Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2016:1558

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
25-03-2016
Datum publicatie
25-03-2016
Zaaknummer
16/659321-15 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Strafzaak. Verdachte heeft zich tweemaal schuldig gemaakt aan het plegen van ongewenste intimiteiten tijdens de dienst binnen het politiekorps waar hij werkzaam was, bestaande uit ontuchtige handelingen jegens aangeefster. De rechtbank veroordeelt de man tot een taakstraf van 100 uur waarvan 50 uur voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Lelystad

Parketnummer: 16/659321-15 (P)

Vonnis van de meervoudige strafkamer van 25 maart 2016

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1970],

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres

[adres], [woonplaats].

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 11 maart 2016. De verdachte is in persoon verschenen en heeft zich ter terechtzitting laten bijstaan door mr. H.W. Bongers, advocaat te Ommen.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

De verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 5 juni 2014 tot en met 28 augustus 2014 te

Lelystad, althans in het arrondissement Midden-Nederland, door geweld en / of

een andere feitelijkheid en / of door bedreiging met geweld en /of een andere

feitelijkheid [aangeefster] heeft gedwongen tot het plegen en / of dulden van

een of meer ontuchtige handelingen, immers heeft hij, verdachte

- die [aangeefster] onverhoeds (over haar kleding) op/aan haar kruis/schaamstreek

betast en/of

- een hand tussen de benen en/of op een been van die [aangeefster] gelegd en/of

gehouden;

2.

hij op of omstreeks 20 november 2014 te Almere, althans in het arrondissement

Midden-Nederland, door geweld en / of een andere feitelijkheid en / of door

bedreiging met geweld en /of een andere feitelijkheid [aangeefster] heeft

gedwongen tot het plegen en / of dulden van een of meer ontuchtige

handelingen, immers heeft hij die [aangeefster] onverhoeds (over haar kleding)

aan/bij haar billen betast.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan en baseert zich daarbij op de aangifte, de verklaring van verdachte en de getuigenverklaringen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van de ten laste gelegde feiten. Hij heeft aangevoerd dat er door verdachte met betrekking tot beide ten laste gelegde feiten geen geweld is gebruikt. Er was ook geen gezagsverhouding welke door verdachte misbruikt is. Weliswaar was er een verhouding van begeleider/agent in opleiding, maar deze verhouding is echter niet dusdanig dat de capitulatie van het slachtoffer zonder meer te verwachten is zoals in de jurisprudentie wordt vereist.

Verdachte ontkent de ten laste gelegde aanranding door zijn hand in het kruis van aangeefster te houden. Feitelijk is er als concreet bewijs alleen de aangifte. Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] over het gesprek met verdachte op 4 december 2014 dient buiten beschouwing gelaten te worden. Deze kwestie heeft verdachte emotioneel zwaar geraakt en de mogelijkheid dat hij in dit gesprek iets heeft gezegd dat niet overeenstemt met de waarheid is dan ook zeer reëel. Wat hij gezegd heeft over klopje op het been van aangeefster mag niet gezien worden als mededeling van verdachte dat hij dat klopje op haar been gegeven heeft, maar veeleer als een invulling van verdachte in die zin, dat hij haar wellicht een klopje op het been gegeven heeft. Voor zover dit proces-verbaal toch als bewijs wordt aanvaard kan dit slechts gelden als bewijs voor een paar klopjes op het been van aangeefster. Dit kan misschien gekwalificeerd worden als ongewenst gedrag maar niet als een ontuchtige handeling die valt onder de reikwijdte van artikel 246 van het Wetboek van Strafrecht.

De tik op de bil van aangeefster was bedoeld om publiekelijk aan te geven dat aangeefster goed presteerde. Ook dit kan misschien wel gekwalificeerd worden als ongewenst gedrag, maar niet als ontuchtige handeling in de zin van artikel 246 van het Wetboek van Strafrecht.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.1

Ten aanzien van feit 1

Aangeefster [aangeefster] deed aangifte van aanranding door verdachte. Verdachte was haar begeleider bij de politie. Deze aanranding heeft zich afgespeeld tussen 18 augustus 2014 en 22 augustus 2014 te Lelystad.2

Aangeefster zat met verdachte in een auto. Zij zat achter het stuur. Verdachte gaf rijinstructies aan aangeefster. Terwijl hij dit deed had hij zijn linkerhand tussen aangeefster haar benen op de stoel. Hij hield zijn hand verticaal. Aangeefster zag dit en voelde dit aan de binnenzijde van haar bovenbeen. Verdachte zat met zijn handpalm tegen de binnenzijde van haar rechterbovenbeen. Verdachte zei tegen aangeefster dat indien zij zijn instructies niet tijdig zou opvolgen, hij “zo” zou doen. Aangeefster zag toen dat hij zijn hand naar achteren deed en dat zijn hand tussen haar benen, richting haar kruis ging. Aangeefster voelde dat hij zijn hand daar de hele tijd hield. Verdachte zijn hand zat tegen aangeefster haar kruis aan.3

Verbalisant [verbalisant 1] hoorde dat verdachte hem vertelde :

“Ik had ooit een dienst met [aangeefster] en wij reden in een onopvallende surveillance auto. [aangeefster] bestuurde toen de auto en ik zat in de passagiersstoel. Ik gaf op dat moment [aangeefster] wat rijinstructies. Ik zei haar dat ik vond dat zij een goede actie deed en gaf haar een complimentje. Om dit te bevestigen heb ik haar een klopje op haar bovenbeen, dicht bij haar knie gegeven.”4

Verdachte verklaarde ter terechtzitting dat hij de inwerkcoach/begeleider van aangever was en dat hij aangever inwerkte.

Ten aanzien van feit 2:

Aangeefster verklaarde dat zij tijdens de laatste controle van 2014 met de politie en de belastingdienst in Almere in de rij stond om te eten. Aangeefster hoorde dat verdachte zei dat het nieuwe uniform haar goed stond. Hij zei dat het mooi strak zat, of woorden van gelijke strekking. Aangeefster voelde toen dat hij haar een tik op haar kont gaf.5

De getuige [getuige A] verklaarde dat hij op 20 november 2014 zag dat verdachte tussen hem en aangeefster ging staan. De getuige hoorde verdachte zeggen: “Dat staat je goed” en zag dat hij aangeefster een tik op haar billen gaf.6

Verdachte was op 20 november 2014 in Almere voor werkzaamheden. Hij stond vlakbij aangeefster en heeft haar een tik op haar billen gegeven en gezegd: “je uniform staat je goed”.7

De hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden worden slechts gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop deze blijkens de inhoud kennelijk betrekking hebben.

Bewijsoverweging

Ten aanzien van feit 1

De rechtbank acht, gelet op de aangifte van aangeefster en de verklaring van verdachte bij verbalisant [verbalisant 1] wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de in feit 1 ten laste gelegde handelingen heeft begaan. De rechtbank ziet in hetgeen de verdediging naar voren gebracht heeft met betrekking tot het proces-verbaal van bevindingen d.d. 24 februari (2015) van verbalisant [verbalisant 1] geen aanleiding dit bewijsmiddel buiten beschouwing te laten. De omstandigheid dat verdachte vol emotie was brengt immers nog niet met zich mee dat hij in het gesprek met verbalisant [verbalisant 1] niet duidelijk tot uitdrukking zou hebben kunnen brengen hetgeen wellicht geschied zou kunnen zijn toen hij in de auto zat met aangeefster en dit ter onderscheiding van hetgeen daadwerkelijk toen geschied is.

Verdachte -hoofdagent- was de inwerkcoach dan wel begeleider van aangeefster, een surveillant. De rechtbank is van oordeel dat er in de onderhavige zaak sprake is van een gezagsverhouding tussen verdachte en aangeefster, waarbij aangeefster de instructies van verdachte diende op te volgen.

De rechtbank kwalificeert de handelingen ten laste gelegd onder feit 1 -een hand tussen de benen van aangeefster leggen en houden en het betasten van aangeefster op/aan het kruis- als ontuchtig. Dergelijke handelingen zijn immers niet slechts onwenselijk, maar ook in strijd met sociaal-ethische normen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de dwang om dit handelen te dulden mede gelegen in de gezagsverhouding tussen verdachte en aangeefster.

Ten aanzien van feit 2

De rechtbank kwalificeert de onder feit 2 ten laste gelegde handeling van verdachte als ontuchtig gelet op de plaats op het lichaam van betasting -de billen- en de opmerkingen die verdachte op het moment van betasten heeft gemaakt over haar kleding en de pasvorm daarvan.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4.3 genoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

1.

in de periode van 5 juni 2014 tot en met 28 augustus 2014 te Lelystad, door een andere feitelijkheid dan geweld of bedreiging met geweld [aangeefster] heeft gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen, immers heeft hij, verdachte

- die [aangeefster] onverhoeds (over haar kleding) op/aan haar kruis/schaamstreek

betast en

- een hand tussen de benen en/of op een been van die [aangeefster] gelegd en/of

gehouden.

2.

op 20 november 2014 te Almere, door een andere feitelijkheid dan geweld of bedreiging met geweld [aangeefster] heeft

gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen, immers heeft hij die [aangeefster] onverhoeds (over haar kleding) aan/bij haar billen betast.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar als

feit 1 en feit 2: feitelijke aanranding van de eerbaarheid, meermalen gepleegd.

Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een werkstraf van 100 uren, met bevel, voor het geval dat verdachte de werkstraf niet naar behoren (heeft) verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 50 dagen, waarvan 50 uren voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit dat aan verdachte werkstraf wordt opgelegd van 40 uren.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich tweemaal schuldig gemaakt aan het plegen van ongewenste intimiteiten tijdens de dienst binnen het politiekorps waar hij werkzaam was, bestaande uit ontuchtige handelingen jegens aangeefster. Verdachte heeft met zijn handelingen telkens de lichamelijke integriteit van aangeefster geschonden. Het bewezenverklaarde heeft bij aangeefster persoonlijk leed te weeg gebracht, zo blijkt uit haar schriftelijke slachtofferverklaring.

De rechtbank heeft bij de strafoplegging acht geslagen op het feit dat hij niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten en dat hem naar aanleiding van onder meer de bewezenverklaarde feiten voorwaardelijk ontslag is aangezegd .

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een taakstraf van 100 uren, waarvan 50 uren voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, passend en geboden is en deze straf zal dan ook aan verdachte worden opgelegd.

9 Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [aangeefster] heeft een vordering tot schadevergoeding ingediend ten bedrage van € 750,- aan immateriële schade.

De behandeling van de vordering van [aangeefster], levert niet een onevenredige belasting van het strafgeding op.

Het is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor bewezen geachte feiten schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze op € 750,- (zevenhonderdvijftig euro), aan immateriële schade. De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen te vermeerderen met de wettelijke rente.

Voorts zal verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van de benadeelde partij voornoemd wordt als extra waarborg voor betaling de schadevergoedingsmaatregel (artikel 36f Sr) aan verdachte opgelegd.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 22c, 22d, 36f, 57, 246 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

11 Beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

feit 1 en feit 2: feitelijke aanranding van de eerbaarheid, meermalen gepleegd.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte daarvoor strafbaar.

Strafoplegging

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid, van 100 uren.

Beveelt, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 50 dagen.

Beveelt dat de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van deze straf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 uren per dag.

Beveelt dat een gedeelte van deze straf, groot 50 uren, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij verdachte zich voor het einde van de op 2 (twee) jaren bepaalde proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Beveelt dat, als de verdachte het voorwaardelijk deel van de taakstraf bij tenuitvoerlegging niet naar behoren heeft verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 25 dagen.

Benadeelde partij (ten aanzien van feit 1 en feit 2)

Wijst de vordering van [aangeefster] toe tot € 750,- (zegge zevenhonderdvijftig euro).

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [aangeefster] voornoemd, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 20 november 2014 tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [aangeefster] aan de Staat € 750,- (zegge zevenhonderdvijftig euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 20 november 2014 tot aan de dag van de algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 15 dagen. De toepassing van die hechtenis heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. C.A. de Beaufort, voorzitter,

mrs. H. Vegter en V.M.A. Sinnige, rechters,

in tegenwoordigheid van drs. E.M.S. Arduin, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 25 maart 2016.

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal nr. 2014356432, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344.1.5° Wetboek van Strafvordering, worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.

2 Proces-verbaal van aangifte, p. 20 en 22 van het proces-verbaal genoemd onder 1.

3 Proces-verbaal van aangifte, p. 24 en 25 van het proces-verbaal genoemd onder 1.

4 Proces-verbaal van bevindingen, p. 134 en 135 van het proces-verbaal genoemd onder 1/

5 Proces-verbaal van aangifte, p. 28 en 29 van het proces-verbaal genoemd onder 1.

6 Proces-verbaal van verhoor getuige, p. 124 en 125 van het proces-verbaal genoemd onder 1.

7 Proces-verbaal van de terechtzitting van 11 maart 2016.