Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2016:1155

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
02-03-2016
Datum publicatie
08-06-2016
Zaaknummer
UTR 15/1959
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

AWBZ. pgb. Stichting. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Almere

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 15/1959

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 maart 2016 in de zaak tussen

[eiser] , eiser, wettelijk vertegenwoordigd door [A] (de moeder) en [B] (de vader)

(gemachtigde: mr. P.A.M. Staal),

en

Achmea Zorgkantoor, verweerder

(gemachtigden: mr. C. Hartman en mr. I. Punt).

Procesverloop

Bij besluit van 20 januari 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder de afgegeven toekenningsbeschikkingen gebaseerd op de verantwoording van het persoonsgebonden budget (pgb) voor zorg door eiser, ingekocht bij Stichting [stichting] en/of [naam] ( [naam] ) gewijzigd. Verweerder heeft de verantwoordingen van het pgb over de jaren 2009 tot en met 2012 afgewezen en een bedrag van € 25.387,50 van eiser teruggevorderd.

Bij besluit van 16 maart 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 januari 2016. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn wettelijk vertegenwoordigers en zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1. Aan eiser, de budgethouder, is een pgb verstrekt. Dat budget is gedeeltelijk voor de inkoop van zorg bij [naam] . De bestuurder van [naam] , mevrouw [C] ( [C] ), is strafrechtelijk veroordeeld voor fraude met pgb-gelden. Bij deze fraude hanteerde zij verschillende methodes. Een van deze methodes was dat zij (de ouders van) budgethouders het geld op haar privérekening liet storten, waarvan vervolgens een deel weer werd teruggestort op de privérekening van (de ouders van) de budgethouders. In het kader van het strafrechtelijk onderzoek zijn door de Inspectie Sociale Zaken en Werkgelegenheid (ISZW) meerdere strafbare feiten onderzocht. Het door ISZW opgemaakte proces-verbaal vermeld onder meer dat [C] voor het plegen van de fraude gedurende lange tijd op aanzienlijke schaal valse documenten heeft opgemaakt. Het vermoedelijke aantal valselijk opgemaakte verantwoordingsformulieren is globaal berekend op tenminste 164. Deze globale berekening is gebaseerd op het aantal budgethouders dat geld heeft overgemaakt (totaal 48 wettelijke vertegenwoordigers/ouders) naar de privébankrekeningen van [C] . Uit een overzicht van pgb-geldstromen blijkt dat eiser in 2009 een bedrag van

€ 1.100,- heeft overgemaakt op de privérekening van [C] .

2. In het primaire besluit heeft verweerder op grond van het strafrechtelijk onderzoek geconcludeerd dat de door eiser ingekochte zorg bij [naam] geen kwalitatief verantwoorde AWBZ zorg betreft en dat het pgb niet is gebruikt voor het doel waarvoor het pgb is verleend. Verder heeft verweerder geoordeeld dat de facturen en de verantwoording van het pgb tegenstrijdig met elkaar zijn en dus onjuist en niet naar waarheid ingevuld. Op grond hiervan heeft verweerder gebruik gemaakt van zijn intrekkingsbevoegdheid, de verantwoordingen van pgb-gelden, besteed bij [naam] , afgewezen en de onverschuldigd betaalde pgb-gelden teruggevorderd. In het bestreden besluit handhaaft verweerder de afwijzing van de verantwoording en de terugvordering. Onder verwijzing naar het proces-verbaal van de ISZW en de uitspraak in de strafrechtelijke procedure tegen [C] stelt verweerder zich op het standpunt dat de betrokkenheid van eiser bij het vervalsen van de verantwoordingsformulieren en facturen vaststaat. Volgens verweerder blijkt uit de strafrechtelijke veroordeling van [C] , dat in 2009 een onverklaarbare storting heeft plaatsgevonden op de privérekening van [C] , dat eiser één van de 48 budgethouders is die is genoemd in het onderzoek van ISZW, dat de bedragen van de verantwoordingsformulieren over de jaren 2008 tot en met 2013 niet overeenkomen met de bedragen zoals deze zijn aangetroffen in de bedrijfsadministratie van [naam] en dat de ouders van eiser een transactieaanbod van de officier van justitie van 15 uur taakstraf hebben geaccepteerd. Volgens verweerder is daarom niet objectief controleerbaar op welke wijze het pgb is besteed. Verweerder baseert de afwijzing van de verantwoording van het pgb, besteed bij [naam] , op de artikelen 4:48 en 4:49 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang gelezen met artikel 2.6.9 en artikel 2.6.12, tweede lid, van de Regeling Subsidies AWBZ (Rsa).

3. Eiser voert aan dat het onjuist is om de schending van de pgb-verplichtingen te baseren op anonieme stukken in het strafproces tegen [C] . De ouders van eiser hebben het transactievoorstel van de officier van justitie enkel geaccepteerd om de zaak te kunnen afsluiten. Met het overmaken van een bedrag van € 1.100,- op de privérekening van [C] staat nog niet vast dat er verantwoordingsformulieren en facturen zijn vervalst. Eiser wist niet dat de zorg van [naam] als kwalitatief onvoldoende moest worden beschouwd.

4. De rechtbank overweegt allereerst het volgende. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit onder verwijzing naar het proces-verbaal van de ISZW en de uitspraak in de strafrechtelijke procedure gericht tegen [C] op het standpunt gesteld dat de betrokkenheid van eiser bij het vervalsen van de verantwoordingsformulieren en facturen daarmee vaststaat. Naar het oordeel van de rechtbank is een algemene verwijzing van verweerder naar het vonnis in de strafrechtelijke procedure gericht tegen [C] en het volledig geanonimiseerde proces-verbaal van de ISZW ter onderbouwing van verweerders standpunt dat eiser betrokken is bij de fraude, daarvoor onvoldoende. Uit die stukken valt immers niet af te leiden in hoeverre deze ook betrekking hebben op eiser. De rechtbank overweegt dat verweerder niet heeft onderbouwd dat eiser behoort tot de 48 budgethouders die zijn betrokken in het onderzoek. Bovendien blijkt uit het geanonimiseerde proces-verbaal van de ISZW dat voor deze groep van 48 budgethouders valse facturen zijn opgemaakt, behalve in vijf gevallen. Als eiser dus al behoorde tot de groep van 48 budgethouders, dan kan hij ook tot de uitzondering van voornoemde vijf gevallen behoren. Verder hebben de ouders van eiser weliswaar een transactievoorstel van de officier van justitie van 15 uur taakstraf geaccepteerd, maar met het accepteren van het aanbod staat naar het oordeel van de rechtbank nog niet vast dat eiser en/of zijn ouders hebben erkend dat zij betrokken zijn geweest bij de pgb-fraude.

5. Desalniettemin is de rechtbank van oordeel dat in het individuele geval van eiser voldoende gronden aanwezig zijn om te concluderen dat verweerder bevoegd was tot intrekking van de toekenningsbeschikkingen pgb over de jaren 2009 tot en met 2012 en tot terugvordering van het onverschuldigd betaalde bedrag van € 25.387,50. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.

5.1

Zowel in het bezwaarschrift als in het beroepschrift is door eiser medegedeeld dat hij in 2009 een bedrag van € 1.100,- op de privérekening van [C] heeft gestort. Ter zitting heeft de moeder van eiser dit bevestigd. Tevens heeft de moeder van eiser ter zitting toegelicht dat [C] hen heeft geadviseerd om dit bedrag naar haar privérekening te storten, omdat het dan kon worden gebruikt voor zorg voor eiser in het daaropvolgende jaar en omdat daardoor ook zou worden voorkomen dat eiser zou worden gekort op zijn pgb. Gelet hierop stelt de rechtbank vast dat voor dit in 2009 verantwoorde bedrag geen zorg is verleend en dit bedrag dus niet is besteed aan zorg voor eiser.

5.2

Voorts is in het verweerschrift vermeld dat uit het individuele strafdossier van eiser is gebleken dat pgb-gelden van eiser zijn gebruikt voor een bezoek van het gezin aan CenterParcs. Ter zitting heeft de moeder van eiser toegelicht dat het gezin samen met eiser naar CenterParcs is geweest, dat het gezin hun verblijf aldaar niet zelf hebben betaald en zij geen wetenschap hebben wie dit verblijf voor hen heeft gefinancierd. Eisers moeder heeft verder toegelicht dat [C] aan hen heeft aangeboden dat het gezin mee naar CenterParcs kon en dat dit via de [naam] kon worden geregeld. De rechtbank stelt in dit kader vast dat zich in de dossierstukken onder meer de volgende e-mailcorrespondentie tussen de moeder van eiser en [C] bevindt:

[…]

Een e-mail van 18 februari 2010, 16:37 uur, van de moeder van eiser aan [C] :

“Hoi [C] ,

Jammer dat het niet kan.

Als we zelf nog kunnen boeken, kan dat dan wel via de stichting uit het pgb betaald worden>?

Groeten [A] ”

[…]

Een e-mail van 1 maart 2010 van [C] aan de moeder van eiser:

“Hoi [A] ,

Sorry, ik heb hem inderdaad gemist. Of ik boek hem en dan krijg je van mij een rekening of jij boekt hem en dan betaal je jezelf uit en betaald dan daarvan.

Als je beloofd niets tegen de andere te zeggen dan wil ik hem wel boeken. Vaak staan er een hoop bungalows in optie die dan nog worden vrijgegeven. Kijk even welke bungalow je voorkuer heeft.

Groetjes,

[C] ”

[…]

Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de hiervoor vermelde e-mailcorrespondentie tussen de moeder van eiser en [C] dat eisers moeder wel degelijk wist dat het bezoek van de gezinsleden aan CenterParcs werd bekostigd uit het pgb van eiser. Gelet hierop stelt de rechtbank vast dat het pgb van eiser niet enkel is besteed aan zorg voor eiser, maar tevens aan een uitje voor het hele gezin.

5.3

De rechtbank is met verweerder van oordeel dat, ook met inachtneming van de door eiser in bezwaar en beroep overgelegde stukken, niet kan worden vastgesteld dat het in geschil zijnde pgb daadwerkelijk is besteed aan AWBZ-zorg. Bovendien komen de facturen niet geheel overeen met de verantwoordingsformulieren in 2009, 2011 en 2012. Ten aanzien van de stelling van eiser dat de facturen wel overeenstemmen met de verantwoordings-formulieren, maar dat niet alle nota’s/facturen zich in het dossier bevinden en eiser dit alsnog kan aantonen, overweegt de rechtbank dat het op de weg van eiser had gelegen om de ontbrekende stukken op een eerder moment in het geding te brengen.

6. Gelet op het voorgaande is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een situatie waarin de subsidievaststelling onjuist was en eiser dit wist of behoorde te weten, zodat verweerder onder toepassing van artikel 4:49, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb, bevoegd was tot wijziging en terugvordering van het pgb.

7. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB, zie bijvoorbeeld de uitspraak van 21 januari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:187) dient verweerder de bevoegdheid tot wijziging en terugvordering van een pgb uit te oefenen met inachtneming van het geschreven en het ongeschreven recht, daaronder begrepen de in artikel 3:4 van de Awb neergelegde verplichting tot evenredige belangenafweging.

8. Eiser heeft aangevoerd dat er een onjuiste belangenafweging heeft plaatsgevonden. Eiser stelt dat het onbegrijpelijk is dat zijn ouders, die naar eer en geweten hebben gehandeld en zich niet moedwillig hebben verrijkt en niet mee hebben willen werken aan het verrijken van [C] , thans geschaard worden bij de groep ouders die dat wel moedwillig hebben gedaan. Verder stelt eiser dat hij niet wist dat de zorg van [naam] als kwalitatief onvoldoende moest worden beschouwd en dat verweerder in dit kader ook een onderzoeksplicht heeft.

9. De rechtbank overweegt dat voorop staat dat eiser heeft gekozen om de zorg in de vorm van een pgb in plaats van in natura geleverd te krijgen en dat het uitgangspunt van de Rsa is dat de verantwoording van de besteding van het pgb de eigen verantwoordelijkheid is van de budgethouder. De omstandigheid dat een derde misbruik heeft gemaakt van de situatie en zich geld zou hebben toegeëigend dat bestemd was voor zorg aan de budgethouder komt in de relatie met het Zorgkantoor dan ook in beginsel voor rekening en risico van de budgethouder. Dat is hier niet anders. De rechtbank wijst op een uitspraak van de CRvB van 15 juli 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:2383). Naar het oordeel van de rechtbank noopten de door eiser verder aangevoerde belangen verweerder niet om af te zien van wijziging en terugvordering van het pgb. Voorop staat dat de (verantwoording van de) besteding van het pgb de verantwoordelijkheid is van eiser. Daargelaten of (de ouders van) eiser wel of niet (moedwillig) hebben meegewerkt aan het verrijken van [C] , zij wisten, zoals ook in rechtsoverweging 5 is overwogen, dat het pgb niet enkel is besteed aan zorg voor eiser en dat het bezoek van het gezin aan CenterParcs werd bekostigd uit het pgb van eiser. Dat eiser verder niet wist dat de zorg van [naam] als kwalitatief onvoldoende moest worden beschouwd, maakt, wat hier ook van zij, niet dat verweerder het belang van handhaving van de niet nagekomen verplichtingen niet heeft kunnen laten prevaleren boven het belang van eiser.

10. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.G.M. Buys, rechter, in aanwezigheid van
mr. B.C. Volkers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

2 maart 2016.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.