Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2016:1010

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
22-02-2016
Datum publicatie
29-02-2016
Zaaknummer
07.662616-11 (P)
Rechtsgebieden
Materieel strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Afgewezen ontnemingsvordering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Utrecht

Parketnummer: 07.662616-11 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 22 februari 2016 gewezen op vordering van de officier van justitie op grond van artikel 36e, eerste lid, Wetboek van Strafrecht, in de zaak tegen:

[veroordeelde] ,

geboren [1960] te [geboorteplaats] (Suriname),

wonende te [postcode] [woonplaats] , [adres] .

1 De procedure

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 9 juni 2015, 14 juli 2015 en 11 januari 2016.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. E.E.G. Duijts en van hetgeen [veroordeelde] en zijn raadsman, mr. J.A. Huibers, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.

De rechtbank heeft voorts kennisgenomen van de stukken van het voorbereidend onderzoek, te weten:

- een Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel van 27 april 2012, opgemaakt door [A] , hoofdagent van Politie Flevoland, werkzaam bij de Regionale Recherche Dienst van Politie Flevoland (hierna te noemen: het rapport van 27 april 2012);

- het vonnis van de meervoudige strafkamer van deze rechtbank van 16 februari 2015 in de onderliggende strafzaak met parketnummer 07.662616-11;

  • -

    de stukken behorende tot het dossier in de strafzaak met parketnummer 07.662616-11;

  • -

    een conclusie van het openbaar ministerie van 31 maart 2015, met bijlagen;

  • -

    conclusies van de raadsman van 6 mei 2015 en 7 mei 2015, met bijlagen;

  • -

    een brief van de raadsman van 7 mei 2015;

  • -

    een conclusie van het openbaar ministerie van 16 juni 2015;

  • -

    een reactie van de raadsman van 7 juli 2015;

- processen-verbaal van verhoor door rechter-commissaris mr. E.M. de Stigter van:

  • -

    getuige [getuige 1] , gehoord op 15 oktober 2015;

  • -

    getuige [getuige 2] e/v [B] , gehoord op 13 november 2015;

  • -

    getuige [getuige 3] , gehoord op 13 november 2015;

  • -

    [veroordeelde] , gehoord op 19 november 2015;

  • -

    getuige [getuige 4] , gehoord op 17 december 2015;

- een proces-verbaal van bevindingen van rechter-commissaris mr. E.M. de Stigter van 20 oktober 2015;

  • -

    een conclusie van het openbaar ministerie van 17 december 2015, met bijlagen;

  • -

    een e-mail van de officier van justitie van 8 januari 2016.

2 De beoordeling

2.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij vordering van 14 juni 2012 gevorderd dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vierde lid (de rechtbank begrijpt: vijfde lid) van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en dat de rechtbank aan [veroordeelde] de verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van dit voordeel, geschat op een bedrag van € 260.905,71. Dit bedrag is berekend op basis van een eenvoudige kasopstelling.1

Bij de conclusies van 31 maart 2015 en 16 juni 2015 heeft het openbaar ministerie gepersisteerd bij de vordering. Naar aanleiding van door de raadsman overgelegde stukken alsmede naar aanleiding van de getuigenverhoren door de rechter-commissaris is de vordering bij conclusie van 17 december 2015 gewijzigd. Het openbaar ministerie heeft door [veroordeelde] naar [getuige 4] en naar notarissen overgeboekte geldbedragen van respectievelijk € 21.517,38 en € 95.000,-- alsnog afgetrokken van het gevorderde wederrechtelijk verkregen voordeel om de reden dat deze bedragen geen voordeel hebben opgeleverd voor [veroordeelde] . Voorts is een bedrag van € 46.642,54 in mindering gebracht dat is aangewend voor de aankoop van vliegtickets aangezien ook dit bedrag niet heeft geleid tot voordeel voor [veroordeelde] . Als gevolg daarvan wordt het voordeel door het openbaar ministerie geschat op een bedrag van € 97.745,79. Ter zitting van 11 januari 2016 heeft de officier van justitie de vordering tot vaststelling van wederrechtelijk verkregen voordeel verder bijgesteld tot € 75.745,79. Deze verlaging met € 22.000,-- heeft plaatsgevonden omdat van dit geldbedrag kan worden vastgesteld dat dit door [veroordeelde] is opgenomen en direct weer is gestort, terwijl in het rapport van 27 april 2012 geen rekening is gehouden met contante opnames omdat volgens het rapport niet aannemelijk is dat door [veroordeelde] opgenomen geld op een later tijdstip weer op zijn rekening is gestort.2

2.2

Het standpunt van de verdediging

De vordering van het openbaar ministerie dient te worden afgewezen, aangezien geen sprake is van door [veroordeelde] wederrechtelijk verkregen voordeel. De daaraan ten grondslag liggende berekening is (ook na veelvuldige aanpassing) op meerdere punten onjuist. De opnames van bankrekeningen worden ten onrechte buiten beschouwing gelaten en dienen als legale contante ontvangsten in de berekening te worden opgenomen. De girale overboekingen naar [getuige 4] dienen niet slechts voor een beperkt deel maar voor het volledige bedrag in mindering te worden gebracht. Door het verlaten van de hoofdregels bij het berekenen van wederrechtelijk verkregen voordeel volgens een eenvoudige kasopstelling door de legale contante ontvangsten niet mee te nemen en het toepassen van een onjuiste correctiemethode is de door het Openbaar Ministerie getrokken conclusie ten aanzien van de vermeende verdiensten van [veroordeelde] onjuist. De raadsman heeft een berekening overgelegd volgens welke berekening geen sprake is van wederrechtelijk verkregen voordeel.

2.3

Het oordeel van de rechtbank

De meervoudige strafkamer van deze rechtbank heeft [veroordeelde] in de onderliggende strafzaak met parketnummer 07.662616-11 bij vonnis van 16 februari 2015 kort gezegd veroordeeld ter zake van deelneming aan een criminele organisatie en ter zake van (medeplegen van) witwassen van geldbedragen die hij van [getuige 4] had ontvangen en waarvan, in opdracht van en/of in overleg met [getuige 4] , geldbedragen op rekeningen van anderen zijn gestort.

[veroordeelde] heeft gesteld met zijn handelen geen voordeel te hebben genoten, welk standpunt hij ter zitting van 11 januari 2016 heeft herhaald. [getuige 4] heeft op 17 december 2015 als getuige tegenover de rechter-commissaris verklaard dat de geldbedragen die hij contant aan [veroordeelde] heeft verstrekt geen eigendom zijn geworden van [veroordeelde] en dat hij [veroordeelde] nimmer een vergoeding heeft betaald voor de door hem verleende diensten. Gelet hierop, op de inhoud van het vonnis van 16 februari 2015 en de overige inhoud van het thans voorliggende dossier, acht de rechtbank aannemelijk dat [veroordeelde] heeft opgetreden als stroman voor [getuige 4] .

Het openbaar ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat [veroordeelde] wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. Zij heeft getracht dit standpunt aannemelijk te maken en heeft daartoe het rapport van 27 april 2012 overgelegd, welk rapport de grondslag vormt voor de berekening van het vermeende voordeel. Nadien zijn aanvullende stukken en berekeningen overgelegd en is het in het rapport berekende voordeel meermalen gematigd. Zo heeft het openbaar ministerie aanvankelijk het wederrechtelijk verkregen voordeel op

€ 260.905,71 geschat, vervolgens op € 97.745,79 en tot slot heeft het openbaar ministerie ter zitting dit bedrag nog eens nader bijgesteld tot een bedrag van € 75.745,79.

De rechtbank is van oordeel dat het rapport van 27 april 2012 en de nadien door het openbaar ministerie overgelegde stukken onvoldoende aannemelijk maken dat [veroordeelde] wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. Het rapport van 27 april 2012 en de daarin opgenomen berekening zijn niet consequent opgebouwd en onvoldoende duidelijk en kunnen daarom niet dienen als grondslag voor een berekening van wederrechtelijk verkregen voordeel. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Het rapport en de daarin vervatte berekening zijn gebaseerd op een eenvoudige kasopstelling. Een van de uitgangspunten bij een eenvoudige kasopstelling is dat de geldbedragen worden meegenomen die de betrokkene in de onderzochte periode contant tot zijn beschikking had. Dit contante geld dat betrokkene tot zijn beschikking had, bestaat uit het beginsaldo aan contant geld en de legale contante ontvangsten inclusief de contante opnames van bankrekeningen. In het rapport van 27 april 2012 is dit uitgangspunt verlaten en is in het geheel geen rekening gehouden met legale contante ontvangsten. Van de zijde van de verdediging is hiertegen bezwaar gemaakt; de raadsman heeft deze ontvangsten op basis van opnames door [veroordeelde] van zijn bankrekeningen berekend op een bedrag van € 105.560,--.

De rechtbank is van oordeel dat het op de weg van het openbaar ministerie ligt om voldoende duidelijk te maken waarom voornoemd uitgangspunt (om rekening te houden met legale contante ontvangsten inclusief bankopnames) is verlaten maar dat het openbaar ministerie dit niet, althans onvoldoende heeft gedaan. Dit klemt temeer nu contante opnames door [veroordeelde] zijn gedaan van de rekening waar, zo heeft [veroordeelde] ter zitting verklaard, ook het (legale) inkomen van [veroordeelde] uit zijn dienstverband bij de [naam luchtvaartmaatschappij] op binnenkwam.

Naar het oordeel van de rechtbank is voorts niet aannemelijk geworden dat (een deel van) de contante stortingen op de bankrekeningen ten goede zijn gekomen aan [veroordeelde] .

[veroordeelde] heeft verklaard dat de contant op zijn rekeningen gestorte gelden niet van hem waren. [getuige 4] heeft dit bevestigd en ten overstaan van de rechter-commissaris verklaard dat de door hem aan [veroordeelde] verstrekte bedragen, welke bedragen door [veroordeelde] op zijn rekening zijn gestort, geen eigendom zijn geworden van [veroordeelde] en dat [veroordeelde] niet zelfstandig over deze bedragen kon beschikken. Deze verklaringen vinden tevens (gedeeltelijk) bevestiging in het rapport van 27 april 2012 waarin de overboekingen naar [C] in mindering worden gebracht op het bedrag van de contante stortingen en in het standpunt van de officier van justitie om ook de overboekingen van [veroordeelde] naar notarissen en naar [getuige 4] in mindering te brengen op het berekende voordeel omdat “contante stortingen op de bankrekeningen van betrokkene uiteindelijk niet bij hem zijn blijven ‘hangen’ maar overgeboekt zijn naar derden, en derhalve voor hem geen voordeel hebben opgeleverd”. De raadsman heeft bij conclusie van 7 mei 2015 een concreet onderbouwd standpunt ingenomen met betrekking tot de contante stortingen, opnames en overboekingen en daarbij een concrete berekening met onderliggende stukken overgelegd, met als conclusie dat geen sprake is van wederrechtelijk verkregen voordeel. De officier van justitie heeft bij conclusie van 16 juni 2015 niet inhoudelijk gereageerd op de standpunten van de raadsman en heeft ook ter zitting van 11 januari 2016 desgevraagd meegedeeld niet in staat te zijn inhoudelijk te reageren.

Nu het rapport van 27 april 2012 en de aanvullende berekeningen van de officier van justitie niet aannemelijk maken dat [veroordeelde] wederrechtelijk voordeel heeft verkregen, zal de vordering worden afgewezen.

BESLISSING

De rechtbank:

- wijst de vordering ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht af.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.L.M. van Opstal, voorzitter, mrs. A. van Maanen en E.M. de Stigter, rechters, in tegenwoordigheid van mr. F.R. Horst, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 februari 2016.

De griffier en mr. E.M. de Stigter zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Zie pagina 6 van 9 van het rapport van 27 april 2012.

2 Zie pagina 7 van 9 van het rapport van 27 april 2012.