Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2015:9878

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
16-09-2015
Datum publicatie
16-06-2017
Zaaknummer
4152340 AC EXPL 15-2153
Formele relaties
Einduitspraak: ECLI:NL:RBMNE:2016:7733
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Tussenbeschikking
Inhoudsindicatie

Verkoop paard. Non-conformiteit. Bewijsopdracht

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Civiel recht

kantonrechter

locatie Amersfoort

zaaknummer: 4152340 AC EXPL 15-2153 HA/17443

Vonnis van 16 september 2015

inzake

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats] ,

verder ook te noemen [eiseres] ,

eisende partij,

gemachtigde: mr. S.A. Wensing,

tegen:

1. de vennootschap onder firma

[gedaagde sub 1] ,

gevestigd te [vestigingsplaats]

2 [gedaagde sub 2] ,

wonende te [woonplaats]

3 [gedaagde sub 3] ,

wonende te [woonplaats]

4 [gedaagde sub 4] ,

wonende te [woonplaats]

5 [gedaagde sub 5] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde partij,

gemachtigde: mr. V.M. Weski.

Gedaagden gezamenlijk verder ook te noemen [gedaagde sub 1 c.s.]

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 1 juli 2015

  • -

    het verkorte proces-verbaal van comparitie van 3 september 2015 en de schriftelijke aantekeningen van de zitting, gemaakt door de griffier

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[gedaagde sub 1 c.s.] exploiteert een handelsstal in paarden. [eiseres] is een hobbymatige beoefenaar van de paardensport. Na eenmaal te hebben proefgereden, heeft [eiseres] op 3 september 2014 het vierjarige paard ‘ [naam paard] ’ gekocht van [gedaagde sub 1 c.s.] voor het bedrag van € 4.500,00. Het paard is op dezelfde dag geleverd aan [eiseres] . [naam paard] is gefokt, afgericht en ingereden door [gedaagde sub 1 c.s.] en was ten tijde van de koop ongeveer driekwart jaar onder het zadel.

2.2.

[eiseres] is op 5 september 2014 bij het berijden van [naam paard] van het paard gevallen en is daarbij gewond geraakt. [eiseres] heeft sinds 5 september 2014 niet meer gereden op [naam paard] . Wel heeft zij haar paardrij-instructrice op [naam paard] laten rijden tot half januari 2015. Sindsdien wordt [naam paard] niet meer bereden, maar laat [eiseres] haar elke dag aan de longeerlijn lopen.

2.3.

Het paard is op 3 februari 2015 door de faculteit Diergeneeskunde […] onderzocht. In een brief van 17 februari 2015 stelt de onderzoeker van de faculteit als diagnose dat het paard verminderde visus heeft aan het rechteroog en dat er bij de rest van het oogonderzoek geen klinisch relevante bevindingen zijn. In een advies aan de eigenaar schrijft de onderzoeker: “Waarschijnlijk is de oorzaak van de verminderde visus gelokaliseerd in de diepere delen (bv hersenen) en is het niet mogelijk dit te diagnosticeren. Met de eigenaren is besproken om beide ogen te behandelen met oogdrukverlagers gedurende 2 weken en eventueel een oogkap te gebruiken in de tweede week (om te kijken of het schrikachtige gedrag verminderd). Mocht dit geen resultaat geven, dan is de prognose dubieus – ongunstig.”

2.4.

Bij brief van 25 februari 2015 heeft [eiseres] de koopovereenkomst primair ontbonden op grond van non-conformiteit en subsidiair vernietigd op grond van dwaling.

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, hoofdelijke veroordeling van [gedaagde sub 1 c.s.] om aan [eiseres] te voldoen:
- primair € 4.500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over de hoofdsom vanaf 1 maart 2015 tot de voldoening, subsidiair een lager bedrag;

  • -

    de buitengerechtelijk incassokosten conform rapport voorwerk;

  • -

    de geleden en te lijden schade, nader op te maken bij staat, te vermeerderen met de wettelijke rente over de hoofdsom vanaf 1 maart 2015 tot de voldoening;

met hoofdelijke veroordeling van [gedaagde sub 1 c.s.] in de proceskosten.

3.2.

Ter onderbouwing van die vordering stelt [eiseres] primair dat het paard niet aan de overeenkomst beantwoordt omdat het niet geschikt is als gezond rij- en sportpaard vanwege de forse oogafwijking en het daardoor ontstane schrikachtige gedrag. [gedaagde sub 1 c.s.] is jegens [eiseres] toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van de verplichtingen ingevolge de tussen partijen gesloten overeenkomst door niet een gezond en geschikt paard te leveren. Er is sprake van een consumentenkoop en nu het gebrek zich binnen zes maanden na aflevering heeft geopenbaard, moet op grond van artikel 7:18 BW vermoed worden dat het paard bij aflevering niet aan de overeenkomst heeft beantwoord. Subsidiair is de overeenkomst tot stand gekomen onder invloed van (eenzijdige dan wel wederzijdse) dwaling en zou deze bij een juiste voorstelling van zaken niet zijn gesloten.

[eiseres] maakt aanspraak op de wettelijke rente en de buitengerechtelijke kosten nu [gedaagde sub 1 c.s.] vanaf 1 maart 2015 in verzuim is geraakt. Zij vordert alle geleden en nog te lijden schade, waaronder stallings- en dierenartskosten evenals inkomstenderving ten gevolge van de val van het paard.

3.3.

[gedaagde sub 1 c.s.] heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen de vordering met als conclusie dat de kantonrechter deze zal afwijzen, met veroordeling van [eiseres] in de proceskosten.

3.4.

[gedaagde sub 1 c.s.] baseert zijn verweer - kort weergegeven - op het volgende.

[eiseres] mocht verwachten dat het paard [naam paard] een rijpaard was dat geschikt is voor de recreatie en de basissport. Daaraan voldeed [naam paard] ten tijde van de levering. Het paard [naam paard] was ten tijde van de aflevering een fijn te rijden paard, met goed karakter, dat niet schrikachtig of bokkig was. [gedaagde sub 1 c.s.] betwist dat het paard niet meer geschikt is als rijpaard. Ten eerste heeft [eiseres] onvoldoende concreet onderbouwd dat [naam paard] schrikachtig is en geen braaf, geschikt rijpaard meer zou zijn. Bij gebrek aan wetenschap betwist [gedaagde sub 1 c.s.] dat [eiseres] van het paard is gevallen en gewond is geraakt. Ten tweede is niet gebleken dat het door de faculteit Diergeneeskunde onderzochte paard het paard [naam paard] is. Ten derde is niet gebleken dat er een verband is tussen de verminderde visus en het vermeende schrikachtig gedrag. Ten vierde blijkt uit het onderzoek dat het paard voldoende zicht heeft met twee ogen waardoor het nog steeds geschikt is als rijpaard.

Voor zover sprake is van een gebrek (in de vorm van verminderd visus) dat leidt tot non conformiteit, kan het bewijsvermoeden ex artikel 7:18 BW niet worden toegepast, nu de ‘tenzij’-bepaling opgaat: de aard van de zaak (paard) en de aard van de afwijking verzetten zich tegen toepassing van het bewijsvermoeden.

3.5.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Allereerst moet worden beoordeeld of het afgeleverde paard [naam paard] beantwoordt aan de overeenkomst. Een zaak beantwoordt niet aan de overeenkomst als zij niet de eigenschappen bezit die de koper op grond van de overeenkomst mocht verwachten. Partijen zijn het erover eens dat paard [naam paard] is verkocht en op 3 september 2014 is geleverd als een – volgens mededelingen van [gedaagde sub 1 c.s.] – gemiddeld braaf en geschikt rijpaard voor een hobbymatige ruiter. Dat zijn dan ook de eigenschappen die [eiseres] mocht verwachten. Overigens wordt van de zijde van [eiseres] niet betwist dat [naam paard] tot het moment van levering zich altijd als een gemiddeld braaf en geschikt rijpaard heeft gedragen.

4.2.

Vaststaat dat [naam paard] op 3 februari 2015 door de faculteit Diergeneeskunde […] is onderzocht en dat de onderzoeker als diagnose heeft gesteld dat het paard verminderde visus heeft aan het rechteroog. [gedaagde sub 1 c.s.] heeft weliswaar opgeworpen dat niet vaststaat dat het verkochte en geleverde paard in kwestie is onderzocht, maar die stelling wordt als onvoldoende onderbouwd verworpen. Op de brief van 17 februari 2015 van de Faculteit Diergeneeskunde staat immers de naam [naam paard] vermeld en niet in geschil is dat er toen al discussie tussen partijen liep over de gezondheid c.q. geschiktheid van het paard. In dat licht is ook de betwisting van de val van [eiseres] van het paard [naam paard] op 5 september 2014 onvoldoende gemotiveerd.

Naar het oordeel van de kantonrechter staat dan ook vast dat er sprake is van verminderde visus aan het rechteroog van [naam paard] .

4.3.

De kern van de stelling van [eiseres] is dat [naam paard] sinds de levering zodanig schrikachtig is dat het – ook voor geoefende rijders – (te) gevaarlijk is om haar te berijden. Zij heeft gesteld dat het schrikachtig gedrag voortkomt uit het gegeven dat het paard dingen te laat ziet en dus uit het geconstateerde verminderde zicht. Dat gedrag heeft zich logischerwijs geopenbaard in een voor het paard nieuwe en onbekende omgeving, aldus [eiseres] . [gedaagde sub 1 c.s.] heeft betwist dat het paard dermate schrikachtig gedrag vertoont dat het geen braaf en geschikt rijpaard meer zou zijn. Ook heeft hij betwist dat het veronderstelde schrikachtige gedrag wordt veroorzaakt door verminderd zicht. [gedaagde sub 1 c.s.] wijst er in dat kader op dat schrikachtig gedrag door allerlei factoren kan worden veroorzaakt, bijvoorbeeld door de wijze van behandeling en berijding door [eiseres] en door de nieuwe omgeving.

4.4.

[eiseres] heeft voldoende gemotiveerd gesteld dat sprake is van zodanig schrikachtig gedrag tengevolge van de verminderde visus dat geen sprake meer is van een gemiddeld braaf en geschikt rijpaard voor een hobbymatige ruiter. Zij heeft immers gesteld dat de instructrice die het paard bereed het paard zeer angstig vond en heeft gemerkt dat het paard dingen te laat leek te zien en daardoor schrok. Het paard kon nauwelijks worden geladen in een trailer en ook tijdens het onderzoek van de Faculteit moest het kalmerende middelen krijgen, aldus [eiseres] . [eiseres] heeft het paard vanaf half januari niet meer laten berijden omdat ze dat te gevaarlijk vond. [gedaagde sub 1 c.s.] heeft de stelling van [eiseres] (dat sprake is van zodanig schrikachtig gedrag tengevolge van de verminderde visus dat geen sprake meer is van een gemiddeld braaf en geschikt rijpaard voor een hobbymatige ruiter) gemotiveerd betwist. [eiseres] zal dan ook in de gelegenheid worden gesteld om bewijs te leveren van haar stelling. Indien zij in het bewijs van haar stelling slaagt, komt vast te staan dat [naam paard] niet aan de overeenkomst beantwoordt.

4.5.

Voor zover [eiseres] heeft betoogd dat alleen al uit de door de Faculteit Diergeneeskunde gediagnosticeerde verminderde visus aan het rechteroog moet worden afgeleid dat sprake is van non-conformiteit, kan die stelling (zonder nadere onderbouwing) niet worden aanvaard. Uit de brief van de Faculteit volgt immers niet dat het paard door de verminderde visus aan het rechteroog niet meer voldoet als een braaf en geschikt rijpaard. In die brief is niet te lezen (zoals [eiseres] stelt) dat de Faculteit heeft gesteld of geconcludeerd dat er sprake is van (zeer) angstig gedrag of dat verminderd zicht aan één oog schrikachtig gedrag veroorzaakt. Ook staat er niet in dat sprake is van een “forse” oogafwijking zoals [eiseres] stelt. De prognose, die is benoemd als “dubieus-ongunstig”, ziet – aldus ook [eiseres] - op de verminderde visus en niet op de geschiktheid als rijpaard.

[gedaagde sub 1 c.s.] heeft voorts gemotiveerd gesteld dat een paard met verminderd visus aan één oog, maar voldoende zicht aan beide ogen (hetgeen volgt uit het onderzoek van de Faculteit), nog best een braaf en geschikt rijpaard voor hobbymatige doeleinden is of kan zijn. Bij de beoordeling van de stelling van [eiseres] speelt verder een rol dat niet in geschil is dat [naam paard] tot het moment van levering zich altijd als een braaf en geschikt rijpaard heeft gedragen terwijl [eiseres] – gelet op uitlatingen tijdens de comparitie – er vanuit gaat dat de oogafwijking al voor de levering bestond. De enkele mededeling van [gedaagde sub 1 c.s.] bij de koop dat het tot dat moment een gezond paard is geweest, maakt niet dat de constatering van een afwijking leidt tot de conclusie dat het paard niet beantwoordt aan de overeenkomst. Daarvoor is veel meer van belang of het paard door de afwijking niet meer geschikt is voor het beoogde gebruik.

4.6.

Als [eiseres] slaagt in de bewijslevering, is vervolgens de vraag aan de orde of het paard al bij aflevering op 3 september 2014 niet aan de overeenkomst heeft beantwoord. Partijen zijn het erover eens dat sprake is van een consumentenkoop, maar verschillen van mening of het bewijsvermoeden van artikel 7:18 lid 2 BW in dit geval van toepassing is. Dit artikel houdt in dat vermoed wordt dat het paard bij aflevering niet aan de overeenkomst heeft beantwoord, omdat de afwijking zich binnen een termijn van zes maanden na aflevering heeft geopenbaard. De kantonrechter oordeelt dat het bewijsvermoeden toepassing vindt in dit geval. Niet betwist is dat (indien bewezen) de schrikachtigheid tengevolge van het verminderde zicht zich heeft geopenbaard binnen zes maanden na aflevering. Uit de wetsgeschiedenis van dit artikel volgt dat het enkele feit dat de verkochte zaak een dier en meer specifiek een paard betreft, niet aan toepassing van het bewijsvermoeden in de weg staat. Verwezen wordt naar het arrest van Hof Den Haag van 31 maart 2015 (ECLI:NL:GHDHA:2015:869) waarin deze wetsgeschiedenis uitgebreid wordt geciteerd. Ook de aard van de afwijking (verminderde visus) rechtvaardigt niet een beroep op de ‘tenzij’-bepaling. Gelet op de wetsgeschiedenis ziet deze uitzonderingsgrond vooral op een afwijking die duidelijk is ontstaan door de handelwijze van koper. Daarvan is in dit geval, gezien de constateringen van de Faculteit over de aard van de afwijking, geen sprake. Als [eiseres] slaagt in de bewijslevering, wordt in deze zaak dan ook vermoed dat [naam paard] bij aflevering niet aan de overeenkomst heeft beantwoord.

4.7.

De kantonrechter zal in dat geval [gedaagde sub 1 c.s.] niet in de gelegenheid stellen om tegen dat vermoeden tegenbewijs te leveren. [gedaagde sub 1 c.s.] heeft in dat verband onvoldoende gemotiveerd gesteld dat de verminderde visus aan het rechteroog niet aanwezig was ten tijde van de levering van het paard. [gedaagde sub 1 c.s.] heeft uitgebreid gesteld dat het paard braaf en geschikt was als rijpaard ten tijde van de levering, maar tegenover de door [eiseres] onderbouwde aanwezigheid van het verminderde zicht ten tijde van de levering heeft zij zonder onderbouwing gesteld dat een vermindering van het zicht zich plotseling kan manifesteren. Indien [eiseres] slaagt in de bewijslevering zal de kantonrechter dan ook aannemen dat het paard al ten tijde van de levering niet heeft beantwoord aan de overeenkomst. In dat geval heeft de buitengerechtelijke ontbinding terecht plaatsgevonden en is [gedaagde sub 1 c.s.] vanaf 1 maart 2015 in verzuim. Er ontstaan daardoor ongedaanmakingsverbintenissen voor partijen en [gedaagde sub 1 c.s.] dient dan de door [eiseres] ten gevolge van de non-conformiteit geleden schade te vergoeden.

4.8.

In het geval [eiseres] niet slaagt in de bewijslevering, komt niet vast te staan dat het paard niet aan de overeenkomst beantwoordt. In dat geval heeft [eiseres] de overeenkomst niet mogen ontbinden. Over de subsidiaire grondslag van de vordering (eenzijdige dan wel wederzijdse dwaling) overweegt de kantonrechter het volgende. [eiseres] heeft niet gesteld dat [gedaagde sub 1 c.s.] ten tijde van de koop en levering wist dat [naam paard] verminderde visus had aan het rechteroog. Tijdens de comparitie heeft [eiseres] verklaard dat ze gelooft dat [gedaagde sub 1 c.s.] niet heeft geweten dat [naam paard] iets aan haar oog mankeerde. In deze procedure moet er dan ook vanuit worden gegaan dat [gedaagde sub 1 c.s.] niet wist dat [naam paard] een oogafwijking had en dat betekent dat alleen een beroep op wederzijdse dwaling kan slagen.

4.9.

[eiseres] heeft haar beroep op dwaling enkel onderbouwd met de stelling dat zij het paard niet zou hebben gekocht als zij had geweten dat het paard niet geschikt zou zijn als rijpaard. Indien zij niet slaagt in de bewijslevering, komt niet vast te staan dat [naam paard] ongeschikt is als rijpaard voor hobbymatige doeleinden. Daarmee komt de feitelijke grondslag onder haar beroep op dwaling te vervallen en moet dus ook het beroep op dwaling worden verworpen.

4.10.

De kantonrechter verwijst de zaak naar de rol voor uitlating aan de zijde van [eiseres] . Indien [eiseres] het bewijs (mede) wenst te leveren door schriftelijke stukken of andere gegevens, dient zij deze afzonderlijk bij akte in het geding te brengen. Indien [eiseres] het bewijs wil leveren door het doen horen van getuigen, dient zij dit in de akte te vermelden en de verhinderdata op te geven van alle partijen en van de op te roepen getuigen. De rechtbank zal dan vervolgens een dag en uur voor een getuigenverhoor bepalen.

Partijen moeten bij de getuigenverhoren in persoon dan wel rechtsgeldig vertegenwoordigd aanwezig zijn. Indien een partij zonder gegronde reden niet verschijnt, kan dit nadelige gevolgen voor die partij hebben.

De kantonrechter verwacht dat het verhoor per getuige ongeveer 60 minuten zal duren. Als [eiseres] besluit om een professional uit de paardensport (bijvoorbeeld een dierenarts) te horen als getuige, dan is een verhoor van ongeveer 90 minuten te verwachten. Als [eiseres] verwacht dat het verhoor van een getuige langer zal duren dan de hiervoor vermelde duur, kan dat in de te nemen akte worden vermeld.

4.11.

Indien [eiseres] het bewijs (mede) wenst te leveren door deskundigenonderzoek, dienen partijen zich bij akte uit te laten over aantal, deskundigheid en - bij voorkeur eensluidend - over de perso(o)n(en) van de te benoemen deskundige(n). Voorts kunnen partijen suggesties doen over de aan de deskundige(n) voor te leggen vragen. Indien partijen zich uitlaten over de persoon van de te benoemen deskundige(n), dienen zij daarbij aan te geven over welke deskundige(n) zij het eens zijn, dan wel tegen wie zij gemotiveerd bezwaar hebben. De kantonrechter is voorlopig van oordeel dat, als [eiseres] kiest voor deskundigenonderzoek, kan worden volstaan met de benoeming van één deskundige op het gebied van de paardendiergeneeskunde. De kantonrechter heeft het voornemen om de kosten van de deskundige(n) voorlopig ten laste van [eiseres] te brengen omdat bij haar de bewijslast van haar stelling ligt.

4.12.

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

De beslissing

De kantonrechter:

draagt [eiseres] op om te bewijzen:

- dat [naam paard] tengevolge van de verminderde visus aan het rechteroog zodanig schrikachtig is dat zij niet geschikt is als gemiddeld braaf rijpaard voor hobbymatige doeleinden;

verwijst de zaak naar de rolzitting van woensdag 14 oktober 2015 teneinde [eiseres] in de gelegenheid te stellen bij akte aan te geven op welke wijze zij bewijs wil leveren;

bepaalt dat, indien [eiseres] (mede) bewijs wil leveren door middel van schriftelijke bewijsstukken, zij die stukken op die rolzitting in het geding moet brengen;

bepaalt dat, indien [eiseres] bewijs wil leveren door middel van het horen van getuigen, zij op die rolzitting:

- de namen en woonplaatsen van de getuigen dient op te geven;

- moet opgeven op welke dagen alle partijen, hun (eventuele) advocaten/gemachtigden en de getuigen in de drie maanden nadien verhinderd zijn; zij dient bij die opgave ten minste vijftien dagdelen vrij te laten waarop het getuigenverhoor zou kunnen plaatsvinden;

bepaalt dat:

- voor het opgeven van verhinderdata geen uitstel zal worden verleend;

- indien [eiseres] geen gebruik maakt van de mogelijkheid om verhinderdata op te geven de rechter eenzijdig een datum zal bepalen waarvan dan in beginsel geen wijziging meer mogelijk is;

- het getuigenverhoor zal kunnen worden bepaald op een niet daarvoor opgegeven dagdeel, indien bij de opgave minder dan het hiervoor verzochte aantal dagdelen zijn vrijgelaten;

bepaalt dat de datum van het getuigenverhoor in beginsel niet zal worden gewijzigd nadat daarvoor dag en tijdstip zijn bepaald;

bepaalt dat, indien [eiseres] (mede) bewijs wil leveren door deskundigenonderzoek de zaak weer op de rol zal komen twee weken na de hiervoor genoemde uitlating door [eiseres] voor het nemen van een akte door beide partijen waarin zij zich uitlaten over het aantal, deskundigheid en de perso(o)n(en) van de te benoemen deskundige(n) en de aan de deskundige(n) voor te leggen vragen;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.A. Brouwer, kantonrechter, en is in het openbaar uitgesproken op 16 september 2015.