Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2016:1013

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
02-03-2016
Datum publicatie
02-03-2016
Zaaknummer
C/16/393123 / HA ZA 15-473
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De Hogeschool Utrecht is aansprakelijk voor de studievertraging die studenten van de bacheloropleiding Medische Hulpverlening hebben opgelopen. Dat heeft de civiele rechter bepaald in een bodemprocedure die vijf studenten zijn begonnen tegen de Hogeschool Utrecht.

De Hogeschool Utrecht biedt sinds het studiejaar 2010-2011 de opleiding Medische Hulpverlening aan. Tijdens de opleiding doet de student een aantal verplichte stages. Volgens de studenten hebben zij studievertraging opgelopen omdat zij de stages niet tijdig konden uitvoeren en hebben zij vertraging opgelopen in het vinden van een baan die aansluit op de opleiding. Deze vertragingen zijn volgens de studenten het gevolg van het ontbreken van een BIG-registratie voor het beroep van medisch hulpverlener.

De rechtbank geeft de studenten gelijk. Naar het oordeel van de rechtbank staat voldoende vast dat het ontbreken van een BIG-registratie voor medisch hulpverleners een belangrijke oorzaak is voor het tekort aan stageplaatsen. De Hogeschool had bij de start van de opleiding rekening moeten houden met de mogelijkheid dat het werkveld zich hierdoor terughoudend zou opstellen in het aanbieden van stageplaatsen en vacatures.

Eén van de hoofdverplichtingen van de Hogeschool is om de student in staat te stellen zonder noemenswaardige studievertraging de studie te kunnen afronden en in aanmerking te laten komen voor de functies waarvoor de opleiding opleidt. Naar het oordeel van de rechtbank is de Hogeschool daarin tekortgeschoten.

De exacte schade die de studenten hebben opgelopen wordt op een later moment vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 74
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2016-0126 met annotatie van M.R. Dessing
JA 2016/83 met annotatie van mr. dr. B.M. Paijmans
RAV 2016/60

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/393123 / HA ZA 15-473

Vonnis van 2 maart 2016

in de zaak van

1 [eiseres sub 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. [eiser sub 2],

wonende te [woonplaats] ,

3. [eiseres sub 3],

wonende te [woonplaats] ,

4. [eiseres sub 4],

wonende te [woonplaats] ,

5. [eiser sub 5],

wonende te [woonplaats] ,

eisers,

advocaat mr. R.J.C. Bindels te Utrecht,

tegen

de stichting

STICHTING HOGESCHOOL UTRECHT,

gevestigd te Utrecht,

gedaagde,

advocaten mr. dr. M.R. Ruygvoorn en mr. G.J. Boeve te Utrecht.

Partijen zullen hierna [eisers c.s.] en Hogeschool Utrecht genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 26 augustus 2015

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 1 december 2015

  • -

    de akte van [eisers c.s.] houdende wijziging van eis

  • -

    de akte van Hogeschool Utrecht

  • -

    door Hogeschool Utrecht ingebrachte producties.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eisers c.s.] zijn studenten aan de Hogeschool Utrecht en volgen of volgden de bachelor Medische Hulpverlening (hierna: BMH). BMH wordt sinds het studiejaar 2010-2011 door (onder andere) Hogeschool Utrecht aangeboden. De BMH leidt op tot een nieuw beroep: Medisch Hulpverlener (hierna ook: MH) in één van de drie richtingen ambulancezorg, spoedeisende hulp of anesthesie. De beoogde toekomstige werkgevers zijn veelal ziekenhuizen of ambulancediensten. Tijdens de opleiding doet de student een aantal verplichte praktijkstages waaronder een stage van tien weken in het derde jaar en een stage van dertig weken in het (laatste) vierde jaar.

2.2.

De beroepsuitoefening in de gezondheidszorg is geregeld in de Wet op de Beroepen in de Individuele Gezondheidszorg (hierna: Wet BIG). De Wet BIG bepaalt door wie en onder welke voorwaarden zogenaamde voorbehouden handelingen (limitatief opgesomd in artikel 36 Wet BIG) mogen worden verricht. In de Wet BIG zijn Medisch Hulpverleners (dat wil zeggen personen die de BMH met goed gevolg hebben afgerond) niet aangewezen als beroepsbeoefenaars die (zelfstandig) voorbehouden handelingen mogen verrichten.

2.3.

Bij brief van 6 mei 2010 heeft de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap ingestemd met het voornemen van Hogeschool Utrecht om de hbo-bachelor Medische Hulpverlening als bekostigde type opleiding te verzorgen. De staatssecretaris heeft Hogeschool Utrecht verzocht om nader onderzoek te verrichten naar de noodzaak en/of wenselijkheid van een BIG-registratie voor verschillende functies. De Commissie Doelmatigheid Hoger Onderwijs (CDHO), die de staatssecretaris positief heeft geadviseerd over het verzoek van Hogeschool Utrecht, schrijft in haar brief van 27 april 2010:

“Uit de overgelegde arbeidsmarktonderzoeken (2007 en 2009) van KBA blijkt dat er voldoende ruimte op de arbeidsmarkt bestaat voor afgestudeerden van onderhavige opleiding. Gebleken is dat de komende jaren met betrekking tot de diverse functies waarvoor onderhavig voornemen opleidt, aanzienlijke arbeidstekorten zullen gaan ontstaan. De bestaande inservice-opleidingstrajecten, zo is aangetoond, kunnen zelf niet in deze vraag voorzien […] Deze conclusies worden desgevraagd onderschreven door diverse beroepsverenigingen in het werkveld van de beoogde functies, waaronder Ambulancezorg Nederland, de Nederlandse Vereniging van Ziekenhuizen en de Nederlandse Vereniging van Anesthesiemedewerkers. […]

De commissie is van mening dat voor een aantal functies waarvoor wordt opgeleid een BIG-registratie noodzakelijk, en voor andere functies wenselijk is. Aanvrager heeft aangegeven […] de weg die hiertoe bewandeld moet worden, verder te onderzoeken. De commissie onderschrijft de wenselijkheid van dit door aanvrager […] in te zetten traject.”

2.4.

In september 2011 heeft prof. mr. [A] , emeritus hoogleraar gezondheidsrecht, op verzoek van Hogeschool Utrecht advies aan haar uitgebracht over de juridische inbedding van MH-ers in het rapport “Het verrichten van risicovolle en/of voorbehouden handelingen door afgestudeerden van de opleiding Bachelor Medische Hulpverlening”.

2.5.

Gedurende de studiejaren 2010-2011 en 2011-2012 blijkt dat de medische sector onvoldoende stageplaatsen aanbiedt voor BMH-studenten.

2.6.

Het Landelijk Platform Bacheloropleiding Medische Hulpverlening (hierna: het Landelijk Platform), waarin diverse Hogescholen (waaronder Hogeschool Utrecht) en Universitair Medische Centra zijn vertegenwoordigd, heeft door middel van een “Position Paper Bachelor Medische Hulpverlening” d.d. juni 2014 het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport verzocht om op korte termijn een wettelijke regeling voor het nieuwe beroep MH te treffen. Zij adviseert de minister om de BMH, analoog aan de regeling voor verpleegkundige beroepen, volgens artikel 3 Wet BIG met functioneel zelfstandige bevoegdheid te regelen. Verder adviseert zij om op korte termijn voor de BMH een overgangsregeling te treffen zodat deze gerechtigd is tot het indiceren en verrichten van een aantal omschreven voorbehouden handelingen.

2.7.

Bij besluit van 6 augustus 2014 heeft de Minister van VWS naar aanleiding van het verzoek besloten een experiment te starten met de BMH in het kader van artikel 36a BIG. Door het experiment wordt aan de MH-er tijdelijk de zelfstandige bevoegdheid toegekend om (bepaalde aangewezen) voorbehouden handelingen te verrichten.

3 Het geschil

3.1.

[eisers c.s.] vorderen samengevat –:

a. te verklaren voor recht dat Hogeschool Utrecht onzorgvuldig jegens BMH-studenten heeft gehandeld;

en veroordeling van Hogeschool Utrecht tot betaling van (een voorschot op) schadevergoeding aan:

eiseres sub 1 een bedrag van € 8.443,84;

eiser sub 2 een bedrag van € 29.212,50;

eiseres sub 3 een bedrag van € 9.787,50;

eiseres sub 4 een bedrag van € 9.787,50;

eiser sub 5 een bedrag van € 29.212,50;

alle bedragen vermeerderd met wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding en met veroordeling van Hogeschool Utrecht in de kosten.

3.2.

Hogeschool Utrecht voert verweer. Kort gezegd gaat het geschil tussen partijen over de vraag of Hogeschool Utrecht aansprakelijk is voor de gestelde studievertraging van [eisers c.s.] en de gestelde vertraging in het vinden van een op de opleiding aansluitende baan. Volgens [eisers c.s.] heeft Hogeschool Utrecht hen niet in staat gesteld om tijdig een stage en een passende baan te kunnen vinden ten gevolge van het ontbreken van een noodzakelijke dan wel wenselijke BIG-registratie. Hogeschool Utrecht wist bij de start van de opleiding althans heeft de kwade kans aanvaard dat het ontbreken van een BIG-registratie tot deze vertragingen zou leiden. [eisers c.s.] stellen daarover dat er sprake is van een toerekenbare tekortkoming van de zijde van Hogeschool Utrecht in de nakoming van de verplichtingen uit de onderwijsovereenkomst die Hogeschool Utrecht met ieder van hen heeft gesloten. Hogeschool Utrecht heeft naar voren gebracht dat een BIG-registratie niet of slechts zeer beperkt noodzakelijk is voor het kunnen uitvoeren van een stage en het vinden van een passende baan. Zij stelt dat zij er niet op bedacht hoefde te zijn dat het medische werkveld zich terughoudend zou opstellen tegenover het aanbieden van stageplaatsen aan BMH-studenten. Die terughoudende opstelling is vooral terug te voeren op de uitgebleven krapte op de arbeidsmarkt en de kosten die voor de instellingen aan stages zijn verbonden, aldus Hogeschool Utrecht.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De rechtbank stelt allereerst vast dat eisers sub 2 tot en met 5 de BMH niet hebben afgerond binnen de nominale studieduur en dat deze eisers (ten tijde van de dagvaarding) hun eindstage nog niet waren gestart. Dat betekent dat zij studievertraging hebben opgelopen. Hogeschool Utrecht heeft onvoldoende gemotiveerd betwist dat deze studievertraging is opgelopen door (onder meer) het tekort aan stageplaatsen. Zij heeft weliswaar gesteld dat eisers ook door andere omstandigheden vertraging hebben opgelopen althans dat zij de wachttijd totdat een eindstageplaats beschikbaar zou komen, op een andere manier hadden kunnen benutten, maar die stelling doet niet af aan de omstandigheid dat ook Hogeschool Utrecht zelf stelt dat over de hele linie voor BMH-studenten te weinig stageplaatsen beschikbaar waren c.q. zijn. Het feit dat er wel in enige mate stageplaatsen werden en worden aangeboden, maakt niet anders dat er te weinig stageplaatsen zijn en de individuele student dus wel getroffen kan worden door studievertraging dientengevolge. De stelling van Hogeschool Utrecht dat BMH-studenten van de richtingen Spoedeisende Hulp en Anesthesie zelf moeten voorzien in een stageplaats acht de rechtbank in dit kader niet relevant, omdat dat argument pas een rol kan spelen als er – in het algemeen gesproken – voldoende stageplaatsen beschikbaar zijn. Dit betekent dat de rechtbank vooralsnog in zijn algemeenheid aanneemt dat enige schade is geleden door (onder andere) die omstandigheid en de vraag die vervolgens moet worden beantwoord is of Hogeschool Utrecht toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de onderwijsovereenkomsten.

4.2.

Partijen twisten over de vraag of de studievertraging (door het gebrek aan stageplaatsen) het gevolg is van het ontbreken van een noodzakelijke c.q. wenselijke BIG-registratie, het verwijt dat [eisers c.s.] maken aan de Hogeschool Utrecht. Naar het oordeel van de rechtbank staat voldoende vast dat het ontbreken van een BIG-registratie voor MH-ers een belangrijke oorzaak is voor het tekort aan stageplaatsen. Ook Hogeschool Utrecht concludeert in haar rapport “Kritische reflectie Bacheloropleiding Medische Hulpverlening” van oktober 2012 dat de (interpretatie van de Inspectie van de) huidige wetgeving over voorbehouden en risicovolle handelingen stages van met name de richting Ambulancezorg belemmeren. In een ‘brandbrief’ van Hogeschool Utrecht aan de minister van VWS d.d. 26 februari 2014 wijst zij bovendien op een direct oorzakelijk verband: “Voor het doen uitvoeren van voorbehouden handelingen door een student BMH achten de stage verlenende instellingen zich dan ook juridisch niet gedekt met als gevolg dat er veel te weinig geschikte stageplekken beschikbaar komen.” Tenslotte heeft Hogeschool Utrecht ook in de zogenaamde ‘Blokkrant’ voor BMH-studenten geschreven: “Een goede juridische regeling zal pas echt de stagemarkt gaan openen”.

4.3.

Het kan zo zijn dat er ook andere factoren een rol spelen in de omstandigheid dat er onvoldoende stageplaatsen worden aangeboden. Hogeschool Utrecht heeft in dat kader genoemd dat de verwachtte krapte op de arbeidsmarkt is uitgebleven en dat medische instellingen stages liever aanbieden aan leerlingen van de inservice-opleidingen, mede in verband met de lagere kosten daarvan. Dat neemt echter niet weg dat uit de stellingen van partijen volgt dat het ontbreken van een wettelijke regeling door de medische instellingen als belangrijk argument wordt gebruikt voor het niet of in beperkte mate aanbieden van stageplaatsen. Hogeschool Utrecht heeft niet gesteld dat als er een wettelijke regeling in verband met de voorbehouden handelingen was geweest in de afgelopen jaren, de stageplaatsen desalniettemin onvoldoende beschikbaar zouden zijn geweest. Daarmee staat dan ook het causaal verband tussen het verwijt dat [eisers c.s.] aan Hogeschool Utrecht maken en de studievertraging in voldoende mate vast.

4.4.

Dan moet beoordeeld worden of aan Hogeschool Utrecht een verwijt is te maken op het punt van het ontbreken van een wettelijke regeling en de opstelling daarover van de Inspectie en het medisch werkveld dan wel dat die omstandigheid in relatie tot [eisers c.s.] voor haar rekening komt. De rechtbank gaat in dat kader voorbij aan de stelling van Hogeschool Utrecht dat strikt genomen juridisch geen noodzaak bestaat voor het treffen van een wettelijke regeling om BMH-studenten een stage te laten lopen dan wel hen (na afronding van de opleiding) werkzaam te laten zijn in de beroepen waarvoor zij zijn opgeleid. Het kan zo zijn dat de wettelijke regeling op uiteenlopende wijze wordt geïnterpreteerd en toegepast, dat laat echter onverlet dat het feitelijk zo is dat de Inspectie voor de Gezondheidszorg en (een groot deel van) het medische werkveld de wettelijke regeling zodanig interpreteren dan wel toepassen dat zij geen mogelijkheden zien om (een groot deel van de) BMH-studenten stages dan wel een functie aan te bieden. Dat is ook de reden dat het Landelijk Platform de minister van VWS dringend heeft verzocht om een regeling voor de BIG-registratie van MH-ers te treffen. Dat de wettelijke regeling ook op een andere wijze kan (en volgens Hogeschool Utrecht zelfs moet) worden uitgelegd, gaat dus voorbij aan de werkelijkheid.

4.5.

De rechtbank constateert dat met de start van BMH een nieuw beroep in het medisch werkveld werd geïntroduceerd: de medisch hulpverlener ambulancezorg, spoedeisende hulp en anesthesie. Uit de stellingen van partijen begrijpt de rechtbank dat deze beroepen de meeste gelijkenis vertonen met die van verpleegkundigen, die de algemene opleiding Verpleegkunde hebben gevolgd en daarna een (interne) specialisatie in de richting spoedeisende hulp, ambulanceverpleegkundige of anesthesie. De rechtbank staat allereerst stil bij de verschillen in juridische inbedding tussen deze beroepen zoals die volgen uit de stellingen van partijen.

4.6.

MH-ers zijn op grond van de Wet BIG niet zelfstandig bevoegd om voorbehouden handelingen te verrichten. Wel kunnen zij in opdracht van een ingevolge de Wet BIG zelfstandig bevoegde en in overeenstemming met de vereisten van de artikelen 35 en 38 Wet BIG voorbehouden handelingen uitvoeren. Voor zover hier relevant gelden als vereisten dat de uitvoerende bekwaam is, zo nodig aanwijzingen in acht moet nemen en dat zo nodig de opdrachtgever toezicht houdt en kan tussenkomen. De situatie van verpleegkundigen en ambulanceverpleegkundigen is vergelijkbaar, maar in die zin anders dat verpleegkundigen zelfstandig bevoegd zijn tot het voorschrijven van UR-geneesmiddelen. Bovendien zijn verpleegkundigen en ambulanceverpleegkundigen functioneel bevoegd op grond van artikel 39 Wet BIG (de zogenaamde functionele zelfstandigheid of zelfstandige uitvoeringsbevoegdheid) om bepaalde aangewezen voorbehouden handelingen te verrichten. Dit betekent dat bepaalde voorbehouden handelingen functioneel zelfstandig kunnen worden verricht zonder dat toezicht en tussenkomst van een zelfstandig bevoegde (meestal een arts) noodzakelijk is. Wel is in dat geval een opdracht nodig van een zelfstandig bevoegde. In de praktijk wordt de opdrachtregeling toegepast, in die zin dat het werk verregaand is geprotocolleerd, voor de ambulancezorg onder meer met het Landelijke Protocol Ambulancezorg.

Samenvattend is de juridische inbedding van de positie van MH-er ten opzichte van verpleegkundigen en ambulanceverpleegkundigen dat deze – anders dan een MH-er – zonder toezicht en tussenkomst van een zelfstandig bevoegde bepaalde aangewezen voorbehouden handelingen mogen verrichten.

4.7.

In het kader van het verwijt dat [eisers c.s.] aan Hogeschool Utrecht maken, acht de rechtbank van belang wat Hogeschool Utrecht voor en bij aanvang van de studie voorzag en redelijkerwijs kon voorzien op het punt van de wettelijke regeling en op het punt van de opstelling van het medische werkveld daarover. In 2007 en 2009 heeft Hogeschool Utrecht uitgebreid onderzoek laten verrichten naar het arbeidsmarktperspectief van toekomstige MH-ers, waarbij het medische werkveld nadrukkelijk is betrokken. Uit de onderzoeken bleek dat er naar verwachting behoefte zou bestaan aan dit soort professionals. Tegelijk bleek uit de onderzoeken dat er sprake is van een nieuw medisch beroep en dat het creëren van draagvlak binnen het werkveld van groot belang is, mede in verband met de directe inzetbaarheid van de afgestudeerden in relatie tot hun praktische vaardigheden. Door geraadpleegde informanten uit het werkveld werd in die onderzoeken onder andere gesuggereerd om voor de start van de opleiding duidelijk de status van het diploma (in de zin van nieuwe categorie in de Wet BIG) te regelen omdat de erkenning in het werkveld anders een probleem zou vormen. V&VN, beroepsvereniging van zorgprofessionals, heeft bij brief van 25 maart 2010 gesteld: “Wat ons aan deze nieuwe opleiding opvalt, is dat het om een niet-verpleegkundige opleiding gaat. De afgestudeerde studenten zijn niet BIG-geregistreerd. Daardoor ontbreekt een juridisch kader.” De CDHO concludeert in haar advies van 27 april 2010 dat het werkveld nauw betrokken is bij de ontwikkeling van de opleiding en participeert in de opleiding. Zij is verder van mening dat voor een aantal functies waarvoor wordt opgeleid een BIG-registratie noodzakelijk, en voor andere functies wenselijk is. Ook de Staatssecretaris OCW heeft in haar besluit van 6 mei 2010 verzocht om nader onderzoek te verrichten naar de noodzaak en/of wenselijkheid van een BIG-registratie voor verschillende functies. Hogeschool Utrecht heeft in de ontwikkeling van de opleiding nadrukkelijk overleg gezocht met het medische werkveld en heeft in dat kader een zevental intentieverklaringen overgelegd van ziekenhuizen en ambulancediensten waarin zij uitspreken het initiatief tot deze opleiding positief te beoordelen en serieus te overwegen om stageplaatsen te leveren.

4.8.

Dit korte overzicht toont dat in het voortraject van de start van de opleiding de BIG-registratie althans een juridische regeling nadrukkelijk een onderwerp van aandacht en gesprek is geweest. In het besluit om in te stemmen met de opleiding is zelfs verzocht om nader onderzoek op dat punt te doen. Hogeschool Utrecht heeft er vervolgens voor gekozen om in het studiejaar 2010-2011 te starten met de BMH en tegelijk het nadere onderzoek naar een wettelijke regeling te doen. Zij heeft in dat verband onder andere prof. [A] gevraagd om advies. De rechtbank volgt de stelling van Hogeschool Utrecht niet dat uit dat advies blijkt dat geen wettelijke regeling noodzakelijk is voor de BMH-beroepen en dat de juridische en feitelijke positie van de MH-er niet anders is dan die van verpleegkundige. In zijn conclusies schrijft [A] dat aan de eisen van de opdrachtregeling in de Wet BIG in de praktijk niet altijd (volledig) kan worden voldaan. Dit is structureel het geval in de acute ambulancezorg, maar kan zich incidenteel ook in de kliniek (SEH, anesthesie) voordoen. Prof. [A] stelt vervolgens:

“In die situaties zal er in elk geval sprake moeten zijn van voldoende protocollering.”

Daaruit zou afgeleid kunnen worden dat met voldoende protocollering een juridische regeling niet nodig wordt geacht door het werkveld. Maar als met name wordt gekeken naar de paragraaf die prof. [A] heeft geschreven over de MH-er als ambulancehulpverlener, dan is het volgende van belang. [A] constateert dat de vergaande protocollering van het werk van ambulanceverpleegkundigen (als invulling van het opdrachtvereiste) op gespannen voet staat met (de letter van) de wet. Dat geldt niet alleen voor het opdrachtvereiste, maar ook voor het toezicht en de mogelijkheid van tussenkomst, aldus [A] en vervolgens:

“Voor ambulanceverpleegkundigen is het spanningsveld enigszins verkleind, doordat aan hen op basis van art. 39 van de Wet BIG voor een aantal voorbehouden handelingen een zelfstandige uitvoeringsbevoegdheid is toegekend; zij kunnen die dus zonder toezicht of (mogelijkheid van) tussenkomst uitvoeren.” (…)

“Voor de MH/ambulancehulpverlener gelden deze regelingen niet. Het spanningsveld tussen de letter van de Wet BIG en hetgeen de praktijk van hem vraagt, blijft daarmee onverminderd bestaan, althans voor de opdracht respectievelijk de eisen van toezicht en mogelijke tussenkomst.”

De rechtbank constateert dat in ieder geval voor wat betreft het vereiste van toezicht en tussenkomst de positie van de MH wezenlijk anders is dan die van de (ambulance)verpleegkundige. Hogeschool Utrecht heeft geen bevredigend antwoord kunnen geven op de vraag hoe dat ‘juridische gat’ in de praktijk gedicht zou moeten worden. Ter comparitie heeft Hogeschool Utrecht gesteld dat dit door middel van protocollering zou gebeuren, maar [eisers c.s.] stellen daar terecht tegenover dat in het medische werkveld toegepaste protocollering alleen aanvaardbaar wordt geacht voor wat betreft het opdrachtvereiste en niet voor het vereiste van toezicht en tussenkomst.

4.9.

De rechtbank stelt op basis van hetgeen in 4.5 tot en met 4.8 is overwogen ten eerste vast dat Hogeschool Utrecht in 2010 met de BMH-opleiding een nieuw beroep in het medische veld heeft geïntroduceerd dat zich nog niet had bewezen en waarvoor op dat moment (vooralsnog) geen specifieke juridische inbedding voorhanden was. Voor de verpleegkundigen met een specialisatie in spoedeisende hulp, anesthesie of ambulance bestond zo’n juridische regeling wel. De omstandigheid dat de positie van de MH op een aantal punten juridisch gezien niet anders is dan die van de genoemde verpleegkundigen, doet er niet aan af dat er wel degelijk (een) verschil(len) bestond(en) ten gunste van de al bestaande beroepen. Die verschillen waren het meest pregnant voor de MH in de ambulancezorg. Daarbij is ook van belang dat de professionals die de voor de MH beoogde functies tot op dat moment vervulden, voor het overgrote deel met een interne opleiding werden opgeleid tot die functies. Ten tweede is, zoals prof. [A] uiteen heeft gezet in zijn advies, sprake van een steeds groter wordend spanningsveld tussen het traditionele toewijzingsregiem in de Wet BIG en ontwikkelingen in het veld (opkomst nieuwe opleidingen en beroepen, veranderingen in de organisatie). [A] concludeert dan ook: “Naast twijfel of de huidige regeling inzake voorbehouden handelingen in de praktijk haar doel wel bereikt, wordt zij steeds meer als belemmering gezien bij het realiseren van de gewenste taakherschikking in de zorg. Het huidige systeem van toedeling van de bevoegdheid tot het zelfstandig verrichten van die handelingen behoeft herziening om het meer te laten aansluiten op daadwerkelijke competenties dan op traditionele beroepsdomeinen.”

Ook zonder het advies van [A] moet Hogeschool Utrecht inzicht hebben gehad in dat spanningsveld gelet op haar intensieve contacten met het werkveld in de jaren voorafgaand aan de start van de opleiding. De rechtbank stelt ten derde vast dat in de aanloop naar de start van de BMH-opleiding de kwestie van de juridische inbedding uitdrukkelijk onder de aandacht is gebracht door zowel spelers uit het medische werkveld als vanuit overheidsinstanties.

4.10.

Onder die omstandigheden heeft Hogeschool Utrecht bij de start van de BMH-opleiding redelijkerwijs rekening moeten houden met de mogelijkheid dat het medische werkveld zich alsnog (en dus ondanks diverse intentieverklaringen) terughoudend zou opstellen in het aanbieden van stageplaatsen en het openstellen van vacatures voor MH-ers. Onder de onderwijsovereenkomst die Hogeschool Utrecht heeft gesloten met (in dit geval) [eisers c.s.] is één van haar hoofdverplichtingen om de student in staat te stellen zonder noemenswaardige studievertraging de studie te kunnen afronden en in beginsel in aanmerking te laten komen voor de functies waarvoor de BMH opleidt. Naar het oordeel van de rechtbank is Hogeschool Utrecht gelet op het voorgaande daarin tekortgeschoten. Deze tekortkoming is haar toe te rekenen omdat zij te wijten is aan haar schuld. Dit geldt temeer nu zij ervoor heeft gekozen om de opleiding te starten voordat zij meer duidelijkheid had verkregen over de noodzaak c.q. wenselijkheid van de juridische inbedding van de BMH. Dat Hogeschool Utrecht zich, toen duidelijk werd dat stageplaatsen achterbleven en studenten daardoor vertraging zouden oplopen, in hoge mate heeft ingespannen om die situatie te keren, doet daaraan niet af. Ook de omstandigheid dat het voor Hogeschool Utrecht, zoals zij stelt, niet mogelijk was om voorafgaand aan de start van de opleiding een juridische regeling te initiëren en dat het überhaupt niet aan haar is om de procedure voor het toepassen van de experimenteerbepaling in gang te zetten, maakt dit oordeel niet anders. Hogeschool Utrecht heeft in dat verband erop gewezen dat voor toepassing van het zogenaamde experimenteerartikel (artikel 36a Wet BIG) vereist is dat een beroep voldoende uitgekristalliseerd moet zijn. Het gaat er echter om dat Hogeschool Utrecht ook andere keuzes had kunnen maken door bijvoorbeeld in het licht van de hiervoor genoemde omstandigheden de BMH-opleiding niet (op dat moment) te starten of de aankomende BMH-studenten uitdrukkelijk te wijzen op het risico dat het medische werkveld zich terughoudend zou kunnen opstellen ten opzichte van dit nieuwe beroep. Aan de zorgvuldigheid die Hogeschool Utrecht bij de start van de BMH-opleiding jegens aankomend studenten moet betrachten, mogen hoge eisen worden gesteld. Naar zij moet weten wordt de keus van aankomend studenten om een opleiding te volgen in belangrijke mate bepaald door de omstandigheid of zij in beginsel binnen de nominale studietijd de opleiding kunnen afronden en vervolgens in beginsel voor een op hun opleiding aansluitende functie in aanmerking komen. Dat de studenten van een nieuwe opleiding mogelijk enige scepsis moeten verwachten vanuit het werkveld doet niet af aan de zorgvuldigheid die van Hogeschool Utrecht in dit verband verwacht mag worden.

4.11.

Hogeschool Utrecht heeft aangevoerd dat alleen voor de richting MH ambulancezorg sprake is van een ‘onvoldoende studeerbare opleiding’ en dat de juridische regeling voor de andere twee richtingen feitelijk afdoende is. Dit blijkt volgens haar ook uit het feit dat afgestudeerde BMH-studenten gewoon in die functies aan het werk komen. Zij heeft dan ook niet hoeven te verwachten dat het medische werkveld zich voor die twee richtingen terughoudend zou opstellen in het aanbieden van stageplaatsen, aldus Hogeschool Utrecht. De rechtbank verwerpt dat standpunt. Feit is dat ook ten aanzien van de richtingen Anesthesie en Spoedeisende hulp de zorginstellingen onvoldoende stageplaatsen hebben aangeboden en als (één van de) reden(en) daarvoor hebben aangegeven dat de MH-ers onvoldoende juridisch ingebed zijn. De toepassing van de experimenteerbepaling betreft dan ook niet alleen de MH-ers van de richting Ambulancezorg maar ook de andere MH-ers. Mogelijk zou – zoals Hogeschool Utrecht stelt – de opstelling van de zorginstellingen anders zijn geweest, indien voor de richting Ambulancezorg geen juridische regeling noodzakelijk was. Met die stelling gaat Hogeschool Utrecht echter voorbij aan de omstandigheid dat alle drie richtingen zijn ondergebracht in één en dezelfde opleiding en in die zin geen kunstmatig onderscheid kan worden aangebracht tussen de opstelling van de zorginstellingen ten opzichte van de onderscheiden richtingen.

Schade [eisers c.s.]

4.12.

Dan is de vraag aan de orde of [eisers c.s.] in concreto studievertraging hebben opgelopen wegens het gebrek aan stageplaatsen dan wel niet of met vertraging aan de slag konden gaan in de functies waarvoor ze zijn opgeleid. In dat kader heeft Hogeschool Utrecht een aantal algemene verweren gevoerd die de rechtbank eerst zal bespreken.

4.13.

De stellingen van Hogeschool Utrecht met betrekking tot het ontbreken van causaal verband tussen de tekortkoming en studievertraging c.q. vertraging in het vinden van een passende baan zijn hiervoor al besproken. Uit de stellingen van partijen volgt genoegzaam dat het ontbreken van een juridische regeling als een (belangrijk) argument door het medische werkveld wordt gehanteerd voor het onvoldoende beschikbaar stellen van stageplaatsen en het aanbieden van op de opleiding toegesneden functies. De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat in relatie tot [eisers c.s.] die omstandigheid voor rekening komt van Hogeschool Utrecht. Dit laat uiteraard onverlet dat voor iedere eiser concreet moet worden vastgesteld of er sprake is van studievertraging en vertraging in het vinden van een baan waarbij aandacht moet zijn voor mogelijk andere oorzaken voor die vertraging.

4.14.

Volgens Hogeschool Utrecht hebben eisers onvoldoende gesteld dat zij voor een andere opleiding zouden hebben gekozen indien zij ten tijde van de start van hun opleiding van de hiervoor genoemde omstandigheden op de hoogte waren geweest. De rechtbank verwerpt dat standpunt. Daargelaten dat een aantal van eisers ter zitting heeft toegelicht dat zij zouden hebben gekozen voor de opleiding Verpleegkunde, geldt dat aan [eisers c.s.] de mogelijkheid is ontnomen om een andere keuze te maken. Aan de stelplicht voor wat betreft het causaal verband tussen de tekortkoming en de schade kunnen in dit verband dan ook niet al te hoge eisen worden gesteld.

4.15.

Een aantal eisers heeft hun schade begroot aan de hand van de Letselschade Richtlijn Studievertraging. Hogeschool Utrecht heeft gesteld dat die Richtlijn niet van toepassing is omdat de studievertraging niet is veroorzaakt door een ongeval en deze ziet op een studievertraging van maximaal één jaar. De rechtbank stelt voorop dat [eisers c.s.] voor zover mogelijk hun schade op een concrete wijze dienen te begroten. Per eiser zal de rechtbank hierna de vorderingen op dat punt beoordelen. De normbedragen die de Letselschade Richtlijn Studievertraging bevat, kunnen een hulpmiddel zijn voor het begroten van de schade voor zover die niet of moeilijk concreet is te maken. De Richtlijn ziet immers op schade die optreedt doordat een benadeelde later op de arbeidsmarkt actief zal zijn. Voor de normbedragen die de Richtlijn hanteert, is aansluiting gezocht bij het modale inkomen van afgestudeerden van een wo/hbo-opleiding. Hogeschool Utrecht heeft deze normbedragen niet betwist. Wel kunnen die normbedragen in deze gevallen nog nader gespecificeerd worden omdat specifiek een vergelijking kan worden gemaakt met inkomens van vergelijkbare beroepsgroepen (verpleegkundigen bijvoorbeeld). Dat strikt genomen de Richtlijn niet van toepassing is op deze gevallen doet er niet aan af dat er aansluiting kan worden gezocht bij de normbedragen. Ook de omstandigheid dat de Richtlijn ziet op studievertraging van maximaal één jaar leidt niet tot een ander oordeel. In de Richtlijn is daarvoor gekozen omdat bij een grotere vertraging concrete invloeden een overwegende rol gaan spelen bij de waardering van deze schadepost, zoals het al dan niet in aanmerking komen voor een Wajong-uitkering. Dergelijke kwesties spelen in de onderhavige gevallen echter geen rol.

4.16.

Hogeschool Utrecht heeft verder gesteld dat studenten bij studievertraging wegens een onvoldoende studeerbare opleiding recht hebben op een vergoeding uit het Profileringsfonds. Met het Profileringsfonds heeft de wetgever kennelijk beoogd voor dergelijke gevallen een redelijke vergoeding in het leven te roepen, waarbij geen ruimte meer is voor een andere vergoeding, aldus Hogeschool Utrecht. Wanneer [eisers c.s.] geen beroep doen op dit fonds, komt aan Hogeschool Utrecht een gerechtvaardigd beroep op artikel 6:101 BW toe; de student had immers zijn schade kunnen en moeten beperken door (een deel van) zijn schade daar vergoed te krijgen, aldus Hogeschool Utrecht. De rechtbank verwerpt deze stellingen. Er bestaat geen algemene regel op basis waarvan [eisers c.s.] hun schade jegens Hogeschool Utrecht moeten beperken door hun schade te claimen onder het Profileringsfonds.

4.17.

Hogeschool Utrecht heeft betoogd dat aan studenten die moesten wachten op een stageplek ruime mogelijkheden tot verbreding en verdieping werden aangeboden. Voor zover [eisers c.s.] gebruik hebben gemaakt van deze mogelijkheden tot verrijking, dient daarmee bij de vaststelling van schade rekening te worden gehouden door dit voordeel te verrekenen in de zin van artikel 6:100 BW. Voor zover [eisers c.s.] onvoldoende deze mogelijkheden hebben benut, dient die omstandigheid mee te wegen in een evenredige verdeling in de zin van artikel 6:101 BW, aldus Hogeschool Utrecht. Deze kwestie is geen onderwerp van debat geweest tijdens de comparitie. De rechtbank zal [eisers c.s.] in de gelegenheid stellen te reageren op deze stelling en inzicht te geven in de invulling van de wachttijd door ieder afzonderlijk en het gevolg daarvan naar hun mening voor de vaststelling van de schade.

[eiseres sub 1]

4.18.

is in 2010 gestart met de BMH en is zonder noemenswaardige vertraging eind juni 2014 afgestudeerd in de richting spoedeisende hulp. [eiseres sub 1] stelt dat zij pas vanaf 1 juni 2015 een baan met een marktconform HBO-salaris heeft, te weten een functie op een SEH-afdeling. Van november 2014 tot juni 2015 stelt zij een salaris te hebben genoten dat lager is dan een HBO-salaris. Het verschil tussen haar salaris in die periode
(€ 925,70 bruto) en een gemiddeld HBO-salaris (volgens de HBO monitor voor een HBO verpleegkundige € 1.981,18) vordert zij als haar schade: € 8.443,84.

4.19.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft [eiseres sub 1] voldoende onderbouwd dat het tot 1 juni 2015 heeft geduurd voordat zij in een op haar opleiding aansluitende functie is aangenomen. [eiseres sub 1] heeft een afwijzing overgelegd voor de functie van SEH-verpleegkundige waarin expliciet wordt geschreven dat wegens het ontbreken van een BIG registratie zij lastig in te zetten is op deze functie. Ter zitting heeft zij verder toegelicht dat zij bij twintig tot dertig ziekenhuizen heeft gesolliciteerd en dat er tegen haar werd gezegd dat zij haar zonder BIG registratie niet wilden aannemen. Daarmee heeft zij voldoende onderbouwd dat medische instellingen haar (tot 1 juni 2015) niet hebben aangenomen in de functie van SEH-verpleegkundige met als argument dat een BIG registratie ontbrak. Hogeschool Utrecht heeft die stellingen onvoldoende weersproken.

4.20.

Partijen twisten over de vraag of [eiseres sub 1] in de tijd van november 2014 tot juni 2015 in een baan heeft gewerkt met een HBO-salaris. [eiseres sub 1] stelt dat haar bruto salaris in die periode € 925,70 was en dat een gemiddeld startsalaris voor een HBO verpleegkundige destijds € 1.981,18 bedroeg. Hogeschool Utrecht wijst er terecht op [eiseres sub 1] een vergelijking maakt tussen haar parttime salaris en het fulltime startsalaris van een HBO verpleegkundige. Nu dit punt geen onderwerp van bespreking is geweest tijdens de comparitie, zal [eiseres sub 1] in de gelegenheid worden gesteld te reageren op de stelling van Hogeschool Utrecht dat zij ten onrechte haar parttime salaris vergelijkt met een fulltime salaris. Voorts stelt Hogeschool Utrecht dat uit de Letselschade Richtlijn Studievertraging een lager marktconform maandsalaris van € 1.631,25 voortvloeit. In deze zaak baseert [eiseres sub 1] zich echter niet op de Richtlijn, maar op een vergelijking met het gemiddeld startsalaris van een HBO-verpleegkundige zoals dat blijkt uit de HBO monitor. Vooralsnog komt het de rechtbank meer passend voor om het salaris van [eiseres sub 1] te vergelijken met dat van een HBO-verpleegkundige omdat die vergelijking meer specifiek is en beter aansluit bij de aard van de opleiding van [eiseres sub 1] . Dit punt is echter geen onderwerp van debat geweest tijdens de comparitie, zodat de rechtbank partijen in de gelegenheid zal stellen om hierop hun zienswijze te geven.

[eiser sub 2]

4.21.

is in 2010 gestart met BMH, richting ambulancezorg. Uit het studievoortgangsoverzicht van 10 november 2015 dat Hogeschool Utrecht heeft overgelegd, blijkt dat hij alle onderdelen van zijn studie heeft afgerond met uitzondering van de eindstage en het afstudeeronderzoek. De rechtbank begrijpt uit het overzicht dat het afstudeeronderzoek ook wel wordt aangeduid als Onderzoek beroepspraktijk. Hogeschool Utrecht heeft gesteld dat [eiser sub 2] , omdat hij het Onderzoek beroepspraktijk niet heeft afgerond, hij dus dezelfde studievertraging zou hebben opgelopen als hij niet had hoeven wachten op een eindstageplaats. De rechtbank constateert dat een en ander geen onderwerp van bespreking is geweest tijdens de comparitie en het debat tussen partijen niet voldoende uitgekristalliseerd is. De rechtbank zal partijen in de gelegenheid stellen zich uit te laten over de vraag hoe het Onderzoek beroepspraktijk zich verhoudt met de eindstage en wat het gevolg is van die constatering voor de opgelopen studievertraging, niet alleen voor [eiser sub 2] , maar ook voor [eiseres sub 3] , [eiseres sub 4] en [eiser sub 5] .

[eiseres sub 3]

4.22.

is in 2010 gestart met BMH, richting spoedeisende hulp. In de dagvaarding is gesteld dat zij nog geen eindstageplaats heeft. Uit het studievoortgangsoverzicht blijkt echter dat zij inmiddels haar eindstage heeft gedaan, maar dat zij haar stageverslag en afstudeeronderzoek nog moet inleveren. Ook zou zij de toets ‘Klinisch redeneren SEH II’ uit het derde jaar nog met goed gevolg moeten afronden. Ook deze onderwerpen zijn niet ter sprake geweest tijdens de comparitie. [eiseres sub 3] zal in de gelegenheid worden gesteld om inzichtelijk te maken hoe haar studieverloop tot nu toe is geweest en hoe haar studieverloop zou zijn geweest als er tijdig een eindstageplek voor haar beschikbaar zou zijn. Daarbij dient zij aandacht te besteden aan de stelling van Hogeschool Utrecht dat zij hoe dan ook studievertraging zou hebben opgelopen in verband met het niet halen van de toets Klinisch redeneren SEH II.

[eiseres sub 4]

4.23.

is in 2011 gestart met BMH, richting spoedeisende hulp. [eiseres sub 4] heeft alle onderdelen van de opleiding afgerond, behalve de praktijkstage uit het derde jaar, de eindstage en het afstudeeronderzoek. [eiseres sub 4] stelt dat Hogeschool Utrecht haar heeft voorgehouden dat er ook in het schooljaar 2014-2015 geen kans voor haar bestaat op een stageplaats. Om die reden is zij ook de opleiding Verpleegkunde gaan volgen, aldus [eiseres sub 4] . Hogeschool Utrecht stelt dat zij daarmee zelf heeft gekozen voor een langere studietijd die niet toe te rekenen is aan Hogeschool Utrecht. Dat standpunt verwerpt de rechtbank. Hogeschool Utrecht heeft niet betwist dat er ook in het schooljaar 2014-2015 geen stageplek voor [eiseres sub 4] beschikbaar zal zijn. De rechtbank constateert verder dat het volgen van de bachelor Verpleegkunde één van de door Hogeschool Utrecht aangeraden keuzes is om de wachttijd tot een stage in te vullen. Onder die omstandigheden kan niet gezegd worden dat de langere studieduur voor rekening van [eiseres sub 4] moet blijven. Wel kan door het volgen van de bachelor Verpleegkunde sprake zijn van voordeel als bedoeld in artikel 6:100 BW waarmee in de vaststelling van de schade rekening moet worden gehouden. Zoals overwogen in 4.17 zullen [eisers c.s.] in de gelegenheid worden gesteld zich daarover uit te laten.

[eiser sub 5]

4.24.

is in 2010 gestart met BMH, richting anesthesie. Volgens de dagvaarding heeft hij al zijn vakken gehaald behoudens de eindstage gelopen, terwijl Hogeschool Utrecht aan de hand van het studievoortgangsoverzicht stelt dat hij nog meerdere vakken moet halen. Ook deze onderwerpen zijn niet ter sprake geweest tijdens de comparitie. [eiser sub 5] zal in de gelegenheid worden gesteld om inzichtelijk te maken hoe zijn studieverloop tot nu toe is geweest en hoe zijn studieverloop zou zijn geweest als er tijdig een eindstageplek voor hem beschikbaar zou zijn. Daarbij dient hij aandacht te besteden aan de stelling van Hogeschool Utrecht dat hij hoe dan ook studievertraging zou hebben opgelopen in verband met het niet halen van diverse onderdelen van de studie.

4.25.

De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 30 maart 2016 voor het nemen van een akte door [eisers c.s.] over hetgeen is vermeld onder 4.17, 4.20 tot en met 4.22 en 4.24, waarna de wederpartij op de rol van vier weken daarna een antwoordakte kan nemen,

5.2.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.A. Brouwer en in het openbaar uitgesproken op 2 maart 2016.1

1 type: HAB/4727 coll: EA/495