Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2016:1575

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
23-03-2016
Datum publicatie
25-03-2016
Zaaknummer
3961315 MC EXPL 15-2675
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Tussenbeschikking
Inhoudsindicatie

Prejudiciële vragen over de buitengerechtelijke incassokosten (BIK). Inhoud en moment van ontvangst veertiendagenbrief. Stel- en bewijsplicht. Reparatie van onjuiste veertiendagenbrief mogelijk? Verstek of tegenspraak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/875
NJF 2016/215
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Civiel recht

kantonrechter

locatie Almere

zaaknummer: 3961315 MC EXPL 15-2675

Vonnis van 23 maart 2016

inzake

de besloten vennootschap

FA-MED B.V.,

gevestigd te Amersfoort,

verder ook te noemen Fa-med,

eisende partij,

gemachtigde: Bosveld Incasso en Gerechtsdeurwaarders,

tegen:

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

verder ook te noemen [gedaagde] ,

gedaagde partij,

procederend in persoon, bijgestaan door haar broer [A] .

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de conclusie van antwoord

- de akte van Fa-med

- de antwoord akte van [gedaagde] .

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Op 25 maart 2014 heeft [gedaagde] een tandheelkundige behandeling ondergaan bij [naam tandprothetische praktijk] . Deze zorgverlener heeft zijn vordering op [gedaagde] gecedeerd aan Fa-med.

2.2.

Fa-med heeft [gedaagde] op 24 juli 2014 een factuur toegezonden ad € 735,54, te voldoen voor 23 augustus 2014. Bij brief van 30 augustus 2014 heeft Fa-med [gedaagde] in gebreke gesteld en gesommeerd tot betaling van de factuur voor 6 september 2014, bij gebreke waarvan [gedaagde] in verzuim verkeert.

2.3.

Gedagtekend 11 september 2014 heeft Fa-med aan [gedaagde] een brief gestuurd omdat de nota nog niet is voldaan. In die brief is geschreven: “Het is mogelijk dat u vergeten bent te betalen. Daarom stellen wij u een laatste keer in de gelegenheid om het notabedrag binnen 14 dagen aan ons te voldoen (…).
Wanneer wij uw betaling niet voor 25-09-2014 hebben ontvangen, brengen wij incassokosten in rekening. De incassokosten bedragen maximaal 15% van het notabedrag met een minimum van € 40,00 plus de wettelijke rente. In uw geval bedragen de incassokosten € 110,33. Door tijdige betaling voorkomt u deze extra kosten.”

2.4.

Op 7 oktober 2014 heeft [gedaagde] een bedrag van € 735,54 aan Fa-med betaald.

3 De vordering en het verweer

3.1.

Fa-med vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 110,81, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 31 december 2014 tot de voldoening, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.

Het door Fa-med gevorderde bedrag van € 110,81 bestaat uit € 735,54 ter zake van hoofdsom, € 0,48 ter zake van wettelijke rente tot 31 december 2014 en € 110,33 ter zake van buitengerechtelijke kosten, verminderd met de door [gedaagde] verrichte betaling van € 735,54.

3.2.

Fa-med legt aan haar vordering ten grondslag dat [gedaagde] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van haar betalingsverplichting door de factuur van 24 juli 2014 onbetaald te laten. Fa-med maakt aanspraak op de wettelijke rente en de buitengerechtelijke kosten nu [gedaagde] in verzuim is geraakt, respectievelijk Fa-med de vordering uit handen heeft moeten geven.

3.3.

[gedaagde] voert verweer. Op dit verweer wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Het geschil tussen partijen betreft de vraag of [gedaagde] rente en buitengerechtelijke kosten aan Fa-med dient te voldoen. In dit verband is artikel 6:44 van het Burgerlijk Wetboek (BW) van belang. Daarin is bepaald dat een betaling van geld in de eerste plaats in mindering strekt van de kosten, waaronder buitengerechtelijke incassokosten, vervolgens in mindering van de verschenen rente en tenslotte in mindering van de hoofdsom en de lopende rente.

4.2.

Onder de feiten is reeds opgenomen dat Fa-med [gedaagde] bij brief van 30 augustus 2014 in gebreke heeft gesteld en heeft gesommeerd tot betaling van de factuur voor 6 september 2014, bij gebreke waarvan [gedaagde] in verzuim verkeert. Vast staat dat [gedaagde] de factuur eerst na het verstrijken van deze betalingstermijn heeft voldaan. Op grond van artikel 6:119 BW dient [gedaagde] de schade te vergoeden die Fa-med lijdt over de periode dat [gedaagde] in verzuim is met de voldoening van de factuur. Deze schade bestaat uit de wettelijke rente over het gefactureerde bedrag vanaf de datum van verzuim tot de voldoening.

4.3.

Fa-med vordert voorts vergoeding van door haar gemaakte buitengerechtelijke kosten. De kantonrechter stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is nu het verzuim na 1 juli 2012 is ingetreden. Het bedrag van € 110,33 komt overeen met het tarief van het Besluit.

4.3.1.

Volgens artikel 6:96, zesde lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de vergoeding wegens buitengerechtelijke incassokosten, als de schuldenaar, kort gezegd, een consument is, zoals in dit geval, pas verschuldigd worden nadat de schuldenaar na het verstreken zijn van de betalingstermijn, onder vermelding van de gevolgen van het uitblijven van betaling, waaronder de vergoeding die in overeenstemming met het Besluit wordt gevorderd, vruchteloos is aangemaand tot betaling binnen een termijn van veertien dagen, aanvangende de dag na aanmaning. Zo’n brief wordt hierna aangeduid als veertiendagenbrief.

4.3.2.

Namens [gedaagde] is aangevoerd dat de rekening te laat is betaald omdat haar broer, die vanwege haar gezondheid haar zaken behartigt, afwezig was en [gedaagde] toen zelf een fout heeft gemaakt bij een poging de rekening te betalen, waardoor de rekening niet op tijd betaald is. Na terugkeer uit het buitenland heeft de broer van [gedaagde] voor de betaling zorg gedragen, maar de toen tevens gevorderde incassokosten niet betaald. [gedaagde] vindt het onrechtvaardig als [gedaagde] onder deze omstandigheden zou moeten opdraaien voor de incassokosten die Fa-med vordert.

4.3.3.

Dit verweer kan niet slagen, omdat Fa-med de brief van 11 september 2014 heeft gestuurd en het enkele versturen van zo’n brief volgens artikel 6:96 van het BW, zoals dat sinds 1 juli 2012 luidt, in beginsel genoeg is voor de aanspraak van Fa-med op incassokosten volgens het tarief van het Besluit als de schuldenaar in verzuim verkeert (vergelijk HR 13 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1405). Voor de verschuldigdheid van de vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is immers niet relevant welke incassohandelingen de schuldeiser heeft verricht, omdat de maximale hoogte van de vergoeding uitsluitend is gerelateerd aan de hoogte van de verschuldigde hoofdsom en niet aan de aard en omvang van de verrichte incassowerkzaamheden. De wet biedt de rechter daarom niet of nauwelijks ruimte voor een redelijkheidsoordeel of afweging van belangen betreffende de oorzaken van te late betaling en/of de aard en omvang van de incassohandelingen. Eén incassohandeling is genoeg voor de verschuldigdheid van het bedrag volgens het Besluit. De brief van 11 september 2014 is een incassohandeling. Als de brief van 11 september 2014 voldoet aan de eisen van artikel 6:96, zesde lid, van het BW is het wegens incassokosten gevorderde bedrag daarom verschuldigd.

4.3.4.

De vraag rijst dus of de brief van Fa-med die in 2.3 is aangehaald, voldoet aan de eisen die artikel 6:96, zesde lid, aan een veertiendagenbrief stelt. Er is een termijn van veertien dagen gesteld. Dat klopt dus. Het bedrag is ook genoemd. De vraag resteert of is voldaan aan de zinsnede dat de termijn de dag na aanmaning aanvangt, en als dat er niet goed in staat, wat daarvan de consequenties moeten zijn.

4.3.5.

In artikel 3:37, derde lid, van het BW is bepaald, dat een tot een bepaalde persoon gerichte verklaring, om haar werking te hebben, die persoon moet hebben bereikt, tenzij een niet-bereiken toegerekend kan worden aan de beoogde ontvanger. Dit brengt mee, dat de termijn van veertien dagen in beginsel de dag na ontvangst van de veertiendagenbrief aanvangt. Dat maakt begin en einde van deze veertiendagentermijn voor de verzender onzeker, tenzij hij de veertiendagenbrief laat betekenen of op een wijze verstuurt waardoor de dag van ontvangst kan worden vastgesteld. Deze onzekerheid compliceert ook de bewaking van de termijn.

4.3.6.

Fa-med heeft bij akte gesteld dat de dagtekening van een veertiendagenbrief bij aanmaken 2 dagen in de toekomst wordt gezet en dat dit betekent dat [gedaagde] de brief uiterlijk op de dag van dagtekening ontvangt. Kennelijk beoogt Fa-med daarmee te betogen dat de brief twee dagen voor de dagtekening ervan wordt aangemaakt en steeds dan ook per post wordt verzonden, hoewel zij dat laatste niet stelt en dit evenmin uit de gedingstukken kan worden afgeleid, maar dat wil de kantonrechter wel aannemen omdat zij vervolgens stelt dat [gedaagde] de brief uiterlijk op de dagtekening heeft ontvangen.

4.3.7.

Als er van wordt uitgegaan dat [gedaagde] de brief op (donderdag) 11 september 2014 heeft ontvangen, begint de termijn van veertien dagen op 12 september, zodat 25 september 2015 (en niet vóór 25 september 2015, zoals in de brief stond) de laatste dag is waarop kan worden betaald zonder dat incassokosten verschuldigd worden. Vermelding dat er voor 25 september betaald moet worden, roept daarmee de vraag op of de brief voldoet aan de eisen die artikel 6:96, zesde lid, daaraan stelt, en als dat niet het geval is, of dat meebrengt dat Fa-med geen recht heeft op incassokosten.

4.4.

Over de aan een brief als bedoeld in artikel 6:96, zesde lid, te stellen eisen bestaat, met name op het punt van de aanvang van de termijn en de aanzegging van het einde ervan, onduidelijkheid in de incassopraktijk en de (kanton)rechtspraak.

4.4.1.

Onder meer de rechtbank Den Haag (kenbaar uit het in de volgende overweging genoemde arrest) en de rechtbank Midden-Nederland heeft (in meerdere uitspraken) als uitgangspunt gehanteerd dat (ambtshalve, omdat artikel 6:96, zesde lid, strekt tot bescherming van consumenten) strikt moet worden getoetst of een veertiendagenbrief aan de wettelijke vereisten voldoet en dat gevorderde buitengerechtelijke incassokosten moeten worden afgewezen, indien dat niet het geval is. Daarom moet de veertiendagenbrief, ook in verstekzaken, zijn overgelegd.
Daarbij is er van uit gegaan dat een veertiendagenbrief op de dagtekening per gewone post is verzonden, tenzij de schuldeiser anders vermeldt, zodat de schuldenaar de brief (niet eerder dan) de eerstvolgende reguliere postbezorgdag na dagtekening kan/zal hebben ontvangen, met als gevolg dat de termijn van veertien dagen (niet eerder dan) op de tweede dag na de dagtekening aanvangt.
Als dan een te korte eindtermijn in de brief is genoemd (formuleringen als betaling ‘binnen veertien dagen na dagtekening’, ‘binnen veertien dagen na heden’ of ‘binnen veertien dagen, te rekenen vanaf de dag na dagtekening van deze brief’), is geoordeeld dat de brief daarmee niet voldoet aan de eisen van artikel 6:96, zesde lid, en zijn de incassokosten afgewezen. Hetzelfde is gedaan als in de veertiendagenbrief een concrete uiterste betaaldatum wordt genoemd die niet voldoet aan de wettelijke veertiendagentermijn. Dat is in uitspraken van deze rechtbank onder meer gemotiveerd met de volgende overweging:
“De gevorderde vergoeding komt echter niet voor toewijzing in aanmerking, nu niet gebleken is dat in de aanmaning aan de gedaagde partij een betalingstermijn van 14 dagen is gegeven ingaande de dag na ontvangst daarvan, zoals vereist in artikel 6:96 lid 6 BW. Gesteld noch gebleken is immers dat de aanmaning op de dag van dagtekening door de gedaagde partij is ontvangen.”

of

“Ervan uitgaande dat de schuldenaar de aanmaning doorgaans een dag na de dagtekening ontvangt, betekent dit naar het oordeel van de kantonrechter dat de termijn van 14 dagen twee (2) dagen na dagtekening van de aanmaning aanvangt. Nu in de onderhavige aanmaning(en) een termijn van 14 dagen ‘na dagtekening’ wordt gegeven, voldoet de aanmaning niet aan het vereiste van artikel 6:96 lid 6 BW en worden de buitengerechtelijke incassokosten afgewezen.”

4.4.2.

Het gerechtshof Den Haag heeft op 21 april 2015 (ECLI:NL:GHDHA:2015:813) arrest gewezen waarin over de veertiendagenbrief van 17 juni 2014 met de aanzegging van betaling binnen “een termijn van veertien dagen na heden” is overwogen:
“Met “heden” kan niets anders zijn bedoeld dan de dag van dagtekening van de brief, terwijl de termijn van veertien dagen volgens de wet gaat lopen op de dag na aanmaning. De aan [geïntimeerde] gegunde termijn is zodoende één dag tekort geweest, waardoor de brief niet voldoet aan de eisen die de wet daaraan stelt.
“Grief 2 stelt mede de vraag aan de orde wat daarvan de consequentie moet zijn. Uit de wettekst volgt dat de buitengerechtelijke kosten niet verschuldigd zijn wanneer niet een veertiendagenbrief is verzonden. Ook in de parlementaire toelichting is als uitgangspunt opgenomen dat, wanneer aan deze eis niet is voldaan, geen incassokosten verschuldigd zijn (Kamerstukken II 2010/11, 32 418, nr. 5, p. 17). Diezelfde consequentie moet naar het oordeel van het hof in beginsel worden verbonden aan een brief die niet aan de uit de wet voortvloeiende eisen voldoet omdat dan niet wordt voldaan aan het doel van de regeling, te weten te voorkomen dat de schuldenaar door die kosten wordt overvallen. In dit specifieke geval staat echter, gelet op de brief die [geïntimeerde] aan de kantonrechter heeft geschreven, niet alleen vast dat hij de volledige vordering (waartoe dus ook de buitengerechtelijke kosten behoorden) erkende, maar ook dat hij deze niet kon voldoen. [geïntimeerde] heeft de vordering ook niet voldaan, ook niet na ommekomst van de juiste termijn na de brief van 17 juni 2014. Er is dan ook geen enkele reden om aan te nemen dat, wanneer [geïntimeerde] uit de brief van 17 juni 2014 zou hebben kunnen afleiden dat de termijn van veertien dagen ging lopen op de dag na aanmaning, en niet op de dag van dagtekening van die brief, hij wel tijdig aan de niet-betwiste vordering voldaan zou hebben. In die omstandigheden dient te worden geconcludeerd dat de brief van 17 juni 2014 toch werking heeft gehad omdat de consequentie van niet-betaling daarin duidelijk is opgenomen, en dus dat [geïntimeerde] de buitengerechtelijke kosten verschuldigd is geworden, zij het na ommekomst van de in de wet bedoelde termijn die is gaan lopen op de dag na aanmaning.”
De strekking van dit arrest lijkt daarmee te zijn dat vermelding van een te korte eindtermijn in de brief, hoewel de brief daarmee niet voldoet aan de eisen die de wet daaraan stelt, geen consequenties heeft voor de verschuldigdheid van incassokosten, tenzij de schuldenaar binnen de in de wet bedoelde termijn die is gaan lopen op de dag na aanmaning heeft betaald.

4.5.

Op 7 juli 2015 heeft het gerechtshof Den Haag (ECLI:NL:GHDHA:2015:1896, Praktijkgids. 2015/217) in een andere zaak geoordeeld dat de termijn van veertien dagen gaat lopen op de dag na de ontvangst van de schriftelijke aanmaning door de consument. Tevens heeft het Hof geoordeeld dat, als de termijn in de aanmaningsbrief te kort is, dat niet kan worden gerepareerd door te stellen dat de consument, zonder dat hij dat van tevoren wist, achteraf in feite een langere termijn (die wel aan het vereiste van 6:96, zesde lid voldoet) was gegund. In die zaak is de consequentie van een te korte termijnvermelding in de brief geweest, dat de buitengerechtelijke incassokosten zijn afgewezen.

4.6.

In artikel 392 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is onder meer bepaald dat de rechter ambtshalve de Hoge Raad een rechtsvraag kan stellen ter beantwoording bij wijze van prejudiciële beslissing, indien dat antwoord nodig is voor de te nemen beslissing en rechtstreeks van belang is voor de beslechting van talrijke andere geschillen waarin dezelfde vragen zich voordoen.

4.6.1.

Al eerder is over buitengerechtelijke incassokosten en de veertiendagenbrief een prejudiciële vraag gesteld, die door de Hoge Raad op 13 juni 2014 is beantwoord (ECLI:NL:HR:2014:1405). (Verstek)zaken waarin buitengerechtelijke incassokosten zijn gevorderd en vragen over de veertiendagenbrief aan de orde zijn, doen zich in vele (kanton)zaken voor.

4.6.2.

De kantonrechter vraagt zich af hoe artikel 6:96, zesde lid, van het BW uitgelegd moet worden, mede gezien het bepaalde in artikel 3:37, derde lid, van het BW, en hoe de afweging moet zijn van enerzijds doel en strekking van de Wetswijziging van 2012 tot normering van de vergoeding voor kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte (houvast te bieden omtrent de hoogte van de incassokosten van contractuele geldschulden door die te normeren aan de hand van een forfaitair percentage dat uitsluitend is gerelateerd aan de hoogte van de verschuldigde hoofdsom) en anderzijds de met het zesde lid beoogde bescherming van de consument.
Daarbij komt de vraag op hoe strikt de rechter de tekst van de veertiendagenbrief moet toetsen aan het wettelijk voorschrift van het zesde lid van artikel 6:96 BW.
Ook rijst de vraag of de schuldeiser, omdat hij zich op het rechtsgevolg beroept dat hij aanspraak heeft op de forfaitaire vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten, feiten en omstandigheden moet stellen, en bij betwisting bewijzen, waaruit volgt wanneer de termijn van veertien dagen is aangevangen.

Vervolgens rijst de vraag of de schuldenaar moet stellen, en bij betwisting bewijzen, dat hij de schuld binnen veertien dagen na de dag na aanmaning heeft betaald, omdat dit een bevrijdend verweer is.

4.6.3.

Daarom overweegt de kantonrechter de volgende vragen aan de Hoge Raad te stellen:

  1. Vangt de termijn van veertien dagen als bedoeld in artikel 6:96, zesde lid, van het BW aan de dag na de ontvangst door de schuldenaar van de veertiendagenbrief?

  2. Indien voormelde vraag bevestigend beantwoord wordt, kan bij de beoordeling over de toewijsbaarheid van de buitengerechtelijke incassokosten er dan vanuit worden gegaan dat een per gewone post verzonden veertiendagenbrief één dag na de dagtekening bezorgd wordt? Ook als we weten dat er in de regel geen brievenpost op zondag bezorgd wordt en bijvoorbeeld Post.nl ook op maandag geen briefpost bij particulieren bezorgt? Als hier niet van uit kan worden gegaan, met welke omstandigheden moet dan rekening worden gehouden en wat betekent dit dan voor de hierna nog te noemen stel- en bewijsplicht?

  3. Voldoet een brief aan de eisen van artikel 6:96, zesde lid, van het BW indien daarin melding is gemaakt van een betaaltermijn van veertien dagen en het toepasselijke incassobedrag volgens het Besluit is genoemd, maar geen of een onjuiste termijn van aanvang of einde van die veertiendagentermijn is genoemd? Hoe strikt moet de rechter dit toetsen?

  4. Wat is het rechtsgevolg als in een veertiendagenbrief geen of een onjuiste formulering van aanvang en/of einde van de veertiendagentermijn is vermeld?
    Maakt het in dat geval nog iets uit of de termijn een enkele dag te laat is en/of de schuldenaar heeft laten weten toch niet te kunnen betalen? Kan een onjuiste termijn gerepareerd worden geacht indien de schuldenaar (na enkele weken) nog een periode van tien dagen heeft gekregen en daarna (opnieuw enkele weken nadien) nog een laatste periode van zeven dagen heeft gekregen om de vordering te betalen, zonder dat incassokosten verschuldigd worden?

  5. Moet de schuldeiser stellen en bewijzen wanneer de termijn van veertien dagen is aangevangen en geëindigd, of moet de schuldenaar stellen en bewijzen dat hij binnen veertien dagen na ontvangst van de veertiendagenbrief heeft betaald?

  6. Maakt het voor de beantwoording van deze vragen verschil of het een verstekzaak of een zaak op tegenspraak betreft? Maakt het bij een zaak op tegenspraak nog uit of er wel of geen verweer gevoerd is ten aanzien van de buitengerechtelijke incassokosten?

4.6.4.

In artikel 392, tweede lid, Rv is bepaald dat de rechter, alvorens vragen te stellen, partijen in de gelegenheid stelt zich uit te laten over het voornemen om vragen te stellen alsmede over de inhoud van de te stellen vragen. Daarom zal de zaak naar de rol worden verwezen.

5 De beslissing

De kantonrechter:

5.1.

verwijst de zaak naar de rolzitting van woensdag 20 april 2016 te 11:00 uur om beide partijen in de gelegenheid te stellen zich bij akte uit te laten over het voornemen tot het stellen van prejudiciële vragen,

5.2.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. E. Bongers en is in het openbaar uitgesproken op 23 maart 2016.