Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2016:1115

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
04-03-2016
Datum publicatie
04-03-2016
Zaaknummer
16/661637-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Strafzaak. Man wordt veroordeeld voor aanranding in Hilversum in 2014. De rechtbank legt de man een voorwaardelijke taakstraf op van 60 uur, met een proeftijd van 2 jaar en bijzondere voorwaarden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Utrecht

Parketnummer: 16/661637-14

Vonnis van de meervoudige strafkamer van 4 maart 2016

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [1969] te [geboorteplaats] (Marokko),

wonende aan de [adres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 19 februari 2016. De verdachte is in persoon verschenen en heeft zich laten bijstaan door zijn raadsman mr. A.J.M. Mohrmann, advocaat te Bussum.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

op 27 juni 2014 in Hilversum ontuchtige handelingen heeft verricht bij [aangeefster] , door haar vast te pakken bij haar billen en borsten en haar in het kruis te grijpen.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie is van mening dat het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden en verwijst hiervoor naar de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde feit en voert hiertoe het volgende aan.

De verklaringen van aangeefster en de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] komen niet met elkaar overeen. Aangeefster verklaart dat ze [getuige 2] niet kon vinden nadat ze zou zijn betast, terwijl [getuige 2] zegt dat hij erbij stond en alles heeft kunnen zien. Dat aangeefster [getuige 2] niet kon vinden, impliceert dat ze naar hem heeft gezocht en dat hij kennelijk niet in de buurt was. Ook de verklaring van [getuige 1] is onduidelijk. Ze geeft aan niet alles in detail te kunnen navertellen, maar weet wel precies waar de man aangeefster heeft aangeraakt. Haar verklaring is niet te toetsen aan ander bewijs in het dossier. Omdat uit de verklaringen niet duidelijk wordt wat er precies is gebeurd, kan niet worden vastgesteld dat verdachte de dader is geweest.

Het enige objectieve bewijs in het dossier zijn de camerabeelden. De tijdstippen waarop het incident plaats zou hebben gevonden zijn op de beelden vastgelegd, maar hierop is niets te zien van enig handelen van verdachte bij aangeefster. Ook op grond van het objectieve bewijs kan niet wettig en overtuigend bewezen worden dat verdachte het tenlastegelegde heeft gepleegd.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Bewijsmiddelen

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.1

Op 27 juni 2014 doet [aangeefster] aangifte bij de politie. Zij geeft aan op 27 juni 2014 in Hilversum op het Plein te zijn geweest en verklaart:2

‘Ik danste met mijn twee vriendinnen. Ik voelde getik op mijn bil. Daarna voelde ik een hand op mijn bil. Ik zag dat de man zijn hand wegtrok van mijn bil af.3 Ik vroeg of hij weg wilde gaan. Hij ging vrijwel meteen weg. Ik liep iets bij de groep vandaan om weer te gaan dansen. Ik zag die man weer dichtbij me staan. Ik zag dat de man weer voor me stond. Hij pakte me bij mijn borsten met zijn handen. Ik duwde hem weg. Ik zag dat hij bleef staan en hij pakte mij in mijn kut’.4

Aangeefster verklaart dat zij de man die haar heeft betast, eerder die avond bij het bushokje met een mes heeft zien spelen.5

De vriend van aangever, getuige [getuige 2] verklaart op 28 juni 2014 bij de politie:

‘Er was een man, ik ken hem als een bekende die veelal door Hilversum zwerft. Ik zag dat hij met een soort zakmes tegen een paal stond te tikken.6 Nog geen kwartier later kwam die man weer. Ik zag dat hij constant tegen [aangeefster] ging hangen. Ik bedoel daarmee dat hij met zijn kruis-gedeelte tegen [aangeefster] aan ging staan rijden. De man liep weg. Ik zag dat de man weer bij [aangeefster] kwam. Ik zag dat hij [aangeefster] met beide handen bij haar borsten pakte. Dat hij haar met beide handen stevig en diverse malen bij de kont pakte en in haar kont kneep. Daarna zag ik zelfs dat hij [aangeefster] in haar kruis greep.’7

Bewijsoverweging

Het verweer van de raadsman dat het dossier onvoldoende wettige bewijsmiddelen bevat, wordt weerlegd door de inhoud van de hiervoor genoemde, door de rechtbank gebezigde, bewijsmiddelen.

De verdachte heeft verklaard dat hij inderdaad de man is geweest die met een mes bij het bushokje heeft gestaan, maar dat hij niet in de tent op het dansgedeelte is geweest en dus niet degene was die aangeefster heeft betast. De rechtbank stelt vast dat zowel aangeefster als getuige [getuige 2] de man die met het mes bij het bushokje stond hebben herkend als degene die later aangeefster meermalen ontuchtig heeft vastgepakt.

De rechtbank ziet geen enkele aanleiding om te twijfelen aan de verklaringen van zowel aangeefster als getuige [getuige 2] . Het feit dat de verklaringen niet volledig overeenkomen over de plek waar getuige zich na het incident bevond, doet aan de betrouwbaarheid niets af. Het door de verdediging opgeworpen scenario dat verdachte er in zou worden geluisd terwijl hij niets heeft gedaan, acht de rechtbank niet aannemelijk. Uit het dossier en uit onderzoek van de politie in het politiesysteem komt op geen enkele wijze naar voren dat aangeefster en de getuige eerder conflicten met elkaar hebben gehad.

De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte ten tijde van het betasten van aangeefster nog heeft gezwaaid met het mes of dat aan haar heeft getoond. Het staat wel vast dat hij in het bushokje met het mes tegen een lantaarnpaal aan het tikken was, maar de rechtbank is van oordeel dat dit geen geweldselement inhield ten aanzien van het latere aanranden van aangeefster.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4 genoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:

op 27 juni 2014 te Hilversum, door een feitelijkheid [aangeefster] heeft gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen, immers heeft hij

- meermalen op de door kleding bedekte billen van voornoemde [aangeefster] getikt en in geknepen en

- met beide handen de door kleding bedekte borsten van voornoemde [aangeefster] gegrepen en

- met zijn hand de door kleding bedekte vagina van voornoemde [aangeefster] gegrepen

en bestaande die feitelijkheid uit

- het zich opvallend ophouden in de buurt van voornoemde [aangeefster] en

- het aandrukken van zijn onderlichaam tegen het lichaam van die [aangeefster] en

- het onverhoeds vastgrijpen van de billen en de borsten en de vagina van voornoemde [aangeefster] .

Voor zover in de tenlastelegging, met uitzondering van de aangehaalde tekst van verdachte, taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van de feiten

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar als:

feitelijke aanranding van de eerbaarheid.

Ten aanzien van het bewezen verklaarde feit is een rechtvaardigingsgrond niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte


De rechtbank stelt vast dat er geen omstandigheid aannemelijk geworden is die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte dient te worden opgelegd een gevangenisstraf van 3 maanden waarvan 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en als bijzondere voorwaarden daarbij een meldplicht en een behandelverplichting zoals voorgesteld door de reclassering, ook als dat inhoudt meewerken aan een klinische opname voor maximaal 7 weken.

Daarnaast vraagt de officier van justitie de rechtbank om de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft de rechtbank verzocht om verdachte vrij te spreken en heeft ter zitting geen strafmaatverweer gevoerd.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft tijdens een openbaar feest in de stad, een jonge vrouw onverhoeds en ongewild bij haar borsten en billen gepakt en haar vervolgens in haar kruis gegrepen. Hiermee heeft hij inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de aangeefster. Dit soort strafbare feiten zorgen in het algemeen voor een groot gevoel van onveiligheid en onrust bij zowel de slachtoffers als het publiek.

Verdachte is, zo blijkt uit het uittreksel justitiële documentatie van 11 januari 2016, vaker veroordeeld voor strafbare feiten, maar niet eerder voor een zedendelict. De rechtbank heeft daarnaast kennis genomen van een reclasseringsrapport van 25 september 2014, opgesteld door mw. L. Hoogland van GGZ Inforsa JVz Hilversum. Hieruit blijkt dat verdachte verslaafd is aan alcohol en drugs en dat, indien deze problematiek niet wordt doorbroken, het recidiverisico groot is.

Op grond van artikel 22b van het Wetboek van Strafrecht kan geen taakstraf worden opgelegd in geval van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf kan worden opgelegd van maximaal zes jaar of meer en het misdrijf een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer heeft gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat het bewezen verklaarde feit echter niet een zodanige inbreuk op de lichamelijke integriteit heeft gemaakt dat geen taakstraf meer kan worden opgelegd.

De rechtbank zal afwijken van de eis van de officier van justitie. Hierbij wordt ondermeer rekening gehouden met het feit dat niet bewezen wordt verklaard dat sprake is geweest van het zwaaien of tonen van een mes in de buurt van aangeefster.

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de aard en ernst van de feiten, aan verdachte wordt opgelegd een werkstraf van 60 uur geheel voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Indien de rechtbank op een later moment besluit dat deze werkstraf ten uitvoer dient te worden gelegd, geldt daarbij dat de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht bij de uitvoering van deze straf in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 uren per dag. Daarbij legt de rechtbank als bijzondere voorwaarden op dat verdachte zich moet melden bij de reclassering en zich zal blijven melden zo lang en zo vaak als die instelling dat nodig acht en dat verdachte meewerkt aan behandeling voor zijn verslavingsproblematiek, ook als dat inhoudt een klinische opname voor maximaal 7 weken als de reclassering dat nodig acht. Hoewel het reclasseringsadvies oud is, is ter zitting gebleken dat de geschetste problematiek zich thans ook nog voordoet en dat verdachte al voorzichtige stappen heeft gezet om aan zijn verslavingsproblematiek te werken. De rechtbank acht het noodzakelijk dat deze stappen in een gedwongen kader worden vastgelegd.

De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren. De rechtbank ziet hiervoor geen enkele aanleiding. Het dadelijk uitvoerbaar verklaren van de bijzondere voorwaarden is een uitzondering op de algemene regel dat een rechterlijke uitspraak pas wordt ten uitvoer gelegd als zij onherroepelijk is. Hiervan kan worden afgeweken indien de maatschappij in het algemeen en de slachtoffers in het bijzonder moeten worden beschermd tegen de veroordeelde. De rechtbank is van oordeel dat hiervan geen sprake is, gelet op de relatieve ernst van het gepleegde feit en het tijdsverloop tussen feit en zitting gedurende welke geen verdenking van recidive is ontstaan.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d en 246 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

10 Beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

- het bewezen verklaarde levert op:

feitelijke aanranding van de eerbaarheid.

- verklaart het bewezen verklaarde feit strafbaar;

- verklaart verdachte strafbaar;

Straf

- legt aan verdachte op een taakstraf voor de duur van 60 (zestig) uren, geheel voorwaardelijk;

- bepaalt dat voor het geval de verdachte de taakstraf niet of niet naar behoren verricht, de werkstraf wordt vervangen door 30 (dertig) dagen hechtenis;

- stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaar vast;

- Beveelt dat de tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden, naar de maatstaf van 2 (twee) uren per dag;

- de tenuitvoerlegging kan worden gelast, indien de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan de volgende voorwaarden houdt:

stelt als algemene voorwaarden:

o de verdachte zal zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maken aan een strafbaar feit;

o de verdachte zal ten behoeve van het vaststellen van haar identiteit medewerking verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;

o de verdachte zal medewerking verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in 14d, tweede lid van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

o de verdachte zal tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarden naleven.

stelt als bijzondere voorwaarden:

o de verdachte zal zich binnen 7 (zeven) dagen na het onherroepelijk worden van dit vonnis melden bij de reclassering van GGZ Inforsa JVz Hilversum en zal zich blijven melden zo vaak en zo lang als deze instelling dat nodig acht;

o de verdachte zal meewerken aan een behandeling voor zijn alcoholproblematiek bij Jellinek of soortgelijke ambulante forensische zorg, ook als dat inhoudt meewerken aan een kortdurende klinische opname van maximaal 7 (zeven) weken ten behoeve van crisis, detoxificatie, stabilisatie, observatie en/of diagnostiek, waarbij hij zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling en/of opname door of namens de instelling en de behandelaar zullen worden gegeven.

- waarbij aan de reclasseringsinstelling de opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.

Dit vonnis is gewezen door

mr. H.A. Gerritse, voorzitter,

mrs. E.A.A. van Kalveen en E. Akkermans, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S. Capitano, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 4 maart 2016.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan bovenbedoelde gedagvaarde persoon wordt tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 27 juni 2014 te Hilversum, althans in het arrondissement Midden-Nederland, door geweld en/of een andere feitelijkheid en/of door bedreiging met geweld en/of een andere feitelijkheid [aangeefster] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen, immers heeft hij

- ( meermalen) (op) de (door kleding bedekte) billen van voornoemde [aangeefster] getikt en/of geknepen en/of betast en/of

- met beide handen de (door kleding bedekte) borsten van voornoemde [aangeefster] gegrepen/betast en/of

- met zijn hand de (door kleding bedekte) vagina van voornoemde [aangeefster] gegrepen/betast

en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging

met geweld en/of die andere feitelijkhe(i)d(en) uit

- het zwaaien/tonen van een (zak)mes in de buurt van voornoemde [aangeefster] en/of

- het zich (voortdurend) opvallend ophouden in de buurt van voornoemde [aangeefster] en/of

- het aandrukken van zijn (onder)lichaam tegen het lichaam van die [aangeefster] en/of

- het onverhoeds vastgrijpen/betasten van de billen en/of de borsten en/of de vagina van voornoemde [aangeefster] ;

art 246 Wetboek van Strafrecht.

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier met nummer 2014171273 bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Proces-verbaal van aangifte, p. 12.

3 Proces-verbaal van aangifte, p. 15.

4 Proces-verbaal van aangifte, p. 16.

5 Proces-verbaal van aangifte, p. 14.

6 Proces-verbaal van verhoor getuige, p. 10.

7 Proces-verbaal van verhoor getuige, p. 11.