Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2016:1587

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
25-03-2016
Datum publicatie
25-03-2016
Zaaknummer
C/16/412010 / KL ZA 16-81
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

De Combinatie van Vissorteerders heeft in kort geding gevorderd om alsnog een dwangsom te verbinden aan het eerder tussen partijen gewezen vonnis van 16 maart jl. Daarnaast heeft de Combinatie een voorschot op schadevergoeding gevorderd van € 60.000,-. Vooropgesteld wordt dat het te betreuren is dat partijen, gelet op het belang van de visveiling voor de gemeenschap op Urk en de bijzondere verhoudingen, elkaar opnieuw treffen in de rechtszaal. De vordering om een dwangsom te verbinden aan het vonnis van 16 maart wordt toegewezen omdat er niet zonder meer van uit kan worden gegaan dat de Visveiling het vonnis van 16 maart jl. zonder voorbehoud zal nakomen, waarbij wel wordt opgemerkt dat er geen aanleiding is om te veronderstellen dat de Visveiling niet oprecht is in de zorgen die door haar zijn geuit. De vordering tot betaling van een voorschot wordt afgewezen, omdat, kort gezegd, het bestaan en de omvang onvoldoende is komen vast te staan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

Zittingsplaats Lelystad

zaaknummer / rolnummer: C/16/412010 / KL ZA 16-81

Vonnis in kort geding van 25 maart 2016

in de zaak van

1. de vereniging

COMBINATIE VAN VISSORTEERDERS,

gevestigd te Urk,

2. de stichting

STICHTING COMBINATIE VAN VISSORTEERDERS,

gevestigd te Urk,

eiseressen,

advocaten mrs. L.A.M. Zwitserlood en P.A. de Koningh te Maarssen,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

VISVEILING URK B.V.,

gevestigd te Urk,

gedaagde,

advocaat mr. M.H. van Daal te Zwolle.

Eiseressen zullen hierna gezamenlijk de Combinatie worden genoemd en gedaagde zal de Visveiling worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de mondelinge behandeling op 21 maart 2016

  • -

    de pleitnota van de Visveiling.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Bij vonnis in kort geding van deze rechtbank van 16 maart 2016 (hierna: het vonnis) heeft de voorzieningenrechter in 6.3. als volgt beslist:

“beveelt de Visveiling om, zolang tussen partijen geen arbitraal vonnis of een gerechtelijke einduitspraak in een bodemprocedure is gewezen of tussen partijen een vaststellingsovereenkomst is gesloten:

  • -

    het sorteerwerk in de Visveiling te gunnen aan de sorteerders, die verenigd zijn in de Combinatie van Vissorteerders;

  • -

    te gedogen dat sorteerders, die een (arbeids)overeenkomst met Stichting Isla hebben gesloten of zullen sluiten, indien en voor zover zij dat wensen, via de Combinatie sorteerwerkzaamheden uitvoeren tegen de laatstelijk tussen partijen overeengekomen vergoedingen;

alle door de sorteerders van de Combinatie uit te voeren sorteerwerkzaamheden te betalen op de wijze zoals dit tussen partijen gebruikelijk was vóór 1 januari 2016 en conform de laatstelijk tussen partijen overeengekomen vergoedingen”

2.2.

In het weekend van vrijdag 18 tot en met maandag 21 maart 2016 heeft de Visveiling het sorteerwerk niet gegund aan de Combinatie, maar aan de stichting Isla.

3 Het geschil

3.1.

De Combinatie vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

1. de Visveiling te veroordelen om aan de Combinatie een dwangsom te betalen van € 50.000,- per dag of gedeelte van een dag, dat de Visveiling in gebreke blijft om aan het bevel te voldoen als gegeven in punt 6.3. van het dictum van het vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland gewezen op 16 maart 2016 met zaaknummer C/16/410269 / KL ZA / 16-59,

2. de Visveiling te veroordelen om aan de Combinatie tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van € 60.000,- bij wege van voorschot op een in een arbitrale of gerechtelijke procedure te bepalen schadevergoeding alsmede een bedrag van € 20.000,- per (na 22 maart 2016) te missen sorteeropdracht,

3. de Visveiling te veroordelen in de kosten van de procedure, waaronder de nakosten, te vermeerderen met wettelijke rente.

3.2.

De Visveiling voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Vooropgesteld wordt dat het bijzonder te betreuren is dat het noodzakelijk werd geacht om het vonnis het onderhavige vervolg te geven. Gelet op het belang van de Visveiling voor de gemeenschap op Urk en de bijzondere verhoudingen is het in ieders belang dat partijen zelf tot een oplossing komen.

4.2.

Tussen partijen is in geschil of aan het vonnis alsnog een dwangsom moet worden verbonden. De Visveiling heeft aan de Combinatie laten weten en heeft in die zin ook ter zitting verklaard dat zij het sorteerwerk met ingang van vrijdag 25 maart 2016 aan de Combinatie zal gunnen. Toch ziet de voorzieningenrechter thans aanleiding om aan haar uitspraak vanaf heden een dwangsom te verbinden.

4.3.

Het sorteerwerk van vrijdag 18 tot en met maandag 21 maart 2016 heeft de Visveiling niet gegund aan de Combinatie. In haar pleitnota vermeldt de Visveiling dat zij op het moment dat zij kennis nam van het vonnis al complete ploegen van sorteerders had opgeroepen voor 18-21 maart. Ter zitting is echter gebleken dat op donderdagmiddag 17 maart, dus daags na het vonnis, de sorteerders via stichting Isla (hierna: Isla) zijn opgeroepen voor het werk van dat weekend.

De Visveiling betoogt weliswaar dat “het vonnis geen invulling geeft aan allerlei onduidelijkheden die nog bestaan” maar de door haar genoemde onduidelijkheden ontslaan haar niet van de plicht het vonnis uit te voeren. Dat de Visveiling naar haar zeggen niet anticiperend op een voor haar negatief uitvallend vonnis heeft gehandeld, komt voor haar rekening. De enkele omstandigheid dat de Visveiling de uitkomst niet verwachtte, baat haar niet. Verder is ter zitting gebleken dat de Visveiling nog zoveel potentiële moeilijkheden opwerpt, dat er voorshands niet van uitgegaan kan worden dat zij de in het vonnis opgelegde verplichtingen zal nakomen. Daarbij wordt opgemerkt dat de voorzieningenrechter geen enkele aanleiding heeft te veronderstellen dat de zorgen van de Visveiling niet oprecht zijn.

4.4.

Tijdens de mondelinge behandeling in de procedure die tot het vonnis heeft geleid, heeft de Combinatie verklaard dat ook de vissorteerders die een arbeidsovereenkomst met Isla hebben gesloten, maar voorheen het sorteerwerk via de Combinatie verrichtten, nog steeds ‘lid’ zijn van de Combinatie. Daarnaast heeft de Combinatie verklaard dat zij haar ‘leden’ niet zal binden aan het vonnis. Hieruit heeft de voorzieningenrechter begrepen dat – bij toewijzing van de vordering – het sorteerwerk door de Combinatie zonder aanzien des persoons verdeeld zal worden over álle ‘leden’ van de Combinatie, ook als de betreffende sorteerder inmiddels in dienst is getreden bij Isla en het werk wil uitvoeren op de condities zoals overeengekomen met Isla.

4.5.

In het vonnis is de Visveiling bevolen om alle door de sorteerders uit te voeren werkzaamheden, kort gezegd, te betalen op de wijze en conform de vergoedingen zoals laatstelijk tussen de Combinatie en de Visveiling overeengekomen. Dat houdt in dat de Visveiling de Combinatie de laatstelijk overeengekomen vergoeding moet betalen voor al het sorteerwerk dat door vissorteerders wordt verricht die op de voorwaarden van de Combinatie hun werk uitvoeren. De groep vissorteerders die het sorteerwerk uit wil voeren op de condities van hun met Isla gesloten arbeidsovereenkomst moet dienovereenkomstig worden beloond voor haar werkzaamheden. Daarbij kan het vanzelfsprekend niet zo zijn dat de Visveiling gehouden is om de Combinatie op basis van de laatstelijk tussen partijen overeengekomen vergoeding te betalen voor het werk van alle vissorteerders, ongeacht op welke voorwaarden zij werkzaam wensen te zijn, en dat zij daarnaast gehouden zou zijn om de sorteerders die op de voorwaarden van Isla willen blijven werken daarvoor ook nog via Isla uit te betalen. De Visveiling zou in dat geval een dubbele vergoeding moeten betalen voor het werk van vissorteerders die op de condities van Isla willen werken. Hoe partijen de betaling van de vergoeding in de praktijk regelen, is aan partijen, zolang de uitkomst is dat de individuele vissorteerder zijn werk vergoed krijgt op basis van de voorwaarden waar hij zelf voor heeft gekozen.

4.6.

De Combinatie heeft ook een voorschot op schadevergoeding gevorderd.

4.7.

Met betrekking tot een voorziening in kort geding, bestaande in veroordeling tot betaling van een geldsom, is terughoudendheid op zijn plaats. De rechter zal daarbij niet alleen hebben te onderzoeken of het bestaan van een vordering van de eiser op de gedaagde voldoende aannemelijk is, maar ook of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist, terwijl de rechter in de afweging van de belangen van partijen mede zal hebben te betrekken de vraag naar - kort gezegd - het risico van onmogelijkheid van terugbetaling, welk risico kan bijdragen tot weigering van de voorziening.

4.8.

De Visveiling heeft het bestaan en de omvang van de gestelde schade betwist. Zij heeft onderbouwd gesteld dat de gemiddelde dagvergoeding niet de omvang heeft die door de Combinatie is gesteld en daarnaast heeft de Visveiling gesteld dat het sorteerwerk voor een groot deel is gedaan door sorteerders die het werk voorheen via de Combinatie verrichtten, maar thans een arbeidsovereenkomst hebben met stichting Isla. Zij zijn voor dat werk betaald door stichting Isla en de Combinatie heeft dientengevolge geen schade geleden.

4.9.

Gelet op deze gemotiveerde betwisting is er voor de voorzieningenrechter onvoldoende aanleiding om op basis van hetgeen over en weer gesteld is en mede in het licht van het vereiste van onverwijlde spoed bij een onmiddellijke voorziening op dit punt, de vordering van de Combinatie toe te wijzen.

4.10.

De gevorderde dwangsom zal worden beperkt als volgt.

4.11.

Aangezien elk van partijen als op enig punt in het ongelijk gesteld is te beschouwen, zullen de proceskosten worden gecompenseerd op de hierna te vermelden wijze.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

veroordeelt de Visveiling om aan de Combinatie een dwangsom te betalen van € 20.000,- per keer dat de Visveiling vanaf heden in gebreke blijft om aan het bevel te voldoen als gegeven in punt 6.3. van het dictum van het vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland gewezen op 16 maart 2016 met zaaknummer C/16/410269 / KL ZA / 16-59 tot een maximum van € 250.000,- is bereikt,

5.2.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.3.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. van Jaarsveld en in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2016.