Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2016:1532

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
25-03-2016
Datum publicatie
25-03-2016
Zaaknummer
16/661475-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Man wordt veroordeeld voor diefstal met geweld en mishandeling. De rechtbank veroordeelt de man tot een gevangenisstraf van 12 maanden waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Daarnaast legt de rechtbank bijzondere voorwaarden op.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht
Zittingslocatie Utrecht

Parketnummer: 16/661475-15

Vonnis van de meervoudige kamer van 25 maart 2016

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [1995] te [geboorteplaats] ,

ingeschreven op het adres [adres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 3 september 2015, 10 november 2015 en 11 maart 2016. De verdachte is in persoon verschenen en heeft zich ter terechtzitting laten bijstaan door mr. A. Boumanjal, advocaat te Utrecht.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

De tenlastelegging is op de zitting gewijzigd. De tenlastelegging is, met wijziging, als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1

zich op 22 juni 2015 te Utrecht heeft schuldig gemaakt aan medeplegen van diefstal met geweld jegens [aangever 1] ;

feit 2

zich op 22 juni 2015 te Utrecht heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van een poging tot diefstal van goederen van [aangever 1] , welke poging tot diefstal werd vergezeld van geweld jegens [aangever 2] .

Subsidiair is dit feit ten laste gelegd als mishandeling van [aangever 2] .

3 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 Vrijspraak

Ten aanzien van het onder 2 primair ten laste gelegde

De rechtbank stelt vast dat de aangever [zoon] tweemaal is verhoord door de politie, op 23 en 24 juni 2015. Aangever heeft tijdens deze verhoren belastende verklaringen afgelegd jegens verdachte. Het daartoe strekkend verzoek van de verdediging om de aangever als getuige te horen is door de rechter-commissaris dan ook toegewezen.

De rechtbank stelt voorts vast dat de verdediging tot op heden geen gebruik heeft kunnen maken van het ondervragingsrecht jegens de aangever [zoon] , terwijl zijn verklaringen op essentiële onderdelen afwijken van de verklaringen zoals verdachte die heeft afgelegd. Over deze discrepanties heeft de aangever geen opheldering kunnen geven en heeft de verdediging hem niet nader over kunnen bevragen.

Hoewel er verschillende pogingen zijn ondernomen om de aangever [zoon] als getuige te horen moet inmiddels geconcludeerd worden dat het er niet naar uitziet dat de rechtbank deze aangever op afzienbare termijn zal kunnen horen. Ook ter terechtzitting van 11 maart 2016 is wederom gebleken dat de verblijfplaats van aangever niet bekend is en het erop lijkt dat deze aangever niet als getuige ondervraagd wenst te worden in deze zaak. De rechtbank kan dan ook niet vaststellen of de aangever al dan niet een gegronde reden heeft om niet te (willen) verschijnen. Hieruit vloeit voort dat de verklaringen van deze aangever niet gebezigd kunnen worden voor het bewijs. Daarbij is van belang dat de betrokkenheid van verdachte bij het onder 2 primair ten laste gelegde niet in voldoende mate steun vindt in andere bewijsmiddelen dan de, door verdachte betwiste, verklaring van de aangever [zoon] .

De rechtbank is dan ook met de officier van justitie en de raadsman van oordeel dat er onvoldoende wettig bewijs is voor een veroordeling ter zake het onder 2 primair ten laste gelegde medeplegen van een poging tot diefstal met geweld. Verdachte zal hiervan dan ook worden vrijgesproken.

5 Waardering van het bewijs

5.1.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

Ten aanzien van het onder 1 en 2 subsidiair ten laste gelegde

De officier van justitie acht zowel het onder 1 ten laste gelegde medeplegen van diefstal met geweld jegens [aangever 1] als de onder 2 subsidiair ten laste gelegde mishandeling van

[aangever 2] wettig en overtuigend bewezen en verwijst daartoe naar de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen. Ten aanzien van het onder 2 subsidiair ten laste gelegde verwijst de officier van justitie tevens naar de bekennende verklaring van verdachte hieromtrent.

5.2.

Het standpunt van de verdediging

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de verklaring van aangever niet voor het bewijs kan worden gebruikt, nu aangever op verschillende momenten tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd. Hierbij is van belang dat, voor zover het gaat om de diefstal van de telefoon en het geld en de geweldshandelingen, de verklaringen van aangever geen steun vinden in overig bewijsmateriaal.

Voorts wordt door de raadsman opgemerkt dat verdachte weliswaar heeft bekend dat hij een bos huissleutels heeft aangepakt van zijn mededader, maar dat zijn oogmerk niet was om zich deze wederrechtelijk toe te eigenen; verdachte wilde op deze wijze de toegang tot de woning verkrijgen.

Ten slotte is de verdediging van mening dat van medeplegen in ieder geval geen sprake kan zijn, nu de rol van verdachte is beperkt tot slechts het aanwezig zijn, het duwen en vervolgens de sleutels aanpakken. Verdachte dient dan ook te worden vrijgesproken, aldus de raadsman.

Ten aanzien van de onder 2 subsidiair ten laste gelegde mishandeling heeft de raadsman geen verweer gevoerd.

5.3.

Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.1

Op 23 juni 2015 heeft [aangever 1] aangifte gedaan ter zake van diefstal met geweld in de centrale hal van zijn flatwoning te Utrecht. Aangever verklaarde dat hij die avond rond 22.40 uur door twee mannen werd belaagd en dat zijn huissleutels werden afgepakt. De ene man gaf de huissleutels aan de andere man, waarna die tweede man naar boven rende.2

Ter terechtzitting van 11 maart 2016 heeft de aangever en getuige [aangever 1] verklaard dat hij door beide mannen werd geduwd en op de grond werd geduwd. Zijn huissleutels werden afgepakt. De man die deze sleutels afpakte gaf ze vervolgens aan verdachte. Aangever bevestigt ter terechtzitting dat hij met deze verdachte bedoelt de verdachte die hier vandaag aanwezig is. Verdachte is na het aanpakken van de sleutels naar boven gegaan.3

Verdachte heeft ter terechtzitting van 11 maart 2016 verklaard dat hij blijft bij de verklaring zoals hij die heeft afgelegd ter terechtzitting van 3 september 2015. Tijdens deze terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij in de avond van 22 juni 2015 met zijn partner naar de woning van verdachte is gegaan om verhaal te halen naar aanleiding van de door hem veronderstelde wanbetaling van een levering melkpoeder door aangever [aangever 1] en zijn zoon [zoon] . Verdachte en zijn partner waren van plan te laten zien dat ze niet zo behandeld wilden worden: een beetje agressief overkomen; intimideren. Het liefst niet door klappen te verkopen, maar het is anders gelopen dan verdachte had gewild. Verdachte zag dat de deur opengeduwd werd. Nadat verdachte en zijn partner naar binnen waren gelopen ontstond een woordenwisseling. De partner van verdachte heeft aangever gegrepen. Verdachte is naar boven gegaan om de ander aan te spreken. Verdachte kreeg de sleutels van de woning van zijn partner. Die sleutels waren door zijn partner afgepakt van de aangever. Verdachte is toen naar boven, naar de woning van aangever, gegaan.4

Nadere bewijsoverwegingen

De raadsman heeft vrijspraak bepleit omdat - kort weergegeven - de verklaringen van de aangever als onbetrouwbaar moeten worden aangemerkt. Voorts is van belang dat verdachte niet het oogmerk had zich de huissleutels van de aangever wederrechtelijk toe te eigenen. Ten slotte leveren de handelingen van verdachte geen medeplegen op.

De rechtbank stelt vast dat de aangever [aangever 1] verschillende malen is gehoord, zowel bij de politie, als daarna bij de rechter-commissaris en nogmaals ter terechtzitting van 11 maart 2016. Aangever heeft tijdens deze verhoren op verschillende punten anders heeft verklaard, onder meer daar waar het gaat over het ontvreemde geld, de vraag waar aangever precies zijn telefoon (of telefoons) bewaarde en de vraag of er wel of niet een vuurwapen dan wel een op een vuurwapen gelijkend voorwerp en/of pepperspray is gebruikt. Ook heeft aangever wisselend verklaard met betrekking tot de vraag door wie (verdachte of de mededader) op welk moment welke geweldshandelingen zijn uitgevoerd.

Bovenstaande constatering laat echter onverlet dat een aantal aspecten in de verklaringen van aangever consistent is en ook door verdachte zelf wordt bevestigd. Dit betreft met name de elementen dat verdachte laat in die avond met zijn onbekend gebleven mededader in de (portiek bij de) woning van aangever is geweest, waarbij de deur tegen de wil van aangever is opengeduwd, dat de huissleutels van aangever hem zijn ontfutseld door de onbekende mededader en dat verdachte deze sleutels vervolgens heeft aangenomen en ermee naar de woning van aangever is gegaan.

De rechtbank zal de verklaringen van de aangever met betrekking tot deze, door verdachte ook niet betwiste onderdelen, dan ook gebruiken voor het bewijs.

De rechtbank stelt vast dat verdachte de sleutels die van aangever waren afgenomen heeft aangepakt en meegenomen, waardoor hij hier als heer en meester over heeft beschikt. De wederrechtelijke toe-eigening van de huissleutels is hiermee een gegeven. Dat aangever deze huissleutels niet vrijwillig heeft afgegeven, maar onder dwang van verdachte en zijn mededader is eveneens een gegeven.

De rechtbank zal de verklaringen van aangever ook volgen voor zover deze zien op het jegens hem gebruikte geweld - het duwen en op de grond duwen - tot het moment dat verdachte met de huissleutels naar boven is gegaan. De rechtbank ziet geen reden om de verklaring van aangever op dit punt als ongeloofwaardig terzijde te laten. De door de aangever geschetste gang van zaken past ook binnen de verklaring van verdachte zelf. Verdachte heeft immers verklaard dat hij en zijn mededader naar de woning van aangever gingen om verhaal te halen en te intimideren. Dit was een door hen beiden van tevoren bedacht plan, resulterende in een gezamenlijke uitvoering, waarbij de mededader zich, nadat verdachte en de mededader aangever gezamenlijk naar binnen hadden geduwd, concentreerde op aangever en verdachte zich richtte op de zoon van aangever, [zoon] . Dat de rollen van verdachte en zijn mededader later, nadat verdachte met de huissleutels naar boven is gegaan, uiteen zijn gaan lopen, maakt dit niet anders. Uit de verschillende verklaringen van zowel aangever als verdachte, in onderlinge samenhang beschouwd, blijkt voldoende dat tussen verdachte en de onbekend gebleven mededader sprake is geweest van een bewuste en nauwe samenwerking en dat zij dus tezamen en in vereniging te werk zijn gegaan, in ieder geval tot het moment dat verdachte met de huissleutels naar boven is gegaan. Wie tot dat moment precies welke handelingen heeft verricht is hierbij niet relevant.

Hieruit volgt tevens dat het jegens de aangever toegepaste geweld, nadat verdachte met de huissleutels naar de woning van aangever was vertrokken, niet aan hem als medepleger toegerekend zal worden.

De verweren van de raadsman worden voor het overige verworpen. Gelet op het vorengaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan medeplegen van diefstal met geweld jegens [aangever 1] .

Ten aanzien van het onder 2 subsidiair ten laste gelegde

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte deze hem ten laste gelegde mishandeling heeft begaan. Aangezien verdachte dit feit heeft bekend en de raadsman geen vrijspraak heeft bepleit, volstaat de rechtbank met toepassing van het bepaalde in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, met een opsomming van de bewijsmiddelen.

De rechtbank acht feit 2 subsidiair wettig en overtuigend bewezen op grond van de navolgende bewijsmiddelen:

1. de bekennende verklaringen van verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting van 3 september 2015 en 11 maart 2016;5

2. de bij de aangifte van [aangever 2] gevoegde foto van het letsel bij het oog van aangever6.

6 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de onder 5. vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde

op 22 juni 2015 te Utrecht, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een bos huissleutels, toebehorende aan [aangever 1] , welke diefstal werd vergezeld van geweld tegen die [aangever 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, welk geweld hierin bestond dat verdachte en zijn mededader die [aangever 1] de hal van het appartementencomplex, in welk complex de woning van die [aangever 1] is gelegen, hebben ingeduwd en hem tegen de grond hebben gewerkt;

Ten aanzien van het onder 2 subsidiair ten laste gelegde

op 22 juni 2015 te Utrecht opzettelijk [aangever 2] heeft mishandeld door hem te slaan tegen zijn hoofd.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

7 De strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde

Diefstal, vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Ten aanzien van het onder 2, subsidiair bewezen verklaarde

Mishandeling.

Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

8 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

9 Motivering van de straffen en maatregelen

9.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door hem onder 1 en 2, subsidiair bewezen geachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 15 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 11 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren met als bijzondere voorwaarden reclasseringstoezicht, ook als dat inhoudt een ambulante behandeling (agressieregulatietraining).

9.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft geen strafmaatverweer gevoerd.

9.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich, samen met een onbekend gebleven mededader, schuldig gemaakt aan een brutale diefstal van een bos huissleutels waarbij geweld is gebruikt. Verdachte is daarna ook de woning van aangever binnengegaan en heeft zich vervolgens schuldig gemaakt aan mishandeling van de in die woning aanwezige zoon van aangever, [aangever 2] . Dergelijke feiten zorgen voor angst bij de slachtoffers en in het algemeen voor onrust en gevoelens van onveiligheid in de maatschappij. De rechtbank rekent dit verdachte aan.

Uit de justitiële documentatie van verdachte van 22 januari 2016 is gebleken dat verdachte in het verleden eerder is veroordeeld ter zake van een geweldsdelict. Deze veroordeling heeft verdachte er niet van weerhouden zich wederom aan dergelijke delicten schuldig te maken.

Voorts heeft de rechtbank kennis genomen van het reclasseringsadvies van 27 oktober 2015, opgesteld door H. Luites en de mail met aanvullende informatie van 11 maart 2016. Hieruit blijkt dat het toezicht goed verloopt en verdachte zich houdt aan de afspraken.

In de reclasseringsrapportage wordt opgemerkt dat verdachte een jongvolwassene is en dat de in het verleden geuite zorgen door de Raad voor de Kinderbescherming en de veroordelingen van verdachte in 2013, 2014 en 2015 de reclassering wel dermate zorgen baart dat toezicht door de reclassering en eventuele behandeling door een forensisch psychiatrische instelling van belang worden geacht.

De rechtbank is van oordeel dat de ernst van de bewezenverklaarde feiten een, deels onvoorwaardelijke, gevangenisstraf rechtvaardigt. De rechtbank zal dit onvoorwaardelijk deel echter niet langer laten voortduren dan de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht, om verdachte kansen te bieden de thans inzette positieve lijn te continueren.

Om verdachte ervan te weerhouden zich wederom aan strafbare feiten schuldig te maken zal de rechtbank een fors gedeelte van deze straf, als stok achter de deur, voorwaardelijk opleggen. Hierbij ziet de rechtbank geen dermate bijzondere omstandigheden die aanleiding zouden geven om een proeftijd voor de duur van 3 jaren op te leggen.

De rechtbank is van oordeel dat, mede gelet op de omstandigheid dat de rechtbank qua geweldsaandeel tot een mindere bewezenverklaring komt dan door de officier van justitie is gevorderd, aanleiding bestaat bij de straftoemeting af te wijken van wat de officier van justitie heeft gevorderd.

Omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen zal de rechtbank gelet op artikel 14e van het Wetboek van Strafrecht, de gestelde voorwaarden dadelijk uitvoerbaar verklaren.

10 Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd het materiële gedeelte van de vordering van [aangever 1] volledig toe te wijzen. Ten aanzien van het immateriële gedeelte van de vordering heeft de officier van justitie gevorderd een bedrag van € 500,00 toe te wijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsregel. Omdat er sprake was van een nog onbekende mededader heeft de officier van justitie gevorderd de vordering hoofdelijk toe te wijzen.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het materiële gedeelte van de vordering niet kan worden toegewezen, nu betwist wordt dat verdachte zich aan dit feit heeft schuldig gemaakt. Ten aanzien van het immateriële gedeelte merkt de raadsman op dat een schadevergoeding bij een bewezenverklaring op zijn plaats is, maar dat deze kosten dan wel onderbouwd moeten worden. Nu een onderbouwing ontbreekt, dient dit gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk verklaard, dan wel ernstig gematigd te worden.

Het oordeel van de rechtbank

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de behandeling van een deel van de vordering van [aangever 1] niet een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder 1 bewezen geachte feit rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert dit deel op € 500,00 (zegge vijfhonderd euro) aan immateriële schade. De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade op 22 juni 2015 tot het moment van de algehele voldoening daarvan. Omdat een ander heeft bijgedragen aan de schade zal de rechtbank het bevel tot betaling van dit bedrag hoofdelijk opleggen.

Verdachte zal voorts worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

In het belang van [aangever 1] voornoemd zal als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte worden opgelegd.

Het restant van de vordering levert wel een onevenredige belasting van het strafgeding op. Daarom is de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk. De benadeelde partij kan het bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

11 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 14e, 36f, 57, 300 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

12 Beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

Verklaart het onder 2 primair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bewezenverklaring

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Strafbaarheid

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde

Diefstal, vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Ten aanzien van het onder 2, subsidiair bewezen verklaarde

Mishandeling.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte daarvoor strafbaar.

Strafoplegging

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 12 (twaalf) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 8 (acht) maanden, van deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast, indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet aan de volgende voorwaarden houdt.

Stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde

1. zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

2. ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt.

3. medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

De tenuitvoerlegging kan ook worden gelast indien veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarden niet naleeft.

Stelt als bijzondere voorwaarden :

- Veroordeelde moet zich houden aan de aanwijzingen die de reclassering hem geeft. Daartoe moet hij zich binnen drie dagen na heden melden bij Reclassering Nederland, Vivaldiplantsoen 200, 3533 JE te Utrecht. Hierna moet veroordeelde zich blijven melden zo frequent en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.

- Veroordeelde wordt verplicht om zich ambulant te laten onderzoeken en eventueel behandelen bij ambulante forensische zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij de veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven.

Beveelt dat de hierboven gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 14d uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.

Benadeelde partij

Wijst de vordering van [aangever 1] toe tot een bedrag van € 500,00 (zegge vijfhonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade op 22 juni 2015 tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [aangever 1] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander is betaald.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering is en bepaalt dat dit gedeelte kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.

Schadevergoedingsmaatregel

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [aangever 1] , € 500,00 (zegge vijfhonderd euro) aan de Staat te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade op 22 juni 2015 tot aan de dag van de algehele voldoening, behalve voor zover dit bedrag al door of namens een ander is betaald, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 10 dagen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Voorlopige hechtenis

Heft op het - reeds geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. K.J. Veenstra, voorzitter, mrs. H.A. Gerritse en

E. Akkermans, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J. Gardenier, griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 25 maart 2016.

BIJLAGE: de tenlastelegging (na wijziging)

1.

Hij op of omstreeks 22 juni 2015 te Utrecht, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen (een bos) huissleutels en/of een mobiele telefoon en/of (een envelop met daarin) 1200 euro, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [aangever 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) van voormeld misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte en/of zijn mededader(s) die [aangever 1] de hal van het appartementencomplex (in welk complex de woning van die [aangever 1] is gelegen) heeft/hebben ingeduwd en/of (met gebalde vuist(en)) (en/of met een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp) een of meerdere keren heeft/hebben geslagen en/of een of meerdere keren heeft/hebben geschopt en/of tegen de grond heeft/hebben gewerkt en/of een vloeistof in de ogen van die [aangever 1] heeft/hebben gespoten;

2. Primair:

Hij op of omstreeks 22 juni 2015 te Utrecht, althans in het arrondissement Midden-Nederland, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader voorgenomen

misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning weg te nemen geld en/of een of meer andere goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan [aangever 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid, welke poging tot diefstal werd vergezeld en/of gevolgd van geweld tegen [aangever 2] (zoon van [aangever 1] ), gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte (met de sleutels van zijn vader) de woning van [aangever 1] (gelegen aan [adres] ) heeft betreden, vergezeld van de woorden: "Money, money" en/of "geld" en/of (vervolgens) een (uitklap)mes (met een lemmet van ongeveer 3 cm) tegen het hoofd (linkerzijde van zijn kin) van die [aangever 2] heeft gedrukt en/of gedrukt gehouden en/of (met kracht) (met gebalde vuisten) die [aangever 2] tegen het gezicht (ter hoogte van zijn oog), althans tegen het lichaam heeft geslagen en/of die [zoon] (vervolgens) (met kracht) tegen de arm, althans tegen het lichaam heeft geslagen, waardoor die [zoon] op de grond viel en/of (met kracht) de arm(en) van die [zoon] heeft vastgepakt en/of vastgehouden en/of zijn armen op de rug heeft gehouden, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft door middel van een valse sleutel (te weten door voornoemde woning binnen te gaan met de eerder weggenomen huissleutels)

Subsidiair:

Hij op 22 juni 2015 te Utrecht opzettelijk [aangever 2] heeft mishandeld door een (uitklap)mes (met een lemmet van ongeveer 3 centimeter) tegen zijn kin, althans hoofd, te drukken en/of door hem meerdere malen, althans eenmaal, (met gebalde vuisten) te slaan tegen zijn hoofd en/of arm, althans lichaam, en/of door hem vast te pakken en/of zijn armen op zijn rug te houden.

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende einddossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Pag. 29-30 (proces-verbaal van aangifte [aangever 1] op 23 juni 2015), alsmede de bijlage letselfoto’s pag. 33-35.

3 Verklaring van verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting van 11 maart 2016

4 Een proces-verbaal van de rechtbank Midden-Nederland, afdeling strafrecht, van 3 september 2015.

5 De verklaringen van verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting van 3 september 2015 en 11 maart 2016.

6 Pag. 49 (de letselfoto gevoegd bij het proces-verbaal van aangifte [aangever 2] van 23 juni 2015)