Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2016:1337

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
16-03-2016
Datum publicatie
17-03-2016
Zaaknummer
4045532 UC EXPL 15-5470 LH/1040
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gewezen werkneemster maakt jegens haar ex-werkgeefster en de betrokken verzekeraars aanspraak op nakoming van de pensioenovereenkomst en op premievrije voortzetting van ouderdomspensioen, op arbeidsongeschiktheidspensioen en op uitkering op grond van een WAO-Zekerheidsplan. Eiseres is tijdens het voor een jaar aangegane dienstverband in november 1999 ziek geworden en heeft een WAO-uitkering ontvangen vanaf een datum (november 2000), gelegen na het einde van het tijdelijke dienstverband. Jaren nadien is komen vast te staan dat de wachttijd ingevolge de Wet AMBER voor haar geen 52, maar vier weken heeft bedragen. De kantonrechter wijst de vorderingen af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/802
PJ 2016/58
AR-Updates.nl 2016-0273
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 4045532 UC EXPL 15-5470 LH/1040

Vonnis van 16 maart 2016

inzake

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats] ,

verder ook te noemen [eiseres] ,

eisende partij,

gemachtigde: mr. T. van Leeuwen-Brinks,

tegen:

1. de naamloze vennootschap

ABN AMRO Lease N.V.,

gevestigd te Utrecht,

verder ook te noemen ABN,

gedaagde partij,

gemachtigde: mr. M.J.M.T. Keulaerds,

2. de naamloze vennootschap

Achmea Pensioen en Levensverzekeringen N.V.,

gevestigd te Apeldoorn,

verder ook te noemen Achmea Pensioen,

gedaagde partij,

gemachtigde: mr. S. van der Vegt,

3. de naamloze vennootschap

Achmea Schadeverzekeringen N.V.,

gevestigd te Apeldoorn,

verder ook te noemen Achmea Schade,

gedaagde partij,

gemachtigde: mr. H.E. Foudraine,

4. de naamloze vennootschap

Aegon Levensverzekering N.V.,

gevestigd te 's-Gravenhage,

verder ook te noemen Aegon,

gedaagde partij,

gemachtigde: mr. J.C.A. Stevens.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

[eiseres] heeft ABN, Achmea Pensioen, Achmea Schade en Aegon gedagvaard en tegen hen vorderingen ingesteld.

1.2.

ABN, Achmea Pensioen, Achmea Schade en Aegon hebben geantwoord op de door [eiseres] tegen ieder van hen ingestelde vordering.

1.3.

[eiseres] heeft gerepliceerd en daarbij de vorderingen gewijzigd.

1.4.

ABN, Achmea Pensioen, Achmea Schade en Aegon hebben gedupliceerd. Over de daarbij door ABN en Achmea Pensioen overgelegde producties heeft [eiseres] zich bij akte uitgelaten.

1.5.

Daarna is vonnis bepaald.

2 De vaststaande feiten

2.1.

[eiseres] , geboren op 11 oktober 1957, is van 16 augustus 1999 tot en met 15 augustus 2000 als administratief medewerkster in dienst geweest van Amstel Lease Maatschappij N.V. (hierna te noemen Amstel lease), een rechtsvoorgangster van ABN. De arbeidsovereenkomst is van rechtswege geëindigd nadat de overeengekomen duur ervan (een jaar) was verstreken. Het laatstgenoten loon heeft € 1.594,12 bruto per maand (exclusief vakantiebijslag en emolumenten) bedragen.

2.2.

Artikel 8 (‘Pensioenverzekering’) van de in mei 1999 gesloten arbeidsovereenkomst bepaalt: ‘U wordt bij voortduring van het dienstverband na twaalf maanden opgenomen in onze pensioenregeling. Deze regeling is premievrij voor zover blijkt dat u op grond van een eventueel vereist medisch onderzoek op normale voorwaarden wordt toegelaten.’

In artikel 9 (‘Aanvullende arbeidsongeschiktheidsverzekering’) van de arbeidsovereenkomst is bepaald: ‘Voor u zijn aanvullende arbeidsongeschiktheidsverzekeringen afgesloten. Voor verzekeringsvoorwaarden en premiebetaling verwijzen wij naar de betreffende bijlagen in de personeelsgids.’ Zowel de pensioenregeling als de regelingen van de aanvullende arbeidsongeschiktheidsverzekering zijn opgenomen in de personeelsgids van Amstel Lease.

Het ouderdomspensioen

2.3.1.

Het pensioenreglement van Amstel Lease, in werking getreden per 1 januari 1988 en (destijds) laatstelijk gewijzigd per 1 januari 1995, geeft onder meer aanspraak op ouderdomspensioen en is van toepassing op ‘de werknemer die de leeftijd van 25 jaar heeft bereikt en een arbeidsovereenkomst met de werkgever heeft voor onbepaalde tijd.’ Artikel 12 van het pensioenreglement bepaalt: ‘1. Ter verwezenlijking van de toegezegde aanspraken op pensioen, sluit de werkgever verzekeringen bij de verzekeraar. 2. De verzekeringen zijn, voor zover daarvan in dit pensioenreglement niet is afgeweken, onderworpen aan de verzekeringsvoorwaarden (-).’ De verzekeraar is in artikel 1 gedefinieerd als Centraal Beheer Pensioenverzekering N.V. (hierna te noemen Centraal Beheer Pensioen). Artikel 14 lid 1 van het pensioenreglement luidt: ‘Indien de werknemer algeheel of gedeeltelijk arbeidsongeschikt wordt in de zin van de verzekeringsvoorwaarden, wordt overeenkomstig die voorwaarden premiereductie verleend door de verzekeraar. Deze premiereductie is echter slechts van toepassing indien en voor zover het risico daarvan door de verzekeraar is aanvaard.’ Artikel 15 van het pensioenreglement bepaalt dat de werknemer aan het reglement geen rechten kan ontlenen, indien de beëindiging van de dienstbetrekking binnen een jaar na aanvang van de verzekering van ouderdomspensioen plaatsvindt anders dan door overlijden.

2.3.2.

Amstel Lease heeft de pensioenregeling indertijd ondergebracht bij Centraal Beheer Pensioen. Deze verzekeraar hanteerde haar ‘algemene voorwaarden van ouderdoms-, nabestaanden- en wezenpensioen.’ Artikel 8. van deze voorwaarden regelt de ‘(p)remiereductie bij algehele of gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid’. Artikel 8.1. bepaalt dat onder arbeidsongeschiktheid wordt verstaan ‘de situatie waarin de verzekerde een uitkering krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) geniet.’

2.3.3.

Amstel Lease noch ABN heeft ten behoeve van [eiseres] pensioenpremie afgedragen aan Centraal Beheer Pensioen. Wél is [eiseres] in maart 2000 door Centraal Beheer Pensioen geïnformeerd over de ‘stand van verzekering’. In dit bericht is vermeld dat zij voor ouderdomspensioen was verzekerd.

Het arbeidsongeschiktheidspensioen

2.4.1.

Het ‘Reglement I voor pensioen bij arbeidsongeschiktheid’ (nummer 676-26111 88.02 en blijkens artikel 29 van kracht met ingang van 1 maart 1988; hierna ook Reglement I te noemen), eveneens deel uitmakend van de personeelsgids van Amstel Lease, is van toepassing op personeelsleden, onder wie [eiseres] , met een jaarsalaris gelijk aan of lager dan het maximum loon ingevolge de WAO, en geeft bij volledige arbeidsongeschiktheid aanspraak op een arbeidsongeschiktheidspensioen, ter grootte van 10% van het jaarsalaris. De regeling was, zo blijkt uit artikel 9, destijds laatstelijk gewijzigd op 1 januari 1995. In artikel 1 van dit Reglement I is het begrip ‘Arbeidsongeschiktheid’ gedefinieerd als: ‘de ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid, welke geacht wordt aanwezig te zijn indien en zolang de verzekerde recht heeft op een uitkering krachtens de Ziektewet en/of de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering (-).’ Artikel 3 lid 1 van het Reglement I bepaalt: ‘Ter verwezenlijking van de aanspraken op pensioen sluit de werkgever verzekeringen bij de verzekeraar, welke zijn onderworpen aan de verzekeringsvoorwaarden, waarvan een exemplaar ter inzage ligt bij de werkgever.’ In artikel 6 lid 2 van het Reglement I is bepaald: ‘Is de verzekerde bij beëindiging van het dienstverband (-) arbeidsongeschikt, dan blijft de aanspraak op arbeidsongeschiktheidspensioen bestaan voor zover en zolang de arbeidsongeschiktheid daarna uit dezelfde oorzaak en in dezelfde mate onafgebroken blijft voortduren (-).’ Ingevolge artikel 7 gaat de uitkering van arbeidsongeschiktheidspensioen in ‘op de dag, waarop voor de deelnemer de uitkering ingevolge de WAO ingaat (-).’ De kosten van de verzekering komen voor rekening van de werkgever. Amstel Lease heeft ook het arbeidsongeschiktheidspensioen ondergebracht bij Centraal Beheer Pensioen.

2.4.2.

In de ‘Voorwaarden van arbeidsongeschiktheidsverzekering’ van Centraal Beheer Pensioen is het begrip ‘arbeidsongeschiktheid’ als volgt gedefinieerd: ‘het geheel of gedeeltelijk buiten staat zijn van de verzekerde door ziekte of gebreken, om met voor zijn krachten en bekwaamheid berekende arbeid, die hem (-) in billijkheid kan worden opgedragen, het inkomen te verdienen (-), hetgeen lichamelijk of geestelijk gezonde personen (-) met arbeid gewoonlijk verdienen (-).’ Ingevolge die voorwaarden is verzekerd ‘iedere (-) werknemer in dienst van de verzekeringnemer die deze voor de verzekering heeft aangemeld en die de verzekeraar voor de verzekering heeft aanvaard’ (artikel 4.1.). Ingevolge

artikel 5.1. van deze voorwaarden is de verzekeringnemer ‘voor zover niet anders is overeengekomen, verplicht alle werknemers in zijn dienst voor de verzekering aan te melden.’ In artikel 8.2. juncto 11.1. van de voorwaarden is bepaald dat de verzekering eindigt ‘zodra de dienstbetrekking van de verzekerde bij de verzekeringnemer is beëindigd’, maar blijven de ‘aanspraken op de verzekerde uitkeringen bestaan ter zake van de daarvóór aangevangen arbeidsongeschiktheid en wel voor zover en zolang de arbeidsongeschiktheid daarna uit dezelfde oorzaak en in dezelfde mate onafgebroken blijft voortduren.’ Artikel 14 van de voorwaarden bepaalt dat ‘(d)e verzekeringnemer (-) verplicht (is) de arbeidsongeschiktheid van de verzekerde bij de verzekeraar te melden, zodra aanspraak op de verzekerde uitkering bestaat.’ Ingevolge artikel 17 heeft de verzekerde die arbeidsongeschikt is recht op arbeidsongeschiktheidspensioen ‘met ingang van de dag, waarop een hem ter zake van dezelfde arbeidsongeschiktheid toegekende uitkering ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet of de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering ingaat of, indien hij niet ingevolge een van deze wettelijke regelingen is verzekerd, met ingang van de eerste dag waarop hij twaalf maanden onafgebroken arbeidsongeschikt is geweest (-).’ Artikel 20.1. van de voorwaarden luidt: ‘Geen recht op pensioen bestaat ter zake van arbeidsongeschiktheid voortvloeiende uit een oorzaak, welke bij de verzekerde bestond vóór of bij de aanvang van de verzekering, tenzij de verzekerde door de verzekeraar na een geneeskundig onderzoek of na een afgegeven gezondheidsverklaring is aanvaard.’

2.4.3.

[eiseres] is door Amstel Lease of ABN niet als verzekerde ingevolge het Reglement I aangemeld bij Centraal Beheer Pensioen. Er is ten behoeve van haar ook geen premie betaald.

Het WAO-Zekerheidsplan

2.5.1.

Van de personeelsgids van Amstel Lease maakte ook deel uit het ‘Reglement WAO-Zekerheidsplan’ (ook genoemd: ‘Reglement voor pensioen bij arbeidsongeschiktheid (-) voor werknemers in dienst van Lease Plan Beheer N.V. of de aan haar gelieerde ondernemingen’). Dit reglement is in werking getreden op 1 augustus 1993 (artikel 6) en bepaalt dat de ‘werknemer (-) die (-) de 58-jarige leeftijd nog niet heeft bereikt indien en voor zover het arbeidsongeschiktheidsrisico door de verzekeraar is geaccepteerd’ bij volledige arbeidsongeschiktheid tot aan zijn 65-jarige leeftijd aanspraak heeft op ‘een pensioen bij arbeidsongeschiktheid ter grootte van het verschil tussen de loondervingsuitkering en de vervolguitkering ingevolge de WAO’ (artikel 2 lid 1). Artikel 2 lid 2 van het Reglement WAO-Zekerheidsplan bepaalt: ‘Ter uitvoering van de in het voorgaande lid omschreven aanspraken is door de werkgever een arbeidsongeschiktheidsverzekering gesloten bij de verzekeraar. Het reglement is onderworpen aan de verzekeringsvoorwaarden welke deel uitmaken van de verzekeringsovereenkomst. Deze verzekeringsvoorwaarden liggen bij de verzekeraar ter inzage. De verzekerde verkrijgt in geval van arbeidsongeschiktheid, overeenkomstig de bepalingen van dit reglement, arbeidsongeschiktheidspensioen, indien en voor zover aan de gestelde medische waarborgen is voldaan en het arbeidsongeschiktheidsrisico door de verzekeraar is aanvaard.’ In artikel 3 is een vaste indexering van 2% per jaar vastgelegd. De kosten van de regeling komen voor rekening van de verzekerde. Amstel Lease heeft deze arbeidsongeschiktheidsverzekering ondergebracht bij Centraal Beheer Schadeverzekeringen N.V. (hierna: Centraal Beheer Schade).

2.5.2.

In de ‘Verzekeringsvoorwaarden voor het WAO-Zekerheidsplan’ van Centraal Beheer Schade (die golden vanaf 26 januari 1993; artikel 22) is het begrip ‘arbeidsongeschiktheid’ gedefinieerd als: ‘de ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid, welke geacht wordt aanwezig te zijn indien en zolang de verzekerde recht heeft op een uitkering krachtens de ZW en/of WAO.’ Ingevolge artikel 2.2. van deze voorwaarden vangt ‘(d)e dekking van het arbeidsongeschiktheidsrisico ten behoeve van een verzekerde (-) aan op de datum waarop de verzekerde voor het WAO-Zekerheidsplan is aangemeld en geaccepteerd en eindigt (-) zodra de dienstbetrekking van de verzekerde met de werkgever (-) is beëindigd.’ Op grond van artikel 8.1. van de voorwaarden is ‘(d)e werkgever (-) ingeval van arbeidsongeschiktheid van een verzekerde verplicht de arbeidsongeschiktheid te melden bij de verzekeraar, binnen 30 dagen na ontvangst van de toekenningsbeslissing WAO van de Bedrijfsvereniging (-).’ Artikel 10.1 bepaalt dat de uitkering ingaat op de dag waarop de vervolguitkering WAO ingaat. Artikel 10.2. bepaalt dat ‘(g)een uitkering ingevolge het WAO-Zekerheidsplan wordt verleend ingeval van arbeidsongeschiktheid welke is ontstaan uit of is verergerd door (-) een oorzaak die al voor of bij aanmelding van de verzekerde voor de verzekering bestond en die bij de verzekerde bekend was, tenzij de verzekerde de verzekeraar hiervan op de hoogte heeft gesteld en deze de verzekerde toch heeft geaccepteerd als verzekerde voor het WAO-Zekerheidsplan (-).’

2.5.3.

Amstel Lease noch ABN heeft [eiseres] als verzekerde ingevolge het WAO-Zekerheidsplan aangemeld bij Centraal Beheer Schade.

De arbeidsongeschiktheid van [eiseres]

2.6.1.

Op 8 november 1999, ongeveer twaalf weken na haar indiensttreding, heeft [eiseres] zich bij Amstel Lease ziek gemeld. [eiseres] heeft niet aan Amstel Lease meegedeeld dat zij eerder, medio jaren ‘80, als datatypiste was uitgevallen en in de periode tot 1 januari 1993 een WAO-uitkering had ontvangen. Ook van de door haar sinds medio maart 1993 ervaren toegenomen gezondheidsklachten (en daarmee samenhangende beperkingen) heeft zij Amstel Lease niet op de hoogte gesteld. [eiseres] heeft vanaf 8 november 1999 wegens haar arbeidsongeschiktheid voor Amstel Lease of ABN geen arbeid meer verricht. Het UWV heeft, met inachtneming van de wachttijd van 52 weken, vanaf 6 november 2000 aan [eiseres] een WAO-uitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, toegekend. Met ingang van 6 mei 2002 is de WAO-uitkering voortgezet als een vervolguitkering.

2.6.2.

De arbeidsongeschiktheid is door Amstel Lease of ABN niet gemeld bij Centraal Beheer Pensioen en Centraal Beheer Schade.

De (wijziging van en) uitvoering van de regelingen

2.7.1.

Voor werknemers die vóór 1 januari 2000 in dienst zijn getreden is met ingang van 1 januari 2000 een aangepast pensioenreglement gaan gelden. Daarin wordt het begrip ‘deelnemer’ gedefinieerd als: ‘de werknemer die vóór 1 januari 2000 een arbeidsovereenkomst met de werkgever heeft.’ In artikel 14 lid 1 van de aangepaste pensioenregeling is bepaald: ‘Een deelnemer die arbeidsongeschikt is naar een percentage van 15 of meer en uit dien hoofde aanspraak heeft op een uitkering krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, van wie de arbeidsovereenkomst met de werkgever wordt verbroken, blijft met inachtneming van de verdere regels van dit artikel deelnemer.’ Bij een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% wordt de pensioenopbouw voor 100% voortgezet, zo bepaalt artikel 14 lid 3 van de aangepaste pensioenregeling. De uitvoering van die aangepaste pensioenregeling is ondergebracht bij Stichting Pensioenfonds Lease Beheer (hierna: SPLB). Onder 3, tweede alinea van Aanhangsel III bij het aangepaste pensioenreglement is bepaald: ‘De aanspraken van de per 31 december 1999 premievrije deelnemers, volledig arbeidsongeschikte deelnemers en gepensioneerden worden gehandhaafd op basis van de Pensioenregeling 1988.’

2.7.2.

Met ingang van 1 januari 2000 is ook de uitvoering van het arbeidsongeschiktheidspensioen en het WAO-Zekerheidsplan ondergebracht bij SPLB. Bij brief van 22 maart 2000 (onder de subtitel ‘Reglement Arbeidsongeschiktheidspensioen’) heeft de voorzitter van SPLB aan de pensioenverzekerden van (onder meer) Amstel Lease meegedeeld: ‘Tot en met 31 december 1999 waren de arbeidsongeschiktheidsregelingen verzekerd bij Centraal Beheer. Met ingang van 1 januari 2000 is de verzekering van het arbeidsongeschiktheidsrisico overgenomen door het pensioenfonds. De inhoud van de verzekeringsdekking is ongewijzigd gebleven. De oude reglementen: • WAO hiaatverzekering; • aanvullende WAO verzekering tot 10% van het maximum dagloon; • aanvullende WAO verzekering tot 80% boven het maximum dagloon; zijn samengevoegd in een nieuw reglement dat de totale dekking omvat.’ Het ‘Reglement voor pensioen bij arbeidsongeschiktheid’ van 3 maart 2000 definieert het begrip ‘arbeidsongeschiktheid’ als ‘de arbeidsongeschiktheid als bedoeld in artikel 14 van de Aangepaste pensioenregeling 1988 (-).’ Artikel 5 lid 2 van dit reglement luidt: ‘Is de deelnemer bij beëindiging van het deelnemerschap (-) arbeidsongeschikt, dan blijft de aanspraak op arbeidsongeschiktheids-pensioen bestaan voor zover en zolang de arbeidsongeschiktheid daarna uit dezelfde oorzaak en in dezelfde mate onafgebroken blijft voortduren.’ In artikel 6 is bepaald dat het arbeidsongeschiktheidspensioen ingaat op de dag waarop voor de deelnemer de WAO ingaat en neemt de WAO-hiaatuitkering een aanvang zodra de WAO-vervolguitkering ingaat.

2.7.3.

In 2002 en 2004 heeft [eiseres] van SPLB een opgave ontvangen van de verzekerde ‘premievrije pensioenaanspraken’ ingevolge de ‘Aangepaste Regeling 1988’, onder meer betreffende ouderdomspensioen.

2.7.4.

Eind december 2008 heeft [eiseres] van SPLB een ‘Uniform Pensioenoverzicht gewezen deelnemer 2008’ (hierna: UPO 2008) ontvangen. Dit UPO 2008 is door SPLB gebaseerd op de pensioenregeling 1988. Het volgens dit UPO 2008 opgebouwde ouderdomspensioen heeft SPLB in 2008 afgekocht. Aan [eiseres] is in verband hiermee € 1.866,62 uitgekeerd. [eiseres] heeft geen bezwaar gemaakt tegen deze afkoop.

De verkorting van de wachttijd voor de WAO

2.8.

Bij beslissing van 11 november 2010 heeft het UWV aan [eiseres] meegedeeld dat zij niet vanaf 29 december 1995 (de datum van inwerkingtreding van de Wet Amber) recht heeft op een WAO-uitkering. Het bezwaar van [eiseres] tegen deze beslissing is op 20 april 2011 gegrond verklaard, omdat uit nader onderzoek was gebleken dat haar beperkingen, gerelateerd aan dezelfde ziekteoorzaak als die waarmee zij tot 1 januari 1993 WAO-gerechtigd was, vanaf 15 maart 1993 waren toegenomen. [eiseres] werd alsnog in de periode van 29 december 1995 tot 22 oktober 1996 voor 15 tot 25% arbeidsongeschikt geoordeeld. Vanaf 22 oktober 1996 werd [eiseres] voor minder dan 15% arbeidsongeschikt geacht. Dit betekende dat haar uitval per 8 november 1999 - achteraf gezien - plaats had gevonden binnen vijf jaren na 22 oktober 1996 (het einde van haar vorige arbeidsongeschiktheid). Omdat die uitval voortkwam uit dezelfde ziekteoorzaak bedroeg de wachttijd ingevolge de Wet Amber destijds niet 52 maar vier weken. Het UWV heeft bij brief van 18 augustus 2015 aan (de gemachtigde van) [eiseres] bevestigd dat zij na de wachttijd van vier weken per 6 december 1999 voor 80 tot 100% arbeidsongeschikt was.

2.9.

Vervolgens heeft [eiseres] vanaf 2011 of 2012 jegens ABN, Achmea Pensioen, Achmea Schade en Aegon een beroep gedaan op het pensioenreglement 1988, het Reglement I en het WAO-Zekerheidsplan. Gedaagden hebben haar aanspraken afgewezen. SPBL (in liquidatie) heeft zich op het standpunt gesteld dat de afkoop in 2008 achteraf gezien is gebaseerd op het onjuiste UPO 2008 en dat het bedrag van € 1.866,62 destijds onverschuldigd aan [eiseres] is betaald.

2.10.

Met ingang van 1 januari 2012 heeft Aegon de opgebouwde pensioenaanspraken en de lopende arbeidsongeschiktheidsuitkeringen overgenomen van SPLB. Aegon heeft van SPLB geen pensioenaanspraken van [eiseres] overgedragen gekregen. SPLB is geliquideerd.

3 De vorderingen en het daartegen gevoerde verweer

3.1.1.

Na wijziging van haar eis bij conclusie van repliek vordert [eiseres] dat ABN wordt veroordeeld tot nakoming van de pensioenovereenkomst overeenkomstig het pensioenreglement, in die zin a) dat de pensioenopbouw vanaf 6 december 1999 premievrij wordt voortgezet, b) dat haar een arbeidsongeschiktheidspensioen overeenkomstig het Reglement I wordt toegekend en (met wettelijke rente) betaald vanaf 6 november 2000 althans 1 december 2003, en c) dat haar een uitkering overeenkomstig het WAO-Zekerheidsplan wordt toegekend en (met rente) betaald vanaf 6 mei 2002 althans 1 december 2003, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,-- per dag dat ABN na betekening van het vonnis hieraan niet voldoet. Subsidiair vordert [eiseres] dat ABN wordt veroordeeld tot betaling van een vervangende schadevergoeding, op te maken bij staat.

3.1.2.

Na eiswijziging vordert [eiseres] dat Achmea Pensioen wordt veroordeeld tot nakoming van het pensioenreglement, in die zin dat de pensioenopbouw vanaf 6 december 1999 premievrij wordt voortgezet, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,-- per dag dat Achmea Pensioen na betekening van het vonnis hieraan niet voldoet. Voorts vordert [eiseres] dat Achmea Pensioen wordt veroordeeld tot toekenning van een arbeidsongeschiktheidspensioen overeenkomstig het Reglement I en tot betaling ervan (met wettelijke rente) vanaf 6 november 2000 althans 1 december 2003. Subsidiair vordert [eiseres] dat Achmea Pensioen wordt veroordeeld tot betaling van een vervangende schadevergoeding, op te maken bij staat.

3.1.3.

Na eiswijziging vordert [eiseres] dat Achmea Schade wordt veroordeeld tot toekenning en betaling (met wettelijke rente) van een uitkering overeenkomstig het WAO-Zekerheidsplan vanaf 6 mei 2002 althans 1 december 2003. Subsidiair vordert [eiseres] dat Achmea Schade wordt veroordeeld tot betaling van een vervangende schadevergoeding, op te maken bij staat.

3.1.4.

Na eiswijziging vordert [eiseres] dat Aegon wordt veroordeeld tot nakoming van het pensioenreglement, in die zin a) dat de pensioenopbouw vanaf 6 december 1999 premievrij wordt voortgezet, b) dat haar een arbeidsongeschiktheidspensioen overeenkomstig het Reglement I wordt toegekend en (met wettelijke rente) betaald vanaf 6 november 2000, en c) dat haar een uitkering overeenkomstig het WAO-Zekerheidsplan wordt toegekend en (met rente) betaald vanaf 6 mei 2002. Subsidiair vordert [eiseres] dat Aegon wordt veroordeeld tot betaling van een vervangende schadevergoeding, op te maken bij staat.

3.2.

[eiseres] legt aan haar vorderingen tegen ABN, Achmea Pensioen en Aegon ten grondslag dat zij recht heeft op premievrije voortzetting van de (ouderdoms)pensioenopbouw vanaf 6 december 1999, zijnde de datum waarop de wachttijd voor een WAO-uitkering is geëindigd. In weerwil van het bepaalde in artikel 8 van de arbeidsovereenkomst met Amstel Lease is [eiseres] gaan deelnemen aan de pensioenregeling van Amstel Lease. Dit volgt uit zowel het UPO 2008 als de afkoop van het ouderdomspensioen in 2008.

3.3.

[eiseres] had op grond van het Reglement I en het WAO-Zekerheidsplan eveneens moeten worden aangemeld voor deze aanvullende arbeidsongeschiktheidsverzekeringen in de zin van artikel 9 van de arbeidsovereenkomst. Amstel Lease en ABN hebben dit nagelaten en ABN is daarvoor jegens [eiseres] aansprakelijk. Achmea Pensioen, Achmea Schade en Aegon kunnen dit nalaten van de verzekeringnemer niet aan [eiseres] tegenwerpen. [eiseres] voldoet aan de voorwaarden voor toekenning van arbeidsongeschiktheidspensioen, alsook aan die van het WAO-Zekerheidsplan. Dat bij gebreke van een aanmelding geen medische beoordeling heeft plaatsgevonden brengt hierin geen verandering, omdat ingevolge artikel 4 lid 3 van de Wet op de medische keuringen (WMK) geen medische keuring mag plaatsvinden. [eiseres] stelt dat het risico van arbeidsongeschiktheid is ingetreden tijdens het dienstverband. Het moment waarop haar WAO-uitkering is ingegaan, 6 november 2000, is volgens [eiseres] alleen van belang voor de vaststelling van het moment waarop de verzekeringsuitkering betaald moet worden.

3.4.

Artikel 20.1. van de ‘Voorwaarden van de arbeidsongeschiktheidsverzekering’ en artikel 10.2. van de ‘Verzekeringsvoorwaarden voor het WAO-Zekerheidsplan’ van Centraal Beheer verhinderen niet dat [eiseres] aan de voorwaarden voldoet. Deze verzekeringsvoorwaarden maken indirect onderscheid op grond van handicap of chronische ziekte, terwijl dat onderscheid niet objectief gerechtvaardigd wordt door een legitiem doel en de middelen voor het bereiken van dat doel niet passend en noodzakelijk zijn. [eiseres] beroept zich op (anticiperende werking van) de op 1 december 2003 voor het arbeidsrecht in werking getreden Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte (WGBh/cz). Artikel 11 van deze wet bepaalt dat bedingen in strijd met die wet nietig zijn. Maar ook als bedoeld artikel 20 lid 1 rechtsgeldig zou zijn, kan de verzekeraar zich daarop jegens [eiseres] niet beroepen, nu zij bij indiensttreding van Amstel Lease niet ziek was en geen reden had om te verwachten dat zij weer arbeidsongeschikt zou raken uit dezelfde ziekteoorzaak die eerder tot uitval had geleid. Van misbruik was dus aan de zijde van [eiseres] geen sprake.

3.5.

ABN, Achmea Pensioen, Achmea Schade en Aegon beroepen zich op verjaring.

Ten gronde betwisten zij de tegen hen ingestelde vordering.

3.6.

Op hetgeen partijen (overigens) hebben aangevoerd zal hierna worden ingegaan, voor zover dat voor de beoordeling van het geschil van belang is.

4 De beoordeling

4.1.

Partijen twisten in dit geding over de vraag of Amstel Lease en ABN, bij of na de aanvang van het dienstverband met [eiseres] , haar hadden moeten aanmelden a) als deelneemster in de (ouderdoms)pensioenregeling, b) als verzekerde voor het arbeidsongeschiktheidspensioen en c) als verzekerde in de zin van het WAO-Zekerheidsplan. Voorts is in geschil of [eiseres] , indien zij zou zijn aangemeld als deelneemster en verzekerde als bedoeld, premievrij ouderdomspensioen zou hebben opgebouwd en recht zou hebben gehad op arbeidsongeschiktheidspensioen en op uitkering op grond van het WAO-Zekerheidsplan. Om redenen die samenhangen met hetgeen hierna wordt overwogen, zal de kantonrechter een beoordeling van het verjaringsberoep uitstellen totdat is vastgesteld of [eiseres] , zoals zij stelt maar gedaagden betwisten, recht heeft op premievrije pensioenopbouw (ad a), arbeidsongeschiktheidspensioen (ad b) en/of een uitkering in de zin van het WAO-Zekerheidsplan (ad c). Om diezelfde reden veronderstelt de kantonrechter de eiswijziging, waartegen Achmea Pensioen op grond van de goede procesorde bezwaar heeft gemaakt, als tijdig gedaan.

Het ouderdomspensioen (ad a)

4.2.

Artikel 8 van de tussen [eiseres] en Amstel Lease gesloten arbeidsovereenkomst bevat de toezegging aan [eiseres] dat zij ‘bij voortduring van het dienstverband na twaalf maanden’ wordt opgenomen in de pensioenregeling. Dat is - wat inmiddels wordt genoemd -een pensioenovereenkomst, en wel één met een wachttijd van een jaar na indiensttreding. Ingevolge artikel 2 van de arbeidsovereenkomst is [eiseres] op 16 augustus 1999 bij Amstel Lease in dienst getreden. Dat de door Amstel Lease aan [eiseres] verstrekte loonstroken (net als het conversieoverzicht per 31 december 1999) als datum van indiensttreding 15 augustus 1999 vermelden, doet hieraan niet af, omdat de uitdrukkelijk overeengekomen datum van indiensttreding door die vermelding niet is gewijzigd. Ditzelfde geldt voor de vermelding van een onjuiste indiensttredingsdatum op berichten, afkomstig van SPLB en Centraal Beheer Pensioen. De arbeidsovereenkomst is aangegaan voor de duur van een jaar en is bij het verstrijken van die overeengekomen duur op 15 augustus 2000 van rechtswege geëindigd. Hieruit volgt dat het dienstverband tussen [eiseres] en Amstel Lease/ABN niet langer dan een jaar heeft bestaan. De voorwaarde voor deelneming aan de pensioenregeling is daarmee niet vervuld en [eiseres] hoefde niet als deelneemster aan de (ouderdoms)pensioenregeling te worden aangemeld.

4.3.

Anders dan [eiseres] meent, kan zij - los van de vraag naar haar deelnemerschap - geen recht ontlenen aan het bepaalde in artikel 14 van het pensioenreglement, dat ‘de werknemer’ die arbeidsongeschikt wordt aanspraak geeft op premievrije pensioenopbouw. [eiseres] beroept zich in dit verband op de omstandigheid dat het UWV in 2011 heeft vastgesteld dat de wachttijd voor de WAO op 6 december 1999 is verstreken, toen zij in dienst was van Amstel Lease. Het begrip ‘werknemer’ is in artikel 1 van het pensioenreglement (voor zover hier van belang) gedefinieerd als de werknemer die ‘een arbeidsovereenkomst met de werkgever heeft voor onbepaalde tijd.’ [eiseres] had een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. Zij was daarom geen werknemer in de zin van het pensioenreglement. Bovendien geldt dat het derde lid van genoemd artikel 14 verwijst naar artikel 15 van het pensioenreglement. In het eerste lid van dat artikel is bepaald dat ‘(b)ij beëindiging van de dienstbetrekking, anders dan door overlijden, binnen een jaar na aanvang van de verzekering van ouderdomspensioen’ geen rechten aan het pensioenreglement kunnen worden ontleend. Ingevolge artikel 8 van de arbeidsovereenkomst had de verzekering van ouderdomspensioen voor [eiseres] op 6 december 1999, althans vóór het einde van het dienstverband, dus nog geen aanvang genomen.

4.4.

Deze uitkomst is niet anders indien zou moeten worden aangenomen dat voor [eiseres] met ingang van 1 januari 2000 de aangepaste, door SPLB uitgevoerde, pensioenregeling is gaan gelden (daarin wordt als ‘werknemer’ aangemerkt ‘de werknemer die vóór 1 januari 2000 een arbeidsovereenkomst met de werkgever heeft’). De wijziging van het pensioenreglement bracht geen verandering in artikel 8 van de arbeidsovereenkomst en de daarin geregelde wachttijd van een jaar voor deelname aan de pensioenregeling.

Overigens volgt uit de hierboven onder 2.7.1. (slot) aangehaalde volzin uit Aanhangsel III bij het aangepaste pensioenreglement dat de aanspraken van de per 31 december 1999 (premievrije en) volledig arbeidsongeschikte deelnemers werden gehandhaafd op basis van het eerdere pensioenreglement. Weliswaar was [eiseres] ingevolge artikel 14 lid 1 van het eerdere pensioenreglement, gelezen in verbinding met artikel 8.1. van de algemene voorwaarden voor verzekering van ouderdoms-, nabestaanden- en wezenpensioen van Centraal Beheer Pensioen, vóór 1 januari 2000 al arbeidsongeschikt, doch dat maakte haar nog geen deelnemer aan de pensioenregeling en gaf haar ook geen recht op aanmelding en toelating als zodanig. Op dat deelnemerschap had zij pas recht bij voortduring van het dienstverband na het verstrijken van de overeengekomen duur van een jaar. Tot een dergelijke voortduring is het niet gekomen. Overigens kent ook de aangepaste pensioenregeling de bepaling (artikel 15 lid 1) dat ‘(b)ij beëindiging van het deelnemerschap, anders dan door overlijden, binnen een jaar na aanvang van het deelnemerschap’ door de deelnemer geen rechten aan het pensioenreglement kunnen worden ontleend.

4.5.

[eiseres] heeft betoogd dat de inhoud van de pensioentoezegging van artikel 8 van de arbeidsovereenkomst moet wijken voor de wijze waarop daaraan nadien feitelijk uitvoering is gegeven. Zij wijst op een bericht van Centraal Beheer Pensioen van maart 2000, op twee pensioenopgaven (uit 2002 en 2004) en de UPO 2008 van SPLB, waarna afkoop is gevolgd. De kantonrechter volgt [eiseres] in dit betoog niet. Deze berichtgeving heeft zich afgespeeld in de verhouding tussen [eiseres] en de verzekeraar respectievelijk het pensioenfonds. Daaraan heeft [eiseres] in redelijkheid niet het vertrouwen mogen ontlenen dat in de verhouding tussen haar en Amstel Lease wijziging was gebracht in de wachttijd van artikel 8 van de arbeidsovereenkomst. Ook jegens Achmea Pensioen en Aegon kan [eiseres] geen aanspraak ontlenen aan deze - onjuiste - pensioeninformatie. In de door Centraal Beheer Pensioen gegeven ‘stand van verzekering’ van maart 2000, de pensioenopgave uit 2002 en het UPO 2008 van SPLB is uitdrukkelijk vermeld dat ‘uitkeringen (-) plaats (vinden) conform het pensioenreglement’, dat ‘(a)an de UPO(‘s) (-) geen rechten (kunnen) worden ontleend’ en dat ‘(h)et pensioenreglement (-) uiteindelijk bepalend’ is. Hieruit volgt dat de uitvoerders van de pensioenregeling met hun berichtgeving aan [eiseres] geen van het pensioenreglement afwijkend aanbod hebben willen doen - en daarmee nieuwe verplichtingen - in het leven hebben willen roepen. Een soortgelijke disclaimer (‘Aan dit overzicht kunnen geen rechten worden ontleend’) is vermeld op het door [eiseres] eveneens overgelegde conversieoverzicht per 31 december 1999 dat Amstel Lease haar in november 1999 heeft toegezonden met het oog op de op stapel staande wijziging in (de uitvoering van) de pensioenregeling per 1 januari 2000. Met dit overzicht heeft Amstel Lease slechts willen voldoen aan de op haar als werkgeefster rustende verplichting om haar personeel te informeren over de gevolgen van die wijziging. Ook daaruit heeft [eiseres] dan ook niet mogen opmaken dat zij zou gaan deelnemen in de pensioenregeling van Amstel Lease en dat het vereiste van het wachtjaar was vervallen.

4.6.

Op het voorgaande stuiten de vorderingen van [eiseres] , gericht tegen ABN, Achmea Pensioen en Aegon, tot verkrijging van een premievrije voortzetting van het ouderdomspensioen af.

Het arbeidsongeschiktheidspensioen (ad b)

4.7.

Tussen [eiseres] en Achmea Pensioen lijkt in geschil of het arbeidsongeschiktheidspensioen moet worden aangemerkt als een onderdeel van de pensioenregeling als bedoeld in artikel 8 van de arbeidsovereenkomst, of dat het daarbij gaat om een aanvullende arbeidsongeschiktheidsverzekering in de zin van artikel 9 van de arbeidsovereenkomst. In het eerste geval zou ook voor het arbeidsongeschiktheidspensioen een wachttijd van een jaar gelden. Bij de beantwoording van deze vraag komt het aan op de uitleg van de artikelen 8 en 9 van de arbeidsovereenkomst en speelt, nu niet in geschil is dat het WAO-Zekerheidsplan (ad c) in de termen van artikel 9 valt, het verschil tussen de rechtsfiguur van het arbeidsongeschiktheidspensioen enerzijds en die van de WAO-hiaatverzekering anderzijds een rol. De kantonrechter laat in het midden hoe deze uitleg in dit geding dient uit te vallen. Met het oog op hetgeen hierna volgt, wordt er veronderstellenderwijs vanuit gegaan dat [eiseres] het arbeidsongeschiktheidspensioen, ook al heeft het (niet alleen vanwege de term) raakvlakken met de pensioensfeer, mocht begrijpen als een aanvullende arbeidsongeschiktheidsverzekering in de zin van artikel 9 van de arbeidsovereenkomst, zodat haar aanspraak (ad b) niet reeds afstuit op de omstandigheid dat zij niet langer dan een jaar bij Amstel Lease/ABN in dienst is geweest.

4.8.

In de verhouding tussen [eiseres] en Amstel Lease/ABN moet de vraag worden beantwoord of [eiseres] als verzekerde voor het arbeidsongeschiktheidspensioen had moeten worden aangemeld bij Centraal Beheer Pensioen of bij SPLB. Deze vraag moet, ook voor de periode vanaf 1 januari 2000, worden beantwoord aan de hand van het bepaalde in Reglement I voor pensioen bij arbeidsongeschiktheid. Zowel dit Reglement I als het Reglement voor pensioen bij arbeidsongeschiktheid van maart 2000 (dat verwijst naar artikel 14 van de aangepaste pensioenregeling) definieert het begrip ‘arbeidsongeschiktheid’ aldus dat hiervan slechts sprake is bij arbeidsongeschiktheid (van 15% of meer), die (voor zover hier van belang) recht geeft op een WAO-uitkering (met de invoering van de Wet uitbreiding loondoorbetaling bij ziekte per 1 maart 1996 was het risico van loonderving door ziekte gedurende de eerste 52 weken al niet meer gedekt door de Ziektewet). Gedurende het dienstverband van [eiseres] , van 16 augustus 1999 tot en met 15 augustus 2000, was van arbeidsongeschiktheid in bedoelde zin (nog) geen sprake, omdat [eiseres] zich pas op 8 november 1999 had ziekgemeld en zij op grond van de gebruikelijke en ook door het UWV gehanteerde wachttijd voor de WAO van 52 weken eerst met ingang van 6 november 2000 recht zou krijgen op een WAO-uitkering.

4.9.

[eiseres] heeft haar werkgeefster destijds niet van haar ziektegeschiedenis op de hoogte gebracht, blijkbaar omdat zij zich in de loop van 1999 weer gezond voelde en meende dat de eerdere ziekteoorzaak tot het verleden behoorde. Amstel Lease en ABN wisten daarom niet dat zij eerder (tot 1 januari 1993) een WAO-uitkering had ontvangen, noch dat zij in de periode daarna enkele jaren toegenomen gezondheidsklachten had ervaren. Haar werkgeefster heeft daarom geen rekening kunnen houden met de mogelijkheid dat aan [eiseres] ooit met terugwerkende kracht tot een datum gelegen tussen 16 augustus 1999 en 16 augustus 2000 een WAO-uitkering zou worden verleend. Kennelijk heeft ook [eiseres] zelf die mogelijkheid eerst in de loop van 2010 onderkend, toen zij - kennelijk geïnformeerd over de implicaties van de inwerkingtreding van de Wet Amber per 29 december 1995 - alsnog in verband met in maart 1993 toegenomen gezondheidsklachten en -beperkingen aanspraak maakte op een WAO-uitkering over een periode die eindigde binnen vijf jaar vóór haar uitval van 8 november 1999, reden waarom de WAO-wachttijd toen - achteraf beschouwd - vier in plaats van 52 weken bedroeg.

4.10.

Ervan uitgaande dat een mogelijke WAO-uitkering op basis van de op 8 november 1999 aangevangen arbeidsongeschiktheid pas na beëindiging van het tijdelijke dienstverband met [eiseres] zou ingaan, heeft Amstel Lease haar niet aangemeld als verzekerde voor het arbeidsongeschiktheidspensioen. Onder de gegeven omstandigheden behoefde die aanmelding ook niet plaats te vinden. Weliswaar was Amstel Lease ingevolge artikel 5.1. van de Voorwaarden van arbeidsongeschiktheidsverzekering van Centraal Beheer Pensioen, dat een andere definitie van arbeidsongeschiktheid kent, in beginsel verplicht al haar werknemers voor de verzekering aan te melden, doch artikel 2 lid 1 van het Reglement I bepaalt dat dit reglement voorgaat boven de verzekeringsvoorwaarden. Artikel 6 lid 2 juncto artikel 1 onder 4 van het Reglement I verbindt aan het voortbestaan van de aanspraak op arbeidsongeschiktheidspensioen na beëindiging van het dienstverband onder meer de voorwaarde dat alsdan sprake is van een WAO-uitkering. Hieruit vloeit voort dat Amstel Lease er destijds redelijkerwijs van mocht uitgaan dat aanmelding van [eiseres] voor het arbeidsongeschiktheidspensioen achterwege kon blijven, omdat zij op basis van hetgeen toen over haar ziektegeschiedenis bekend was niet in de termen van het Reglement I zou vallen. Dit werd niet anders toen met ingang van 1 januari 2000 het arbeidsongeschiktheidspensioen overging naar SPLB. Die overgang bracht geen wijziging in de verzekeringsvoorwaarden.

4.11.

De vraag is vervolgens of ABN alsnog tot aanmelding van [eiseres] voor het arbeidsongeschiktheidspensioen had moeten overgaan, zodra ABN er in 2011/2012 van in kennis was gesteld dat de datum van het einde van de wachttijd voor de WAO-uitkering was bepaald op 6 december 1999. De kantonrechter beantwoordt deze vraag ontkennend. De aanspraak op een arbeidsongeschiktheidspensioen was op grond van artikel 6 lid 1 van het Reglement I bij beëindiging van het dienstverband op 15 augustus 2000 vervallen en het reglement voorzag niet in de mogelijkheid van herleving. Een beroep op artikel 6 lid 2 van Reglement I gaat niet op. [eiseres] was tijdens het dienstverband namelijk niet arbeidsongeschikt in de zin van dit reglement. Daarvan kon ingevolge artikel 1 lid 4 alleen sprake zijn ‘indien en zolang de verzekerde recht heeft op een uitkering.’ Dat recht is er tijdens het dienstverband niet geweest, óók niet met terugwerkende kracht. Een aanmelding in 2011/2012 zou dus niet hebben geleid tot toekenning en uitkering van arbeidsongeschiktheidspensioen.

4.12.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat ook de vorderingen van [eiseres] , gericht tegen ABN, Achmea Pensioen en Aegon, tot toekenning en betaling van arbeidsongeschiktheidspensioen niet toewijsbaar is.

Het WAO-Zekerheidsplan (ad c)

4.13.

Resteert de aanspraak die [eiseres] maakt op een uitkering ingevolge het WAO-Zekerheidsplan. Ingevolge de Verzekeringsvoorwaarden voor het WAO-Zekerheidsplan van Centraal Beheer Schade en (vanaf 1 januari 2000) het Reglement voor pensioen bij arbeidsongeschiktheid van SPLB ontstaat het recht op een uitkering ter grootte van het verschil tussen de WAO-loondervings- en de vervolguitkering eerst indien de verzekerde recht heeft op een WAO-uitkering en gaat de uitkering in zodra de WAO-vervolguitkering ingaat (in dit geval op 6 mei 2002). Bij de beantwoording van de vraag of Amstel Lease of ABN [eiseres] voor het WAO-Zekerheidsplan had moeten aanmelden, geldt overeenkomstig hetgeen hierboven (ad b) onder 4.8. tot en met 4.10. is overwogen dat [eiseres] zich pas op 8 november 1999 had ziekgemeld en zij op grond van de gebruikelijke WAO-wachttijd van 52 weken eerst met ingang van 6 november 2000 recht zou krijgen op een WAO-uitkering, dat gedurende het dienstverband geen rekening kon worden gehouden met de mogelijkheid dat aan [eiseres] ooit met terugwerkende kracht tot een datum gelegen tussen 16 augustus 1999 en 16 augustus 2000 een WAO-uitkering zou worden verleend, dat Amstel Lease/ABN er redelijkerwijs van uit mocht gaan dat een WAO-uitkering op basis van de op 8 november 1999 aangevangen arbeidsongeschiktheid pas na beëindiging van het tijdelijke dienstverband met [eiseres] zou ingaan, en dat [eiseres] daarom destijds niet hoefde te worden aangemeld als verzekerde voor het WAO-Zekerheidsplan.

4.14.

Bij de beantwoording van de vraag of een aanmelding in 2011/2012 ertoe zou kunnen hebben geleid dat [eiseres] als verzekerde zou zijn aanvaard en haar alsnog een uitkering ingevolge het WAO-Zekerheidsplan zou zijn toegekend en betaald, geldt overeenkomstig hetgeen hierboven (ad b) onder 4.11 is overwogen dat de dekking van het WAO-Zekerheidsplan ingevolge artikel 2.2. van de verzekeringsvoorwaarden op 15 augustus 2000, met de beëindiging van het dienstverband, was geëindigd, dat in de mogelijkheid van herleving niet was voorzien, alsook dat de arbeidsongeschiktheid die gedekt was, in artikel 1 onder i van de verzekeringsvoorwaarden is gedefinieerd als ‘de ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid (-) indien en zolang de verzekerde recht heeft op een uitkering krachtens de ZW en/of WAO.’ [eiseres] heeft op geen enkel moment tijdens het dienstverband recht gekregen op een (Ziektewet- of) WAO-uitkering, zodat de arbeidsongeschiktheid waarvan wél sprake is geweest niet onder de dekking valt. Anders gezegd: tijdens de looptijd van de verzekering is geen sprake geweest van een gedekt voorval.

4.15.

De vorderingen van [eiseres] , gericht tegen ABN, Achmea Schade en Aegon, tot toekenning en betaling van een uitkering ingevolge het WAO-Zekerheidsplan delen daarom het lot van de claim op een arbeidsongeschiktheidspensioen.

4.16.

Op grond van het voorgaande is, met de afwijzing van de primaire vorderingen tot nakoming en betaling, tevens gegeven dat voor toewijzing van de subsidiaire vordering tot vervangende schadevergoeding geen grondslag bestaat.

4.17.

[eiseres] wordt, als de in het ongelijk gestelde partij, veroordeeld in de kosten van gedaagden. Deze worden, tot dit vonnis, aan de zijde van elk der gedaagden begroot op € 1.200,-- aan salaris gemachtigde (twee punten à € 600,--). Op vordering van gedaagden wordt de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

5 De beslissing

De kantonrechter:

wijst de vorderingen af;

veroordeelt [eiseres] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van ABN, tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 1.200,-- aan salaris gemachtigde;

veroordeelt [eiseres] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van Achmea Pensioen, tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 1.200,-- aan salaris gemachtigde;

veroordeelt [eiseres] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van Achmea Schade, tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 1.200,-- aan salaris gemachtigde;

veroordeelt [eiseres] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van Aegon, tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 1.200,-- aan salaris gemachtigde;

verklaart deze kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.A.M. Pinckaers, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 16 maart 2016.