Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2016:1275

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
11-03-2016
Datum publicatie
11-03-2016
Zaaknummer
C/16/410801 / HA RK 16-41
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wrakingszaak

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

WRAKINGSKAMER

Zittingsplaats Lelystad

zaaknummer / rekestnummer: C/16/410801 / HA RK 16-41

Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken van 11 maart 2016

op het verzoek in de zin van artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (verder: Rv) van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

1. [bedrijf 1],

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

2. [bedrijf 2],

verzoeksters,

advocaat mr. J. van Ravenhorst te Utrecht,

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het wrakingsverzoek van 29 februari 2016

  • -

    de schriftelijke reactie van mr. D.C.P.M. Straver van 1 maart 2016

  • -

    de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek op 4 maart 2016.

1.2.

Het wrakingsverzoek is op 4 maart 2016 in het openbaar behandeld door de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken (verder: de wrakingskamer). Bij de mondelinge behandeling zijn verschenen: namens verzoeksters hun advocaat mr. J. van Ravenhorst, belanghebbenden de heer [X] en mevrouw [Y] en hun advocaat mr. J.D. van Vlastuin. Zoals in haar schriftelijke reactie aangekondigd, is mr. D.C.P.M. Straver niet verschenen.

2 Het wrakingsverzoek

2.1.

Het verzoek tot wraking is gericht tegen mr. D.C.P.M. Straver als behandelend rechter (hierna te noemen: de rechter), in de kort gedingprocedure met het zaak- en rolnummer 409270 / KG ZA 16-86. In die procedure traden verzoeksters op als gedaagde partij, en hiervoor onder 1.2. genoemde belanghebbenden als eisende partij.

2.2.

Verzoeksters hebben – samengevat – het volgende ten grondslag gelegd aan hun wrakingsverzoek. Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling bleek dat de rechter geen kennis had genomen van door verzoeksters tijdig ingediende producties. Deze producties waren terecht gekomen op het bureau van een collega van de rechter. Desondanks heeft de rechter – na tijdens een korte schorsing van de zitting de inhoudsomschrijving van de producties te hebben bestudeerd – er voor gekozen de mondelinge behandeling voort te zetten. Verzoeksters stellen dat de rechter vervolgens bij de behandeling van de zaak, om partijen tot een minnelijke regeling te laten komen, het standpunt van belanghebbenden als vertrekpunt heeft genomen. Na afloop van de mondelinge behandeling hadden verzoeksters de stellige indruk dat in het hoofd van de rechter het verhaal van de wederpartij het denken van de rechter in overwegende mate in beslag had genomen. Volgens verzoeksters was dit – althans hebben zij dit ervaren als – een inbreuk op de in acht te nemen onpartijdigheid.

2.3.

De rechter heeft niet berust in de wraking. Zij voert ten eerste aan dat het wrakingsverzoek niet onverwijld is ingediend, zodat verzoeksters niet ontvankelijk moeten worden verklaard. Ten tweede stelt zij zich op het standpunt dat verzoeksters geen concreet handelen aan hun verzoek ten grondslag leggen waaruit de partijdige houding van haar zou kunnen worden afgeleid. Tot slot stelt de rechter zich op het standpunt dat het verzoek prematuur is, omdat nog geen inhoudelijke behandeling in het kort geding heeft plaatsgevonden, en dat de procedure juist daartoe is aangehouden.

3 De beoordeling

3.1.

Het meest verstrekkende verweer van de rechter betreft het tijdstip waarop het wrakingsverzoek is ingediend. De rechter heeft ter onderbouwing van dit verweer aangevoerd dat verzoeksters meteen nadat de rechter had besloten de zaak toch inhoudelijk te behandelen, haar hadden moeten wraken. Bovendien, zo stelt zij, heeft zij partijen op de mogelijkheid gewezen om eventueel alsnog de zaak aan te houden indien zij het gevoel hadden dat de rechter onvoldoende adequaat op de materie in ging. Van deze mogelijkheid hebben verzoeksters geen gebruik gemaakt. Volgens de rechter is deze wraking tardief, nu die meerdere dagen na de zitting heeft plaatsgevonden.

3.2.

Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek heeft mr. Van Ravenhorst aangevoerd dat hij tijdens de zitting het middel van wraking niet als een mogelijkheid heeft overwogen, omdat hij weet dat de uitkomst van een zaak nog alle kanten op kan gaan. Bovendien dient met wraking voorzichtig te worden omgegaan. Daar komt bij dat verzoeksters pas na de zitting in de gelegenheid waren hun gevoelens over de houding van de rechter met hun advocaat te bespreken.

3.3.

Ingevolge artikel 37 lid 1 Rv dient een partij het wrakingsverzoek te doen zodra de feiten of omstandigheden hem daartoe bekend zijn geworden, maar voordat de rechter eindvonnis heeft gewezen. De mondelinge behandeling van het kort geding heeft plaatsgevonden op 24 februari 2016. Op 29 februari 2016 hebben verzoekers het wrakingsverzoek ingediend. De zitting van 24 februari 2016 is geëindigd met een minnelijke regeling die in het proces-verbaal van de zitting is vastgelegd. Daarbij zijn partijen overeengekomen dat de zaak wordt aangehouden tot woensdag 2 maart 2016, op welke dag partijen de voorzieningenrechter zullen berichten of en zo ja binnen welke termijn zij een voortzetting va het kort geding wensen. Tot op heden is nog geen eindvonnis gewezen.

3.4.

De wrakingskamer is van oordeel dat gelet op de omstandigheid dat verzoeksters eerst na de zitting hun gevoelens over de houding van de rechter met hun advocaat hebben kunnen bespreken, en de omstandigheid dat de advocaat vervolgens een verzoekschrift op moet stellen, terwijl in die vijf dagen tussen de zitting en het wrakingsverzoek nog een weekend is gelegen, het wrakingsverzoek niet tardief is ingediend. Om die reden gaat de wrakingskamer voorbij aan dit verweer.

3.5.

Artikel 36 Rv bepaalt dat elk van de rechters die een zaak behandelen op verzoek van een partij kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden.

3.6.

Voor de beoordeling van het wrakingsverzoek wordt de toepasselijke norm voorts gegeven door artikel 6 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden in samenhang met de door de Hoge Raad en het Europese hof voor de rechten van de mens ontwikkelde criteria.
Van een gebrek aan onpartijdigheid kan sprake zijn indien de rechter vanwege een persoonlijke overtuiging vooringenomen is. Ook kan daarvan sprake zijn indien zich feiten en omstandigheden voordoen die objectief bezien de (subjectieve) vrees bij de rechtzoekende rechtvaardigen dat het de rechter in die omstandigheden aan onpartijdigheid ontbreekt.

3.7.

Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de hiervoor bedoelde zin, dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een procespartij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die procespartij bestaande vrees dienaangaande objectief gerechtvaardigd is.

3.8.

De door verzoeksters aangevoerde feiten en/of omstandigheden houden niet in dat sprake is van persoonlijke vooringenomenheid van de rechter jegens hen. De wrakingskamer is daarvan ook niet gebleken. Daarom zal moeten worden beoordeeld of naar objectieve maatstaven sprake is van feiten en omstandigheden die verzoeksters grond hebben gegeven voor de vrees dat het de rechter aan onpartijdigheid heeft ontbroken of zal ontbreken.

3.9.

De kern van het wrakingsverzoek ligt in de omstandigheid dat de rechter de stukken van verzoeksters voorafgaand aan de mondelinge behandeling niet heeft bestudeerd (kunnen bestuderen), en vervolgens de wijze waarop zij daar ter zitting mee is omgegaan en de wijze waarop de zitting nadien is verlopen.

3.10.

Gelet op het verhandelde ter gelegenheid van de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek staat vast dat mr. Van Ravenhorst bij aanvang van het kort geding de rechter heeft geïnformeerd over een minnelijke regeling die partijen de dag vóór de mondelinge behandeling hebben getroffen. Vervolgens is de volledige tijd van de zitting gewijd aan deze al dan niet getroffen regeling. Een inhoudelijke behandeling van de vordering van belanghebbenden heeft daardoor niet plaatsgevonden. De pleitnota’s van de beide advocaten zijn niet voorgedragen. Uit de overgelegde stukken en de stellingen van de rechter en de belanghebbenden volgt dat verzoeksters en belanghebbenden in het kader van een voorlopige minnelijke regeling zijn overeengekomen dat, indien zij daaraan nog behoefte hebben, de mondelinge behandeling op een nader te bepalen moment zal worden voortgezet teneinde de vordering van belanghebbenden alsnog inhoudelijk te behandelen. Hiermee staat vast dat de hoofdzaak formeel nog niet ten einde is gekomen. Daar komt bij dat de rechter heeft aangevoerd dat zij, na het verzoek van mr. Van Ravenhorst om de zaak aan te houden, de zitting kort heeft geschorst om aan de hand van de door mr. Van Ravenhorst verstrekte inhoudsomschrijving van de betreffende producties na te gaan of aanhouding noodzakelijk was of dat de zitting kon worden voortgezet. Vervolgens heeft de rechter bij haar beslissing tot voortzetting zonder nadere bestudering van deze producties, partijen erop gewezen dat zij alsnog om aanhouding van de mondelinge behandeling konden vragen. Mr. Van Ravenhorst heeft verklaard dat hij zich dat niet kan herinneren, vanwege zijn emotie op dat moment. Mr. Van Vlastuin heeft bevestigd dat de rechter partijen deze gelegenheid heeft geboden. De wrakingskamer acht voldoende aannemelijk dat dit op deze wijze is verlopen. Vast staat dat verzoeksters van deze geboden mogelijkheid geen gebruik hebben gemaakt.

De rechter heeft voorts aangevoerd dat zij tijdens de mondelinge behandeling van het kort geding zowel verzoeksters als belanghebbenden een spiegel heeft voorgehouden, dat zij beide partijen aan het woord heeft gelaten en aan beide partijen kritische vragen heeft gesteld. Dit is niet door verzoeksters weersproken, en bovendien is dit door mr. Van Vlastuin bevestigd. De stelling van verzoeksters, dat de rechter bij het treffen van de minnelijke regeling het standpunt van belanghebbenden als vertrekpunt heeft genomen, is door de rechter weersproken, en wordt tegengesproken door de belanghebbenden. Verzoeksters hebben ook geen nadere feiten en omstandigheden gesteld waaruit dit zou blijken, zodat de wrakingskamer tot de slotsom komt dat daarvan geen sprake is geweest.

3.11.

De wrakingskamer komt op grond van het voorgaande tot het oordeel dat de handelwijze van de rechter niet kan worden aangemerkt als een uitzonderlijke omstandigheid die een zwaarwegende aanwijzing vormt dat zij jegens belanghebbenden een objectieve vooringenomenheid koestert, dan wel dat de vrees daartoe bij verzoeksters objectief gerechtvaardigd is.

3.12.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen zal de wrakingskamer het verzoek tot wraking ongegrond verklaren.

4 De beslissing

De wrakingskamer

4.1.

verklaart het verzoek tot wraking ongegrond,

4.2.

draagt de griffier van de wrakingskamer op deze beslissing toe te zenden aan verzoeksters, mr. D.C.P.M. Straver, alsmede aan de voorzitter van de Afdeling civielrecht en bestuursrecht en de president van deze rechtbank,

4.3.

bepaalt dat de procedure van verzoeker met zaak- en rolnummer 409270 / KG ZA 16-86 dient te worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond op het moment van de schorsing vanwege het wrakingsverzoek.

Deze beslissing is gegeven door mr. L.E. Verschoor-Bergsma, voorzitter, mr. I.P.H.M. Severeijns en mr. R.M. Berendsen als leden van de wrakingskamer, bijgestaan door mr. I.S.J. Goeman-Bruijn, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 11 maart 2016.

de griffier de voorzitter