat) en dienovereenkomstig toegewezen.

De gevorderde post betreffende reis- en parkeerkosten hoger beroep ziet op (nog) niet geleden schade en wat dit gedeelte betreft wordt de vordering niet-ontvankelijk verklaard.

De kosten voor een rouwstuk en een rouwadvertentie zijn niet aan te merken als rechtstreekse schade die aan de benadeelde partij zelf als slachtoffer van het bewezenverklaarde toegebracht is. De benadeelde partij kan ook niet worden aangemerkt als directe nabestaande zoals bedoeld in artikel 51f van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv). Gelet hierop zijn deze gevorderde kosten niet voor toewijzing vatbaar en wordt de vordering ook wat dit gedeelte betreft niet-ontvankelijk verklaard.

Het gevorderde bedrag aan smartengeld is uitgesplitst in twee posten, te weten shockschade van € 20.000,- en immateriële schade van € 25.000,-.

Zogenoemde shockschade komt onder omstandigheden voor vergoeding in aanmerking. Volgens vaste jurisprudentie moet daarvoor sprake zijn van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld voortvloeiend uit een hevige emotionele schok door het waarnemen van het misdrijf of door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen daarvan, hetgeen zich met name voor zal doen indien sprake is van een nauwe (affectieve) band met degene die door het ongeval is gedood. Daarbij valt in de eerste plaats en met name te denken aan familieverhoudingen, doch uit jurisprudentie blijkt niet dat deze band per definitie tot dergelijke verhoudingen beperkt dient te worden. In het onderhavige geval is de benadeelde partij geconfronteerd met zowel het misdrijf als de ernstige gevolgen daarvan met betrekking tot twee goede vrienden. Tussen de vrienden bestond een vriendschap van ruim 30 jaar. De benadeelde partij wordt gekwalificeerd als rechthebbende op shockschade nu in dit geval sprake is van een voldoende nauwe en affectieve band. Dat ten gevolge van het waarnemen van de dood van de twee vrienden en het zeer ernstige letsel dat aan één van de overledenen was toegebracht, sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld is door de benadeelde partij voldoende onderbouwd en is door de verdediging niet betwist. Ook de hoogte van het gevorderde bedrag is onderbouwd en is onbetwist gebleven. Het gevorderde bedrag komt de rechtbank ook anderszins niet onrechtmatig of ongegrond voor, zodat de vordering in zoverre wordt toegewezen.

Blijkens de vordering en de toelichting ter terechtzitting door mr. Korver is kennelijk gesteld dat daarnaast sprake is van andere immateriële schade. Voor zover wordt bedoeld een vergoeding voor affectieschade te vorderen is dit niet voor toewijzing vatbaar nu de benadeelde partij in dit verband niet als voldoende directe nabestaande aangemerkt kan worden. Voor zover wordt bedoeld dat sprake is van andere immateriële schade naast de reeds genoemde affectie- en shockschade acht de rechtbank deze post onvoldoende onderbouwd. De vordering wordt in zoverre niet ontvankelijk verklaard.

Tenslotte zijn ook de gevorderde kosten van rechtsbijstand ter verkrijging van voldoening van schade toewijsbaar als zijnde proceskosten. De rechtbank zal daarvoor het liquidatietarief rechtbanken met een waarde van € 894,- per punt als uitgangspunt nemen. De rechtbank houdt rekening met 4 punten. Toewijsbaar is dan een bedrag van € 3.576,-, het bedrag wordt voor het overige afgewezen.

Concluderend komt de rechtbank tot de volgende beslissingen:

  • -

    toewijzing van de vordering tot een bedrag van € 22.285,46, bestaande uit € 2.285,46 materiële schade en € 20.000,- immateriële schade;

  • -

    afwijzing van de vordering tot een bedrag van € 54,-;

  • -

    niet-ontvankelijkverklaring van het restant van de vordering, te weten tot een bedrag van € 25.296,27;

  • -

    veroordeling in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken, tot op heden begroot op € 3.816,20;

  • -

    vermeerdering van het toegewezen bedrag van € 22.285,46 met de wettelijke rente vanaf 2 augustus 2014 tot aan de dag der algehele voldoening;

  • -

    oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ten aanzien van het toegewezen bedrag van € 22.285,46 waarbij de vervangende hechtenis wordt gesteld op 30 dagen.

De vordering van [slachtoffer 1]

De hoogte van de door hem geleden schade wordt door [slachtoffer 1] begroot op:

  1. Beschadigde kleding € 415,87

  2. Medische kosten € 5.497,55

  3. Gederfde winst 2014 en 2015 € 56.241,-

  4. Reis- en parkeerkosten € 1.323,47

  5. Rouwstuk en –advertentie € 326,27

  6. Shockschade en immateriële schade € 45.000,-

  7. Telefoonkosten € 90,69

  8. Kosten rechtsbijstand € 8.208,44

  9. Kosten berekening gederfde winst € 1.530,65 +

Totaal € 118.633,94

De rechtbank stelt vast dat de posten betreffende de beschadigde kleding, medische kosten en telefoonkosten voldoende zijn onderbouwd en niet door de verdediging zijn betwist. Deze bedragen komen de rechtbank ook anderszins niet onrechtmatig of ongegrond voor en worden toegewezen.

Wat betreft de gederfde winst stelt de rechtbank aan de hand van de onderbouwing vast dat reeds vanaf 2011 een dalende lijn in de omzet is te zien. Voorts is ook al in het eerste kwartaal van 2014, derhalve vóórdat de aanvaring plaatsvond, sprake van een substantiële omzetdaling. De documenten ter onderbouwing van de omzetdaling zijn voorts niet duidelijk te verenigen met de daarachter gevoegde jaarstukken, waarbij een veel omvangrijkere omzet is verantwoord. Aan de hand van de voorhanden zijnde onderbouwing en de toelichting ter zitting is al met al niet vast te stellen of en in hoeverre omzet- en winstderving in directe relatie staan tot het bewezenverklaarde. Het gedeelte van de vordering dat ziet op gederfde winst wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard. De gevorderde kosten voor de berekening van de gederfde winst volgen hetzelfde lot.

Met betrekking tot de gevorderde posten betreffende reis- en parkeerkosten, de kosten voor een rouwstuk en -advertentie, shockschade en immateriële schade herhaalt de rechtbank haar overwegingen zoals opgenomen bij de vordering van [slachtoffer 4] en volstaat zij op deze plaats met een verwijzing naar die overwegingen, die in gelijke zin voor de vordering van [slachtoffer 1] gelden. Dit betekent concreet voor de benadeelde partij dat de gevorderde kosten voor een rouwstuk en -advertentie, de reiskosten hoger beroep en de immateriële schade niet-ontvankelijk verklaard worden en dat de shockschade wordt toegewezen. Voorts worden de overige reiskosten toewezen, deels als materiële schade en deels als proceskosten. Daarnaast worden de kosten van rechtsbijstand toegewezen, als zijnde proceskosten, aan de hand van het liquidatietarief en voor het meerdere afgewezen. Bij de toepassing van het liquidatietarief houdt de rechtbank geen rekening met de post gederfde winst. Zodoende komt de rechtbank ook ter zake van de vordering van [slachtoffer 1] tot 4 punten à € 894,- per punt.

Concluderend komt de rechtbank tot de volgende beslissingen:

  • -

    toewijzing van de vordering tot een bedrag van € 26.943,11, bestaande uit € 6.943,11,- materiële schade en € 20.000,- immateriële schade;

  • -

    afwijzing van de vordering tot een bedrag van € 4.632,44;

  • -

    niet-ontvankelijkverklaring van het restant van de vordering, te weten tot een bedrag van € 83.197,92;

  • -

    veroordeling in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken, tot op heden begroot op € 3.860,47;

  • -

    vermeerdering van het toegewezen bedrag van € 26.943,11 met de wettelijke rente vanaf 2 augustus 2014 tot aan de dag der algehele voldoening;

  • -

    oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ten aanzien van het toegewezen bedrag van € 26.943,11 waarbij de vervangende hechtenis wordt gesteld op 30 dagen.

Ten aanzien van alle vorderingen van de nabestaanden [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3]
Artikel 51f, tweede lid, Sv juncto artikel 6:108 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) voorzien in een regeling voor kosten die nabestaanden kunnen vorderen als benadeelde partij in het strafproces bij het overlijden van iemand als gevolg van het strafbare feit. Artikel 6:108 BW geeft een limitatieve opsomming van hetgeen gevorderd kan worden. Het gaat dan om de kosten van levensonderhoud en lijkbezorging. Ook kosten die verband houden met het verkrijgen van voldoening van deze schade zijn in beginsel voor toewijzing vatbaar. De waardering van deze gevorderde schadebedragen wordt per vordering besproken.

Vergoeding van andere schade dan voornoemde posten kan in beginsel niet gevorderd worden door nabestaanden in het kader van de strafprocedure.

Ter onderbouwing van de gevorderde schade is door mr. Korver en mr. Huls een beroep gedaan op de rechtstreekse werking van de EU-Richtlijn minimumnormen slachtoffers (hierna: de Richtlijn). Gesteld wordt - kort gezegd - dat uit de Richtlijn volgt dat slachtoffers, waaronder ook familieleden, al de door hen geleden schade in een strafzaak kunnen vorderen.

De rechtbank stelt voorop dat de Nederlandse wet geen basis biedt voor toekenning van vergoeding van schade ten behoeve van nabestaanden als benadeelde partij, ten aanzien van andere schadeposten dan de voornoemde. Er is dan ook sprake van een mogelijke discrepantie tussen het nationale recht en de Richtlijn. De implementatietermijn van de Richtlijn is verstreken, terwijl deze nog niet is omgezet in Nederlandse wet- en regelgeving. De rechtbank stelt vast dat de toepasselijke nationale wettelijke bepalingen geen ruimte bieden voor een richtlijnconforme interpretatie, zodat niet via die weg acht kan worden geslagen op de Richtlijn.

Voorts stelt de rechtbank vast dat in het onderhavige geval om meerdere redenen geen sprake kan zijn van rechtstreekse werking van de Richtlijn. Allereerst geldt dat burgers na verstrijking van de implementatietermijn in beginsel weliswaar een beroep kunnen doen op de rechtstreekse werking van de Richtlijn, maar dat geldt alleen voor wat betreft bepalingen die zodanig duidelijk, nauwkeurig en onvoorwaardelijk zijn geformuleerd, dat een burger er rechten aan kan ontlenen. In overeenstemming met recente jurisprudentie is de rechtbank van oordeel dat de Richtlijn op dit punt niet voldoet aan dit vereiste om rechtstreekse werking te kunnen hebben. Voorts geldt de rechtstreekse werking van (daarvoor in aanmerking komende bepalingen van) richtlijnen (behoudens in casu niet aan de orde zijnde uitzonderingen) enkel in de verticale verhoudingen tussen burgers en overheid – niet tussen burgers onderling.

Concluderend is de rechtbank van oordeel dat nu noch de wet, noch de Richtlijn basis biedt voor toekenning van schadevergoeding ten aanzien van andere schadeposten dan volgend uit artikel 51f Sv juncto artikel 6:108 BW de vorderingen in zoverre niet voor toewijzing vatbaar zijn. Dit gedeelte zal dan ook worden afgewezen.

De rechtbank acht zich bij de beoordeling voldoende voorgelicht en ziet geen noodzaak tot het hieromtrent stellen van prejudiciële vragen aan het Europese Hof van Justitie, zoals verzocht door mr. Huls en mr. Korver.

De vordering van [benadeelde 1] (de moeder van slachtoffer [slachtoffer 2] )
De hoogte van de door haar geleden schade wordt door [benadeelde 1] begroot op € 12.088,32 bestaande uit verschillende uitvaartkosten.

De rechtbank stelt vast dat deze post ingevolge de wet voor toewijzing in aanmerking komt, voldoende is onderbouwd en niet is betwist. Het bedrag komt de rechtbank ook anderszins niet onrechtmatig of ongegrond voor en wordt toegewezen.

De vordering wordt dan ook in zijn geheel toewezen, te weten tot een bedrag van € 12.088,32 bestaande uit materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 augustus 2014 tot en met de dag der algehele voldoening. Tevens wordt ten aanzien van het toegewezen bedrag de schadevergoedingsmaatregel opgelegd waarbij de vervangende hechtenis wordt gesteld op 30 dagen.

De verdachte wordt veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken, tot op heden begroot op nihil.

De vordering van mevrouw [benadeelde 2] (de dochter van slachtoffer [slachtoffer 2] )
De hoogte van de door haar geleden schade wordt door mevrouw [benadeelde 2] begroot op:

  1. Derving levensonderhoud € 49.329,73

  2. Reis- en parkeerkosten € 272,20

  3. Kosten van lijkbezorging € 19.399,79

  4. Affectieschade € 17.500,-

  5. Aanvullende kosten € 12.939,67

  6. Kosten schadeberekening € 686,25 +

Totaal € 100.128,32

De rechtbank stelt - onder verwijzing naar hetgeen hiervoor is overwogen - vast dat kosten betreffende lijkbezorging in beginsel voor vergoeding in aanmerking komen. Deze post is onderbouwd en is door de verdediging niet betwist. De uitsplitsing van de voldane kosten is bij de vordering gevoegd als bijlage 6.2 van productie 1. De griffiekosten, nota Monuta en kosten grafmonument kunnen gekwalificeerd worden als kosten voor lijkbezorging zoals bedoeld in artikel 6:108 BW. Het totaalbedrag van € 4.391,- komt de rechtbank ook anderszins niet onrechtmatig of ongegrond voor en wordt toegewezen. De overige kosten gevorderd onder de noemer “lijkbezorging” kunnen niet als zodanig worden gekwalificeerd. De wet biedt dan ook geen basis voor toewijzing van dit gedeelte, zodat de vordering in zoverre zal worden afgewezen.

Op basis van voornoemde wettelijke bepalingen kan deze benadeelde partij ook aanspraak maken op gederfd levensonderhoud. Het hiertoe gevorderde bedrag is onderbouwd met een berekening waarbij gebruik is gemaakt van standaardbedragen van het NIBUD.

Per definitie zal dit een schadepost zijn die mogelijk de nodige specifieke kennis en bestudering vergt. Dit betekent echt niet dat beoordeling hiervan zonder meer een onnodige belasting van het strafgeding oplevert. Niet is specifiek aangegeven welke punten onduidelijk zijn of bij welke onderdelen van de berekening vraagtekens dienen te worden geplaatst. Door de verdediging kan niet worden volstaan met de enkele stelling dat de berekening - kort gezegd - te ingewikkeld is.

Nu dit onderdeel van de vordering voldoende is onderbouwd en niet (voldoende) is betwist en nu het gevorderde bedrag de rechtbank ook anderszins niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt, zal dit gedeelte van de vordering worden toegewezen.

De reis- en parkeerkosten (rechtbank en advocaat) gemaakt in het kader van het verkrijgen van voldoening van schade zijn voor toewijzing vatbaar als zijnde proceskosten.

Voorts zijn voor toewijzing vatbaar de kosten die zijn gemaakt ten behoeve van de berekening van het gederfde levensonderhoud. Deze worden aangemerkt als buitengerechtelijke incassokosten en als zodanig toegewezen. De bedragen komen de rechtbank ook niet onrechtmatig of ongegrond voor.

Ten aanzien van de overige gevorderde reiskosten biedt de wet geen basis voor toewijzing, zodat de vordering in zoverre wordt afgewezen.

Voorts biedt de wet, zoals hiervoor is overwogen, ook wat betreft de overige gevorderde schadeposten geen basis voor toekenning van schadevergoeding. De vordering is in zoverre niet voor toewijzing vatbaar en zal dan ook worden afgewezen.

Concluderend komt de rechtbank tot de volgende beslissingen:

  • -

    toewijzing van de vordering tot een bedrag van € 53.720,73 bestaande uit materiële schade;

  • -

    afwijzing van het restant van de vordering, te weten tot een bedrag van € 45.476,48;

  • -

    veroordeling in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken, tot op heden begroot op € 931,11;

  • -

    vermeerdering van het toegewezen bedrag van € 53.720,73 met de wettelijke rente vanaf 2 augustus 2014 tot aan de dag der algehele voldoening;

  • -

    oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ten aanzien van het toegewezen bedrag van € 53.720,73 waarbij de vervangende hechtenis wordt gesteld op 30 dagen.

De vordering van [benadeelde 3] (de moeder van slachtoffer [slachtoffer 3] )
De hoogte van de door haar geleden schade wordt door [benadeelde 3] begroot op een totaalbedrag van € 15.200,-, bestaande uit € 200,- reis- en parkeerkosten en € 15.000,- immateriële schade.

Zoals hiervoor overwogen, biedt de wet geen basis voor toekenning van schadevergoeding voor andere posten dan degene volgend uit artikel 51f Sv juncto artikel 6:108 BW. De vordering is ten aanzien van de immateriële schade daarom niet voor toewijzing vatbaar en zal dan ook worden afgewezen.

De benadeelde partij heeft reis- en parkeerkosten gemaakt voor het bezoeken van een raadsman en voor het bijwonen van onder meer de zittingen in deze zaak. De hiermee gemoeide kosten zal de rechtbank toewijzen. Het bedrag van € 100,- komt de rechtbank ook niet onrechtmatig of ongegrond voor en wordt toegewezen.

De gevorderde reiskosten betreffende hoger beroep zien op (nog) niet geleden schade en daarom zal wat dit gedeelte betreft de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard.

Concluderend zal een bedrag van € 100,- worden toegewezen, een bedrag van € 15.000,- worden afgewezen en zal de vordering deels niet-ontvankelijk worden verklaard (€ 100,-). De benadeelde partij wordt als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de kosten die de verdachte heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

Gelet op het beperkte toegewezen bedrag zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel in deze zaak niet opleggen.

De vordering van [benadeelde 4] (de echtgenote van slachtoffer [slachtoffer 3] )
De hoogte van de door haar geleden schade wordt door [benadeelde 4] begroot op:

  1. Medische kosten € 12,78

  2. Gederfd levensonderhoud € 137.008,06

  3. Reis- en parkeerkosten € 356,87

  4. Kosten uitvaart € 15.142,65

  5. Immateriële schade € 17.500,-

  6. Kosten rechtsbijstand € 12.737,66

  7. Kosten rapportage Laumen € 4.405,69

  8. Overige kosten € 2.882,06 +

Totaal € 190.045,77

De rechtbank stelt vast dat kosten betreffende lijkbezorging (kosten uitvaart) en gederfd levensonderhoud in beginsel voor vergoeding in aanmerking komen. Deze posten zijn onderbouwd en door de verdediging niet (voldoende) betwist. Wat betreft het gevorderde levensonderhoud herhaalt de rechtbank haar overwegingen zoals opgenomen bij de vordering van mevrouw [slachtoffer 2] en zij volstaat op deze plaats met een verwijzing naar die overwegingen, die in gelijke zin voor de vordering van [benadeelde 4] gelden. De door [benadeelde 4] op deze onderdelen gevorderde bedragen komen de rechtbank ook anderszins niet onrechtmatig of ongegrond voor en worden toegewezen.

De reis- en parkeerkosten (rechtbank en advocaat) en de kosten van rechtsbijstand, gemaakt in het kader van het verkrijgen van voldoening van schade, zijn voor toewijzing vatbaar en worden aangemerkt als proceskosten. De kosten gemaakt ten behoeve van de berekening van het gederfde levensonderhoud worden aangemerkt als buitengerechtelijke incassokosten en zijn eveneens voor toewijzing vatbaar. Deze bedragen komen de rechtbank anderszins niet onrechtmatig of ongegrond voor. De kosten van rechtsbijstand worden toewezen aan de hand van het liquidatietarief (4 punten ad € 1.421,- per punt) waarbij het overige gevorderde bedrag wordt afgewezen.

Ten aanzien van de overige gevorderde reiskosten biedt de wet geen basis voor toewijzing. De gevorderde reiskosten betreffende hoger beroep zien op (nog) niet geleden schade en daarom zal wat dit gedeelte betreft de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard.

Wat betreft de overige gevorderde schadeposten biedt de wet, zoals hiervoor overwogen, geen basis voor toekenning van schadevergoeding. De vordering is in zoverre niet voor toewijzing vatbaar en zal dan ook worden afgewezen.

Concluderend komt de rechtbank tot de volgende beslissingen:

  • -

    toewijzing van de vordering tot een bedrag van € 152.150,71 bestaande uit materiële schade;

  • -

    niet-ontvankelijk verklaring van de vordering tot een bedrag van € 100,-;

  • -

    afwijzing van het restant van de vordering, te weten tot een bedrag van € 27.468,51;

  • -

    veroordeling in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken, tot op heden begroot op € 10.326,55;

  • -

    vermeerdering van het toegewezen bedrag van € 152.150,71 met de wettelijke rente vanaf 2 augustus 2014 tot aan de dag der algehele voldoening;

  • -

    oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ten aanzien van het toegewezen bedrag van € 152.150,71 waarbij de vervangende hechtenis wordt gesteld op 30 dagen.

De vordering van [benadeelde 5] (de zoon van slachtoffer [slachtoffer 3] )
De hoogte van de door hem geleden schade wordt namens [benadeelde 5] begroot op een totaalbedrag van € 40.930,16, bestaande uit € 23.430,16 materiële schade (gederfd levensonderhoud) en € 17.500,- immateriële schade.

De rechtbank stelt vast dat kosten betreffende gederfd levensonderhoud in beginsel voor vergoeding in aanmerking komen. Deze post is onderbouwd en door de verdediging niet (voldoende) betwist. De rechtbank herhaalt hieromtrent haar overwegingen zoals opgenomen bij de vordering van mevrouw [benadeelde 2] en volstaat op deze plaats met een verwijzing naar die overwegingen, die in gelijke zin voor de vordering van [benadeelde 5] gelden. Het ten aanzien van deze post gevorderde bedrag komt de rechtbank ook anderszins niet onrechtmatig of ongegrond voor en wordt toegewezen.

Wat betreft de gevorderde immateriële schade biedt de wet, zoals hiervoor overwogen, geen basis voor toekenning van schadevergoeding. De vordering is in zoverre niet voor toewijzing vatbaar en zal dan ook worden afgewezen.

Concluderend wordt de vordering dan ook gedeeltelijk toewezen, te weten tot een bedrag van € 23.430,16 bestaande uit materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 augustus 2014 tot en met de dag der algehele voldoening. De vordering wordt voor het overige gedeelte afgewezen.

Tevens wordt ten aanzien van het toegewezen bedrag de schadevergoedingsmaatregel opgelegd waarbij de vervangende hechtenis wordt gesteld op 30 dagen.

De verdachte wordt veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken, tot op heden begroot op nihil.

De vordering van [benadeelde 6] (de zoon van slachtoffer [slachtoffer 3] )
De hoogte van de door hem geleden schade wordt namens [benadeelde 6] begroot op een totaalbedrag van € 50.326,56, bestaande uit € 32.826,56 materiële schade (gederfd levensonderhoud) en € 17.500,- immateriële schade.

De rechtbank stelt vast dat kosten betreffende gederfd levensonderhoud in beginsel voor vergoeding in aanmerking komen. Deze post is onderbouwd en door de verdediging niet (voldoende) betwist. De rechtbank herhaalt hieromtrent haar overwegingen zoals opgenomen bij de vordering van mevrouw [benadeelde 2] en volstaat op deze plaats met een verwijzing naar die overwegingen, die in gelijke zin voor de vordering van [benadeelde 6] gelden. Het ten aanzien van deze post gevorderde bedrag komt de rechtbank ook anderszins niet onrechtmatig of ongegrond voor en wordt toegewezen.

Wat betreft de gevorderde immateriële schade biedt de wet, zoals hiervoor overwogen, geen basis voor toekenning van schadevergoeding. De vordering is in zoverre niet voor toewijzing vatbaar en zal dan ook worden afgewezen.

Concluderend wordt de vordering gedeeltelijk toewezen, te weten tot een bedrag van € 32.826,56 bestaande uit materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 augustus 2014 tot en met de dag der algehele voldoening. De vordering wordt voor het overige gedeelte afgewezen.

Tevens wordt ten aanzien van het toegewezen bedrag de schadevergoedingsmaatregel opgelegd waarbij de vervangende hechtenis wordt gesteld op 30 dagen.

De verdachte wordt veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken, tot op heden begroot op nihil.

11 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 24c, 33, 33a, 36f, 57, 63, 169, 307 en 414 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 35d van de Scheepvaartverkeerswet zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde en op de reeds aangehaalde artikelen.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

12. Beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak
Verklaart het onder feit 1 primair en feit 2 primair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bewezenverklaring
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Feit 1 subsidiair: Aan zijn schuld de dood van een ander te wijten zijn, meermalen gepleegd.

Feit 2 subsidiair: Aan zijn schuld te wijten zijn dat een vaartuig onbruikbaar wordt gemaakt, terwijl daardoor levensgevaar voor een ander ontstaat.

Feit 3 primair: Als schipper de op hem rustende verplichting tot hulpverlening van artikel 785 van het Wetboek van Koophandel opzettelijk niet nakomen.

Strafbaarheid
Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte daarvoor strafbaar.

Strafoplegging
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van vier jaar.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Wijst af de vordering tot gevangenneming van verdachte.

Ontzegt verdachte, als houder van een vaarbewijs, de bevoegdheid tot het voeren van schepen voor zover daartoe een vaarbewijs is vereist, voor de duur van vijf jaar.

Bepaalt dat de duur van deze ontzegging wordt verminderd met de tijd gedurende welke het vaarbewijs vóór het tijdstip waarop de straf ingaat, ingevorderd (en ingehouden) is geweest.

Beslag
Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van:

- de sloep [sloep] , rompnummer [nummer]

Verklaart verbeurd:

- de speedboot met registratienummer [nummer]

Vorderingen benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregel

Benadeelde partij [slachtoffer 4] :

Wijst de vordering van [slachtoffer 4] toe tot het bedrag van € 22.285,46 (bestaande uit € 2.285,46 materiële schade en € 20.000 immateriële schade) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 2 augustus 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 4] .

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op € 3.816,20.

Wijst af de vordering tot het bedrag van € 54,-.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering is en bepaalt dat dit gedeelte kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.

Legt verdachte de verplichting op, ten behoeve van [slachtoffer 4] , € 22.285,46 (zegge: tweeëntwintigduizend tweehonderd vijfentachtig euro en zesenveertig eurocent) aan de Staat te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 30 dagen. Het bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 augustus 2014 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Benadeelde partij [slachtoffer 1] :

Wijst de vordering van [slachtoffer 1] toe tot het bedrag van € 26.943,11 (bestaande uit € 6.943,11 materiële schade en € 20.000 immateriële schade) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 2 augustus 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 1] .

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op € 3.860,47.

Wijst af de vordering tot het bedrag van € 4.632,44.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering is en bepaalt dat dit gedeelte kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.

Legt verdachte de verplichting op, ten behoeve van [slachtoffer 1] , € 26.943,11 (zegge: zesentwintigduizend negenhonderd drieënveertig euro en elf eurocent) aan de Staat te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 30 dagen. Het bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 augustus 2014 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Benadeelde partij [benadeelde 1] :

Wijst de vordering van [benadeelde 1] toe tot het bedrag van € 12.088,32 (bestaande uit materiële schade) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 2 augustus 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde 1] .

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil

Legt verdachte de verplichting op, ten behoeve van [benadeelde 1] , € 12.088,32 (zegge: twaalfduizend achtentachtig euro en tweeëndertig eurocent) aan de Staat te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 30 dagen. Het bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 augustus 2014 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Benadeelde partij mevrouw [benadeelde 2] :
Wijst de vordering van mevrouw [benadeelde 2] toe tot het bedrag van € 53.720,73 (bestaande uit materiële schade) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 2 augustus 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan mevrouw [benadeelde 2] .

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op € 931,11.

Wijst de vordering voor het overige af.

Legt verdachte de verplichting op, ten behoeve van mevrouw [benadeelde 2] , € 53.720,73 (zegge: drieënvijftigduizend zevenhonderd twintig euro en drieënzeventig eurocent) aan de Staat te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 30 dagen. Het bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 augustus 2014 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Benadeelde partij [benadeelde 3] :
Wijst de vordering van [benadeelde 3] toe tot het bedrag van € 100,- (bestaande uit materiële schade) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 2 augustus 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde 3] .

Wijst af de vordering tot het bedrag van € 15.000,-.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering is en bepaalt dat dit gedeelte kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter

Veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte gemaakt, begroot op nihil.

Benadeelde partij [benadeelde 4] :
Wijst de vordering van [benadeelde 4] toe tot het bedrag van € 152.150,71 (bestaande uit materiële schade) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 2 augustus 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde 4] .

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op € 10.326,55.

Wijst af de vordering tot het bedrag van € 27.468,51.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering is en bepaalt dat dit gedeelte kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.

Legt verdachte de verplichting op, ten behoeve van [benadeelde 4] , € 152.150,71 (zegge: honderdtweeënvijftigduizend honderd vijftig euro en éénenzeventig eurocent) aan de Staat te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 30 dagen. Het bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 augustus 2014 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen

Benadeelde partij [benadeelde 5] :
Wijst de vordering van [benadeelde 5] toe tot het bedrag van € 23.430,16 (bestaande uit materiële schade) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 2 augustus 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde 5] .

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Wijst af de vordering voor het overige.

Legt verdachte de verplichting op, ten behoeve van [benadeelde 5] , € 23.430,16 (zegge: drieëntwintigduizend vierhonderd dertig euro en zestien eurocent) aan de Staat te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 30 dagen. Het bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 augustus 2014 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen

Benadeelde partij [benadeelde 6] :
Wijst de vordering van [benadeelde 6] toe tot het bedrag van € 32.826,56 (bestaande uit materiële schade) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 2 augustus 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde 6] .

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Wijst af de vordering voor het overige.

Legt verdachte de verplichting op, ten behoeve van [benadeelde 6] , € 32.826,56 (zegge: tweeëndertigduizend achthonderd zesentwintig euro en zesenvijftig eurocent) aan de Staat te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 30 dagen. Het bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 augustus 2014 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. G. Perrick, voorzitter,

mrs. C.A.M. van Straalen en J.G. van Ommeren, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. K.M. Strijbos, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 29 maart 2016.

BIJLAGE : De tenlastelegging

Aan bovenbedoelde gedagvaarde persoon wordt, na wijziging van de tenlastelegging die hierna cursief is weergegeven, tenlastegelegd dat:

1.

Primair

hij op of omstreeks 02 augustus 2014 op de Vinkeveense plassen te Vinkeveen,

gemeente De Ronde Venen, althans in het arrondissement Midden-Nederland,

opzettelijk [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] van het leven heeft beroofd,

immers heeft verdachte opzettelijk, als bestuurder van een (motor)boot,

na voorafgaand gebruik van alcoholhoudende drank en/of

terwijl hij geen verlichting voerde terwijl het donker, althans na

zonsondergang, was en/of

terwijl hij een aantal (dicht op elkaar liggende) recreatie-eilandjes naderde

met een (zeer) hoge snelheid (waardoor de (motor)boot in plané kwam) over de

Vinkeveenseplassen gevaren, in ieder geval met een snelheid hoger dan de ter

plaatse toegestane 6 km/uur,

waardoor verdachte een eveneens op die Vinkeveense plassen aanwezige

(verlichting voerende) sloep met vier opvarenden (waaronder voornoemde

[slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] ) niet heeft gezien, ten gevolge waarvan verdachte met

die (motor)boot in aanvaring is gekomen met die sloep en/of (twee van de)

opvarenden van die sloep, ten gevolge waarvan twee opvarenden van die sloep,

te weten voornoemde [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] zijn overleden;

art 287 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair

hij op of omstreeks 02 augustus 2014 op de Vinkeveense plassen te Vinkeveen,

gemeente De Ronde Venen, althans in het arrondissement Midden-Nederland, door

roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of

onoplettend,

als bestuurder van een (motor)boot,

na voorafgaand gebruik van alcoholhoudende drank en/of

terwijl hij geen verlichting voerde terwijl het donker, althans na

zonsondergang, was en/of

terwijl hij een aantal (dicht op elkaar liggende) recreatie-eilandjes naderde

met een (zeer) hoge snelheid (waardoor de (motorboot in plané kwam) over de

Vinkeveense plassen heeft gevaren, in ieder geval met een snelheid hoger dan

de ter plaatse toegestane 6 km/uur,

waardoor verdachte een eveneens op die Vinkeveense plassen aanwezige

(verlichting voerende) sloep met vier opvarenden (waaronder [slachtoffer 2] en

/of [slachtoffer 3] ) niet heeft gezien, ten gevolge waarvan verdachte met die

(motor)boot in aanvaring is gekomen met die sloep en/of (twee van de)

opvarenden van die sloep,

waardoor het aan de schuld van verdachte te wijten is geweest dat [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] zijn geraakt door (de schroef van) de motorboot en

zodanig letsel heeft/hebben bekomen dat hij/zij aan de gevolgen daarvan

is/zijn overleden;

art 307 lid 2 Wetboek van Strafrecht

2.

Primair

hij op of omstreeks 02 augustus 2014 op de Vinkeveense plassen te Vinkeveen,

gemeente De Ronde Venen, althans in het arrondissement Midden-Nederland,ter

uitvoering van het voorgenomen delict om [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 1]

van het leven te beroven,

opzettelijk, als bestuurder van een (motor)boot,

na voorafgaand gebruik van alcoholhoudende drank en/of

terwijl hij geen verlichting voerde terwijl het donker, althans na

zonsondergang, was en/of

terwijl hij een aantal (dicht op elkaar liggende) recreatie-eilandjes naderde

met een (zeer) hoge snelheid (waardoor de (motor)boot in plané kwam) over de

Vinkeveenseplassen heeft gevaren, in ieder geval met een snelheid hoger dan de

ter plaatse toegestane 6 km/uur,

waardoor verdachte een eveneens op die Vinkeveense plassen aanwezige

(verlichting voerende) sloep met vier opvarenden (waaronder voornoemde

[slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 1] ) niet heeft gezien, ten gevolge waarvan verdachte

met die (motor)boot in aanvaring is gekomen met die sloep,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair

hij op of omstreeks 2 augustus 2014 op de Vinkeveense plassen te Vinkeveen,

gemeente De Ronde Venen, althans in het arrondissement Midden-Nederland,

als bestuurder van een (motor)boot, daarmede hoogst, althans aanmerkelijk

onachtzaam en/of (hoogst) onoplettend heeft gevaren, waardoor het aan zijn

schuld te wijten is dat een eveneens op die Vinkeveense plassen aanwezige

sloep met daarop vier personen onbruikbaar werd en/of beschadigd werd, immers,

voer hij, verdachte,

na voorafgaand gebruik van alcoholhoudende drank en/of

terwijl hij geen verlichting voerde terwijl het donker, althans na

zonsondergang, was en/of

terwijl hij een aantal (dicht op elkaar liggende) recreatie-eilandjes naderde

met een (zeer) hoge snelheid (waardoor de motorboot in plané kwam) over de

Vinkeveense plassen, in ieder geval met een snelheid hoger dan de toegestane 6

km/uur,

waardoor verdachte een eveneens op die Vinkeveense plassen aanwezig

(verlichting voerende) sloep met vier opvarenden (waaronder [slachtoffer 4]

en/of [slachtoffer 1] ) niet heeft gezien, ten gevolge waarvan verdachte met

die (motor)boot in aanvaring is gekomen met die sloep en/of waarbij er

levensgevaar voor [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 1] is ontstaan;

art 169 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

Meer subsidiair

hij op of omstreeks 02 augustus 2014 in de gemeente Vinkeveen, gemeente De

Ronde Venen, als schipper van een (motor)boot, daarmede varende op De

Vinkeveense plassen, zijnde een openbaar voor de scheepvaart openstaand water

in het Rijk gelegen, terwijl uitdrukkelijke voorschriften in het

Binnenvaartpolitiereglement ontbraken, niet alle voorzorgsmaatregelen heeft

genomen die volgens goede zeemanschap en/of door omstandigheden waarin dat

schip of dat samenstel zich bevond in het belang van de veiligheid en/of de

goede orde van de scheepvaart waren geboden, teneinde te voorkomen dat het

leven van personen in gevaar werd gebracht en/of schade werd veroorzaakt aan

een ander schip/andere schepen en/of aan een andere drijvende voorwerpen, aan

oevers en/of aan werken en/of inrichtingen die zich in de vaarweg en/of op de

oevers daarvan bevonden en/of de veiligheid of het vlotte verloop van de

scheepvaart in gevaar werd gebracht, immers heeft verdachte

na voorafgaand gebruik van alcoholhoudende drank en/of

terwijl hij geen verlichting voerde terwijl het donker, althans na

zonsondergang, was en/of

terwijl hij een aantal (dicht op elkaar liggende) recreatie-eilandjes naderde

met een (zeer) hoge snelheid (waardoor de motorboot in plané kwam) over de

Vinkeveense plassen gevaren, in ieder geval met een snelheid hoger dan de

toegestane 6 km/uur,

waardoor verdachte een eveneens op die Vinkeveenseplassen aanwezig

(verlichting voerende) sloep met vier opvarenden (waaronder [slachtoffer 4]

en/of [slachtoffer 1] ) niet heeft gezien, ten gevolge waarvan verdachte met

die (motor)boot in aanvaring is gekomen met die sloep en/of waarbij er

levensgevaar voor [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 1] is ontstaan;

zijnde de terminologie in deze telastelegging gebezigd in de zin van het

Binnenvaartpolitiereglement;

art 1.04 ahf/ond a Binnenvaartpolitiereglement

art 1.04 ahf/ond b Binnenvaartpolitiereglement

art 1.04 ahf/ond c Binnenvaartpolitiereglement

3.

Primair

hij op of omstreeks 2 augustus 2014 op de Vinkeveenseplassen te Vinkeveen,

gemeente De Ronde Venen, althans in het arrondissement Midden-Nederland, als

schipper van een (motor)boot opzettelijk, de op hem rustende verplichtingen

krachtens artikel 785 Wetboek van Koophandel niet is nagekomen, immers

is hij, verdachte, nadat hij in aan-/overvaring met de sloep met vier

opvarenden was gekomen, met die (motor)boot doorgevaren en heeft hij niet zo

spoedig mogelijk naar de plek van de aan-/overvaring teruggevaren teneinde de

hulp te verlenen aan de die sloep en de personen aan boord van die sloep,

waartoe hij bij machte was;

art 414 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair

hij op of omstreeks 2 augustus 2014 op de Vinkeveenseplassen te Vinkeveen,

gemeente De Ronde Venen, althans in het arrondissement Midden-Nederland, als

schipper van een (motor)boot niet heeft voldaan aan de op hem rustende verplichting

krachtens artikel 785 Wetboek van Koophandel, immers

heeft hij, verdachte, nadat hij in aan-/overvaring met de sloep met vier

opvarenden was gekomen, niet aan de bij de aanvaring betrokken (opvarenden van

de) (motor)boot opgegeven de naam van zijn schip, althans zijn (motor)boot,

van de plaats waar het thuis behoort, van de plaats waar het vandaan komt en

waarheen het bestemd is, alsmede inzage te verstrekken van het bewijs van

inschrijving in het register;

art 474 Wetboek van Strafrecht

art 414 Wetboek van Strafrecht

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende proces-verbaal, nr. 2014212616 (onderzoek 09PEER), bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering (pagina 1 tot en met 1654 + aanvullingen). Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 1091.

3 Het proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 1] , pagina 880.

4 Het proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 1] , pagina 887.

5 Het proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 1] , pagina 880.

6 Het proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 4] , pagina 913.

7 Het proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 4] , pagina 919.

8 Het proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 4] , pagina 913.

9 Het proces-verbaal van onnatuurlijke dood, pagina 1146.

10 Een geschrift, zijnde een Verslag Forensische geneeskundige dienst [slachtoffer 3] , pagina 1156.

11 Een geschrift, zijnde een NFI rapport Pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood [slachtoffer 2] , pagina 1175 en 1176.

12 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 1101.

13 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 1094.

14 Het letterlijk uitgewerkte verhoor van verdachte [verdachte] , pagina 605.

15 De verklaring van verdachte ter zitting op 14 maart 2016.

16 Het letterlijk uitgewerkte verhoor van verdachte [verdachte] , pagina 607.

17 Het letterlijk uitgewerkte verhoor van verdachte [verdachte] , pagina 624.

18 Het letterlijk uitgewerkte verhoor van verdachte [verdachte] , pagina 623.

19 Het letterlijk uitgewerkte verhoor van verdachte [verdachte] , pagina 625.

20 Het letterlijk uitgewerkte verhoor van verdachte [verdachte] , pagina 679.

21 Het letterlijk uitgewerkte verhoor van verdachte [verdachte] , pagina 680.

22 Het letterlijk uitgewerkte verhoor van verdachte [verdachte] , pagina 681.

23 De verklaring van verdachte ter zitting op 14 maart 2016.

24 Het proces-verbaal aanvaring, pagina 1387 en 1388.

25 Het proces-verbaal reconstructie vaarongeval, pagina 1428.

26 Het proces-verbaal reconstructie vaarongeval, pagina 1429.

27 Het proces-verbaal reconstructie vaarongeval, pagina 1430.

28 Het proces-verbaal reconstructie vaarongeval, pagina 1432.

29 Het letterlijk uitgewerkte verhoor van verdachte [verdachte] , pagina 604.

30 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [getuige 1] , pagina 810.

31 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] bij de rechter-commissaris, pagina 4.

32 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 576, met het ademanalyseformulier, pagina 578.

33 Een geschrift, zijnde een NFI rapport Herberekening ademalcoholgehalte, pagina 584.

34 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] , pagina 989.

35 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] bij de rechter-commissaris, pagina 3.

36 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3] bij de rechter-commissaris, pagina 2.

37 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 4] bij de rechter-commissaris, pagina 3.

38 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 10] , pagina 1049.

39 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 10] bij de rechter-commissaris, pagina 2.

40 Het (los opgenomen) proces-verbaal bevindingen scheepvaatongeval van 18 aug 2014, pagina 20.

41 De verklaring van verdachte afgelegd ter zitting op 14 maart 2016.

42 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 9] bij de rechter-commissaris, pagina 1.

43 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 9] bij de rechter-commissaris, pagina 2.

44 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 10] , pagina 1049.

45 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 1141.

46 Het proces-verbaal van verhoor getuige [verbalisant] bij de rechter-commissaris, pagina 3.

47 Het proces-verbaal van verhoor getuige [verbalisant] bij de rechter-commissaris, pagina 4.

48 Het proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 1] , pagina 880.

49 Het proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 1] , pagina 891.

50 Het proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 4] , pagina 918.

51 Het proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 4] , pagina 921.

52 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [getuige 1] , pagina 811.

53 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [getuige 1] , pagina 816.

54 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] bij de rechter-commissaris, pagina 2.

55 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [getuige 1] , pagina 817.

56 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [getuige 1] , pagina 819.

57 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [getuige 1] , pagina 820.

58 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] bij de rechter-commissaris, pagina 3.

59 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 12] , pagina 942.

60 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 12] , pagina 943.

61 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 12] bij de rechter-commissaris, pagina 2.

62 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 10] , pagina 1049.

63 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 10] , pagina 1050.