Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2016:1138

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
02-03-2016
Datum publicatie
22-03-2016
Zaaknummer
UTR 15/1871, UTR 15/1872, UTR 15/1873 en UTR 15/1874
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft het beroep tegen de intrekking en terugvordering van een persoonsgebonden budget (pgb) van vier budgethouders, die zorg hebben ingekocht bij de stichting Vrienden van Tom en/of Onzichtbaar Anders, ongegrond verklaard. De rechtbank is van oordeel dat het zorgkantoor zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de budgethouders hun verplichtingen, verbonden aan het pgb, niet zijn nagekomen. De rechtbank heeft overwogen dat verweerder de conclusie heeft kunnen trekken dat budgethouders en de bestuurder van de stichting pgb-gelden hebben verdeeld. Verder is gebleken dat de bedragen op de facturen, bankafschriften en verantwoordingen niet met elkaar overeenkomen. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat het belang van handhaving van de niet nagekomen verplichtingen dient te prevaleren boven het belang van de budgethouders om van terugvordering af te zien.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummers: UTR 15/1871, UTR 15/1872, UTR 15/1873 en UTR 15/1874

uitspraak van de meervoudige kamer van 2 maart 2016 in de zaak tussen

[eiser 1] , [eiser 2] , [eiser 3] en
[eiser 4] , te [woonplaats] , eisers

(gemachtigde: mr. S.W.C. Bonnet),

en

Achmea Zorgkantoor N.V., verweerder

(gemachtigden: mr. C. Hartman en mr. I. Punt).

Procesverloop

Bij besluit van 20 januari 2014 (het primaire besluit 1) heeft verweerder de verantwoordingen over de periode van januari 2009 tot en met december 2012 van het aan [eiser 1] (verder: mevrouw [eiser 1] ) toegekende persoonsgebonden budget (pgb) afgewezen. Verweerder heeft het afgewezen bedrag van € 22.800,- van mevrouw [eiser 1] teruggevorderd.

Bij besluit van 20 januari 2014 (het primaire besluit 2) heeft verweerder de verantwoordingen over de periode van januari 2009 tot en met juni 2013 van het aan [eiser 2] toegekende pgb afgewezen. Verweerder heeft het afgewezen bedrag van € 52.451,25 van [eiser 2] teruggevorderd.

Bij besluit van 20 januari 2014 (het primaire besluit 3) heeft verweerder de verantwoordingen over de periode van januari 2009 tot en met juni 2013 van het aan [eiser 3] toegekende pgb afgewezen. Verweerder heeft het afgewezen bedrag van € 44.067,50 van [eiser 3] teruggevorderd.

Bij besluit van 20 januari 2014 (het primaire besluit 4) heeft verweerder de verantwoordingen over de periode van januari 2009 tot en met juni 2013 van het aan [eiser 4] toegekende pgb afgewezen. Verweerder heeft het afgewezen bedrag van € 41.690,- van [eiser 4] teruggevorderd.

Bij afzonderlijke besluiten van 2 maart 2015 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de bezwaren van eisers ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld. De rechtbank heeft de beroepen geregistreerd onder zaaknummers UTR 15/1871 ( mevrouw [eiser 1] ), UTR 15/1872 ( [eiser 2] ), UTR 15/1873 ( [eiser 3] ) en UTR 15/1874 ( [eiser 4] ).

Verweerder heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 december 2015. De beroepen zijn gevoegd behandeld. Eisers hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Tevens was namens eisers aanwezig de heer [eiser 1] , zijnde de echtgenoot respectievelijk vader van eisers. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Tevens was namens verweerder aanwezig de heer [A] van de afdeling speciale zaken.

Overwegingen

1. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan. Mevrouw [eiser 1] is de moeder van [eiser 2] , [eiser 3] en [eiser 4] . Alle vier hebben zij een pgb toegekend gekregen. Van het pgb hebben zij zorg ingekocht bij Stichting Vrienden van Tom en/of Onzichtbaar Anders (hierna: SVvT). De bestuurder van SVvT, zijnde mevrouw [X] (hierna: [X] ), is door deze rechtbank bij vonnis van 18 april 2014 (ECLI:NL:RBMNE:2014:1493) strafrechtelijk veroordeeld voor onder meer fraude met pgb-gelden. De rechtbank heeft bewezen verklaard dat [X] samen met budgethouders formulieren waarin pgb werd verantwoord, vals heeft opgemaakt, alsmede dat [X] de budgethouders regelmatig expliciet heeft benaderd om het pgb-geld dat over was met haar te delen.

2. Verweerder heeft de definitieve vaststellingsbeschikkingen over de jaren 2009 tot en met 2012 ingetrokken op grond van artikel 4:49, eerste lid, onder a en b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Met betrekking tot het eerste half jaar van 2013 heeft verweerder de toegekende subsidie ingetrokken op grond van artikel 4:48 van de Awb. Verweerder heeft aan de intrekkingen ten grondslag gelegd dat eisers zich bij de verantwoording van het pgb niet hebben gehouden aan de verplichtingen zoals neergelegd in artikel 2.6.9 van de Regeling Subsidies AWBZ (hierna: de Regeling). Eisers hebben niet aangetoond dat het pgb is besteed aan kwalitatief verantwoorde zorg. Daarnaast zijn de ter verantwoording van de ingekochte zorg opgemaakte facturen en verantwoordingsformulier onjuist en niet naar waarheid ingevuld. Dit blijkt volgens verweerder uit het volgende:

- Uit het strafrechtelijk onderzoek komt naar voren dat gelden die op de privé-bankrekening van [X] zijn overgemaakt niet voor zorg aan de budgethouder zijn besteed. Het werd of verdeeld tussen de ouders en [X] of het werd benut voor zorg aan anderen dan de budgethouder in kwestie. Verweerder wijst er op dat de strafrechter bewezen heeft verklaard dat [X] samen met budgethouders formulieren waarin PGB werd verantwoord vals heeft opgemaakt. Eisers behoren tot de 48 budgethouders die in rechtsoverweging 4.3 van het strafvonnis worden genoemd.

- Eisers hebben in de periode in geding in totaal een bedrag van € 8.975,- overgemaakt naar de privé-bankrekening van [X] . [X] heeft in totaal een bedrag van € 5.675,- teruggestort vanaf haar privé-bankrekening naar eisers.

- [X] heeft verklaard dat zij drie keer contant geld aan mevrouw [eiser 1] heeft gegeven.

- Tijdens een (afgetapt) telefoongesprek op 8 april 2013 heeft [X] tegen de heer [eiser 1] gezegd dat alle pgb binnen is en vraagt ze of hij zin heeft om de boel gelijk te verdelen. Tijdens een (afgetapt) telefoongesprek op 9 april 2013 vraagt de heer [eiser 1] of hij het hele bedrag van ongeveer € 6.000,- moet overmaken of de helft, en zegt dat als het helemaal moet dat [X] het dan ook weer terug moet boeken. [X] antwoordt dat hij maar gewoon de helft moet doen.

- De bedragen op de verantwoordingsformulieren komen niet overeen met de betalingen die eisers hebben verricht aan SVvT. In een aantal jaren is er meer verantwoord dan betaald, terwijl in de andere jaren juist weer meer is betaald dan verantwoord.

- Er is pgb-budget besteed aan reizen van het gehele gezin naar Euro Disney en (diverse malen) naar Turkije. Deze reizen vallen niet onder kwalitatief verantwoorde AWBZ-zorg. Ook de kosten voor de heer [eiser 1] zijn betaald uit het pgb-budget. Hoewel de heer [eiser 1] is meegegaan als begeleider, zijn daar nooit kosten voor verantwoord en is niet gebleken dat er zorgovereenkomsten met de heer [eiser 1] voor deze zorg zijn afgesloten.

Verweerder heeft het gehele pgb dat was toegekend in de periode van januari 2009 tot en met juni 2013 teruggevorderd omdat door het vervalsen van stukken de hele besteding van het pgb in twijfel wordt getrokken.

3. Eisers hebben zich op het standpunt gesteld dat zij wel kwalitatieve zorg bij SVvT hebben ingekocht en dat zij daar veel baat bij hebben gehad. De zorg bestond met name uit begeleiding en kortdurend verblijf. Uit een rapport van de Inspectie voor de Gezondheidszorg van februari 2013 blijkt volgens eisers dat SVvT kwalitatief verantwoorde zorg leverde. Eisers hebben gesteld dat zij van alle ingekochte zorg een sluitende boekhouding hebben bijgehouden. Ter onderbouwing van die stelling hebben zij hun volledige pgb-administratie overgelegd. Dat de verantwoorde bedragen niet overeenstemmen met de betalingen, zoals opgenomen in de overzichten van verweerder, wijten eisers aan de omstandigheid dat [X] de administratie niet op orde had en daarom soms in een ander jaar factureerde dan het jaar waarin de zorg was afgenomen. Eisers hebben verder aangevoerd dat zij geld op de privé-bankrekening van [X] hebben gestort, omdat [X] ook zelf (buiten SVvT om) zorg verleende.

4. Artikel 4:48, eerste lid, van de Awb bepaalt, voor zover van belang, dat zolang de subsidie niet is vastgesteld het bestuursorgaan de subsidieverlening kan intrekken of ten nadele van de subsidie-ontvanger kan wijzigen indien:

a. de activiteiten waarvoor subsidie is verleend niet of niet geheel hebben plaatsgevonden of zullen plaatsvinden;

b. de subsidie-ontvanger niet heeft voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen;

(…)

d. de subsidieverlening anderszins onjuist was en de subsidie-ontvanger dit wist of behoorde te weten.

Artikel 4:49, eerste lid, van de Awb bepaalt voor zover van belang, dat het bestuursorgaan de subsidievaststelling kan intrekken of ten nadele van de ontvanger kan wijzigen:

a. op grond van feiten of omstandigheden waarvan het bij de subsidievaststelling redelijkerwijs niet op de hoogte kon zijn en op grond waarvan de subsidie lager dan overeenkomstig de subsidieverlening zou zijn vastgesteld;

b. indien de subsidievaststelling onjuist was en de subsidie-ontvanger dit wist of behoorde te weten.

In artikel 2.6.9, eerste lid, van de Regeling staan de verplichtingen die aan de verzekerde worden opgelegd bij de verlening van het pgb.

5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder bevoegd was tot intrekking van het aan eisers verleende pgb.

Het staat vast dat eisers geld hebben overgemaakt op de privé-bankrekening van [X] en dat [X] geld heeft overgemaakt naar eisers. Ook heeft [X] verklaard dat zij drie keer contant geld aan mevrouw [eiser 1] heeft betaald. In het licht van de strafrechtelijke veroordeling van [X] , heeft verweerder daaraan de conclusie mogen verbinden dat eisers en [X] pgb-gelden hebben verdeeld. Dit wordt bevestigd door de tapverslagen van de telefoongesprekken tussen [X] en de heer [eiser 1] . De stelling van eisers dat [X] ook zelf, buiten SVvT om, zorg verleende en dat zij daarom geld hebben overgemaakt naar de privé-bankrekening van [X] , hebben zij niet nader onderbouwd, bijvoorbeeld door het overleggen van met [X] in persoon gesloten zorgovereenkomsten. Dit blijkt evenmin uit de verantwoordingsformulieren die eisers bij verweerder hebben ingeleverd.

Uit de overzichten “Geldstromen & verantwoording” blijkt verder dat de betalingen en de verantwoordingen niet overeenkomen. Mevrouw [eiser 1] heeft in de totale periode
€ 22.800,- verantwoord en € 39.340,- betaald. [eiser 2] heeft in de totale periode € 52.451,- verantwoord en € 50.522,- betaald. [eiser 3] heeft in de totale periode € 41.690,- verantwoord en € 45.853,- betaald. [eiser 4] heeft in de totale periode € 44.067,50 verantwoord en
€ 50.522,- betaald. Het ter zitting ingenomen standpunt van eisers dat de discrepanties te verklaren zijn door het late factureren, slaagt reeds niet omdat uit de voorgaande opsomming volgt dat ook wanneer de jaren bij elkaar worden opgeteld, de bedragen niet overeenstemmen. Het valt verder op dat mevrouw [eiser 1] , [eiser 3] en [eiser 4] meer hebben betaald dan verantwoord. Hoewel dat strikt genomen geen probleem hoeft te zijn, omdat het iemand vrij staat zorg af te nemen en die niet te verantwoorden, is de rechtbank van oordeel dat dit er in dit geval toe leidt dat er geen waarde kan worden gehecht aan de verantwoordingsformulieren van eisers. De heer [eiser 1] heeft namelijk ter zitting verklaard dat eisers alle afgenomen zorg hebben verantwoord. In dat geval zou het totaal verantwoorde bedrag moeten overeenstemmen met het betaalde bedrag, hetgeen niet het geval is.

Dat eisers zich niet hebben gehouden aan de verplichtingen die volgen uit artikel 2.6.9 van de Regeling, is bovendien nog gebleken uit de in beroep door eisers overgelegde administratie. Zo heeft verweerder, na bestudering van (een deel van) de administratie geconstateerd dat ook de totaal gefactureerde bedragen niet overeenstemmen met de verantwoorde bedragen. In het geval van [eiser 4] is in 2009 € 13.605,- gefactureerd en
€ 15.067,50 verantwoord, in 2010 € 7.275,-, gefactureerd en € 7.000,- verantwoord, in 2011 € 8.675,- gefactureerd en € 13.100,- verantwoord, in 2012 € 4.226,- gefactureerd en € 8.150,- verantwoord en in 2013 € 1.035,- gefactureerd en € 750,- verantwoord. In het geval van [eiser 2] is in 2012 € 4.735,- gefactureerd en € 16.000,- verantwoord. In het geval van [eiser 3] is in 2010 € 10.210,- gefactureerd en € 7.000,- verantwoord. In het geval van mevrouw [eiser 1] is in 2009 € 336,- gefactureerd en € 5.050,- verantwoord.

Gelet op het voorgaande heeft verweerder terecht geconcludeerd dat eisers zich bij de verantwoording van het pgb niet hebben gehouden aan de verplichtingen zoals neergelegd in artikel 2.6.9 van de Regeling en dat om die reden oncontroleerbaar is waaraan het bedrag aan verleende pgb is besteed.

6. Verweerder was op grond van artikel 4:57, eerste lid, van de Awb bevoegd om de onverschuldigd betaalde subsidiebedragen terug te vorderen. Verweerder heeft het gehele bedrag aan pgb over de periode van januari 2009 tot en met juni 2013 kunnen terugvorderen, nu eisers op geen enkele wijze hebben onderbouwd dat het verleende pgb bedrag toch deels aan kwalitatief verantwoorde zorg is besteed. Dat verweerder geen specifiek beleid heeft geformuleerd met betrekking tot terugvorderingen maakt, anders dan eisers hebben betoogd, niet dat de terugvordering onvoldoende gemotiveerd is.

7. Eisers hebben verder aangevoerd dat de terugvordering disproportioneel is. De hoogte van het teruggevorderde bedrag staat volgens eisers in geen verhouding tot het bedrag van bijna
€ 9.000,- dat volgens verweerder op onjuiste wijze is verantwoord. Van een deugdelijke belangenafweging is volgens eisers geen sprake.

8. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) dient verweerder de discretionaire bevoegdheid om een pgb lager vast te stellen uit te oefenen met inachtneming van het geschreven en ongeschreven recht, daaronder begrepen de in artikel 3:4 van de Awb neergelegde verplichting tot evenredige belangenafweging. Daarbij zal een afweging moeten worden gemaakt tussen het belang van handhaving van de niet nagekomen verplichting en de gevolgen van de verlaging voor de ontvanger, waarbij tevens de ernst van de tekortkoming en de mate waarin deze aan de ontvanger kan worden verweten van belang is. Verweerder dient ook bij de uitoefening van de discretionaire bevoegdheid tot terugvordering van onverschuldigd betaalde pgb-voorschotten rekening te houden met de in artikel 3:4 van de Awb neergelegde verplichting tot evenredige belangenafweging. De rechtbank wijst op de uitspraak van de CRvB van 21 januari 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:187).

9. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat het belang van handhaving van de niet nagekomen verplichtingen dient te prevaleren boven het belang van eisers om van terugvordering af te zien. Anders dan eisers hebben gesteld, is niet slechts een gedeelte van ongeveer € 9.000,- niet verantwoord. Door de discrepanties tussen de bedragen die zijn gefactureerd, betaald en verantwoord, is immers in het geheel niet duidelijk voor welk deel er (kwalitatief verantwoorde) zorg is afgenomen. Bovendien is aannemelijk geworden, zoals hiervoor onder 5 overwogen, dat eisers en [X] pgb-gelden hebben verdeeld. De rechtbank is dan ook van oordeel dat er sprake is van een ernstige tekortkoming in de nakoming van de verplichtingen die aan het verkrijgen van een pgb zijn verbonden. Dit valt eisers te verwijten. Er is voorts niet gebleken van onaanvaardbare financiële of psychische gevolgen van de terugvordering voor eisers.

10. Ook hetgeen eisers overigens hebben aangevoerd, kan geen afbreuk doen aan de bestreden besluiten. De beroepen zijn ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.E. Falkmann, voorzitter, en mr. A.M.I. van der Does en mr. J.E. Visser, leden, in aanwezigheid van L.S. Lodder, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 maart 2016.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.