Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2015:9900

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
24-06-2015
Datum publicatie
03-01-2019
Zaaknummer
3137623 MC EXPL 14-6815 BmR/842
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:RBMNE:2014:7698
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het gaat in deze zaak om de vraag of tussen partijen een huurovereenkomst tot stand is gekomen betreffende bedrijfsruimte bestemd voor de exploitatie van een restaurant. De kantonrechter heeft geoordeeld dat in de tussen partijen getekende huuraanbieding en op grond van de omstandigheden van het geval aan de essentialia van een huurovereenkomst is voldaan. Aan de huurovereenkomst is geen uitvoering gegeven. Gedaagde is schadeplichtig. Zie anders in deze zaak Hof Arnhem Leeuwarden 10 juli 2018 ECLI:NL:GHARL:2018:6329

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Civiel recht

kantonrechter

locatie Almere

zaaknummer: 3137623 MC EXPL 14-6815 BmR/842

Vonnis van 24 juni 2015

inzake

de besloten vennootschap

Stichting Ouderenhuisvesting Rotterdam, in rechte vertegenwoordigd door de besloten vennootschap [bedrijfsnaam] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

verder ook te noemen De SOR,

eisende partij,

gemachtigde: mr. F.H.J. van Schoonhoven,

tegen:

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

verder ook te noemen [gedaagde] ,

gedaagde partij,

gemachtigde: mr. H. den Besten.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de conclusie van antwoord

- de conclusie van repliek

- de conclusie van dupliek

- het tussenvonnis van 10 december 2015

- akte eiseres

- proces-verbaal van comparitie van partijen van 22 april 2015

- akte aan de zijde van eiseres

- akte aan de zijde van gedaagde.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling

2.1.

De kantonrechter verwijst voor de feiten naar het tussenvonnis van 10 december 2014. De kantonrechter oordeelt met inachtneming van de overwegingen in het tussenvonnis van 10 december 2014 als volgt.

2.2.

De kantonrechter heeft vastgesteld dat tussen partijen een huurovereenkomst tot stand is gekomen betreffende de locatie [locatie] [nummeraanduiding] - [nummeraanduiding] ter grootte van 865 m2, plaatselijk bekend als [adres] te [naam gebied] . Het gehuurde is door [gedaagde] niet in gebruik genomen. Bij tussenvonnis is voorts overwogen dat [gedaagde] schadeplichtig is. Uitgangspunt is de schade vanaf de datum van aanvang van de huurovereenkomst tot de datum waarop de huurovereenkomst zou zijn geëindigd als geen eerdere “beëindiging” van de huurovereenkomst had plaatsgevonden. De aard van de schade – gederfde huurinkomsten – leent zich er voor om na “beëindiging” van de huurovereenkomst ontvangen huur van de nieuwe huurder voor de huur van het gehuurde in de resterende periode na beëindiging op de resterende gederfde huurinkomsten in mindering te brengen. De SOR heeft het gehuurde per 1 maart 2014 kunnen verhuren aan een andere partij. De SOR vordert het verschil tussen de netto-inkomsten, die zij zou hebben ontvangen op basis van het tienjarige huurcontract met [gedaagde] en de netto inkomsten die zij ontvangt en zal ontvangen van de nieuwe huurder (10 jaar). Daartoe heeft De SOR bij akte een aangepaste berekening in het geding gebracht op basis van de netto contante waarde te stellen op € 424.035,46 gedurende de huurperiode van 10 jaar te vermeerderen met de wettelijke handelsrente althans de wettelijke rente tot aan de voldoening. [gedaagde] heeft de juistheid van de berekening van De SOR weliswaar bestreden, maar dit op geen enkele wijze onderbouwd, zodat de kantonrechter van de berekening van De SOR zal uitgaan.

2.3.

Op grond van art. 6:97 BW dient de rechter de schade te begroten op de wijze die het meest met de aard daarvan in overeenstemming is. De SOR heeft gesteld dat zij heeft voldaan aan haar schadebeperkingsplicht door het gehuurde opnieuw te verhuren. Uit artikel 6:101 BW vloeit immers voort dat de benadeelde de verplichting heeft zijn schade zoveel mogelijk te beperken. [gedaagde] heeft zich op het standpunt gesteld dat de nieuwe huurovereenkomst en de daarin opgenomen nieuwe huurprijs met een derde niet marktconform is. De SOR heeft dit gemotiveerd betwist door overlegging van een vergelijking van gehuurde panden in de omgeving van het gehuurde. Het is aan de huurder te stellen en met feiten en omstandigheden te onderbouwen dat de verhuurder de bedrijfsruimte had kunnen verhuren tegen betere marktconforme condities. Bij gemotiveerde betwisting heeft de huurder vervolgens te bewijzen dat de verhuurder in zijn schadebeperkingsplicht is te kort geschoten. [gedaagde] heeft haar stelling dat niet (opnieuw) marktconform is verhuurd op geen enkele wijze onderbouwd en daarmee niet voldaan aan haar stelplicht en bewijsaandraagplicht. Dat [gedaagde] mogelijkerwijs zelf een huurprijs is overeengekomen met De SOR, die niet marktconform zou zijn, is niet van belang, nu de overeengekomen huurprijs door [gedaagde] zelf is aangedragen, en derhalve voor haar rekening en risico dient te blijven. De kantonrechter kan niet treden in de contractsvrijheid van partijen. Het verweer van [gedaagde] dient om die redenen te worden gepasseerd.

2.4.

De kantonrechter is van oordeel dat nu het hier gaat om voornamelijk “toekomstige” schade over een zeer lange periode en onvoldoende zekerheid bestaat dat de nieuwe huurovereenkomst voor de resterende periode van de oorspronkelijke huurovereenkomst met [gedaagde] in stand zal blijven de schade thans door de kantonrechter zal worden begroot op basis van een periode van 2,5 jaar, derhalve tot een bedrag van 25% van de vordering, te weten € 106.008.86. De gevorderde handelsrente wordt afgewezen, de gevorderde wettelijke rente zal worden toegewezen. De kantonrechter ziet aanleiding om ambtshalve voor de overige gevorderde schade de zaak te verwijzen naar de schadestaatprocedure.

2.5.

[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.

De beslissing

De kantonrechter:

- verklaart voor recht dat tussen partijen een huurovereenkomst tot stand is gekomen;

- verklaart voor recht dat de door de echtgenoot van [gedaagde] verrichte vernietiging ex artikel 1:88 BW geen rechtskracht heeft;

- verklaart voor recht dat [gedaagde] haar verplichtingen uit de huurovereenkomst niet is nagekomen;

- veroordeelt [gedaagde] om aan De SOR tegen bewijs van kwijting te betalen € 106.008,86 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van de dagvaarding tot de voldoening;

- veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van De SOR, tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 3.816,80, waarin begrepen € 2.800,00 aan salaris gemachtigde;

- veroordeelt [gedaagde] , onder de voorwaarde dat zij niet binnen 14 dagen na aanschrijving door De SOR volledig aan dit vonnis voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:

€ 100,00 aan salaris gemachtigde, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na aanschrijving tot de voldoening, te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van betekening van het vonnis, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na betekening tot de voldoening;

- veroordeelt [gedaagde] voor het overige om aan De SOR schadevergoeding te betalen, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.M. Berendsen, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2015.