Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2016:1006

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
27-01-2016
Datum publicatie
26-02-2016
Zaaknummer
3604738 UC EXPL 14-18437 JK/1218
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Tussenbeschikking
Inhoudsindicatie

Aandelenlease. Waiverzaak. Artikel 1:88 jo 1:89 BW. Stuitende werking collectieve actie. Bewijsopdracht wetenschap echtgenote.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht
kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 3604738 UC EXPL 14-18437 JK/1218

Vonnis van 27 januari 2016

inzake

de besloten vennootschap

Dexia Nederland B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

verder ook te noemen Dexia,

eisende partij in conventie,

verwerende partij in reconventie,

gemachtigde: mr. T.R. van Ginkel,

tegen:

[gedaagde]

wonende te [woonplaats] ,

verder ook te noemen [gedaagde] ,

gedaagde partij in conventie,

eisende partij in reconventie,

gemachtigde: mr. G. van Dijk (Leaseproces).

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding, met producties,

- de conclusie van antwoord in conventie, tevens conclusie van eis in reconventie, met producties,

- de conclusie van repliek in conventie, tevens conclusie van antwoord in reconventie, met producties,

- de conclusie van dupliek in conventie, tevens conclusie van repliek in reconventie, met producties,

- de conclusie van dupliek in reconventie, met productie,

  • -

    de door [gedaagde] ten behoeve van het pleidooi ingediende producties,

  • -

    het pleidooi van 29 september 2015 en de ter gelegenheid daarvan overgelegde pleitnota’s,

  • -

    de rolbeslissing van 21 oktober 2015,

  • -

    de akte uitlaten jurisprudentie van [gedaagde] ,

  • -

    de akte uitlaten van Dexia, met productie.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

in conventie en in reconventie

In deze procedure kan van de volgende vaststaande feiten worden uitgegaan.

2.1.

Tussen (de rechtsvoorganger van) Dexia en [gedaagde] zijn de volgende effectenleaseovereenkomsten (hierna: de overeenkomsten) gesloten:

  • -

    op of omstreeks 16 juni 1995 overeenkomst met nummer 50507346,

  • -

    op of omstreeks 5 juli 1996 overeenkomst met nummer 70906745,

  • -

    op of omstreeks 25 juli 1997 overeenkomst met nummer 69005851,

  • -

    op of omstreeks 9 oktober 1997 overeenkomst met nummer 57014948,

  • -

    op of omstreeks 9 oktober 1997 overeenkomst met nummer 57181290,

  • -

    op of omstreeks 29 mei 1998 overeenkomst met nummer 59011476,

  • -

    op of omstreeks 17 oktober 2000 overeenkomst met nummer 76006648,

  • -

    op of omstreeks 27 september 2001 overeenkomst met nummer 12406554,

  • -

    op of omstreeks 7 juni 2002 overeenkomst met nummer 73032641.

2.2.

Overeenkomsten 50507346, 70906745, 69005851 en 12406554 zijn per saldo met een positief resultaat geëindigd. Na het opmaken van de eindafrekeningen heeft Dexia de door [gedaagde] te ontvangen bedragen overgemaakt. De overige overeenkomsten zijn per saldo met een negatief resultaat geëindigd. [gedaagde] heeft de eindafrekeningen voldaan.

2.3.

Bij dagvaarding van 13 maart 2003 hebben onder andere de Stichting Eegalease en de Consumentenbond gevorderd voor recht te verklaren (vordering A) dat op de door Dexia aangeboden leaseovereenkomsten het bepaalde in de artikelen 1:88 en 1:89 Burgerlijk Wetboek (BW) van toepassing is en (vordering B) dat de leaseovereenkomsten die in de periode 29 januari 2000 tot en met 1 mei 2002 zonder toestemming van de echtgenoot of geregistreerd partner met Dexia zijn gesloten, vernietigd zijn, althans vernietigbaar zijn op grond van artikel 1:89 BW (hierna samen: de collectieve actie). Bij vonnis van 25 augustus 2004 (ECLI:NL:RBAMS:2004:AQ7412) heeft de rechtbank Amsterdam vordering A toegewezen en vordering B afgewezen. Gedurende het door Dexia tegen dit vonnis ingestelde hoger beroep is tussen Dexia en de betrokken belangenorganisaties – waaronder de Stichting Eegalease en de Consumentenbond – een schikking tot stand gekomen, die is neergelegd in een “Hoofdovereenkomst” van 23 juni 2005. Daarbij hebben de belangenorganisaties verklaard hun medewerking te zullen verlenen aan beëindiging en royement van alle onderwerpelijke procedures, waaronder de met de dagvaarding van 13 maart 2003 ingeleide procedure, en afstand te doen van alle in de betrokken procedures gepretendeerde rechten en/of vorderingen, waaronder de vorderingen A en B. Partijen hebben vervolgens – zoals voorzien in de Hoofdovereenkomst – een overeenkomst gesloten zoals bedoeld in artikel 7:907 lid 1 BW (de WCAM-overeenkomst). Deze overeenkomst is bij beschikking van het gerechtshof Amsterdam van 25 januari 2007 (ECLI:NL:GHAMS:

2007:AZ7033) verbindend verklaard. Het geheel van de hier bedoelde afspraken wordt aangeduid als de Duisenbergregeling. [gedaagde] heeft door middel van een “opt-out”-verklaring aangegeven niet aan deze regeling gebonden te willen zijn.

2.4.

Bij brief van 26 april 2007 heeft mevrouw [A] , destijds de echtgenote van [gedaagde] , overeenkomsten 73032641, 57014948, 69005851, 59011476, 57181290, 76006648 en 12406554 met een beroep op artikel 1:88 BW in verbinding met artikel 1:89 BW vernietigd.

2.5.

In zijn arresten van 28 maart 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BC2837) en 5 juni 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BH2815) heeft de Hoge Raad een oordeel gegeven over de regels en beoordelingsmaatstaven die van toepassing zijn op effectenleasezaken zoals de onderhavige. In de arresten van het Gerechtshof Amsterdam van 1 december 2009 (ECLI:NL:GHAMS:

2009:BK4978, ECLI:NL:GHAMS:2009:BK4981, ECLI:NL:GHAMS:2009:BK4982 en ECLI:NL:GHAMS:2009:BK4983) is daaraan feitelijk invulling gegeven door de ontwikkeling van het zogenaamde Hofmodel. In zijn arrest d.d. 29 april 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BP4003) heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het Gerechtshof daarmee een juiste toepassing heeft gegeven aan de eerder bedoelde maatstaven.

2.6.

Bij brief van 25 januari 2012 heeft Leaseproces namens [gedaagde] aan Dexia laten weten dat [gedaagde] zijn rechten ten aanzien van alle vorderingen op Dexia voorbehoudt.

2.7.

Dexia, althans haar gemachtigde, heeft [gedaagde] één of meerdere brieven gestuurd, waarbij [gedaagde] de mogelijkheid is geboden om aan te tonen dat er sprake zou zijn van een onaanvaardbare last en dat hij nog recht zou hebben op schadevergoeding conform het Hofmodel. Indien [gedaagde] zou menen geen recht meer te hebben op enige schadevergoeding, kon de bijgevoegde “waiver” worden ondertekend en geretourneerd. [gedaagde] heeft de waiver niet ondertekend en geretourneerd.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

Dexia vordert, uitvoerbaar bij voorraad voor wat betreft de proceskosten, te verklaren voor recht dat Dexia ten aanzien van de tussen haar en [gedaagde] gesloten overeenkomsten met nummers 50507346, 70906745, 73032641, 57014948, 69005851, 59011476, 57181290, 76006648 en 12406554 aan al haar verplichtingen heeft voldaan en derhalve niets meer aan [gedaagde] verschuldigd is, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van het geding.

3.2.

Dexia stelt dat [gedaagde] na de “opt-out”-verklaring in 2007, de ontwikkelingen in de jurisprudentie van 2009 en 2011 en de stuiting in 2012 voldoende tijd en gelegenheid heeft gehad zijn (gepretendeerde) vordering op Dexia kenbaar te maken. Inmiddels is duidelijk geworden dat Dexia aan al haar verplichtingen uit hoofde van de overeenkomsten heeft voldaan en dat [gedaagde] op basis van het Hofmodel geen recht heeft op enige schadevergoeding, aldus Dexia. Dexia heeft, zo stelt zij voorts, alle mogelijkheden buiten rechte aangewend en zij heeft belang bij (rechts)zekerheid in de vorm van een definitieve beëindiging van het geschil met [gedaagde] .

3.3.

[gedaagde] heeft verweer gevoerd waarop hierna, voor zover nodig, wordt ingegaan.

in reconventie

3.4.

[gedaagde] vordert, uitvoerbaar bij voorraad, samengevat:

I. te verklaren voor recht dat de zeven verlieslatende overeenkomsten rechtsgeldig zijn vernietigd en Dexia te veroordelen om al hetgeen [gedaagde] krachtens die overeenkomsten aan Dexia heeft betaald, aan [gedaagde] terug te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente,

II. Dexia te veroordelen om aan [gedaagde] de door hem buitengerechtelijke kosten te vergoeden,

III. voorwaardelijk, voor het geval Dexia met betrekking tot [gedaagde] een A-codering aan de Stichting BKR te Tiel (hierna: het BKR) heeft doorgegeven, Dexia te veroordelen om te bewerkstelligen dat de registratie van [gedaagde] bij het BKR wordt doorgehaald en dat de aan die registratie gekoppelde A-codering ongedaan wordt gemaakt, op straffe van een dwangsom,

IV. Dexia te veroordelen in de proceskosten en nakosten.

3.5.

[gedaagde] stelt dat zijn echtgenote bij de in 2.4. genoemde brief overeenkomsten 73032641, 57014948, 69005851, 59011476, 57181290, 76006648 en 12406554 buitengerechtelijk heeft vernietigd vanwege het ontbreken van haar toestemming voor het aangaan van deze overeenkomsten. Dit brengt volgens [gedaagde] mee dat hij ten aanzien van deze overeenkomsten een vordering op Dexia heeft uit hoofde van onverschuldigde betaling.

3.6.

Dexia heeft verweer gevoerd waarop hierna, voor zover nodig, wordt ingegaan.

4 De beoordeling

in conventie en in reconventie

4.1.

Gelet op de samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie zullen deze vorderingen gezamenlijk behandeld worden.

Overeenkomsten 50507346 en 70906745

4.2.

De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde] met betrekking tot overeenkomsten 50507346 en 70906745 geen verweer heeft gevoerd tegen de vordering van Dexia en geen reconventionele vordering heeft ingesteld. Ten aanzien van deze overeenkomsten is de vordering van Dexia dan ook toewijsbaar.

Overeenkomsten 73032641, 57014948, 69005851, 59011476, 57181290, 76006648 en 12406554

4.3.

Dexia heeft aangevoerd dat de bevoegdheid tot het uitbrengen van een buitengerechtelijke vernietigingsverklaring reeds was verjaard toen zij de brief van de echtgenote van [gedaagde] op 11 mei 2007 ontving.

4.4.

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 9 oktober 2015 (ECLI:NL:HR:2015:3018) beslist dat de stuitende werking op de voet van artikel 3:316 lid 1 BW van een collectieve vordering in de zin van artikel 3:305a BW zich uitstrekt tot de verjaring van een op die collectieve actie aansluitende, individuele vordering tot vernietiging van rechtshandelingen krachtens artikel 1:89 BW en dat dit ingevolge het bepaalde in artikel 3:52 lid 2 BW ertoe leidt dat ook de verjaring van de bevoegdheid tot het uitbrengen van een buitengerechtelijke verklaring tot vernietiging wordt gestuit. Voorts heeft de Hoge Raad daarin bepaald dat een buitengerechtelijke vernietigingsverklaring als hiervoor bedoeld, die wordt uitgebracht voor het tijdstip waarop de in artikel 3:316 lid 2 BW bedoelde termijn van zes maanden is verstreken, tijdig is uitgebracht.

4.5.

[gedaagde] stelt zich op het standpunt dat dit arrest tot gevolg heeft dat er geen sprake kan zijn van verjaring van de bevoegdheid tot vernietiging, indien er een buitengerechtelijke vernietiging heeft plaatsgevonden voor het verlopen van de opt-out termijn op 1 augustus 2007, welke termijn voortvloeide uit de verbindendverklaring van de Duisenbergregeling (WCAM-overeenkomst) door hof Amsterdam.

4.6.

Dexia stelt zich primair op het standpunt dat, voor zover de bevoegdheid tot vernietiging niet reeds was verjaard voordat bij dagvaarding van 13 maart 2003 de collectieve vordering in de zin van artikel 3:305a BW door (onder meer) Stichting Eegalease werd ingesteld, aan het einde van die procedure door de belangenorganisaties uitdrukkelijk afstand is gedaan van alle rechten in verband met die procedure en daarmee ook van de stuiting van de verjaring die het uitbrengen van die dagvaarding met zich bracht. Volgens Dexia is er sprake van afstand van recht waardoor ook afnemer geen aanspraak op stuiting van verjaring in bovenbedoelde zin meer kan doen. Voor zover de verjaring wel is gestuit door het uitbrengen van bedoelde dagvaarding, betoogt Dexia dat het indienen van het verzoek om verbindendverklaring van de Duisenbergregeling op 18 november 2005 geen stuitende werking heeft gehad. Hetzelfde geldt volgens Dexia voor de verbindendverklaring door hof Amsterdam, omdat dit niet kan worden aangemerkt als een “toewijzing” van de vordering.

4.7.

Naar aanleiding van het voorgaande wordt geoordeeld als volgt. Bij arrest van
4 november 2014 (ECLI:NL:GHAMS:2014:4585, r.o. 3.14) heeft het hof Amsterdam overwogen dat het de individuele afnemer, die tijdig een opt-out verklaring heeft afgelegd, niet regardeert dat de Stichting Eegalease in het kader van de schikking (uitmondend in de WCAM-overeenkomst) afstand heeft gedaan van alle rechten en vorderingen die inzet waren van de betrokken collectieve procedure, juist omdat de afnemer heeft verklaard niet aan deze Duisenbergregeling gebonden te willen zijn. Deze overweging en beslissing worden hier overgenomen. In het arrest van 25 november 2014 (r.o. 3.10.5, ECLI:NL:GHSHE:2014:4956) heeft hof Den Bosch overwogen dat de hier bedoelde afstand van recht door Stichting Eegalease ook geldt voor het recht (van de afnemer) een beroep te doen op de in de brief van Stichting Eegalease van 29 januari 2003 en in de dagvaarding van Stichting Eegalease van 13 maart 2003 vervatte vernietiging van de effectenlease-overeenkomsten. Dit laatste doet echter niet af aan het feit dat uit bovengenoemd arrest van de Hoge Raad volgt dat het instellen van de betreffende collectieve actie stuitende werking heeft ten aanzien van de verjaring van de bevoegdheid om nadien (alsnog) een buitengerechtelijke vernietigingsverklaring af te leggen. Het beroep van Dexia op afstand van recht wordt verworpen.

4.8.

Het enkele feit dat een onderdeel van de collectieve vordering van Stichting Eegalease alleen zag op effectenleaseovereenkomsten gesloten tussen 29 januari 2000 en
2 mei 2002, brengt niet mee dat het aanhangig maken van de collectieve vordering geen stuitende werking zou kunnen hebben ten aanzien van andere effectenlease-overeenkomsten. Maatstaf is of het gaat om individuele vorderingen (betreffende de vernietiging van effectenleaseovereenkomsten), die bij de in de collectieve actie gevorderde verklaring voor recht aansluiten (vgl. r.o. 3.4.1 arrest Hoge Raad). Voor de vraag of er sprake is van “aansluiten” als hier bedoeld is van belang dat de aanleiding voor de collectieve actie (mede) gelegen was in het toenmalige standpunt van Dexia, dat de artikelen 1:88 en 1:89 BW op geen van de door haar overeengekomen effectenleaseovereenkomsten van toepassing waren, omdat er geen sprake was van koop op afbetaling. De collectieve actie had in hoofdzaak betrekking op twee vorderingen. De eerste vordering was gericht op een verklaring voor recht dat artikel 1:88 BW van toepassing is op “de” door Dexia aangeboden leaseovereenkomsten (in de dagvaarding genoemd onder 89 verschillende benamingen). Deze vordering is door de kantonrechter Amsterdam toegewezen (vonnis van 25 augustus 2004, ECLI:NL:RBAMS:2004:AQ7412). De tweede vordering was gericht op – kort samengevat – een verklaring voor recht dat effectenleaseovereenkomsten, die in een de periode 29 januari 2000 tot en met 1 mei 2002 zonder toestemming van de echtgenoot zijn aangegaan, vernietigd althans vernietigbaar zijn. Deze vordering is door de kantonrechter Amsterdam afgewezen (als zijnde niet toewijsbaar in een vordering ex artikel 3:305a BW). Tegen dat vonnis is hoger beroep ingesteld, zodat dit vonnis niet in kracht van gewijsde is gegaan. De procedure in hoger beroep is geëindigd doordat deze procedure is ingetrokken in verband met de totstandkoming van de Duisenbergregeling en de daarop gebaseerde WCAM-overeenkomst. Met name de eerstgenoemde vordering in de collectieve actie, gericht op een verklaring voor recht dat artikel 1:88 BW wel van toepassing is op de (dat wil zeggen: op alle 89 genoemde soorten) leaseovereenkomsten met Dexia, is essentieel voor het slagen van een vordering van een individuele afnemer als de onderhavige. Er is daarom sprake van “aansluiting” als door de Hoge Raad bedoeld tussen die vordering en de hiervoor bedoelde collectieve vordering in de zin van artikel 3:305a BW.

4.9.

De verjaring is alleen gestuit indien (vgl. r.o. 3.5.2 arrest Hoge Raad) binnen zes maanden nadat de collectieve vordering in de zin van artikel 3:305a BW is geëindigd een nieuwe eis is ingesteld, dan wel een (op grond van r.o. 3.5.3 arrest Hoge Raad) daarmee gelijk te stellen buitengerechtelijke verklaring tot vernietiging is afgelegd. Bedoelde collectieve vordering is geëindigd in – kort samengevat – een schikking tussen de daarbij betrokken partijen, die door verbindendverklaring krachtens de Wet collectieve afwikkeling massaschade (WCAM, wet van 23 juni 2005, Stb 2005/340) rechtsgevolgen heeft gekregen (dan wel heeft kunnen krijgen) voor (de meeste) belanghebbenden. Uit de rechtsoverwegingen 3.4.2 en 3.4.3 van de Hoge Raad in bovengenoemd arrest kan worden afgeleid dat de met een collectieve actie beoogde effectieve en efficiënte rechtsbescherming met zich brengt, dat een gerechtigde in afwachting van de uitkomst van die collectieve actie vooralsnog kan afzien van een buitengerechtelijke vernietiging van de overeenkomst, althans van stuitingshandelingen. Voorts kan daaruit worden afgeleid dat – nu de collectieve actie mede ten behoeve van de belanghebbende was ingesteld – de belanghebbende pas na het tot stand komen van een schikking kan (en behoeft te) beoordelen of hij daaraan gebonden wenst te zijn. Een en ander brengt mee dat de belanghebbende – ter voorkoming van verjaring – pas een buitengerechtelijke vernietigingsverklaring hoefde af te geven nadat de schikking als uitkomst van de collectieve actie is komen vast te staan.

4.10.

Dat doet de vraag rijzen op welk moment de hiervoor bedoelde collectieve actie is geëindigd en dus op welk moment de termijn van zes maanden als bedoeld in artikel 3:316 lid 2 BW is aangevangen. De uitkomst van de collectieve actie is het gevolg geweest van een proces van onderhandelen en procederen, waarbij mede de in de WCAM voorgeschreven procedure is gevolgd. Relevante data zijn 23 juni 2005 (tot stand komen WCAM-overeenkomst in hoofdlijnen onder leiding van dr. W.F. Duisenberg), 18 november 2005 (indienen verzoek tot verbindend verklaren WCAM-overeenkomst bij hof Amsterdam), 8 mei 2006 (wijziging WCAM-overeenkomst) en 25 januari 2007 (verbindendverklaring door hof Amsterdam, ECLI:NL:GHAMS:2007:AZ7033).

4.11.

Opgemerkt wordt dat door het indienen van het bovenbedoelde verzoek tot verbindendverklaring (hierna: het verzoek) de verjaring van de onderhavige vordering tot vernietiging en ongedaanmaking niet werd gestuit op de voet van artikel 7:907 lid 5 BW, omdat die stuiting slechts ziet op de verjaring van vorderingen tot schadevergoeding. Wel kan het indienen van dit verzoek niet los worden gezien van de daaraan voorafgaand ingestelde collectieve vordering in de zin van artikel 3:305a BW, en was dit verzoek gericht op het bereiken van een definitief resultaat van de onderhandelingen tussen de partijen bij die collectieve actie.

4.12.

Voor zover in de periode dat het verzoek in behandeling was reeds individuele procedures aanhangig waren of aanhangig werden gemaakt, werden deze (na een daartoe strekkende akte van Dexia) geschorst krachtens artikel 1015 lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Deze wetsbepaling vloeit voort uit het uitgangspunt dat, indien eenmaal een overeenkomst als bedoeld in de WCAM is gesloten, de afwikkeling zoveel mogelijk op basis daarvan dient plaats te vinden, behoudens de gevallen waarin na verbindendverklaring van de WCAM-overeenkomst een opt-out verklaring wordt ingediend. Het instellen dan wel behandelen van een individuele vordering in de periode dat het verzoek in behandeling was strookte derhalve niet met de bedoeling van de wetgever.

4.13.

Voorts is van belang dat de rechter, alvorens op het verzoek te beslissen, met instemming van partijen die de overeenkomst hebben gesloten de overeenkomst kan aanvullen of wijzigen, dan wel die partijen in de gelegenheid kan stellen dat te doen (artikel 7:907 lid 4 BW). Dat betekent dat pas door de beschikking van hof Amsterdam van
25 januari 2007 definitief is komen vast te staan wat de uitkomst is geweest van de hiervoor bedoelde collectieve actie, en dat een belanghebbende pas op dat moment wist waar hij aan toe was.

4.14.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat, indien een eerdere datum dan die van laatstbedoelde beschikking in aanmerking wordt genomen als aanvangsmoment van de termijn van zes maanden als bedoeld in artikel 3:316 lid 2 BW, de door de Hoge Raad in
r.o. 3.4.2 bedoelde effectieve en efficiënte rechtsbescherming van de belanghebbende geweld wordt aangedaan.

4.15.

Uit het voorgaande volgt dat tot uitgangspunt moet worden genomen dat de verjaring van de bevoegdheid tot vernietiging van de effectenleaseovereenkomsten is gestuit indien uiterlijk zes maanden na 25 januari 2007, dat wil zeggen uiterlijk op 25 juli 2007, een buitengerechtelijke vernietigingsverklaring is afgegeven.

4.16.

Geconcludeerd wordt dat, tenzij de bevoegdheid daartoe reeds op 13 maart 2003 (het moment van dagvaarding door (onder meer) Stichting Eegalease) was verjaard, een buitengerechtelijke vernietigingsverklaring die is uitgebracht voor 25 juli 2007 tot rechtsgevolg heeft gehad dat de overeenkomst waarop zij betrekking heeft is vernietigd.

4.17.

Overeenkomsten 76006648, 12406554 en 73032641 zijn gesloten na 13 maart 2000. Van verjaring van de bevoegdheid tot vernietiging van deze overeenkomsten kan, gelet op het hiervoor overwogene, daarom geen sprake zijn. Dit betekent dat deze overeenkomsten rechtsgeldig buitengerechtelijke vernietigd zijn. Rechtsgeldige vernietiging van de overeenkomsten heeft tot gevolg dat hetgeen uit hoofde van die overeenkomsten aan Dexia is voldaan, onverschuldigd is betaald en door Dexia dient te worden terugbetaald, verminderd met hetgeen [gedaagde] op grond van de overeenkomsten van Dexia heeft ontvangen. Dat betekent dat met betrekking tot overeenkomsten 76006648, 12406554 en 73032641 de (hoofd)vordering van [gedaagde] genoemd in 3.4 onder I in die zin kan worden toegewezen en dat de vordering van Dexia ten aanzien van deze overeenkomsten moet worden afgewezen.

4.18.

Overeenkomsten 69005851, 57014948, 57181290 en 59011476 zijn gesloten vóór 13 maart 2000. Beoordeeld dient daarom te worden of de bevoegdheid tot vernietiging van deze overeenkomsten ten tijde van het aanhangig maken van de collectieve actie reeds was verjaard. Daaromtrent wordt als volgt overwogen.

4.19.

Uit artikel 3:52, eerste lid, aanhef en onder d, BW in samenhang met artikel 1:89 lid 1 BW volgt dat de bevoegdheid tot vernietiging van een overeenkomst wegens het ontbreken van de krachtens artikel 1:88 BW vereiste toestemming verjaart na het verstrijken van drie jaren gerekend vanaf het moment waarop deze bevoegdheid tot vernietiging aan de echtgenoot die de toestemming had behoren, doch niet heeft gegeven ten dienste is komen te staan. Ingevolge artikel 3:52 lid 2 BW kan na verjaring van de rechtsvordering tot vernietiging een overeenkomst niet meer op dezelfde vernietigingsgrond buitengerechtelijk worden vernietigd. De verjaringstermijn gaat lopen op het tijdstip waarop de betrokken echtgenoot daadwerkelijk bekend is geworden met het bestaan van de overeenkomst. Op degene die zich op verjaring beroept, in dit geval Dexia, rust de stelplicht en bewijslast van de feiten en omstandigheden waaruit die bekendheid van de echtgenoot kan worden afgeleid.

4.20.

Dexia heeft in dat verband aangevoerd dat de betalingen aan Dexia zijn verricht vanaf een en/of rekening. De echtgenote van [gedaagde] moet in de optiek van Dexia daarom op de hoogte zijn geweest, althans geacht worden op de hoogte te zijn geweest van de betalingen aan Dexia die van deze rekening zijn verricht en derhalve van het bestaan van bovengenoemde overeenkomsten vanaf het moment van afschrijving van de eerste betalingen aan Dexia, dan wel vanaf het moment van ontvangst van de relevante bankafschriften. Dexia heeft er voorts op gewezen dat de echtgenote van [gedaagde] op de hoogte was van het bestaan van een winstgevende overeenkomst, zodat zij in elk geval bekend was met het feit dat [gedaagde] effectenleaseovereenkomsten gesloten had. Dexia heeft verder gesteld dat op 19 februari 2003 een telefoongesprek heeft plaatsgevonden tussen een medewerker van Dexia en de echtgenote van [gedaagde] over het Dexia aanbod. In dat telefoongesprek wordt door de medewerker van Dexia gesproken over “leaseovereenkomsten” en antwoordt de echtgenote van [gedaagde] op de vraag of het Dexia aanbod is ontvangen: “Dat heeft hij opgevraagd in verband met de slechte toestanden en beleggingen?”. Dexia trekt hieruit de conclusie dat de echtgenote van [gedaagde] in ieder geval vanaf 19 februari 2003 op de hoogte was van overeenkomsten 69005851, 57014948, 57181290 en 59011476. Dexia leidt uit dit gesprek voorts af dat de echtgenote van [gedaagde] bekend was met poststukken van Dexia. Tot slot heeft Dexia aangevoerd dat de echtgenote van [gedaagde] moet worden geacht belastingaangiften te hebben ingevuld en gelezen en daarbij kennis heeft moeten nemen van de in de aangiften opgegeven betaalde rente, dividenduitkeringen en/of de lening zelf. Al deze omstandigheden leiden er naar de mening van Dexia kennelijk toe dat ervan uit moet worden gegaan dat de echtgenote van [gedaagde] reeds vóór 13 maart 2000 – zijnde drie jaren vóór aanvang van de collectieve actie – van overeenkomsten 69005851, 57014948, 57181290 en 59011476 op de hoogte was.

4.21.

[gedaagde] heeft daartegenover gesteld dat hij zijn echtgenote aanvankelijk niet heeft verteld dat hij bovengenoemde overeenkomsten met Dexia had gesloten. Zijn echtgenote was derhalve niet op de hoogte van het sluiten van deze overeenkomsten. Zij was wel op de hoogte van een (andere) winstgevende overeenkomst. Pas in de eerste helft van 2005, toen partijen in echtscheiding lagen, is de echtgenote van [gedaagde] met het bestaan van onderhavige overeenkomsten op de hoogte geraakt. De en/of rekening waarvan de betalingen aan Dexia werden verricht, werd uitsluitend beheerd door [gedaagde] . De echtgenote van [gedaagde] ontving haar salaris op haar eigen bankrekening. De betalingen inzake overeenkomst 12406554 werden verricht vanaf een rekening op naam van (alleen) [gedaagde] . De post op naam van [gedaagde] werd niet door zijn echtgenote opengemaakt. De belastingaangifte werd gedaan door een boekhouder. De echtgenote van [gedaagde] keek de aangifte van [gedaagde] niet door. Tot slot kan uit het door Dexia genoemde telefoongesprek in 2003 niet worden opgemaakt dat de echtgenote van [gedaagde] reeds voor dat gesprek bekend was met de overeenkomsten, aldus nog steeds [gedaagde] .

4.22.

Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [gedaagde] met vorenstaande stellingen, bezien in onderling verband en samenhang, het verweer van Dexia dat zijn echtgenote

meer dan drie jaar voor aanvang van de collectieve actie met het bestaan van bovengenoemde overeenkomsten bekend was, gemotiveerd betwist. Dit betekent dat Dexia de door haar gestelde bekendheid dient te bewijzen. Uit het telefoongesprek van 19 februari 2003 kan niet worden afgeleid dat de echtgenote van [gedaagde] vóór 13 maart 2000 van het bestaan van de overeenkomsten op de hoogte was. De door Dexia (voor het overige) aangevoerde omstandigheden betreffen in essentie veronderstellingen en aannames en zijn onvoldoende om het bestaan van die bekendheid voorshands aan te nemen.

4.23.

Indien Dexia het bewijs (mede) wenst te leveren door schriftelijke stukken of andere gegevens, dient zij deze afzonderlijk bij akte in het geding te brengen. Indien Dexia het bewijs wil leveren door het doen horen van getuigen, dient zij dit in de akte te vermelden en de verhinderdata op te geven van alle partijen en van de op te roepen getuigen. De kantonrechter zal dan vervolgens een dag en uur voor een getuigenverhoor bepalen.

4.24.

[gedaagde] moet bij de getuigenverhoren in persoon aanwezig zijn. Dexia dient bij de getuigenverhoren rechtsgeldig vertegenwoordigd aanwezig zijn. Indien een partij zonder gegronde reden niet verschijnt, kan dit nadelige gevolgen voor die partij hebben.

4.25.

De kantonrechter verwacht dat het verhoor per getuige maximaal 30 minuten zal duren. Als Dexia verwacht dat het verhoor van een getuige langer zal duren dan de hiervoor vermelde duur, kan dat in de te nemen akte worden vermeld.

4.26.

Als Dexia niet slaagt in bovenbedoeld bewijs, staat vast dat de bevoegdheid van de echtgenote van [gedaagde] tot vernietiging van overeenkomsten 69005851, 57014948, 57181290 en 59011476 wegens het ontbreken van haar toestemming niet was verjaard toen zij deze uitoefende. In dat geval zijn deze overeenkomsten rechtsgeldig vernietigd. Zoals in rechtsoverweging 4.17 is overwogen heeft deze vernietiging tot gevolg dat hetgeen uit hoofde van die overeenkomsten aan Dexia is voldaan, onverschuldigd is betaald en door Dexia dient te worden terugbetaald, verminderd met hetgeen [gedaagde] op grond van de overeenkomsten van Dexia heeft ontvangen. De (hoofd)vordering van [gedaagde] genoemd in 3.4 onder I dient dan ook met betrekking tot overeenkomsten 69005851, 57014948, 57181290 en 59011476 in zoverre te worden toegewezen. De vordering van Dexia zal in dat geval ten aanzien van deze overeenkomsten moeten worden afgewezen.

4.27.

Slaagt Dexia wel in bovengenoemd bewijs, dan staat vast dat de bevoegdheid van de echtgenote van [gedaagde] tot vernietiging van overeenkomsten 69005851, 57014948, 57181290 en 59011476 op 13 maart 2003 reeds was verjaard. De vordering van Dexia dient in dat geval met betrekking tot deze overeenkomsten te worden toegewezen en de vorderingen van [gedaagde] te worden afgewezen.

4.28.

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

draagt Dexia op om feiten en omstandigheden te bewijzen die de conclusie rechtvaardigen dat de echtgenote van [gedaagde] al vóór 13 maart 2000 op de hoogte was van het bestaan van overeenkomsten 69005851, 57014948, 57181290 en 59011476,

5.2.

verwijst de zaak naar de rolzitting van woensdag 10 februari 2016 teneinde Dexia in de gelegenheid te stellen bij akte aan te geven op welke wijze zij bewijs wil leveren;

5.3.

bepaalt dat, indien Dexia (mede) bewijs wil leveren door middel van schriftelijke bewijsstukken, zij die stukken op die rolzitting in het geding moet brengen;

5.4.

bepaalt dat, indien Dexia bewijs wil leveren door middel van het horen van getuigen, zij op die rolzitting:

- de namen en woonplaatsen van de getuigen dient op te geven;

- moet opgeven op welke dagen alle partijen, hun (eventuele) advocaten/gemachtigden en de getuigen in de drie maanden nadien verhinderd zijn; zij dient bij die opgave ten minste vijftien dagdelen vrij te laten waarop het getuigenverhoor zou kunnen plaatsvinden;

5.5.

bepaalt dat:

- voor het opgeven van verhinderdata geen uitstel zal worden verleend;

- indien Dexia geen gebruik maakt van de mogelijkheid om verhinderdata op te geven de rechter eenzijdig een datum zal bepalen waarvan dan in beginsel geen wijziging meer mogelijk is;

- het getuigenverhoor zal kunnen worden bepaald op een niet daarvoor opgegeven dagdeel, indien bij de opgave minder dan het hiervoor verzochte aantal dagdelen zijn vrijgelaten;

5.6.

bepaalt dat de datum van het getuigenverhoor in beginsel niet zal worden gewijzigd nadat daarvoor dag en tijdstip zijn bepaald;

5.7.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.H. Gaertman, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 27 januari 2016.