Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2016:1130

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
03-03-2016
Datum publicatie
09-03-2016
Zaaknummer
4779742 UE VERZ 16-52 LH/1040
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Relatieve competentie van kantonrechter in WWZ-ontbindingsprocedure. Artikel 7:686a lid 9 BW. Gewoonlijke arbeidsplaats in de zin van artikel 100 Rv. Verwijzing naar de ingevolge artikel 99 lid 1 Rv bevoegde kantonrechter.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/691
AR-Updates.nl 2016-0247
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 4779742 UE VERZ 16-52 LH/1040

Beschikking van 3 maart 2016

inzake

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Capgemini Nederland B.V.,

gevestigd te Utrecht,

verder ook te noemen Capgemini,

verzoekende partij,

gemachtigde: mr. E.E.M. Haffmans en mr. J. Tarmond,

tegen:

[verweerder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verder ook te noemen [verweerder] ,

verwerende partij,

gemachtigde: mr. F.J.T. van Gelderen.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

Capgemini heeft bij verzoekschrift, ter griffie ontvangen op 29 januari 2016, verzocht de arbeidsovereenkomst van partijen te ontbinden.

1.2.

[verweerder] heeft een verweerschrift ingediend.

1.3.

Het verzoek is ter zitting van 1 maart 2016 behandeld. De mondelinge behandeling is beperkt gebleven tot bespreking van de vraag naar de relatieve bevoegdheid. De door de gemachtigde van Capgemini overgelegde pleitaantekeningen zijn slechts voorgedragen voor zover ze op dat onderwerp betrekking hebben. Partijen hebben geantwoord op door de kantonrechter gestelde vragen en zij hebben op elkaar kunnen reageren. Van het verhandelde ter zitting is aantekening gehouden.

1.4.

Nadat de zitting was geschorst geweest voor beraad omtrent de bevoegdheidsvraag heeft de kantonrechter partijen meegedeeld zich onbevoegd te zullen verklaren om van de zaak kennis te nemen.

1.5.

Daarna is uitspraak bepaald.

2 Het geschil over de bevoegdheidsvraag

2.1.

Capgemini baseert haar standpunt dat de rechtbank Midden-Nederland, kantonrechter, locatie Utrecht in dit geding bevoegd is op de stelling dat [verweerder] (laatstelijk) gewoonlijk zijn werkzaamheden heeft verricht op het kantoor van Capgemini te Utrecht. Capgemini verwijst in dit verband naar hetgeen [verweerder] in diens eerdere (op artikel 7:685

- oud - BW gebaseerde) verzoekschrift van 26 juni 2015, dat heeft geleid tot de beschikking van de kantonrechter te Utrecht (met zaaknummer 4243817 UE VERZ 15-322) van 16 september 2015, onder 4 heeft gesteld. Aldaar heeft [verweerder] destijds gesteld dat hij gewoonlijk werkzaam was op de vestiging van Capgemini te Utrecht. Voorts beroept Capgemini zich erop dat - naar [verweerder] ook in dit geding erkent - de werkzaamheden laatstelijk in Utrecht zijn verricht, zodat die arbeidsplaats bevoegdheid schept. Ten slotte meent zij dat de kantonrechter te Utrecht relatieve competentie ontleent aan de forumkeuze, zoals partijen die gezien hun bij verzoekschrift over en weer ingenomen standpunten hebben gemaakt. In het geval de kantonrechter te Utrecht zich onbevoegd zou verklaren, verzoekt Capgemini de zaak te verwijzen naar de kantonrechter te [woonplaats] , zijnde de rechter van de woonplaats van [verweerder] .

2.2.

Daartegenover stelt [verweerder] stelt dat hij voor (de rechtsvoorganger van) Capgemini altijd in Amsterdam heeft gewerkt en dat daarom Amsterdam de plaats is waar de arbeid laatstelijk gewoonlijk werd verricht. Dat Capgemini [verweerder] laatstelijk, in het kader van zijn reïntegratie, heeft opgedragen in haar Utrechtse vestiging te werken, heeft in de gewoonlijke arbeidsplaats geen wijziging gebracht.

Ingeval de kantonrechter te Utrecht zich onbevoegd verklaart, verzoekt [verweerder] de zaak te verwijzen naar de kantonrechter te Amsterdam, zijnde de rechter van de plaats waar de arbeid laatstelijk gewoonlijk werd verricht.

3 De beoordeling

3.1.

Sinds de inwerkingtreding van het nieuwe ontslagrecht van de Wet werk en zekerheid met ingang van 1 juli 2015 bepaalt het negende lid van artikel 7:686a Burgerlijk Wetboek (BW) dat verzoeken op grond van afdeling 9 van Titel 10 van Boek 7 BW, daaronder een werkgeversverzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van artikel 7:671b BW, worden gedaan aan de ingevolge de artikelen 99, 100 en 107 tot en met 109 van het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering (Rv) bevoegde kantonrechter.

3.2.

Artikel 7:686a lid 9 BW is ingevoerd bij de Verzamelwet SZW 2015. In de memorie van toelichting bij die wet (Kamerstukken II 2013/14, 33988, 3, p. 15) is daarover opgemerkt:

‘Procedures op grond van afdeling 9 van Boek 7, Titel 10 van het BW zullen na de herziening van het ontslagrecht worden ingeleid met een verzoekschrift. In de huidige regeling van de (met een verzoekschrift ingeleide) ontbindingsprocedure in artikel 7:685 BW wordt verwezen naar de relatieve competentie van de kantonrechter in dagvaardingsprocedures. Dit betekent dat naast de rechter van de woonplaats van de verweerder ook de rechter van de plaats waar de arbeid gewoonlijk wordt of laatstelijk gewoonlijk werd verricht bevoegd is. Nagelaten is deze bijzondere, relatieve bevoegdheidsregel van toepassing te verklaren op de nieuwe verzoeken in het kader van afdeling 9. In artikel 7:686a wordt daarom alsnog deze relatieve bevoegdheidsregel opgenomen.’

3.3.

Tussen partijen is niet in geschil dat de rechter van de woonplaats van verweerder (in de zin van artikel 7:686a lid 9 BW juncto artikel 99 lid 1 Rv) de kantonrechter te [woonplaats] is. Partijen twisten over de vraag of de rechter van de plaats waar de arbeid laatstelijk gewoonlijk werd verricht (in de zin van artikel 7:686a lid 9 BW juncto artikel 100 Rv) Utrecht - zoals Capgemini meent - of Amsterdam - zoals [verweerder] stelt - is. De kantonrechter overweegt hieromtrent het volgende.

3.4.

Vast staat dat [verweerder] sinds jaar en dag zijn werkzaamheden voor (de rechtsvoorganger van) Capgemini in Amsterdam heeft verricht. Capgemini stelt zich op het standpunt dat in de gewoonlijke arbeidsplaats verandering is gekomen doordat [verweerder] in de loop van 2015 zijn werkzaamheden voor Capgemini in haar vestiging te Utrecht is gaan verrichten. Tot deze wijziging van de werkplek van [verweerder] heeft Capgemini na ziekmelding door [verweerder] en met het oog op diens reïntegratie besloten. Toen Capgemini eind januari 2016 concludeerde dat [verweerder] weer beter, en volgens haar volledig arbeidsgeschikt, was heeft zij hem op 29 januari 2016 - zoals zij het bij brief van die datum noemde - vrijgesteld van werkzaamheden. Daarna heeft zij het onderhavige ontbindingsverzoek ingediend.

3.5.

Naar het oordeel van de kantonrechter is onder deze omstandigheden geen verandering gekomen in de plaats waar de arbeid laatstelijk gewoonlijk werd verricht. Bij de vraag naar de gewoonlijke arbeidsplaats speelt niet alleen de duurzaamheid van de arbeidsverrichting op een bepaalde plaats, maar ook de beweegreden voor de keuze van die plaats een rol. Tegenover de tijd die [verweerder] in Amsterdam heeft gewerkt valt de periode dat hij in Utrecht heeft gewerkt in het niet, terwijl de plaatsing in Utrecht verband hield met de - naar zijn aard tijdelijke - reïntegratie van [verweerder] in het kader van zijn (hernieuwde) arbeidsongeschiktheid. Aan die plaatsing is inmiddels, met de op non-actiefstelling, alweer een einde gekomen toen Capgemini eind januari 2016 meende dat [verweerder] weer hersteld was.

3.6.

Het voorgaande wordt niet anders doordat [verweerder] in zijn eerdere verzoekschrift van 26 juni 2015 heeft gesteld dat hij gewoonlijk werkzaam was op de vestiging van Capgemini te Utrecht. De gemachtigde heeft ter zitting van 1 maart 2016 verklaard dat dit een vergissing was en in de eerdere ontbindingsprocedure ook geen rol speelde, omdat de kantonrechter te Utrecht in dat geding bevoegd was op grond van artikel 7:685 lid 3 (oud) BW juncto artikel 99 lid 1 Rv. De kantonrechter oordeelt dat aan die - volgens [verweerder] abusievelijke - stelling in de eerdere ontbindingsprocedure thans geen betekenis toekomt. Het stond hem vrij om daarop in het onderhavige geding terug te komen. Uit die stelling in de eerdere procedure kan uiteraard niet worden afgeleid dat [verweerder] reeds toen heeft willen meewerken aan een forumkeuze in een eventueel later geding, zoals Capgemini heeft betoogd.

3.7.

Het voorgaande leidt ertoe dat de kantonrechter te Utrecht niet bevoegd is van het geschil kennis te nemen en daarover te beslissen. De zaak moet daarom worden verwezen naar de kantonrechter die wél relatief bevoegd is. In dat verband is het aan Capgemini, als verzoekster, om te kiezen tussen toepassing van artikel 99 lid 1 Rv (op grond waarvan de kantonrechter te [woonplaats] bevoegd zou zijn) en artikel 100 Rv (dat tot bevoegdheid van de kantonrechter te Amsterdam leidt). Dat zij als verzoekster deze keuzemogelijkheid heeft volgt uit het gebruik van het woord ‘mede’ in artikel 100 Rv, dat wijst op een alternatieve bevoegdheid van de rechter van de gewoonlijke arbeidsplaats naast de rechter van de woonplaats van verweerder. Capgemini heeft ter zitting geopteerd voor toepassing van artikel 99 lid 1 Rv en verzocht om verwijzing naar de kantonrechter te [woonplaats] . Dit brengt mee dat artikel 100 Rv buiten toepassing blijft. De zaak wordt daarom verwezen naar de kantonrechter te [woonplaats] .

4. De beslissing

De kantonrechter:

verwijst de zaak naar de rechtbank Midden-Nederland, kantonrechter, locatie [woonplaats] ;

bepaalt dat een afschrift van deze beschikking aan die kantonrechter wordt gezonden.

Deze beschikking is gegeven door mr. C. Wallis, kantonrechter, en is in het openbaar uitgesproken op 3 maart 2016.