Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2016:1361

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
16-03-2016
Datum publicatie
16-03-2016
Zaaknummer
C/16/410269 / KL ZA 16-59
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Sorteerwerk in de visveiling Urk wordt al jaren verricht door sorteerders (ZZP-ers) die verenigd zijn in de Combinaties van Vissorteerders. De visveiling heef de relatie met de combinatie per 1 januari 2016 beëindigd. De visveiling heeft een stichting opgericht die arbeidsovereenkomsten heeft aangeboden aan de individuele vissorteerders.

Anders dan de visveiling oordeelt de rechter dat er sprake is van een contractuele relatie en afspraken tussen de vissorteerders en de veiling. De voorzieningenrechter oordeelt dat de relatie tussen partijen niet opzegbaar is, althans niet zonder zeer zwaarwegende reden.

Niet gebleken is waarom van de visveiling, niet kan wachten op de uitkomst van een arbitrageprocedure. De door de visveiling genoemde gewijzigde omstandigheden: strengere regelgeving, economische ontwikkelingen en de invoering van de sorteermachine, zijn allemaal ontwikkelingen die heel goed meegenomen en –gewogen kunnen worden in een aan een arbitragecommissie voor te leggen voorstel tot wijziging van bestaande afspraken.

De rechter wijst daarom de eisen van de combinatie toe in die zin dat zolang tussen partijen geen arbitraal vonnis of een gerechtelijke einduitspraak in een bodemprocedure is gewezen of tussen partijen een vaststellingsovereenkomst is gesloten het sorteerwerk in de visveiling gegund moet worden aan de sorteerders, die verenigd zijn in de combinatie van vissorteerders.

De veiling moet gedogen dat sorteerders, die een (arbeids)overeenkomst met de stichting hebben gesloten of zullen sluiten, sorteerwerkzaamheden via de combinatie mogen uitvoeren tegen de laatstelijk tussen partijen overeengekomen vergoedingen.

De veiling moet alle door de sorteerders van de combinatie uit te voeren sorteerwerkzaamheden betalen op de wijze zoals dit tussen partijen gebruikelijk was vóór 1 januari 2016 en conform de laatstelijk tussen partijen overeengekomen vergoedingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/769
TVA 2016/61
AR-Updates.nl 2016-0288
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

Zittingsplaats Lelystad

zaaknummer / rolnummer: C/16/410269 / KL ZA 16-59

Vonnis in kort geding van 16 maart 2016

in de zaak van

de stichting

STICHTING COMBINATIE VAN VISSORTEERDERS,

gevestigd te Urk,

eiseres in de hoofdzaak,
verweerster in het incident tot voeging,

advocaat mr. L.A.M. Zwitserlood te Maarssen,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

VISVEILING URK B.V.,

gevestigd te Urk,

verweerster in de hoofdzaak,
verweerster in het incident tot voeging,

advocaten mrs. C. Borstlap en M.H. van Daal te Zwolle.


en

de vereniging met beperkte rechtsbevoegdheid
COMBINATIE VAN VISSORTEERDERS
gevestigd te Urk,
eiseres in het incident tot voeging aan de zijde van eiseres in de hoofdzaak,
advocaat mr. L.A.M. Zwitserlood te Maarssen,

Waar dat nodig is voor het onderscheid, zal eiseres in de hoofdzaak hierna de stichting CvV worden genoemd en zal eiseres in het incident tot voeging de vereniging CvV of de Combinatie worden genoemd. Verweerder in de hoofdzaak zal hierna de Visveiling genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de vrijwillige verschijning van partijen

  • -

    de conclusie van eis (de niet-betekende dagvaarding) met daarbij 22 producties

  • -

    de brief van 3 maart 2016 van de zijde van de stichting CvV met daarbij producties 23 tot en met 32

  • -

    de brief van 3 maart 2016 van de zijde van de Visveiling met daarbij 31 producties

  • -

    het faxbericht van 4 maart 2016 van de zijde van de Visveiling houdende een productieoverzicht van de producties 1 tot en met 31

  • -

    de conclusie van antwoord strekkende tot niet-ontvankelijkheid van eiseres in de hoofdzaak

  • -

    de incidentele conclusie tot voeging van de zijde van de vereniging CvV

  • -

    het faxbericht van 7 maart 2016 van de zijde van de stichting CvV met daarbij productie 33

  • -

    de mondelinge behandeling op 8 maart 2016

  • -

    de pleitnota van de stichting CvV

  • -

    de pleitnota van de Visveiling.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De incidentele vordering tot voeging van de zijde van de vereniging CvV en de beoordeling daarvan

2.1.

De vereniging CvV heeft gevorderd dat haar wordt toegestaan om zich aan de zijde van de stichting CvV te mogen voegen.

2.2.

De Visveiling heeft bezwaar gemaakt tegen de voeging. Zij heeft gesteld dat een voeging de vereniging CvV niet zal baten als de stichting CvV in de hoofdprocedure niet-ontvankelijk wordt verklaard. Daarnaast is de Visveiling van mening dat de incidentele vordering niet tijdig is ingediend. Op basis van het procesreglement Kort Geding moeten nieuwe stukken uiterlijk 24 uur voorafgaand aan de mondelinge behandeling worden ingediend en aan deze regel is niet voldaan.

2.3.

De ontvankelijkheid van de stichting CvV is een rechtsvraag die in de hoofdprocedure beantwoord moet worden. Voor de beoordeling van de toelaatbaarheid van de gevorderde voeging is slechts van belang of de vereniging CvV belang heeft bij die voeging. Voor het aannemen van dat belang is voldoende dat een uitkomst van de procedure die ongunstig is voor de partij aan wier zijde de derde zich wil voegen, de rechtspositie van de derde nadelig kan beïnvloeden. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de vereniging CvV voldoende belang om zich te voegen aan de zijde van de stichting CvV.

2.4.

Met betrekking tot het argument dat de incidentele vordering te laat zou zijn ingesteld, overweegt de voorzieningenrecht als volgt. Als processtukken in een kort gedingprocedure binnen 24 uur voorafgaand aan de zitting nog worden ingediend, kán dit aanleiding zijn om deze stukken buiten beschouwing te laten. In dit geval ziet de voorzieningenrechter daartoe geen aanleiding. De incidentele vordering tot voeging van de vereniging CvV is een voorzienbare reactie geweest op het door de Visveiling aangekondigde niet-ontvankelijkheidverweer jegens de stichting CvV. Het ingediende processtuk ‘incidentele conclusie tot voeging’ is weliswaar niet conform de in het procesreglement voorgeschreven termijnen ingediend, maar het stuk heeft een geringe omvang en is eenvoudig te doorgronden. Mede gelet op de aard van de onderhavige procedure is de voorzieningenrechter van oordeel dat door het in behandeling nemen van de gevorderde voeging de procesbelangen van de Visveiling niet worden geschaad en is het in behandeling nemen van deze incidentele vordering ook overigens niet in strijd met de goede procesorde.

2.5.

Op grond van het bovenstaande zal voeging van de vereniging CvV aan de zijde van de stichting CvV worden toegestaan. De kosten van het incident zullen worden gecompenseerd. Hierna zal worden uitgegaan van de vereniging CvV als aan de zijde van de stichting CvV gevoegde partij.

3 De feiten in de hoofdzaak

3.1.

De Visveiling is de grootste visveiling van Nederland en één van de grootste van Europa. Het is ook de enige veiling waar de vis niet meer over zee kan worden aangevoerd sinds het aanleggen van de Afsluitdijk. De Visveiling is tot haar privatisering in 1996 altijd een gemeentelijke dienst geweest.

3.2.

Op Urk is een uitgebreide visverwerkende industrie aanwezig. De relatie tussen aanvoerders van vis, de Visveiling en vissorteerders bestaat al sinds de jaren zestig.

3.3.

De vissorteerders op Urk hebben zich verenigd in de ‘Combinatie van Vissorteerders’ (hierna de Combinatie). De Combinatie wordt vertegenwoordigd door een aantal voormannen die de belangen van de van de gezamenlijke vissorteerders behartigen en in dat kader overleg voeren met de aanvoerders van de vis (de vissers) en de Visveiling.

3.4.

Op de verhoudingen tussen de aanvoerders van vis, de sorteerders en de Visveiling was tot 1 november 2013 onder meer van toepassing het ‘Centraal Visafslagreglement’. In dit reglement is met betrekking tot het sorteren van vis het volgende bepaald:

Begripsbepalingen

In dit Centraal Visafslagreglement worden de volgende begripsbepalingen gehanteerd, tenzij uitdrukkelijk anders vermeld.

(…)

Sorteerders: door de directeur van de Visafslag aangewezen natuurlijke en/of rechtspersonen die zich bezighouden met sorteren.

(…)

Artikel 4. – Rechten en verplichtingen van de aanvoerder

(…)

9. De aanvoerder is gehouden gebruik te maken van de diensten van de door de Visafslag aangewezen sorteerders, tenzij de vis volgens de daarvoor geldende regels deugdelijk gesorteerd wordt aangevoerd.

(…)

Artikel 7. – Het sorteren

(…)

2. Het sorteren van de ter veiling aangeboden – ongesorteerde – vis wordt geacht te geschieden in opdracht en voor rekening van de aanvoerder door daartoe door de Visafslag aangewezen sorteerders.

3. Het tarief voor het sorteren wordt periodiek kenbaar gemaakt in de tarieven bijlage van de Visafslag.”

Vanaf 1 november 2013 zijn op de onderlinge verhoudingen van toepassing de ‘Algemene voorwaarden Visveiling Urk’:

1. Definities

In deze algemene voorwaarden worden de volgende begripsbepalingen gehanteerd, tenzij uitdrukkelijk anders vermeld.

(…)

Sorteerders De door de Directeur van de Visveiling aangewezen natuurlijke personen die zich bezighouden met sorteren.

(…)

5 Rechten en verplichtingen van de aanvoerder

(…)

5.9

De aanvoerder wordt door de enkele aanvoer van vis bij de veiling geacht opdracht te hebben gegeven de aangevoerde vis te laten sorteren door de Sorteerders, tenzij de vis volgens de daarvoor geldende regels deugdelijk gesorteerd is aangevoerd of sorteren niet is overeengekomen.

(…)

8 Het sorteren

(…)

8.2

Het sorteren van de ter veiling aangeboden – ongesorteerde – vis wordt geacht te geschieden in opdracht en voor rekening van de aanvoerder door daartoe door de Visveiling aangewezen sorteerders.

(…)

8.7

Het tarief voor het sorteren wordt periodiek kenbaar gemaakt in de tarievenlijst en wordt gespecificeerd op de besommingsbrief.”

3.5.

Bij brief van 15 mei 2002 heeft de Visveiling aan de individuele deelnemers van de Combinatie geschreven:

“Per 1 januari 2002 is de NV Visafslag Urk volledig geprivatiseerd.

De nieuwe eigenaar, zijnde de Beheerscoöperatie Visafslag Urk, en de directie van de NV Visafslag Urk hechten waarde aan herbevestiging van de brief van 14 juni 1997.

De volgende afspraken met betrekking tot het sorteren zijn van toepassing:

1. U wordt als ZZP-er (zelfstandige zonder personeel) toegelaten als vissorteerder in de NV Visafslag Urk.

2. U dient van maandag 00.00 uur t/m zaterdag 12.00 uur beschikbaar te zijn voor het doen van sorteerwerkzaamheden, behoudens feest- en gedenkdagen.

3. U dient uw sorteerwerkzaamheden met een nauwkeurigheid van minder dan 5% fouttolerantie uit te voeren. Voor fouten kunt u financieel verantwoordelijk worden gesteld, waarbij de visafslag gerechtigd is om dit met de sorteergelden te verrekenen.

4. De NV Visafslag Urk noch enige onderneming hieraan gelieerd kan verantwoordelijk worden gesteld voor uw handelen en/of optreden. U blijft persoonlijk verantwoordelijk voor uw handelen en optreden.

5. U dient zelf zorg te dragen voor voldoende verzekering voor u zelf en tegen aansprakelijkheid derden. Ook als u principiële bezwaren heeft tegen verzekeren blijft u zelf verantwoordelijk.

Voor schade die uit niet verzekeren kan voortvloeiend is de NV Visafslag Urk niet verantwoordelijk.

6. Het sorteerwerk in de NV Visafslag Urk wordt gegund aan de sorteerders, die verenigd zijn in de Combinatie van Vissorteerders.

7. De vergoeding voor het sorteerwerk bedraagt 2,25% van de bruto-opbrengst van de gesorteerde vis.

8. De gunning genoemd in punt 6 en de vergoeding in punt 7 worden gegarandeerd als aan de punten 1 t/m 5 wordt voldaan, en er bij 10.000 kisten aanvoer minimaal 150 sorteerders worden ingezet (bij minder aanvoer naar rato minder sorteerders).

9. Verder dienen de Overheids-wetgeving, Productschapsregels, het Centraal Visafslag Reglement en het Huishoudelijk Reglement te worden nageleefd.

10. Bij het niet voldoen van bovenstaande punten is de NV Visafslag Urk gerechtigd om (individuele) sorteerders, al dan niet tijdelijk, de toegang tot de visafslag te ontzeggen en/of een andere sorteerploeg toegang te verlenen.”

3.6.

Bij brief van 27 juni 2002 heeft de Visveiling aan de deelnemers van de Combinatie geschreven, voor zover hier van belang:

“wij vermelden nogmaals uitdrukkelijk dat de inhoud van onze brief d.d. 15 mei 2002 voor ons de basis vormt voor de rechtsverhouding tussen de Visafslag en de sorteerders.”

3.7.

In een ‘VERKLARING’ van 9 oktober 2003 heeft de Visveiling het volgende vastgelegd:

In aanmerking nemende:

  • -

    dat te Urk is gevestigd de stichting Stichting Prioriteitsaandeel Visafslag Urk;

  • -

    dat de stichting ten doel heeft het verwerven en houden van één of meer prioriteitsaandelen in het kapitaal van de naamloze vennootschap N.V. Visafslag Urk gevestigd te Urk, teneinde ten behoeve van alle bij de visafslag betrokken geledingen invloed uit te oefenen op een aantal voor de visafslag “wezenlijke aangelegenheden”.

  • -

    dat onder deze “wezenlijke aangelegenheden” onder meer dienen te worden begrepen

“het wijzigen van het bepaalde in artikel 4 lid 9 en artikel 7 lid 2 van het Centraal Visafslagreglement”

(…)

dat de stichting mede wordt bestuurd door een vertegenwoordiger van de Combinatie van Vissorteerders;

dat de vennootschap de formele band met de stichting als knellend ervaart met name in het overleg met derden;

dat het bestuur van de vennootschap zich heeft verstaan met een vertegenwoordiging van de Combinatie van Vissorteerders, teneinde te bezien of de positie en de rechten van de vissorteerders op een andere wijze dan door middel van de stichting kunnen worden gewaarborgd;

dat dit overleg ertoe heeft geleid dat de vertegenwoordiger van de Combinatie van Vissorteerders heeft verklaard in te stemmen met een alternatieve regeling, mits zoveel mogelijk recht wordt gedaan aan de positie van de vissorteerders;

(…)

dat in verband hiermede de alternatieve regeling mede betrekking dient te hebben op de relatie tussen de Visafslag Urk B.V. en de Combinatie van Vissorteerders.

Verklaart voor en namens de naamloze vennootschap N.V. Visafslag Urk Holding en de besloten vennootschap Visaflslag Urk B.V., dat beide vennootschappen de Combinatie van Vissorteerders garanderen en zich jegens bedoelde Combinatie van Vissorteerders verbinden om zonder overleg met de vertegenwoordigers van de Combinatie van Vissorteerders niet over te gaan tot een wijziging van de artikelen 4 lid 9 en artikel 7 lid 2 van het Centraal Visafslag reglement, alsmede van het bepaalde onder 6 in de brief van de NV Visafslag Urk aan de deelnemers van de Combinatie van Vissorteerders d.d. 15 mei 2002. De hiervoor bedoelde garantie en verbintenis geldt eveneens indien het periodiek kenbaar maken van de tarievenbijlage overeenkomstig artikel 7 lid 3 van het Centraal Visafslag regelement leidt tot een verlaging van de sorteergelden.

In het geval dat beide vennootschappen en de vertegenwoordigers van de Combinatie van Vissorteerders geen overeenstemming bereiken over een voorgestelde wijziging van de genoemde artikelen in het Centraal Visafslag reglement wordt het voorstel voorgelegd aan de arbitragecommissie die over het voorstel een voor alle partijen bindende uitspraak doet. De arbitragecommissie beslist na hoor en wederhoor en bepaalt zelf de procesregels. Deze arbitragecommissie wordt gevormd door drie leden waarvan één lid wordt aangewezen door de vertegenwoordigers van de Combinatie van Vissorteerders, één lid door de hiervoor genoemde vennootschappen en één lid door de beide hiervoor bedoelde aangewezen leden.

Bij het te voeren overleg zal de Visafslag, mede gelet op alle omstandigheden van het geval, zoveel als mogelijk rekening houden met de gerechtvaardigde belangen van de sorteerders.”

3.8.

Op enig moment, in ieder geval vanaf 2011, zijn de onderlinge verhoudingen tussen de Visveiling en de Combinatie onder druk komen te staan.

3.9.

Bij brief van 14 november 2014 heeft de Visveiling onder meer het volgende geschreven aan de leden en het bestuur van de Combinatie:

“Wij zijn als Visveiling al langere tijd met uw bestuur en met (juridische) vertegenwoordigers van uw organisatie in overleg over allerlei onderwerpen die te maken hebben met uw werkzaamheden die u uitvoert in het gebouw van de Visveiling voor de visserman. Dit overleg betreft niet alleen de werkzaamheden, maar ook het tarief wat van toepassing is en de tijdelijke toeslag bij lage visprijzen.

Dit overleg loopt zeer moeizaam en gaat van conflict naar conflict. De oorzaak hiervan is mede te zoeken in het feit dat de mondelinge afspraken vanuit het verleden nooit op schrift zijn gesteld, en waar nu door de partijen een verschillende uitleg aan wordt gegeven. Verder speelt een voorname rol dat eventuele wijzigingen belangrijke gevolgen op het gebied van belasting- en premieheffing kunnen hebben.

Intussen staat vast dat de Visveiling een sorteermachine gaat aanschaffen. Daardoor wijzigt de aard van de door de sorteerders uit te voeren werkzaamheden, en zal voorts ook de organisatie van de werkzaamheden anders ingericht moeten worden. Verder is natuurlijk ook de veranderende markt met steeds lagere prijzen van invloed op de vraag hoe en voor welk tarief het voor de vissers en voor de Visveiling nog economisch verantwoord is om op de oude voet door te gaan. Daar hebben wij het ook al vele keren over gehad.

Dit is dan ook de reden dat wij tot nieuwe afspraken willen komen tussen de partijen. (…)

Voordat we tot nieuwe afspraken kunnen komen moet er formeel eerst een einde gemaakt worden aan de oude vaak mondeling gemaakte afspraken, en dat willen wij middels deze brief doen.

Indien en voor zover de relatie tussen de Combinatie en/of haar individuele leden en de Visveiling Urk als een (mondeling gesloten) overeenkomst tussen de Combinatie en/of haar individuele leden en de Visveiling Urk zou moeten worden gezien, zeggen wij deze overeenkomst op tegen 1 juni 2015, althans tegen de datum waarop de sorteermachine operationeel is. Mocht dat een andere datum zijn dan 1 juni 2015 dan zullen wij u daar tijdig over informeren.

Indien en voor zover de relatie tussen de Combinatie en/of haar individuele leden en de (gezamenlijke) aanvoerders als een (mondeling gesloten) overeenkomst tussen de Combinatie en/of haar individuele leden en de (gezamenlijke) aanvoerders zou moeten worden gezien, zeggen wij als gemachtigde van de (gezamenlijke) aanvoerders de overeenkomst mede namens hen op tegen dezelfde datum.

3.10.

De Combinatie heeft in reactie op de brief van de Visveiling van 14 november 2014 aangegeven de door de Visveiling aangekondigde opzegging niet rechtsgeldig te achten en ook overigens niet te accepteren.

3.11.

Door de Combinatie en de Visveiling is vervolgens gezamenlijk een commissie aangewezen onder leiding van prof. T. Blokland (hierna: de commissie Blokland) die als opdracht had de unieke fiscale status van de Combinatie in relatie tot de aan te schaffen sorteermachine te onderzoeken en te kijken welke mogelijkheden er zijn voor de Combinatie en de Visveiling om hun samenwerking verder te verduurzamen.

3.12.

De commissie Blokland heeft op 25 juni 2015 een voorstel gedaan en dat voorstel ter toetsing aan de Belastingdienst voorgelegd. Bij brief van 8 september 2015 heeft de Belastingdienst zich op het standpunt gesteld dat de vissorteerders in de door de commissie Blokland voorgestelde structuur niet voldoen aan de voorwaarden om aangemerkt te worden als ondernemers. Tegen dit besluit van de Belastingdienst heeft Blokland, namens de Combinatie, bezwaar gemaakt.

3.13.

Op 5 oktober 2015 hebben de Visveiling en de Combinatie een intentieovereenkomst gesloten waarin onder meer het volgende staat:

“In aanmerking nemende dat:

  • -

    Partijen wensen te komen tot een nadere duurzame samenwerking met betrekking tot al hetgeen dat voor de uitoefening van de visveiling van belang is;

  • -

    Partijen parkeren de gedachte aan en de plannen tot een maatschap, tot nadere duidelijkheid er over schriftelijk is verkregen van de Belastingdienst over de fiscaliteit voor de VAU [de Visveiling, vzr] en voor de CVV [de Combinatie, vzr];

  • -

    Momenteel is er fiscale rangschikking als resultaat overige werkzaamheden, gestreefd wordt naar rangschikking als winst uit onderneming; rangschikking als dienstbetrekking of daarmee gelijkgesteld is niet aanvaardbaar voor partijen;

  • -

    Tot bedoelde duidelijkheid is verkregen, blijven de honoreringen voor de werkzaamheden van de sorteerders gerangschikt als resultaat overige werkzaamheden, en vindt berekening en betaling en administratie er van plaats zoals dat tot heden geschiedt;

  • -

    Ingaande oktober 2015 wordt een sorteermachine in gebruik genomen, ter vergemakkelijking van de sortering van de vissoort schol; de sorteermachine behoort tot het instrumentarium dat bij de CVV beschikbaar is voor het door hen sorteren van met name schol, onverminderd het sorteren van alle andere aangevoerde vissoorten;

  • -

    Het in gebruik nemen van de machine vraagt een periode van enkele maanden alvorens de machinale en financiële uitkomsten van het gebruik van de machine redelijkerwijs zullen komen vast te staan;

Komen overeen:

  • -

    Deze intentieovereenkomst is het vervolg op eerdere correspondentie en overleg tussen partijen, en beoogt te leiden tot een definitieve overeenkomst van duurzame samenwerking te verwezenlijken voor 31-12-2015.

  • -

    Het ingebrachte voorstel door de CVV inzake de 700 kg is overeengekomen voor het tijdvak van de proefperiode (…) en is bedoeld om op weekbasis de sorteervergoeding en huur van de machine te bepalen.

  • -

    De sorteervergoeding welke in rekening gebracht wordt bij de aanvoerder tijdens de proefperiode, bedraagt voor alle vissoorten 2,25% van de veilopbrengst, met uitzondering van wat hierna is opgenomen:

De sorteervergoeding voor de vissoort tong (…) bedraagt 2% van de veilopbrengst;

De sorteervergoeding voor de vissoort schol op zaterdag bedraagt 3% van de veilopbrengst bij sorteren met de machine en 3,5% bij handmatig sorteren;

  • -

    De proefperiode loopt vanaf 1 oktober 2015 tot en met 31 december 2015 of zoveel korter als nodig is voor het volledig operationeel worden van de machine;

  • -

    Partijen zullen gezamenlijk tijdens de proefperiode de beoogde machinale en financiële en personele uitkomst van het sorteren mede met behulp van bedoelde machine inventariseren. Binnen de proefperiode zal men mede aan de hand daarvan met elkaar nader overleggen om te komen tot een definitieve en voor beiden goede en bevredigende invulling van de verdeling van de machinale, handmatige, personele en financiële uitkomsten van hun gezamenlijke werkzaamheden als bovenbedoeld;

De uitkomsten van de verzamelde data zullen als uitgangspunt dienen voor verder overleg. Van de zijde van de VAU is een concept van een rekenvoorbeeld ingebracht, welke als bijlage is opgenomen; CVV zal eveneens een concept van een rekenvoorbeeld inbrengen; VAU zal op basis van de gezamenlijke verzamelde data haar ingebrachte rekenvoorbeeld voorzien van een update;

(…)

Partijen wensen op de hoogte gehouden te worden van hetgeen geschiedt en van betekenis is voor het bereiken van de duidelijkheid over de fiscaliteit van hun samenwerken, verzoeken de heren Blokland en Van der Spek dat te bevorderen en staan ook wederzijds open voor nadere vragen en overleg daarover;

Tot de boven bedoelde fiscale duidelijkheid is verkregen, en ook nadien, zullen zij met wederzijdse inzet en vertrouwen en in overleg, met inachtneming van ieders belangen, samen al hetgeen doen wat van belang is voor het hebben en behouden en uitbreiden van het gehele veilinggebeuren te Urk;

Zodra die fiscale duidelijkheid is verkregen, zullen partijen nader met elkaar overleggen over de verdere mogelijkheden van duurzame samenwerking, en de eerdere ontvangen rapportage dienaangaande nader ter hand nemen;”

3.14.

De Belastingdienst heeft het bezwaar van Blokland, namens de Combinatie, tegen haar besluit van 8 september 2015 medio december 2015 niet-ontvankelijk verklaard.

3.15.

In de daaropvolgende maanden heeft intensief overleg plaatsgevonden tussen de Combinatie en de Visveiling waarbij Blokland een bemiddelende rol heeft gespeeld. De opzeggingstermijn is door de Visveiling in deze periode twee keer verlengd. In een e-mail van 10 december 2015 van [A] (directeur van de Visveiling) aan de Combinatie en aan Blokland, heeft [A] de tijdens het overleg van die dag besproken punten onder meer als volgt samengevat:

“- We zijn elkaar behoorlijk genaderd en moet een compromis mogelijk zijn.

  • -

    De verschillen zitten in de gehanteerde sorteercapaciteiten, wat dan uitmond in een verschillend uurloon.

  • -

    Na een lange uitwisseling van informatie over en weer vraagt TV [ [A] , vzr] of het delen van het verschil tot een compromis kan leiden.”

3.16.

Uiteindelijk zijn partijen toch niet tot elkaar gekomen.

3.17.

Op 28 december 2015 heeft de Visveiling een ultiem voorstel gedaan om de intentieovereenkomst met een periode van drie maanden te verlengen, onder de voorwaarde dat de Combinatie schriftelijk zou instemmen met het loslaten van het sorteertarief van 2,25% per 1 april 2016. De Visveiling heeft daarbij aangekondigd dat zij, bij het uitblijven van een reactie, of een negatieve reactie, van de zijde van de Combinatie vast zou houden aan de beëindiging van de relatie tussen haar en de Combinatie per 1 januari 2016.

3.18.

De Visveiling heeft op 12 december 2015 de stichting Stichting Isla opgericht (hierna Isla). Isla heeft als doel het organiseren van de sortering van vis en visproducten, die worden aangevoerd bij de Visveiling. Isla heeft arbeidsovereenkomsten aangeboden aan alle individuele vissorteerders die zijn aangesloten bij de Combinatie om voortaan de sorteerwerkzaamheden te verrichten in dienst van Isla tegen een uurtarief.

3.19.

Vanaf week zeven van 2016 heeft de Visveiling de sorteerwerkzaamheden uitsluitend gegund aan Isla en wordt het sorteerwerk uitgevoerd door vissorteerders die een arbeidsovereenkomst hebben gesloten met Isla.

4 Het geschil in de hoofdzaak

4.1.

De stichting CvV heeft gevorderd:

1 primair: de Visveiling te bevelen om, zolang er tussen partijen geen arbitraal vonnis of een gerechtelijke (in kracht van gewijsde gegane) uitspraak is gewezen of een vaststellingsovereenkomst is gesloten:

a. al het vissorteerwerk ten behoeve van de aanvoerders binnen het gebouw c.q. op het terrein van de Visveiling uitsluitend op te dragen aan en te laten uitvoeren door bij de stichting CvV aangesloten sorteerders, althans de vereniging CvV en haar sorteerders;

b. te gedogen dat sorteerders, die een (arbeids-)overeenkomst met Stichting Isla hebben gesloten of zullen sluiten,

a. via de vereniging CvV c.q. de stichting CvV sorteerwerkzaamheden uitvoeren tegen de vergoedingen zoals die golden vóór 1 januari 2016 en

b. zonder dat zij op enigerlei wijze worden gehouden aan hun overeenkomst met Stichting Isla;

c. zich te onthouden van enig handelen strekkende of mede strekkende tot het bewegen van sorteerders van de vereniging CvV c.q. de stichting CvV om – al dan niet op basis van een schriftelijke overeenkomst – via de Stichting Isla sorteerwerkzaamheden uit te voeren;

d. alle door (de sorteerders van) de vereniging CvV (c.q. de stichting CvV) uit te voeren sorteerwerkzaamheden tegen de vergoedingen zoals die golden vóór 1 januari 2016 binnen één week na het verrichten van de werkzaamheden te betalen op een door de stichting CvV aan te wijzen bankrekening en zonder enige inhouding of verrekening zonder instemming van de stichting CvV;

dit alles met ingang van de dag van betekening van dit vonnis, een en ander op straffe van verbeurte aan de stichting CvV van een dwangsom van € 50.000,- per dag of gedeelte van een dag dat de Visveiling hiermee in gebreke blijft, althans een in goede justitie op te leggen dwangsom

subsidiair: zodanige voorzieningen te treffen als de voorzieningenrechter meent te behoren, op straffe van verbeurte van een in goede justitie te bepalen dwangsom.

2. De Visveiling te veroordelen om aan de stichting CvV tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van € 4.572,- vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 februari 2016, althans vanaf de datum van de dagvaarding tot aan de dag van betaling.

3. De Visveiling te veroordelen in de proceskosten en in de nakosten, te vermeerderen met wettelijke rente.

4.2.

De Visveiling heeft verweer gevoerd.

4.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5 De beoordeling in de hoofdzaak

De ontvankelijkheid van stichting CvV

5.1.

Het meest verstrekkende verweer van de Visveiling is een beroep op niet-ontvankelijkheid van de stichting CvV. De Visveiling heeft daartoe het volgende aangevoerd. Stichting CvV is eerst op 15 februari 2016 opgericht. Stichting CvV is een andere partij dan de Combinatie van Vissorteerders met wie de Visveiling sinds jaar en dag te maken heeft gehad. Er bestaat geen relatie tussen de Visveiling en stichting CvV. De vereniging CvV had daarom in deze procedure als procespartij op moeten treden. Voor zover stichting CvV zou optreden als belangenbehartiger in de zin van art. 3:305a BW voldoet stichting CvV niet aan de in dat artikel gestelde eisen. Stichting CvV heeft geen daadwerkelijke activiteiten op het terrein van haar doelstelling verricht voorafgaand aan het instellen van de collectieve actie en stichting CvV heeft onvoldoende getracht het in de onderhavige procedure gevorderde te bereiken door overleg, aldus steeds de Visveiling.

5.2.

In artikel 3:305a BW is bepaald dat een stichting met volledige rechtsbevoegdheid een rechtsvordering kan instellen die strekt tot bescherming van gelijksoortige belangen van andere personen, voor zover zij deze belangen ingevolge haar statuten behartigt. De rechtspersoon is niet ontvankelijk, indien hij in de gegeven omstandigheden onvoldoende heeft getracht het gevorderde door het voeren van overleg met de gedaagde te bereiken.

Uit de Memorie van toelichting (MvT 22 486, nr. 3 p. 21) blijkt dat de uit dit artikel voortvloeiende voorwaarden voor ontvankelijkheid (dat activiteiten op het desbetreffende gebied zijn ontplooid en dat eerst overleg dient te worden gevoerd tussen de betrokkenen) zijn opgenomen om te voorkomen dat een niet-representatieve organisatie te ver gaande bevoegdheden krijgt.

5.3.

Hoewel de stichting CvV voorafgaande aan het instellen van de vordering (nog) geen activiteiten heeft ontplooid en geen (eigen, nieuwe) onderhandelingspogingen heeft ondernomen, zijn er bijzondere omstandigheden die, in hun onderlinge samenhang bezien, naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter voldoende reden vormen om de enkele doelomschrijving van de stichting in haar statuten in dit geval voldoende te achten voor ontvankelijkheid.

5.4.

Door de stichting CvV is onbetwist gesteld dat de Visveiling tot aan deze procedure het standpunt heeft ingenomen dat de Combinatie van Vissorteerders geen zelfstandige rechtsfiguur was en dus als zodanig ook niet bevoegd was om in rechte op te treden. Juist om dat bezwaar te ondervangen is de Combinatie overgegaan tot oprichting van de stichting CvV met als doel de belangen van de bij de Combinatie aangesloten sorteerders te kunnen behartigen, zo nodig in rechte. Het bestuur van de stichting CvV bestaat uit dezelfde personen als het bestuur van de vereniging CvV en heeft dezelfde doelstelling als de vereniging CvV: de behartiging van de belangen van de bij de Combinatie aangesloten vissorteerders. Inmiddels hebben, zo heeft stichting CvV verklaard, ongeveer 80 vissorteerders zich aangesloten bij de stichting CvV. Sommigen durven zich niet aan te sluiten, maar voelen zich in hun belangen wel vertegenwoordigd door de stichting CvV. De voorzieningenrechter heeft geen aanleiding te twijfelen aan deze verklaringen van de stichting CvV. Daaruit volgt dat in ieder geval meer dan de helft van de groep van ongeveer 140 vissorteerders zich in de stichting CvV heeft verenigd en zich door de stichting CvV in zijn belangen vertegenwoordigd voelt.

5.5.

Gelet op de hiervoor in 5.4. genoemde bijkomende omstandigheden is naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende gebleken dat de ‘vlag’ van de stichting CvV haar lading dekt, zodat zij ontvankelijk is in haar vorderingen.

De inhoudelijke standpunten

5.6.

Van het spoedeisend belang bij toewijzing van het gevorderde is in voldoende mate gebleken. Vast staat dat de Visveiling vanaf week zeven van dit jaar de sorteerwerkzaamheden uitsluitend gunt aan Isla. Vissorteerders die geen arbeidsovereenkomst met Isla willen sluiten, hebben vanaf dat moment geen inkomsten meer uit sorteerwerkzaamheden. De enige optie voor vissorteerders om een inkomen uit sorteerwerk te verwerven is door het in dienst treden bij Isla en juist het aangaan van een dienstverband onder de tot op heden door Isla aangeboden voorwaarden en het verlies van zelfstandigheid stuit op bezwaren van de bij de Combinatie aangesloten vissorteerders.

5.7.

De stichting CvV heeft aan haar vorderingen ten grondslag gelegd dat tussen de sorteerders die zijn verenigd in de Combinatie en de Visveiling afspraken gelden die door de Visveiling moeten worden nagekomen en waaraan de Visveiling niet, en in ieder geval niet op deze wijze, voorbij mag gaan.

5.8.

De Visveiling meent dat er tussen haar en de Combinatie en/of de afzonderlijke vissorteerders geen contractuele relatie bestaat, dat er geen sprake is van afspraken die zouden moeten worden nagekomen en voor zover dat anders zou zijn, dat de relatie tussen de Visveiling enerzijds en de Combinatie en haar individuele leden is opgezegd met inachtneming van een redelijke opzegtermijn en dat, voor zover nodig, voor de opzegging een zwaarwegende grond aanwezig was en is. Tot slot heeft de Visveiling zich nog beroepen op een wijziging van omstandigheden waardoor zij niet langer gehouden kan worden aan gemaakte afspraken.

5.9.

Naar aanleiding van de privatisering van de Visveiling heeft de Visveiling in de brief van 15 mei 2002 (zie r.o. 3.5.) aan de vissorteerders geschreven dat zij met die brief beoogt bestaande afspraken te herbevestigen. Zij heeft daarin als één van de bestaande afspraken bevestigd dat:

“6. Het sorteerwerk in de NV Visafslag Urk wordt gegund aan de sorteerders, die verenigd zijn in de Combinatie van Vissorteerders.”

Deze gunning wordt door de Visveiling in punt 8 van haar brief expliciet gegarandeerd als aan de punten 1 t/m 5 van diezelfde brief wordt voldaan. Vervolgens heeft de Visveiling in haar brief van 27 juni 2002 verklaard dat voor haar de in de brief van 15 mei 2002 vastgelegde afspraken de basis vormen voor de rechtsverhouding tussen haar en de vissorteerders.

5.10.

Ruim een jaar later (op 9 oktober 2003) heeft de Visveiling jegens de Combinatie verklaard dat zij garandeert en zich verbindt om niet over te gaan tot wijziging van “de artikelen 4 lid 9 en artikel 7 lid 2 van het Centraal Visafslag reglement, alsmede van het bepaalde onder 6 in de brief van de NV Visafslag Urk aan de deelnemers van de Combinatie van Vissorteerders d.d. 15 mei 2002.”

en dat deze ‘garantie en verbintenis’ ook geldt voor het periodiek kenbaar maken van de tarievenbijlage voor zover dit een verlaging van de sorteergelden inhoudt. In dezelfde verklaring heeft de Visveiling zich verbonden om, als overleg tussen de Combinatie en de Visveiling over de genoemde punten niet tot overeenstemming leidt, een voorgestelde wijziging voor te leggen aan een arbitragecommissie die een voor alle partijen bindende uitspraak doet.

5.11.

Nu in deze brieven nota bene door de Visveiling wordt gerefereerd aan afspraken tussen de Visveiling en de (individuele) vissorteerders verenigd in de Combinatie kan het verweer van de Visveiling dat er géén contractuele relatie is en dat er geen afspraken zijn tussen de sorteerders die verenigd zijn in de Combinatie en de Visveiling niet stand houden.

5.12.

Of, en zo ja onder welke voorwaarden, een dergelijke relatie opzegbaar is, wordt bepaald door de inhoud van die relatie en door de van toepassing zijnde wettelijke bepalingen.

5.13.

Hoewel het sorteren van vis volgens beide partijen in opdracht en voor rekening van de aanvoerders van vis geschiedt en de Visveiling zich enkel als ‘doorgeefluik’ tussen deze partijen presenteert, is de Visveiling, op basis van (voorheen het Centraal Visafslagreglement en thans) de Algemene voorwaarden Visveiling Urk, degene die bepaalt wie de sorteerwerkzaamheden uitvoert en op welke wijze dat gebeurt. Op basis van dezelfde regelingen is het ook de Visveiling die de tarieven en vergoedingen vast stelt.

5.14.

Vast staat dat de Combinatie en de Visveiling gedurende ruim vijftig jaar hebben samengewerkt. Sinds jaar en dag is de Combinatie – en daardoor de bij de Combinatie aangesloten individuele vissorteerders – door de Visveiling aangewezen als degene die zich bezig houdt met het sorteerwerk op de Visveiling. Op regelmatige basis heeft tussen de Visveiling en de Combinatie overleg plaatsgevonden over de invulling van allerlei praktische onderwerpen aangaande de sorteerwerkzaamheden en de invulling daarvan.

5.15.

Voor de beoordeling van de ook volgens de Visveiling zelf bestaande afspraken met de Combinatie en de door de Visveiling afgegeven garanties is van belang dat hiermee door de Visveiling is beoogd om ook ná de privatisering de positie en de rechten van de Combinatie en de bij haar aangesloten vissorteerders zoals die voorheen golden, te waarborgen. Daarbij heeft voor beide partijen de ongestoorde voortzetting van de tussen hen bestaande relatie immer voorop gestaan. In dat licht bezien kan niet worden volgehouden dat de relatie tussen partijen zonder meer opzegbaar was. Integendeel, de voorzieningenrechter is voorlopig van oordeel dat onder deze omstandigheden de relatie níet opzegbaar is, althans niet zonder zeer zwaarwegende reden.

5.16.

In de verklaring zoals die door de Visveiling is afgegeven in oktober 2003 is voorzien dat de tussen partijen geldende afspraken niet ‘in beton zijn gegoten’ en dat, bijvoorbeeld wegens een wijziging van omstandigheden, aanleiding kan bestaan om tot wijziging van regelingen te komen. Om die reden en vanwege de bijzondere situatie op Urk is in de verklaring opgenomen dat als de Visveiling de in haar verklaring genoemde regelingen wil wijzigen, zij dit niet kan doen dan in overleg met de Combinatie en, mocht dit overleg niet tot overeenstemming leiden, nadat een arbitragecommissie zich over de door de Visveiling voorgestane wijziging(en) heeft uitgesproken. Het standpunt van de Visveiling dat zij op grond van gewijzigde omstandigheden niet gehouden kan worden aan het arbitraal beding wordt daarom door de voorzieningenrechter niet gevolgd.

De door de Visveiling genoemde gewijzigde omstandigheden: strengere regelgeving, economische ontwikkelingen en de invoering van de sorteermachine, zijn allemaal ontwikkelingen die heel goed meegenomen en –gewogen kunnen worden in een aan een arbitragecommissie voor te leggen voorstel tot wijziging van bestaande afspraken.

5.17.

Op voorhand is niet gebleken waarom van de Visveiling, in het licht van het voorgaande, niet gevergd kan worden dat zij de uitkomst van een arbitrageprocedure moet afwachten, temeer nu de Visveiling een voorspoedig verloop van een dergelijke procedure mede zelf in de hand heeft. Bovendien staan tegenover de belangen van de Visveiling ook grote belangen van de bij de Combinatie aangesloten vissorteerders. Dat voor de sorteerders een arbeidsovereenkomst met Isla niet slechter zou uitpakken dan hun huidige situatie is door de stichting CvV gemotiveerd betwist. Met name de vissorteerders die zich hebben verenigd in de stichting CvV hebben grote moeite met de onzekerheid die besloten ligt in de door Isla aangeboden arbeidsovereenkomst: een tijdelijk contract voor de duur van zes maanden met een uitgestelde prestatieplicht.

Bovendien is het dan Isla die bepaalt wie voor welk aantal uur wordt opgeroepen en met wie een arbeidsovereenkomst wordt gesloten, terwijl op basis van de tot voor kort bestaande situatie het sorteerwerk op basis van solidariteit werd verdeeld onder de in de Combinatie verenigde vissorteerders.

5.18.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat het, onder de gegeven feiten en omstandigheden, onvoldoende aannemelijk is dat een rechter, oordelend in een bodemprocedure een voldoende zwaarwegende grond voor opzegging aanwezig zal achten. Het gevolg daarvan is dat voorshands moet worden aangenomen dat de Visveiling niet had mogen opzeggen zoals zij dat heeft gedaan. Voor dat oordeel weegt zwaar dat de Visveiling zich in haar verklaring van 9 oktober 2003 jegens de Combinatie heeft verbonden om een geschil met de Combinatie op de specifiek in de verklaring van de Visveiling genoemde punten (waaronder de sorteertarieven) voor te leggen aan een arbitragecommissie in het geval partijen er door middel van overleg niet uit zouden komen. Aan de Visveiling kan worden toegegeven dat het overleg met de Combinatie al verschillende jaren in beslag heeft genomen zonder dat dit tot een voor beide partijen bevredigend resultaat heeft geleid. Er is echter geen enkele reden om er aan te twijfelen dat dit overleg door beide partijen is gevoerd met de intentie om er samen uit te komen en dat beide partijen zich daarbij tot het uiterste hebben ingespannen, juist vanwege de bijzondere relatie op Urk tussen de vissorteerders en de Visveiling. Dan gaat het niet aan om bij het uiteindelijk stranden van dat overleg geen arbitrage voor te stellen, maar eenzijdig aan de andere partij, die in een afhankelijke positie verkeert, de voorwaarden te dicteren op basis waarvan de relatie voortgezet dient te worden.

5.19.

Dat het niet tot een arbitrage is gekomen in al die jaren van overleg is een omstandigheid die beide partijen kan worden aangerekend. Geen van beiden heeft, tot de Combinatie kortgeleden, in de voorbije periode het initiatief tot arbitrage genomen. De commissie Blokland kan in ieder geval niet als een arbitragecommissie worden beschouwd, nu aan deze commissie een specifieke opdracht is verstrekt tot het doen van een voorstel/het geven van een advies. In het enkele verstrijken van tijd ligt geen argument besloten om de door de Visveiling nota bene zelf aangewezen weg van arbitrage niet alsnog te bewandelen om tot een oplossing van het geschil tussen partijen te komen.

5.20.

Op grond van het bovenstaande is de voorzieningenrechter voorshands van oordeel dat de Visveiling de in de brief van 15 mei 2002 en de VERKLARING van 9 oktober 2003 vastgelegde afspraken en toezeggingen dient na te komen totdat een arbitragecommissie of een bodemrechter in andere zin heeft beslist, of tot partijen alsnog in onderling overleg tot overeenstemming komen.

De vorderingen

5.21.

Aan de orde is gekomen de vraag wie de stichting CvV beoogt te binden aan de uitkomst van deze procedure. Door de stichting CvV is betoogd dat de Combinatie alle vissorteerders in zich verenigt, ook die sorteerders die inmiddels een arbeidsovereenkomst met Isla hebben gesloten. De Combinatie heeft desgevraagd te kennen gegeven geen van de bij haar aangesloten sorteerders te zullen dwingen tot voor hen ongewenste keuzes.

5.22.

Op basis van hetgeen hierboven is overwogen, zal de primaire vordering zoals geformuleerd onder 1a van het petitum van de dagvaarding worden toegewezen, met dien verstande dat bij de toewijzing aansluiting wordt gezocht bij de brief van 15 mei 2002 en hetgeen destijds tussen de Visveiling en de in de Combinatie verenigde sorteerders is afgesproken. De vordering onder 1b sub a kan ook worden toegewezen. ‘

5.23.

De Visveiling heeft in dit verband betoogd dat toewijzing van de vordering ertoe zou kunnen leiden dat de sorteerders die zij weer zou moeten toelaten tot de werkvloer achteraf door de Belastingdienst zullen worden beschouwd als haar werknemers, waardoor zij een enorm risico zou lopen. Zij heeft dat betoog echter niet onderbouwd en bovendien had zij dit risico kunnen en moeten incalculeren bij haar beslissing om de sorteerders via Isla in dienst te nemen, zodat dit voor haar rekening komt.

5.24.

Het verweer dat de Visveiling bij toewijzing van de vordering “te weinig handjes” heeft om alle werkzaamheden te kunnen uitvoeren kan haar evenmin baten. Ter zitting is gebleken dat bij de Combinatie ongeveer 140 sorteerders zijn aangesloten die tot 1 januari 2016 het sorteerwerk uitvoerden. Er is niet gebleken dat er werd gesorteerd door personen die niet bij de Combinatie waren aangesloten. Daarom valt niet te zien dat de Visveiling onvoldoende personen zal kunnen oproepen bij toewijzing van de vordering.

5.25.

De vordering onder 1b sub b leent zich niet voor toewijzing. Het is aan Isla of zij de vissorteerders die met haar een arbeidsovereenkomst hebben gesloten, aan die overeenkomst wil houden en Isla is geen partij bij deze procedure. Overigens zal, gelet op de toewijzing van de vordering onder 1a, voorlopig door Isla geen sorteerwerk meer kunnen worden aangeboden aan de sorteerders die met haar een arbeidsovereenkomst hebben gesloten.

5.26.

Voor toewijzing van de vordering onder 1b sub c heeft de stichting CvV onvoldoende gesteld. De Visveiling heeft betwist zich aan de door stichting CvV gestelde gedragingen schuldig te maken en enige onderbouwing van de gestelde gedragingen ontbreekt.

5.27.

De vordering onder 1b sub d is toewijsbaar in na te melden zin.

5.28.

De voorzieningenrechter ziet, in dit stadium, geen aanleiding om aan haar beslissing een dwangsom te koppelen. Uit de overgelegde stukken en hetgeen ter zitting besproken is, blijkt dat, ondanks alles, voor beide partijen voorop staat dat zij de wil hebben om met elkaar ook in de toekomst duurzaam te blijven samenwerken. De Visveiling heeft ter zitting een en andermaal verklaard afhankelijk te zijn van de Urker vissorteerders en het uitstekende werk dat door hen wordt verricht. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat de Visveiling de relatie met de vissorteerders, die al gespannen is, nog verder onder druk zou willen zetten door zich niet te houden aan hetgeen in dit vonnis wordt bepaald.

5.29.

De vordering zoals die door de stichting CvV onder 2 is geformuleerd betreft een geldvordering. Met betrekking tot een voorziening in kort geding, bestaande in veroordeling tot betaling van een geldsom, is terughoudendheid op zijn plaats. De rechter zal daarbij niet alleen hebben te onderzoeken of het bestaan van een vordering van de eiser op de gedaagde voldoende aannemelijk is, maar ook of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist, terwijl de rechter in de afweging van de belangen van partijen mede zal hebben te betrekken de vraag naar - kort gezegd - het risico van onmogelijkheid van terugbetaling, welk risico kan bijdragen tot weigering van de voorziening.

5.30.

De Visveiling heeft de vordering onder 2 van de stichting CvV betwist en gesteld al het door haar verschuldigde te hebben voldaan. De stichting CvV is op het standpunt van de Visveiling niet nader ingegaan.

5.31.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat, mede gelet op de betwisting door de Visveiling, de verschuldigdheid van het door de stichting CvV gestelde onvoldoende is komen vast te staan om in deze procedure en gelet op bovenstaand kader tot toewijzing van de vordering te kunnen leiden.

5.32.

In de relatie tussen partijen en de omstandigheid dat zij over en weer in het ongelijk zijn gesteld, ziet de voorzieningenrechter aanleiding de kosten van de procedure te compenseren in na te melden zin.

6 De beslissing

De voorzieningenrechter

in het incident tot voeging van de zijde van de vereniging CvV

6.1.

staat de vereniging CvV toe zich in de hoofdzaak aan de zijde van de stichting CvV te voegen,

6.2.

compenseert de kosten van het incident, in die zin dat iedere partij de eigen kosten

draagt,

in de hoofdzaak

6.3.

beveelt de Visveiling om, zolang tussen partijen geen arbitraal vonnis of een gerechtelijke einduitspraak in een bodemprocedure is gewezen of tussen partijen een vaststellingsovereenkomst is gesloten:

  • -

    het sorteerwerk in de Visveiling te gunnen aan de sorteerders, die verenigd zijn in de Combinatie van Vissorteerders;

  • -

    te gedogen dat sorteerders, die een (arbeids)overeenkomst met Stichting Isla hebben gesloten of zullen sluiten, indien en voor zover zij dat wensen, via de Combinatie sorteerwerkzaamheden uitvoeren tegen de laatstelijk tussen partijen overeengekomen vergoedingen;

  • -

    alle door de sorteerders van de Combinatie uit te voeren sorteerwerkzaamheden te betalen op de wijze zoals dit tussen partijen gebruikelijk was vóór 1 januari 2016 en conform de laatstelijk tussen partijen overeengekomen vergoedingen;

6.4.

compenseert de kosten van de hoofdzaak, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

6.5.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

6.6.

wijst het meer of anders gevorderde af,

Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. van Jaarsveld en in het openbaar uitgesproken op 16 maart 2016.